Verhalen en belevenissen op Erica

Welkom op ericalekkerwater.nl

Welkom op ericalekkerwater.nl

Goeiedag eem.
Er is veel over het prachtige dorp Erica in de provincie Drenthe geschreven. Als geboren en getogen Ericaan wil ik mijn bijdrage leveren. Weet iemand bijvoorbeeld waar ‘Op Erica’ vandaan komt? Vroeger hadden de mensen over achterop Erica, waarmee ze voornamelijk de winkel van Schepers bedoelden maar verder ook de woningen bij en aan de Herendijk. Zo bijzonder is dit niet hoor. In die tijd zeiden ze ook achterop de Dortsedijk, achterop de Strengdijk of achterop de Noordersloot. Achterop Erica is blijven ‘hangen’ en is verbasterd tot Op Erica. Dit soort weetjes omtrent Erica kom je op deze site tegen. Ik schrijf verder over de belevenissen uit mijn jeugd, de welpentijd, de verkennerstijd, de bromfietstijd en mijn eerste auto. Ik beschrijf gebeurtenissen op Erica uit vroegere tijden, zeg maar uit overlevering. Daarnaast schrijf ik verhalen die zijdelings met Erica te maken hebben. Zo beschrijf ik een van de eerste vaste bewoners van Erica en laat zien waar de gezegde ‘Erica lekker water’ vandaan komt. Periodiek schrijf ik een nieuw verhaal. De verhalen heb ik verdeeld in categorieën,  Schon is die Jugendzeit, Geschiedenis van Erica, Natuur en Legendes op Erica.
Het belangrijkste voor mij is dat ik op deze site monumentale tijdspareltjes op Erica, uit het dagelijkse leven van toen en nu, aan de vergetelheid wil onttrekken (scroll naar beneden).

Tjui, en doe kalm an hè.

Henk Beukers
Erica, 29 augustus 2010
jhhbeukers@gmail.com

Sint Maarten

Sint Maarten

Voordat met Sint Maarten, met een lampion, langs de deuren werd gelopen, hadden kinderen vroeger een andere manier om het bedelfeest te vieren. In de jaren zestig liepen kinderen op Erica verkleed als Sinterklaas of Zwarte Piet langs de deuren. Overal zag je verklede kinderen richting brug lopen. Na het zingen van een liedje kregen de kinderen een paar centen of soms zelfs snoep. De traditie van verkleed langs de deuren te gaan liep echter op zijn eind. Begin jaren zestig maakte Sinterklaas langs de deuren plaats voor een andere bedelheilige, Sint Maarten. Over de ontstaansgeschiedenis van Sint Maarten wordt verondersteld dat het feest teruggrijpt op een Germaans winterfeest: het ronddragen van het (heilige) vuur zou een voorchristelijk vruchtbaarheidsritueel zijn. Het heidense ritueel zou dan door de kerk zijn overgenomen. Hoe het ook zij, Sint Maarten is het eerste sfeerfeest voor de winter, gevolgd door Sinterklaas en Kerstmis. Bij Sint Maarten moeten de kinderen de boer op, ze moeten zich actief opstellen om aan snoep te komen. Bij Sinterklaas daarentegen vliegen de pepernoten vanzelf om de kinderoortjes, bij Kerst wacht zomaar een gedekte dis. De Lampion van tegenwoordig verschilt eigenlijk niet zoveel van die van vroeger. De lampion is nog steeds een lichtdoorlatend papieren omhulsel met een draadje aan een stokje. Met nog steeds daarachter een verwachtingsvolle kindergezichtje na het zingen van een liedje. Verschillen zijn er natuurlijk ook. Lampions van vroeger waren voorzien van een brandend kaarsje, tegenwoordig een lampje gevoed door een batterij in het handvat. Vroeger liepen de kinderen in grote groepen langs de deur, zonder begeleiding van ouders of oppassers. In koor lukt het altijd om een liedje te zingen. Als tegenwoordig een kind vastloopt in het liedje hoor je zachtjes achter een conifeer een ouder meezingen. Bij ons thuis was het op 11 November om 17.30 uur een gekkenhuis. We waren met vier broers sterk en ontzettend opgewonden, over wat ons die avond te wachten stond. Ma hees ons in de kleren en pa stak geduldig de kaarsjes in de lampions aan. Toen broer vier aan de beurt was had broer één zijn jas alweer uit en stond beteuterd naar een uitgedoofde kaarsje te kijken. Broer twee en drie bleven keurig maar vol overgave iedereen in de weg lopen. Om precies 18.00 uur zouden de kinderen van Roling, onze buren, bij ons aan de deur verschijnen. Daarna togen de kinderen van Beukers naar de voordeur van Roling, zo was de traditie. We hielden van tradities. Opeens werden vier kinderen gek en begonnen opgewonden te schreeuwen. Op het pad waren in het inktzwarte nacht een viertal lampions zichtbaar. De kinderen van Roling kwamen er aan. Elk jaar hadden ze prachtige lampions, dat moest je ze nageven. Bij de laatste bocht voor ons huis mompelde Ma terwijl ze naar buiten keek, “Als het dit jaar maar goed gaat”. Het mocht niet zo zijn. Buurjongen Frans zwiepte altijd te veel met de lampion. In de bocht lichtte zijn lampion op als een supernova, zo was de traditie. Even later stonden drie lampions en een geblakerd stokje een Sint Maarten liedje voor onze deur te zingen. Het verdrietig kindergezichtje van Frans met zijn trillend onderlipje was aandoenlijk, het leverde zelfs meer snoep op. Heel even hadden de gebroeders Beukers overwogen ook hun lampions in de hens te steken. We togen op pad. De Rolings bleven even op ons wachten. Ondertussen togen wij naar de voordeur van hun ouders. Bij de Rolings kregen we elk jaar een snoepje. Niet zomaar een snoepje, een grote gladde bonk gekleurde suiker. Ma bond ons op het hart om het snoepje direct in de mond kapot te bijten. Hier kwam namelijk opnieuw een traditie om het hoekje te kijken. Het giet zoals het giet. Wim wees naar zijn keel, maakte een gaggelend geluid, hij liep vervolgens paarser aan dan zijn lampion. Volwassen handen hielden Wim’s benen omhoog en mepten een paar keer op zijn rug. Als een trekautomaat rolde het stukje snoep uit zijn mond. Verwacht geen broederlijke paniek, we hadden dit vaker meegemaakt. Wel waren bezorgde broederlijke opmerkingen hoorbaar als, “We gaot vast verder heur”, of “Mag ik zien lampion hebb’n”? Maar Wim schudde een keer met de kop, hij ging gewoon weer mee. De volgende deur was bij Wessels, de andere buur. Vooral tante Diny vond het prachtig, al die kinderen met lampjes. Willem had het steeds over,”Die kleine ratt’n, die kleine keutels”. Zoon Harry vervoegde zich bij de groep. We liepen achter door het zwarte veld naar Gustin. Daar liep geen pad, gewoon door het bouwland baggeren. Door het veld weer terug naar het pad naast Wessels richting Havenstraat. Hier brandden tenminste de straatlantaarns. Het eerste huis links aan de straat was het huis van Stuurwold. Ook hier was sprake van een traditie. Elk jaar hetzelfde liedje, een verschrikte vrouw Stuurwold die helemaal was vergeten dat het vanavond Sint Maarten was. Altijd kwam ze vervolgens met een stuiver, daar had ze blijkbaar voldoende van in voorraad. Zie die stuiver later maar eens terug te vinden in de zak snoep en koekkruimels. We kwamen bij de hoofdtraditie van de avond, zeg maar onze bonus. De hoofdact bestond uit vrouw Eekhof. Het oude vrouwtje kwam nooit aan de deur. Hier hadden we een speciaal repertoire voor ingestudeerd. Het liedje kikkerbil. Het ging zo, ”Hier woont juffrouw Kikkerbil, die ons niks meer geven wil”. Vol overgave werd het liedje door zo’n negental kinderkeeltjes gezongen. Wisten wij veel. Het mensje lag waarschijnlijk al lang te slapen. Zelfs jaren na haar overlijden werd op 11 november bij haar huisje nog steeds vrouw Kikkerbil van stal gehaald. Diverse adressen liepen we langs de Havenstraat af. Reuvers, Weinands, Hanenbergh, Beukers, van Os, Hofstede enz. Natuurlijk waren daar enkele adressen waar we niet aan de deur kwamen. Bij huize Wever tegenover de kerkhof was het altijd donker, die liepen we voorbij. Ook bij huize Bloeming belden we niet aan. Bloeming hadden we met belletje drukken het afgelopen jaar al genoeg geplaagd. Om dan nu aan te bellen voor snoep ging zelfs ons een beetje te ver. Ons laatste huis op de route was huize Schnieders. Dit was een bakkerij. Tot onze grote verrassing werden we bij deze mensen getrakteerd op een heus bakje patat! Dat hebben die mensen geweten. Het jaar erop was het een file aan lampions voor hun huis. Van schrik zijn de Schnieders er mee opgehouden patat te bakken. Met elk een plastic zak vol met snoep, koekjes en een stuiver togen we huiswaarts. Op het sintelpad naar ons huis keken we vol bewondering naar boven. In die tijd stonden de sterren nog helder aan de hemel te blinken, kon met gemak het Melkwegstelsel worden herkent. Thuis natuurlijk glunderend het resultaat van onze noeste arbeid aan Pa en Ma laten zien. Het lekkerste snoep uit de kruimelmassa sorteren en verstoppen. Er waren in huize Beukers rovers op de kust, je kon je eigen broers eenvoudigweg niet vertrouwen. De volgende morgen stond ik vroeg op, uit pure bezorgdheid keek ik even of nog iets interessants uit andermans snoepzak te vinden was. Van al het snoepgoed was na een week geen kruimel meer over. Het was schranzen tot je erbij neer viel, op naar Sinterklaas!

 

Geschreven door Henk Beukers

Stoomtram op Erica

Stoomtram op Erica

De tramlijn Coevorden – Ter Apel liep vanuit Coevorden via Zuidoost-Drenthe naar Ter Apel. De stroomtramlijn is aangelegd door de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-Maatschappij (DSM) tussen 1899 en 1907. De lijn is een verlenging  naar de veenontginningen in Zuidoost Drenthe. De tram was vooral van belang voor het goederenvervoer, zoals het transport van turfstrooisel en kolen. Het turfstrooisel werd vervoerd vanaf het Amsterdamscheveld.

Losse wagon stoomtram op Erica

Hier lag een 7 kilometer lange zijlijn van de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij. Het turfstrooisel met bestemming Duitsland, Amsterdam en zelfs Groot-Brittannië werd overgeslagen op treinen of schepen in Coevorden, in Dedemsvaart en in Zwolle. Daarnaast heeft er tot in de jaren 30 ook personenvervoer plaatsgevonden. De laatste personentrams rijden op 16 oktober 1933. De trams mochten namelijk niet harder dan 20 kilometer per uur rijden. Al het personenvervoer werd daarna met bussen verricht. Het eerste deel van de lijn van Coevorden naar het Amsterdamscheveld werd geopend in 1899. In hetzelfde jaar werd de tram al doorgetrokken naar Nieuw-Amsterdam. In 1902 werd Erica bereikt en twee jaar later Klazienaveen. In 1907 kwam de tram tot aan Emmer-Compascuum en het eindpunt Ter Apel. Na 1931 zakte ook het transport van turfstrooisel sterk in, in 1942 werd de lijn opgebroken.
Bron: Wikipedia

Ruim acht jaar zijn noeste arbeiders bezig geweest om het spoor aan te leggen voor de stoomtram tussen het Drentse Coevorden en het Groningse Ter Apel. In Zuidoost Drenthe moesten op het traject ook tientallen bruggen over de kanalen en wijken worden aangelegd. Van deze werkzaamheden werden zelden foto’s gemaakt. Evenals rangeeraangelegenheden als losse wagons zijn zeldzaam.

Bouw trambrug over de viaductstraat Ter Apel

Bouw trambrug over de viaductstraat Ter Apel

aanleg tramspoor klein

Op Erica werd goederen uitgeladen en opgeslagen in een schuur achter café Hof. Ondertussen werd vanuit de locomotief een slang uitgerold naar het kanaal om de watertank te vullen. Daarna vertrok de tram dampend en sissend naar Klazienaveen of op zijn retour naar Nieuw Amsterdam. Gedurende de dag kwamen inwoners van Erica naar de schuur om poststukken e.d. te halen of op te sturen. Tot 1942. Toen kwamen de Duitsers alles ophalen wat van ijzer was, het spoor verdween. Ook het spoor langs het Dommerskanaal naar het Griendsveen. Er gaan geruchten dat het spoor naar Oekraïne werd getransporteerd, voor het aanleggen van een smalspoor aldaar. Gezien het tekort aan ijzer klinkt naar de Duitse oorlogsmachine logischer.

In de decennia daarna werden alle trambruggen opgeruimd. Alleen dorpen met enig historisch besef wisten enkele exemplaren te behouden. Bargercompas heeft een orginele trambrug in het Veenpark terwijl het dorp nooit op de tramroute heeft gelegen. Het is de Oosterveenschebrug, een van de vier trambruggen die op Erica hebben gelegen. De Oosterveenschebrug lag ooit over de Ensingwijk.

Oosterveensche brug te Erica

Oosterveensche brug te Erica

Trambrug over de Waardwijk Cementwijk) op Erica

Trambrug over de Waardwijk Cementwijk) op Erica

 

 

 

 

 

 

Er bestaat geen kaarten van de historische stoomtramroute Coevorden-Ter Apel waarop alle trambruggen zijn aangegeven. Voor de locatie van de trambruggen moest ik veel oude kaarten raadplegen. Het resultaat hieronder is een unieke kaart van de historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met daarop aangegeven de locaties van alle trambruggen.

Geschreven door Henk Beukers

De historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met alle locaties van de trambruggen.
De historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met alle locaties van de trambruggen.

 

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

 

RK kerk Erica 1920

RK kerk Erica 1920

In 1933 had Erica drie Katholieke kerken. De oude kerk, de noodkerk en de nieuwe kerk. De nieuwe huidige kerk staat op precies dezelfde plek als de oude kerk. Tijdens de bouw van de grotere nieuwe kerk gingen de mensen naar een houten noodkerk. Deze stond voor de oude pastorie aan de Kerkweg. De oude kerk op Erica was te vergelijken met de huidige Katholieke kerk in Bargeroosterveld. Alleen was de kerk op Erica voorzien van een kerktoren. Voor de kerk stond een bakstenen poort met daarin grote gietijzeren draaihekken. Boven de draaihekken hing een gietijzeren kroon met een grote lamp. Achter de poort was vlak voor de kerk een sanitaire voorziening gesitueerd. Eerst was deze van hout, later metselwerk. Voor zowel dames als heren. De dames lieten zich hier niet zien. Wanneer een dame een ‘kleine boodschap’ moest doen hurkte zij in haar grote zware jurk langs een landweggetje zoals de Schapendam. Zelfs de nieuwe kerk heeft voor de deuren nog een tijdje een dergelijke sanitaire voorziening gehad. De oude kerk was een stuk kleiner dan de huidige. In de oude kerk werd het zicht enigszins belemmert door pilaren in het gangpad. Op het bepleisterde werk aan muren en pilaren waren prachtige religieuze wandschilderingen aangebracht, te vergelijken met de wandschilderingen in de kerk van Bargeroosterveld. De toren had wel de voorziening voor een uurwerk maar daar is het nooit van gekomen. Zelfs in de nieuwe kerk werd pas veel later het huidige uurwerk geplaatst. De oude kerk bleek na 67 jaar te klein voor de Katholieke Ericanen. Aanvankelijk werd de grotere toestroom van kerkgangers opgevangen door boven de zijbeuken een bordes te bouwen. Mijn moeder had als vijfjarig kind zo’n H. Mis vanaf boven meegemaakt. Ze kon door de spijlen van de balustrade zo naar beneden kijken. Een indrukwekkende ervaring aldus mijn achtentachtigjarige moeder. In 1933 kwam de slopershamer. Achteraf niet nodig geweest, gezien enorme leegloop van de kerk decennia later. Erica had dan nog een prachtige klassieke kerk gehad met prachtige gebrandschilderde ramen en kleurige religieuze wandschilderingen.

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Het mocht niet zo zijn. In Duitsland zijn ze voorzichtiger, bij de bouw van een grotere nieuwe kerk blijft de oude kerk vaak staan. Voor de kleinere missen. Het ontbreken van historisch besef lijkt bij de Nederlanders wel in de genen te zitten. De gebrandschilderde ramen werden opgeslagen in het kippenhok van de pastoor. Betreden van het kerkenbos was immers verboden, al helemaal de tuin van de pastoor. De tuin was om die reden omheind met een ijzeren hek voorzien van gietijzeren punten. Vanaf de straat liep het hek langs het bos, tussen pastorie en buurman Lubberman, naar achteren tot aan de heuvel. De heuvel was het gevolg van de zandafgraving ten behoeve van de vijver. Op de heuvel stond ooit een prachtige prieel. Het hek ging vervolgens dwars door het bos tot andere buurman, Vennedunker. In het dwarsgedeelte zaten twee poorten. Een over het pad naar het kerkhof, de ander precies in het midden over het pad van de pastoor. Dagelijks liep de pastoor hier langs om in het bos een van de getijdengebeden te bidden. Het kippenhok stond op de plaats waar thans de blokhut van de scouting is gesitueerd. Natuurlijk kreeg de jeugd kans om zo’n gammel kippenhok te betreden. Alle gebrandschilderde ramen werden in de daarop volgende jaren vakkundig vernield. De nieuwe kerk nam de lange kerkbanken over van de oude kerk. Er werden zelfs kerkbanken bijgemaakt om de ruimte in de grotere kerk te vullen. Het verschil in de kerkbanken is nog steeds te zien in de huidige kerk. Ook de tabernakel, beelden en de prachtige panelen van de kruisweg werd vanuit de oude kerk meegenomen naar de nieuwe kerk. Toen de sloop begon van de oude kerk werd op de T-kruising Kerkweg-Kerklaan een grote lier in de straat vastgezet. Met een kabel werd vervolgens de toren naar beneden getrokken. De verdere sloop verliep voorspoedig. Bij de bouw van de fundering van de nieuwe kerk vond oma Beukers dat de bouwvakkers maar slordig werkten. Ze lieten overal gaten achter in de fundering. Opa legde geduldig uit dat de gaten voor warme lucht waren aangebracht. De verwarming van de kerkruimte bestond niet langer uit een enorme potkachel, die verdween naar het parochiehuis waar het nog jaren dienst deed. De bouw van de nieuwe kerk verliep voorspoedig. Erica, OLV 02Een klassiek model kerk zonder pilaren, zonder pleisterwerk en ramen zonder gebrandschilderde figuren. ‘Een kale kerk’, aldus oma. Na de bouw gingen de grote mallen voor de gemetselde bogen naar Bats Reuvers, de tuinder. Die maakte er broeikassen van. Ook de glaslatten van de oude kerk hebben bij hem nog jaren dienst gedaan als bonenstokken. Van de oude kerk zijn de korte banken van 3 meter verkocht aan de bevolking van Erica. Half Erica had op een gegeven ogenblik een kerkbank achter het huis. Vanwege de omvang kregen de meeste kerkbanken een plekje buiten het huis. Na tien jaar waren deze vaak zodanig verrot dat ze in de kachel verdwenen. Waarschijnlijk is hierdoor geen kerkbank overgebleven. Harm Sommer (Groene Harm) had een voorlopige houten preekstoel gemaakt voor in de nieuwe kerk. De man met zijn twee rechter handen bleek een waarlijk kunstenaar. De pastoor kon de preekstoel echter onmogelijk betreden. Harm was vergeten de onderste twee treden van het trapje aan te brengen. Spoedig werd de nieuwe Katholiek kerk op Erica met een feestelijke dienst geopend. Het was pdscf5023_2_kleinastoor Ninteman die een tiental jaar later een paar onhebbelijke gewoontes afschafte. Tijdens de H. Mis werden de mensen op een gegeven ogenblik uitgenodigd tot de H. Communie. Kort voordat dit signaal werd gegeven verschenen benen vanuit de kerkbank op het gangpad. Men was klaar voor de start. Opeens rende iedereen tegelijk naar de communiebank. Menig oudje op het gangpad werd de kerkbank weer in gekegeld. Om de communiegang beschaafder te laten verlopen werden de kerkgangers voortaan rij voor rij uitgenodigd om aan de uitreiking van de hostie deel te nemen. Een stoer manspersoon blokkeerde het gangpad. Hij deed een stap naar achteren wanneer de volgende rij aan de beurt was. Pastoor Ninteman schafte nog meer af, namelijk het verhuur van de kerkbanken. Eens per half jaar verhuisden de Monstrans en de kelken met hosties naar de Sacristie. Het godslampje in de kerkruimte werd gedoofd. God was niet aanwezig in Zijn Huis. Die maatregel werd niet voor niets genomen. De kerk veranderde die zondagmiddag in een veiling. De kerkbanken werden per opbod verhuurd. De huurder was verzekerd van een eigen plekje in de kerk. Tijdens de veiling ging het er hard aan toe. Sommige kerkgangers huurden tientallen jaren dezelfde bank en dachten hiermee verworven rechten te hebben opgebouwd. Totdat hun bank opeens naar een ander ging. Dan werd er gefoeterd, getrokken en geduwd, kniekussentjes vlogen door de lucht. Wie het kon betalen had een eigen bank in de kerk, de dikste portemonnees zaten prominent voorin de kerk op de eerste banken. De kerkbanken die niet werden verhuurd kosten voorin de kerk 5 cent per mis en achterin de kerk 3 cent. Voor pastoor Ninteman een gruwel, men hoefde in zijn ogen niet te betalen voor God. Het verhuur van kerkbanken werd dan ook afgeschaft.dscf5031_2_kleinSindsdien zaten de dikke portemonnees achterin de kerk. Pastoor Ninteman ergerde zich aan de eeuwige laatkomers voor de H. mis. Die bleven aan het begin van de mis veel te lang voor de kerk dreutelen. De pastoor nam tegenmaatregelen, en wel op zijn eigen manier. Vlak na de openingsbel liep de herder met het volle wijwatervat naar buiten. De kwast zwaaide kwistig en het wijwater vloeide rijkelijk. De zegen was zo van harte gegund. De mensen waren goed van wil maar zwak van vlees. Al spoedig vervielen ze weer in de oude gewoonte. Pastoor Ninteman liet toen vlak na de openingsbel de kerkdeuren op slot zetten. De laatkomers moesten nu via de sacristie naar binnen. Ten overstaan van een gniffelende publiek. Het hielp maar even. De Drentse koppen waren zo hard als zwerfkeien. De pastoor gooide uiteindelijk de handdoek in de ring. De opvolger van pastoor Ninteman hanteerde een andere methode. Wanneer de laatkomers hadden plaatsgenomen in de kerkbanken onderbrak hij even de H.mis. nintemanDe pastoor vroeg vervolgens aan alle kerkgangers een weesgegroetje te bidden voor de laatkomers. Binnen een maand waren de laatkomers verdwenen. Pastoor Nintemans was een fervente roker, deze gewoonte werd jaren later zijn ondergang. Tijdens zijn pastoraat op Erica stierf hij aan de gevolgen van longkanker. Op Erica werd hij op het kerkhof voor het kapelletje begraven. Een zwarte tegel met grafschrift herdenkt de plek waar hij dagelijks knielde voor het gebed. Door de uitbreiding van het kerkhof stond het kapelletje opeens midden op het kerkhof. Een prachtige plek. Voor historici is het een gruwel om een monument van zijn oorspronkelijke locatie te verplaatsen. Van het toenmalig kerkbestuur gaf niemand blijk van enig historisch besef. Het liet simpelweg de boel naar achteren verslepen, inclusief de graftegel van pastoor Ninteman.

 

Geschreven door Henk Beukers

Bieten wieden

Bieten wieden

De maand mei was vroeger voor ons scholieren de maand om iets bij te verdienen. De boeren Kuper, Eising en Lubberman hadden werk zat. Diverse hectares waren ingezaaid met bieten. De methode van zaaien was nog niet zo verfijnd als van tegenwoordig. Nu gaat het zaadje voor zaadje, toen een hand vol na hand vol. De bietenrijen zagen er uit als een groene oerwoud. Al het groen moest worden verwijderd op een klein bietje na. Om de vijftien centimeter koos je een geluksvogeltje uit die door mocht groeien. De overige wachtte een bitter lot, uitdrogen in de zon. Een lot die ons bietenwieders een paar uur later door de meedogenloze zon ook ten beurt viel. Maar zover was het nog niet. We werden ‘s morgens vroeg door de boer het land opgeleid. We keken op zeven uur in de morgen over de eindeloze rijen bieten naar de dauwige horizon. Ieder kreeg een rij bieten toegewezen, dan begon je. Eerst op de knieën, dan grepen je handen in het groene spul en het wieden begon. Vrijwel direct bemerkte je al kruipend dat het groen doornat was van de dauw. Na een paar meter in de rij bieten te hebben geklauwd voelde je de nattigheid tegen je benen opklimmen. De handen waren niet alleen nat, al het zand en groen bleef er vervolgens aanplakken. Je had geen keus, om bij te blijven in de rij bietenwieders klauwde je snel door. Zo schoof een rij van zo’n tien man door een groene tapijt om vervolgens nette bietenrijen achter hun te laten. Als een enorme maaimachine worstelden de 10 man zich door de groene hel op weg naar de achterste biet, zo’n driehonderd meter verderop. Daar deed je dan zomaar een uur over. Dan had je anderhalve gulden verdiend. Je hield de rijen goed bij want je werd per rij betaald. Na de eerste rij bieten te hebben gewied was je door het ergste heen. De handen konden niet vuiler dan vuil en de nattigheid tot aan je kruis voelde je niet meer. De tien man stonden na de laatste biet op om even verderop aan de volgende 10 rijen bieten te beginnen. De driehonderd meter terug. Er waren ervaren bietenwieder die zelfs meerdere rijen meenamen. Daarvoor moest je volwassen grote klauwen hebben die met een paar vegen al het overige groen konden verwijderen. Onze handen van twaalf jaren waren echter niet zo groot. We lieten het wel na om meerdere rijen mee te nemen in het wiedproces. Al wiedend zakte soms iemand achter in de rij. De buurman wiedde dan een stukje van zijn rij mee. De achtergeblevene kon dat stukje overslaan en zich weer vervoegen in de rij. Solidariteit tussen de bieten. Zo’n rij van 10 wiedende mensen naast elkaar gebeurde niet in stilte. Al wiedend werden de laatste roddels op Erica d’r even doorgejast. Het begon zowaar gezellig te worden in de groene wereld. Zelfs het zingen van een lied was ons niet vreemd. Het doodde het saaie ritme van het wieden. Langzaam droogde de dauw van de groene plantjes. Als eerste droogden je handen. Zand en groene restplantjes bleven niet langer plakken aan de droge handen. Daarna droogde langzaamaan de broek op. Langzaam verdween het gevoel alsof je in de broek geplast had. Bij het opdrogen van de broek tijdens het kruipen door de bieten bleef tevens geen zand en ander vuiligheid aan de broek plakken. Toen we aan de vierde rij begonnen was het inmiddels 10 uur. We hadden drie keer anderhalve gulden verdiend. De eerste schaft. Uit een blauw geëmailleerde metalen beugelfles dronken we koude thee. Uit onze smerige wiedklauwen aten we een snee witbrood. Met frisse tegenzin zagen we de oudste weer opstaan om aan het wieden te beginnen. Even later kroop een rij van 10 man over de eindeloze groene vlakte. Langzaam bood de volgende plaag zich aan. De zon, althans de hitte hiervan. Bood de nattigheid van de dauw nog enige verkoeling, toen deze was opgedroogd kreeg de meedogenloze hitte de ruimte. Deze kon toeslaan omdat de open vlakte geen enkele bescherming bood tegen de koperen ploert. Steeds meer kleren gingen uit. Wederom werden we nat, nu van het zweet. We hebben wel eens dagen meegemaakt dat we onder gegiechel van de dames spiernaakt in het kanaal doken. Het werk moest echter doorgaan. Even later kroop een rij mensen op de open en verlaten vlakte in de volle zon door de eindeloze bietenrijen. Het kon altijd erger. We hebben een jaar gehad dat de boer geen bieten had maar wortels. Die moesten gerooid worden. Het loof was soms wel een meter hoog. Je gaf een stevige ruk aan het loof en de wortel verliet de omklemmende greep van de aarde. Het kwam echter vaak voor dat het loof vlak boven de wortel afbraak. Je keek dan tegen een stevig verankerde oranje knol aan die geenszins van plan was zich gewonnen te geven. Dan ging je de wortel uitgraven met je blote handen. Als je geluk had gaf de wortel toe aan de stevige ruk die je er aan gaf. Vaak moest de wortel nog dieper worden uitgegraven. Het meeste pech liep je op als de nagels zich in de wortel kliefden. Door de rukkende beweging naar boven hoopten zich onder de nagels een prut van wortel en zand. Een bijzonder pijnlijke ervaring waar het vaak tot bloedens toe doorging. De prut zat zo diep en stevig onder de nagels dat het bijna onmogelijk was om het te verwijderen. Thuis probeerde je dan met de punt van de schaar nog dieper onder de nagels te komen dan het vuil. Een nagelborstel roste de laatste kruimels onder de nagels vandaan. Het ergste moest nog komen. De open wondjes onder de nagels begonnen een dag later te ontsteken zodat je niks meer kon aanpakken, laat staan wortels rooien. Gelukkig hadden we dat niet met het bieten wieden. Verscheidene seizoenen konden we bij de boeren een paar tientjes verdienen. Na het bietenwieden gingen we naar het zwembad op Erica en lieten we ons in het koele water plonsen. Om vervolgens de volgende morgen om zeven uur weer voor de dauwige rijen bieten te staan. Zo opeens was het afgelopen met het bietenwieden. De vooruitgang had ons ingehaald. Elk bietenzaadje werd door een of ander procédé voorzien van een laagje klei. Zo’n bolletje klei met zaadje was handelbaar voor een pootmachine. Voortaan geen brede groene rijen snijmoes. Het was net alsof elk bietje zijn plek kende, keurig in gelid 15 cm van elkaar.

Geschreven door Henk Beukers

Het laatste veen om Erica

Het laatste veen om Erica

Hoewel ik nog geen zestig jaar op deze wereld vertoef heb ik toch nog redelijk veel van het veen om Erica meegemaakt. Zeg maar de laatste fase van de ontginning hier in Zuidoost Drenthe. Als kleuter werd bij ons thuis de kachel nog gevuld met turf. Ik zag zelfs kans om, in mijn ijver de kachel te stoken, bijna het hele huis in vlammen te laten opgaan. Ik wurmde met een pook de deksel van de kachel. In het open gat zag ik een brandende inferno van brandende turven. Hierbij kon ook nog wel de verpakking van een Tarvo brood. Deze bleef echter steken in het gat van de kachel. Even later likten de vlammen aan de prop papier. Toen de prop papier in lichterlaaie stond reikten de vlammen precies tot aan de boven hangende lakens. Wat konden die lakens fikken zeg, indrukwekkend. Toen mijn moeder gillend met een emmer water kwam binnenstormen hingen er slechts kleine flarden laken aan het draad, nog zwart ook, net als het plafond. Dat was mijn eerste ervaring met turf en turfkachel. Indrukwekkend was ook de kachel bij mijn oma. Daarop stond een ketel. Daar was iets geheimzinnigs mee. De bodem van de ketel zakte zomaar een tiental centimeters in de brandende kachel. De ketel was zelf de deksel van de kachel. Wanneer de ketel van de kachel werd genomen keek men zo in de hel. Wanneer ieder was voorzien van kokend water, bijvoorbeeld voor thee, werd de ketel weer op de kachel gezet, alles leek weer gewoon. Nou, ik wist wel beter. In die tijd had iedereen een turfhok. Een eldorado voor muizen, en katten. Zo’n turfhok raakte natuurlijk een keer leeg. Jaarlijks moest het hok worden bijgevuld. Men huurde dan een stukje veen voor een bepaalde periode. Hierop werd turf gestoken, gestapeld en gedroogd. Dan werd een vrachtwagen bij Cappelle gehuurd, het spul werd vervolgens opgehaald. Wanneer de vrachtauto onze straat opdraaide mochten we als kinderen op de vrachtwagen, op de berg turf. Even was je koning. Voor het huis moest je het koninkrijk verlaten, al de turf werd uit de vrachtwagen gekieperd. De turf moest worden verplaatst naar de turfhok achter het huis. Iedereen hielp mee. Kinderen uit de straat namen met hun autoped, kinderwagens, handkarretjes turven mee. Dezelfde middag was de bult voor het huis verdwenen. Vol ontzag keek je dan in het turfhok. Deze was tot aan het plafond gestapeld met turven. Zelfs de turfmand was vol. Indrukwekkend. Onze latere buurman Willem had aan de Dordsedijk een kavel gehuurd, daar ging hij naar toe om turf te stapelen. Wij mochten mee! In die tijd lag nog overal veen. Zelfs achter het Kerkenbos had boer Lubberman nog veen liggen. De jeugd maakte hierin hutten, gezinnen wandelden hier op zondagmiddag. Richting Dordsedijk tussen Klazienaveen en Weiteveen lag veen zover het oog reikte. Waar de Schutwijk de Dordsedijk elkaar kruisten lag een brug. Pal naast de brug stond grotendeels verborgen achter de zandwal een huisje. Toen de brug na de vervening verdween kwam het huisje weer tevoorschijn. Samen met Willem draaiden we de Oude Dordsedijk op, we kwamen op de Dordsedijk, richting Weiteveen. We passeerden een bielsen spoorwegbrug waarover het veentreintje tufte richting Duitsland of naar de turfverwerking. Plots werd gestopt, de auto werd aan de kant gezet. We staken de sloot over en klommen tegen een drie meter hoge veenwal op. Bovenop de wal werd je getrakteerd op een adembenemende uitzicht. Veen tot aan de horizonAan de horizon lag vaag Erica. Een bruine oceaan met vele turf bulten als golven en tientallen veenverwerkingsmachines als schepen. Als kind beseften we niet dat het uitgestrekte veengebied op het punt stond definitief te verdwijnen. Het uitzicht vergeet je nooit meer, evenals de geur en de allesomvattende diepbruine kleur. En natuurlijk de gele paaltjes waartussen Willem zijn turf had gestoken. De turf lag in formatie en vormden lange rijen. De turven werden opgepakt en twee aan twee kruisgewijs gestapeld. De wind moest de turven verder drogen. Na drie stapels hadden wij de aardigheid er van af, we gingen spelen op de bruine vlakte. Vol ontzag keken we naar de enorme machinerieën die automatisch turfsteken mogelijk maakte. Een soort van baggeraar vrat klonten veen ter grootte van een turf uit de wal waarop de klonten op een transportband werd gelegd. De transportband leidde naar niets maar stak gewoon een stuk in het landschap. Wanneer de band helemaal was gevuld kantelde de band. Elke klont kon nu op het veen verder drogen. Ondertussen reed het gevaarte een stukje verder. Dat alles onder een daverende kabaal en het een grijnzende rokende machinist. Op het eind van de middag waren wij en Willem klaar met stapelen, we gingen naar huis. Voordat we het veen verlieten kregen we van zijn vrouw een glas appelsap. Waarom ik dat nog weet? Het was de eerste keer in mijn leven dat ik appelsap dronk. Later als tieners bezochten we vaak het veen. In het hoge pijpenstro maakten we gangen en hutten. Urenlang kon je er rond dolen zonder een mens te zien. Als we dorst kregen dronken we uit een veenpoel. Bruin water met een veensmaak. Vergeet je nooit weer. In het bosje van Tapper zgn. Tapperse Bos, konden we urenlang door een dichte oerwoud van berkenbomen rondbanjeren. Bij een zandgat deden we de kleren uit en gingen zwemmen in het donkere water. Soms zagen we treinrails liggen in het veen, met veel moeite kregen we een lege lorry op het spoor. Rijden maar, liefst van een heuveltje af. Urenlang konden we ons vermaken met die lorry’s. Tot een van ons de vingers tussen beide lorry’s kreeg. Hij had op dat moment zijn bakkes gevuld met boterham anders was zijn gegil tot op Erica te horen geweest. Na een poosje de hand in het koele veenwater ging het wel weer. Tenminste, dat vonden wij. Langzaam, bijna ongemerkt, veranderde het landschap van veengebied in landbouwgebied. De veenkoloniale gebieden werd het genoemd. Het is het landschap van de ondernemers. Doelen, rendement, winst. Elke struik of boom werd als verliespost gezien. Elke kromming in het landschap werkte als een gat in de begroting. De ruilverkaveling deed de rest. Het gevolg is messcherp te zien bij de grensovergang naar Duitsland. Wanneer men van Duitsland komt gaat het landschap met kromme wegen en nutteloze bosranden over tot een landschap waarop elke boom of pad zijn plek weet. Rechttoe, rechtaan. Voor de ondernemers een feest. Het is de bevolking die ondertussen ontdaan is van een unieke landschap, maar die werd niets gevraagd.

Geschreven door Henk Beukers

Havenstraat Erica

Havenstraat Erica

Opgedragen aan Lieke.

Voordat Erica überhaupt het licht zag (1863) bestond in Zuidoost Drenthe een zandweg tussen de dorpen Zuidbarge en Schoonebeek. Het was een zandpad waarvan iemand ooit vond dat het van strategisch belang was. Op Erica werd een schans gebouwd. De Bergerschans. Erica had eigenlijk Bergerschans moeten heten maar, zo wil het verhaal, een kanaalgraver die de Latijnse taal beheerste, besliste anders. Het waarschijnlijkheidsgehalte van dit verhaal mag ieder voor zich bepalen. Het klinkt logischer dat de naam Erica werd ingefluisterd door een ontwikkeld persoon van buitenaf. Eentje met een zekere geldingsdrang. Vul maar in. De Bergerschans zou een vierkante zandwal worden met kanonnen. De schans werd nooit afgebouwd. Het zandpad veranderde door de jaren enigszins van route tot de huidige weg tussen Zuidbarge en Schoonebeek. Waar precies de Bergerschans heeft gelegen blijft gissen, hoewel lui van de Historische Kring Erica wel een aardig vermoeden hebben van de oorspronkelijke plaats. De Verlengde Hoogeveense Vaart werd gegraven ter ontsluiting van het enorme veengebied in Zuidoost Drenthe. De schepen vol turf voerden naar Amsterdam zodat de stadsfatjes er warmpjes bij zaten. Op de plek waar het zandpad met het kanaal kruiste werd een brug gebouwd. De eerste generatie Ericanen streek neer in dit gebied. Er werden zelfs twee bruggen gebouwd. Laatste kwam over een zijkanaal te liggen die in noordelijke richting liep. De brug stond haaks op de eerste brug en lag er bovendien pal naast. Tussen die twee bruggen werd in de dertiger jaren een kazemat gebouwd. In het zijkanaal naast het zandpad zat een verbrede gedeelte in het kanaal, de haven. Voor menig visser een ideale visplek. Het kanaal nam hierna een haakse bocht en verdween, na nog een bocht te hebben genomen, in de Veenschapswijk. Het zandpad naast de haven kreeg de toepasselijke naam Havenstraat. Erica ontwikkelde zich door de jaren heen maar bleef dorp. Het zandpad werd een verharde klinkerweg, de Havenstraat werd de hoofdstraat van Erica. De brug werd het centrum van het dorp. Om de brug kwamen mensen te wonen die het konden betalen, de verveners. Terwijl deze ‘semipaleizen’ (Parels van Erica) werden gebouwd zochten de veenarbeiders en ex-kanaalgravers hun heil in keten en krotten. Deze situatie zou pas veranderen met komst van de vakbonden. Het startte met de vrije zaterdagmiddag en later de vrije zaterdag. Geleerden maakten zich in het openbaar zorgen, teveel vrije tijd zou leiden tot Sodom en Gomorra. Volgens de hoogontwikkelde heren was vrije tijd alleen geschikt voor ontwikkelde mensen. De ‘onderontwikkelde’ mensen van de vakbonden wisten gelukkig wel beter. Laten we de foto van de Havenstraat eens nader bestuderen. Rechts tussen de huizen hangt het wasgoed van de toenmalige bewoners. Vroeger hadden de mensen een vaste wasdag in de week, dat was maandag. De bomen staan vol in het blad waarbij het loof vanuit oostelijke richting worden beschenen. Schaduwen op het huis en vage schaduwen op de straat bevestigen de stand van de zon. Deze stond vrij laag aan de hemel. Je zou schaduwen verwachten van de lantaarnpaal en ANWB-bord, deze zijn waarschijnlijk geretoucheerd. Zoals gezegd moesten mensen vroeger tot 18.00 uur werken, zo ook de fotograaf. De goede man moest eerst eten, vervolgens toog hij toen met de camera op pad. Zo tegen 19.00 uur stond meneer met zijn camera bij de brug. Een dergelijke lage zonnestand tegen 19.00 uur vinden we in de maand Augustus. Gezien de grote plassen langs de weg was het een natte maand maar ook een teken dat riolering onder de Havenstraat ontbrak. Het jaartal waarop de foto is gemaakt is moeilijker te schatten. Het was in ieder geval vóór 1951. Het gevleugelde wiel op de ANWB-bord werd namelijk in 1951 vervangen door de huidige ANWB-vignet. Het weinig gemotoriseerd verkeer doet een eerder jaartal vermoeden, ook de type straatlantaarn doet vermoeden dat de foto eerder is genomen dan 1951. Één van de Parels van Erica, rechts op de foto, biedt de oplossing. De rijk gedecoreerde villa, Tegeltjeshuis genaamd, aan de Havenstraat 2 werd in 1897 gebouwd als woning voor de directeur van de NV Friesche Veen Maatschappij. De gevlekte boomstam voor de villa doet me denken aan een Plataan of kan begroeiing van Klimop zijn. Hoogstwaarschijnlijk werden de bomen door de eerste bewoner in de grond gepoot. De leeftijd van deze bomen schat ik op zo’n dertig, veertig jaar. Ik kom tot de conclusie dat de fotograaf de foto heeft geschoten op een plek vlak bij de kazemat, op een maandagavond tegen 19.00 uur in de maand Augustus in de eindjaren dertig van de vorige eeuw. In die tijd woonde vervener Van der Sluis in het Tegeltjeshuis. Naast het Tegeltjeshuis stond het postkantoor en de winkel van Johan Prinsen. In die tijd hadden de huizen nog een fatsoenlijk voortuin. Achter het huis van Johan Prinsen is nog een stukje zonnescherm te zien van de bakkerij van Joop Savenije. Daarnaast stond de winkel van Gankema, op het eind stond het huis van de schoolmeester Pol. Dan kwam de openbare lagere school, een verkeersbord langs de Havenstraat wees daarop. Aan de noordkant van het schoolgebouw was de brandweerkazerne gebouwd voor de vrijwillige brandweer. Hierin stond een kar voorzien van pomp en spuit. De kar werd achter een particuliere auto gekoppeld en naar de brand gereden. Midden op de foto is vaag de ingang van het schoolplein te zien met op de achtergrond een groot wit huis. Als deze toentertijd niet werd afgebroken had Erica nog een parel erbij gehad. Links op de foto is nog net een stukje paardenstal te zien van boer Mensen. Daarachter het havenkanaal die uitmondt in een verbrede stuk kanaal, de haven. Achterop de landerijen is vaag het huis te zien van Jan Wisman ‘Jan Kwatta’ (omdat hij vaak een chocoladereep at). Hij was belastinginspecteur. Op de landerijen langs het kanaal lag in de winter een ijsbaan. Om de kop financieel boven water te houden stonden op de wallen langs de haven en kanaal de sikken van weduwe Evers ‘Sikken Dore’, mijn overgrootmoeder, aan de stik te grazen. De bewoners rechts aan de Havenstraat, waaronder mijn geboortehuis, hadden tot aan Nieuw-Amsterdam vrij zicht over de landerijen van boer Mensen. Erica was op de foto, net als Zuidbarge, een prachtig karakteristiek dorp. Planologen kijken tegenwoordig verlekkerd naar dergelijke dorpskernen. Smalle straten met klinkers remt vanzelf het verkeer en mijdt het vrachtverkeer die daar niets heeft te zoeken. De bomen waren nu natuurlijke monumenten geweest. Naast de karakteristieke elementen had Erica ook nog een haven gehad. Gezien het nieuwe vaartraject Erica-TerApel had het vandaag de dag veel toeristen aangetrokken. Over economisch belang gesproken. Het mocht niet zo zijn. Terwijl Zuidbarge als karakteristiek dorp met vele bomen bleef bestaan moest Erica het onderspit delven. In het begin speelde de NAM in Schoonebeek hierin een grote rol. Het begon met de inwoners van Erica een worst voor te houden. Medio jaren vijftig werd vanuit Emmen t.b.v. de NAMpersoneel een waterleiding naar Schoonebeek aangelegd. Erica lag op de route en profiteerde mee, het dorp hing vroeg aan de waterleiding. De Havenstraat werd tevens voorzien van riolering. De mensen op Erica waren blij met de aandacht vanuit Gemeente Emmen. De aap kwam al snel uit de mouw. De toeleveringswegen, waaronder de Havenstraat, naar het NAM-terrein in Schoonebeek werden geschikt gemaakt voor zwaar vrachtverkeer. Klinkers voldeden niet meer, de Havenstraat moest sterker, stabieler en vooral breder. De Havenstraat werd diep uitgegraven en erger, alle bomen aan de oostkant van de Havenstraat moesten verdwijnen. Bovendien waren alle belendende huizen hun voortuintjes kwijt. De Gemeente Emmen had er geen moeite mee, zolang de NAM maar betaalde. Als pleister op de wond konden mensen op Erica voor een habbekrats brandhout kopen. Nog steeds is Zuidbarge zuinig op zijn bomen, nog steeds worden op Erica eeuwenoude bomen omgezaagd. De Kerklaan is hierin het meest schrijnende voorbeeld. Ondanks mooie beloftes komen daar op dezelfde plek zelden tot nooit nieuwe bomen voor terug. Er komt een generatie mensen die niet meer weet wat oude bomen zijn. Die denken dat bomen niet dikker worden dan dertig centimeter. Ze worden toegejuicht door boomhaters op Erica die het dorp het liefst willen overzien, zittend op een stoel. Vergelijk Erica op de foto eens met het huidige Erica. Met zijn beschadigde Havenstraat en modderig verzakte bermen, zijn vreselijke winkelgevels met schreeuwerig witte kunststof platen. Vooral de afwezigheid van eeuwenoude bomen is schrijnend opvallend. Het is wat je krijgt als economisch gewin boven planologische schoonheid wordt verkozen.

Geschreven door Henk Beukers.

Buurman Willem 2

Buurman Willem 2

Toen het gezin Beukers in de begin jaren zestig van de vorige eeuw het huidige huisje betrok werd deze bewoond door Poelman. Het huisje werd in eerste instantie gedeeld door hun inwonende zoon. De zoon was ziek, had TBC, woonde in een aparte kamer. Toen zoonlief stierf kwam tijdelijk zijn getrouwde dochter met echtgenoot bij hun inwonen. Uiteindelijk stierf oude Poelman en had niemand geld om het huisje over te nemen. Ondanks het feit dat in die tijd een kavel al snel zo’n drieduizend vierkante meter besloeg werd om een vierkante meter gekissebist. Vooral buurman Willem had dit tot kunst verheven. Toen oude Poelman de Kadaster erbij hield werden de kavels precies uitgemeten. De strijdbijl werd eindelijk begraven. Voor een maand. Omgewoelde grond was een stil bewijs dat er in de nachtelijke uren met de kadasterpaaltjes was geknoeid. Toen oude Poelman de zaak inspecteerde stond Willem in zijn huiskamer achter een gordijn toe te kijken. De strijd laaide weer op, het hield pas op toen oude Poelman kwam te overlijden. Als nieuwe buren werden we door Willem hartelijk begroet. Precies op de grens van Willem en huize Beukers had Willem een slootje gegraven voor het afvoer van de gootsteen in zijn keuken. De woningen stonden zo’n honderd meter van de Havenstraat en waren in die tijd niet aangesloten op de riolering. In die tijd werd het rioleringsprobleem opgelost d.m.v. septickelders en sloten. Toen decennia later Willems huis werd verkocht en de kavel door het kadaster werd nagemeten bleek het slootje zich meters op onze grond te bevinden. Willem had daar volgens eigen zeggen recht op. Keer op keer bestudeerde hij zijn kadastrale tekening en kwam bij het berekenen een aantal vierkante meters te kort. Tja, dan haal je dat weg bij de buren. Door toedoen van mijn vader vond Willem jaren later zijn gemiste meters. Mijn vader wees hem op het recht van overpad voor ons huis langs. De helft van dat pad bleek zijn eigendom. Willem zijn kavel was eindelijk compleet. De sloot bleef echter op zijn plek. Nachtelijke verplaatsingen van kadasterpaaltjes was van nu af aan verleden tijd. Wie denkt dat Willem nu stil ging zitten vergist zich. Mijn moeder en Willems vrouw, tante Diny, hingen vaak samen de was op. De waslijnen waren gesitueerd achter de huizen in het vrije veld waar de wind vrij spel had. Na het ophangen van de was bleven de dames vaak nog even kletsen. Tot opeens een hek tussen de beide waslijnen verscheen. Willem vond dat het geklets van de dames lang genoeg had geduurd. Hup, hek d’r tussen! Ondanks het feit dat Willem een groentetuin bijhield lag het grootste deel van zijn kavel braak. Er groeide gras tot aan onze kinderknieën. Prachtig speelveldje toch? Het lange gras werd hooi en daarin was het goed toeven. Willem joeg ons daar herhaaldelijk weg, gras moest groeien, dat kon niet als daar kinderen op lagen. Toen broer Wim op een zaterdagmiddag zijn hooiveldje in vlammen liet opgaan werd Willem bijna gek. Voor Willem was de trots van de tuin een mestbult. Deze was bij Willem gelijkzijdig, loodrecht, horizontaal en vooral waterpas. Een model mestbult. Je kon er op biljarten. Willem ontplofte dan ook zowat toen hij een loslopende kip op zijn bult ontwaarde. Die kip was van huize Beukers, onze kippen liepen los. Na Willems tirade niet meer. De kippen moesten van Pa binnen blijven. Volgens Willem hadden de kippen de mestbult dood gepikt. Tja, wat moet je nog met een dode mestbult. Dat najaar gingen de kippen onverbiddelijk de pot in. Met Pa kon Willem geen ruzie krijgen, nooit gelukt ook. Voor ons was Willem best wel een lieve aardige buurman. Beetje opvliegerig misschien, maar altijd van korte duur, hij bleef nooit lang boos. Willem kreeg met ons geen ruzie. Roef, de zoon van de andere buurman, type lange tenen kort lontje, was een ander verhaal. Tijdens het schoffelen vond Roef steentjes in het zand en die gooide hij op het sintelpad. Dat zag Willem. Met hoge stem en korte pasjes kwam hij als een haantje verhaal halen bij Roef. De steentjes (niet de sintels) zouden maar lekke banden veroorzaken. Willem had zich op Roef verkeken. Honderd kilo drift vloog vijftig kilo Willem bijna aan. Daar had Willem niet op gerekend. Met overslaande stem en rappe pasjes maakte Willem zich snel uit de voeten. Het gezin Beukers genoot van het avondeten en keek door het raam geboeid naar het schouwspel. Zowel Willem als Roef kwamen nadien bij ons hun verhaal doen oftewel hun gelijk halen. Door beide diplomatiek gelijk te geven keerde de rust terug. Willem kon zich niet onttrekken aan zijn lot, zijn opvliegende karakter bracht hem herhaaldelijk in problemen. Het kostte hem bijna zijn baan. Dagelijks zagen we Willem op zijn fiets naar de NAM in Schoonebeek rijden. Een kleine man, alpinopet, zwart oliejas en kaarsrecht op de fiets. Op het werk deed hij zijn ding. Zijn chef meende daar een opmerking over te moeten maken. Toen de goede man zich omdraaide had ie een punter van Willem onder zijn kont te pakken. Collega’s moesten de kleine terriër van de chef afplukken. Na veel gepraat maar vooral omdat Willem een zeer lange onberispelijke staat van dienst had bij de NAM werd de zaak in het minne geschikt. Daar was Willem met veel geluk weggekomen. De zaak kreeg bekendheid bij de NAM, wegens zijn hoge stem bij een driftbui stond Willem voortaan bekend als Piepsie. Toen Willem eindelijk met pensioen ging dacht iedereen dat het gebeurd was met de vrede in de Hanebietersbuurt. Dat viel mee. Willem had zich een houtdraaibankje aangeschaft en had zich teruggetrokken in zijn schuurtje. Uit dikke rondhout sneed hij een plak waar hij vervolgens een onderzetter voor een kaars van maakte. Een kandelaar dus. Willem stond niet vooraan bij het uitdelen van fantasie. Pas toen familie, buurt en zijn schuur tot de nok waren voorzien van kandelaars hield hij op. Het gereedschap in zijn schuur moest hierna in het vet. Toen mijn vader een jaar later de werkplaats van Wietse (Fietse) Moorman bezocht zag hij een fietsenmaker wiens overjas dreef van het vet. Wietse verklaarde zich verontschuldigend dat hij met een oude fiets bezig was geweest. De fiets van ene Willem, of Pa die kende. Ja, die kende Pa wel. Willem werd milder naarmate hij ouder werd. Een zekere gevoel van humor kon Willem niet ontzegd worden. Wekelijks kwamen mijn ouders en Willem met echtgenote Diny bij elkaar over de vloer om te gaan jokeren. En spel waarbij logisch en soms strategisch moet worden nagedacht. Een spel voor Willem ten voeten uit. ‘Rommel’ als zevens of achten spaarde Willem niet, ook al had hij er drie stuks van. Een gevleugelde uitspraak van Willem tijdens het kaartspel was: ‘Ik ben nuit’. Hij legde vervolgens zijn kaarten op tafel om halverwege het uitleggen van de kaarten tot de conclusie te komen: ‘Ik ben niet nuit’. Willem verloor het jokerspel altijd met de handen vol kaarten, soms met drie jokers. Van zijn pensioen heeft Willem nog geen tien jaar mogen genieten, hij is overleden in zijn slaap. Het was aandoenlijk om, na vele jaren, bij mijn ouders thuis in een oude lade, het oude scoreboekje van het jokerspel terug te vinden, Willem met de meeste punten.
Geschreven door Henk Beukers

Mythe van de zwarte specht

Mythe van de zwarte specht

Theo Schildkamp benoemde de mooie vogel al in zijn vele prachtige verhalen. Ik heb hem zien vliegen in Gross Dorgen. De zwarte specht. Het is een vrij zeldzame broedvogel van hoog, gemengd naaldhout, voornamelijk in het oosten en zuiden des lands. Met wijdgespreide voeten klautert hij langs de boomstammen naar boven. Hij heeft de kleur van een kraai, de vliegwijze van een gaai: hij fladdert, een beetje op de wijze van de hop. Hij heeft een bijzonder geluid: een hoog raspend kruu-kruu-kruu. De zwarte specht heeft iets weg van een kardinaal: een echte zwartrok met een streng snuitwerk en een rood kalotje op. Het is een van de weinige vogels waarover Plinius een mythe beschreef. Der Schwarzspecht ist ein Kräutermann, het vers verhaalt van het wonderbaarlijke kruid dat slechts de specht weet te vinden, het voorjaarswortel van de Salomonszegel. Alle deskundigen zijn het er sinds de oudheid over eens dat je voorzichtig moet zijn met het gebruik van Salomonszegel. Alle delen zijn min of meer giftig, maar de aantrekkelijke blauwe bessen zijn het giftigst van al en die moet je zeker niet plukken en opeten. Je gaat er heftig van overgeven en krijgt er een vreselijke diarree van, zo niet erger. Dat is wel een zware straf voor het plukken van deze beschermde plant, maar je bent dus gewaarschuwd. De zwarte specht werd door Jacob Van Maerlant in zijn ‘Der Nature Bloeme’ prachtig beschreven.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
.i. cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.


Sommige Salomonszegels zouden de kracht bezitten om deuren en meisjesharten te openen, rotsen te verbrijzelen en tanden te trekken. Je moest dan wel de juiste Springwortel vinden en daar kon dus die specht, (latijn: picus) van Van Maerlant bij helpen. Alhoewel volgens Sloet, het niet bekend is welke plant de specht kende ‘eene plant, waarvan de wortel schatten aanwijst en alle sloten en deuren, die er mede aangeraakt worden, doet openspringen, welke kracht hem den naam van Springwortel gegeven heeft. Om hem te verkrijgen zoekt men een nest van den specht en stopt, wanneer het mannetje uitgevlogen is, het gat met eene ingeslagen pin dicht. Zoodra het mannetje dat merkt, haalt hij den wortel en houdt dien voor de pin, die met groot geweld uit de opening springt. Voor dat het zoover gekomen is, maakt iemand, die zich verstopt heeft, een vervaarlijk geschreeuw en de verschrikte vogel laat den wortel vallen. Welk een welkome hulp voor het inbrekersgilde! Volg hier een raad op: stop het spechtengat dicht – voor alle duidelijkheid: de opening van de nestholte. De specht zal dan het kruid gaan halen. Maak hem, als hij daarmee terugkomt, zo aan het schrikken dat hij het pardoes laat vallen. Dan heb je het te pakken! Een mooi verhaal. Een van de vele die over spechten de ronde doen. Zo langzamerhand zijn ze uitgestorven, maar vroeger wist men elkaar van alles te vertellen over deze klimvogels. Met name over het bikken en beitelen in het hout, alsmede over het klagelijke, hoge roepstem van het dier. Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht vanuit Bokeloh, aan bij het huis van Mariechie, een pinnig vrouwmens, dat weigerde hun een boterhammetje te geven. Zelfs een slokje water, melk of een appel kon er niet af. Ze sneerde verwensingen en wees bars met de vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en luidkeels roepen om regenwater wanneer ze dorst had. Eigen schuld, dikke bult, lekker puh.. Het kan dus lelijk met je aflopen wanneer je iemand een iets weigert. Van alle vogelgeluiden in Gross-Dörgen horen we af en toe de vrij zeldzame broedvogel van het hoog gemengd naaldwoud, die kruu-kruu roept. Het wordt steeds meer een sprookje uit het verleden die op de wind van de tijd is verwaaid.

Henk Beukers

November slachtmaand

November slachtmaand

Afbeelding: Michiel van Musscher, Het varken op de leer met gezicht op de Haarlemmerpoort, 1668

Voor en in de oorlog had vrijwel iedere inwoner van Erica een hok achter het huis met een paar varkens erin. Daarnaast hadden ze een hok met kippen en aan de stik een paar sikken. Een sik was de ‘arbeiderskoe’, deze werd gehouden om de melk. Een echte koe was voor de meesten niet mogelijk omdat daarvoor een bunder grond vereist was. Van Erica naar Nieuw Amsterdam was het aan beide kanten van het kanaal wit van de sikken die aan de stik stonden te grazen, sommigen zelfs tot onder aan het kanaal. Op het eind van het jaar werden de beesten boks en gingen ze ermee naar de bok. Gedurende de winter gaven de sikken steeds minder melk tot het ophield. In het voorjaar kwamen de jonge guitige springerige sikjes ter wereld. Wanneer oma Beukers naar de straat liep huppelden de sikjes achter haar aan. Een paar passerende fietsers uit Emmen riepen, ‘Och, wat toch prachtig, die jonge hertjes’. De mannelijke jongelingen, de geitenbokjes, zullen geen melk geven en hadden diengevolg geen waarde. Die werden kort na de geboorte met de zijkant van de schop de hersens ingeslagen. Soms lukte dat niet helemaal maar verdwenen alsnog met de seksegenoten in het gezamenlijke graf. Wie daar moeite mee had kon de bokjes ook naar van der Land brengen. Van der land slachtte de bokjes en verdiende iets aan het vel. Van der Land was een keurig heerschap, je wilde alleen niet weten wat daar in zijn achterschuur gebeurde. Hij had een prachtige dochter die later Katholiek werd en verhuisde naar Klazienaveen. Op Erica had je snel een bijnaam. Iedereen kende de dochter van van der Land als ‘Bokkie’ van der Land. Nou, dan zou ik ook verhuizen. Bij mijn moeder hadden ze een Tochenburger, een sik met hoorns. In die tijd bracht een paar vodden bij de voddenboer een ballon op. Toen mijn moeder als kind een vod zocht voor de voddenboer vond ze er een in de sikkenhok. Bij het bukken kwam de hoorn van de sik achter haar jurk. Wie dacht dat varkens hard konden gillen…Sikkenvlees wilde niemand eten, dus werden sikken zelden geslacht. Bij verminderde melkopbrengst werd het beest op een kar gezet en gingen ze ermee naar de markt in Emmen. De gemeente had op het marktplein allemaal hokken neergezet met stro. Daar was een speciaal gedeelte voor sikken net zoals er ook een gedeelte was voor varkens, kippen, honden enz. Een grapje uit die tijd was om aan een voorbijganger met een hoed te vragen of ie de hond had verkocht, bij een nee werd steevast opgemerkt: ‘nou, ie hebt de hok nog op de kop staon’. Kippen, van piepjong tot stokoud, werden met wagensvol tegelijk opgekocht en gingen allemaal naar de slachterij. De markt in Emmen was ook een sociale gebeurtenis. Zo gingen de boeren uit Schoonebeek wekelijks met karren vol zwijnen naar Emmen. Voor de Schoonebeker boeren was het hun wekelijkse uitje en lieten zich bij Grimme een borreltje goed smaken. De verkochte biggen voor Erica werd door de heer Pater in een kar naar het dorp gebracht. Biggen voor Beukers kregen de letter B op de rug. Degene die thuis geen varkens hield was ziek, zwak of misselijk. Die moest het doen met een ‘moeseoortie’ spek’. In november en april waren overal op Erica gegil van varkens te horen. Het waren de slachtmaanden. Vooral november stond als slachtmaand bekend. Het varken werd levend op de ladder gebonden met de kop naar beneden. Dit ging gepaard met luid gegil van het varken. Het gegil was niet van enthousiasme, het varkentje had allang door dat hij niet ‘ter leering ende vermaeck’ op de ladder werd gebonden. De slager sneed een halsslagader door en liet het varken vervolgens doodbloeden. Het bloed werd in schalen opgevangen om bloedworst van de maken. Het gegil van het varken hield langzaam op. Het laatste wat het beest op de kop van deze wereld zag vanaf de ladder waren volle schalen met eigen bloed waarin driftig werd geroerd om stolling tegen te gaan. De maand november werd gekozen als slachtmaand omdat het nog niet hard vroor, al had je wel nachtvorsten. Het varken kon zo snel koud worden. ‘s Avonds werd het varken met een paar man van de ladder afgehaald en kwam op een oude tafel te liggen. Hier werd het varken in stukken gesneden. Spek eraf in zes repen, vlees eraf, poten eraf. Het vlees en spek ging tien dagen in het zout om vervolgens aan de balken verder te drogen. Het vocht trok in het zout en het zout trok in het vlees. Op die manier kon vlees langer worden bewaard. In de oorlogsjaren was het aanbod van zout krap. Het roze vleesvocht wat uit het zout lekte was nog zout genoeg en werd als zout bij het eten gebruikt. Later nam het wecken de taak van het inzouten over. Alhoewel het nog wel gezouten vlees was wat werd ingeweckt. Daarnaast werd ook een gedeelte fijn gesneden vlees behandeld met kaneel en kruiden om worst van te maken. Het toevoegen van kruiden luisterde nauw, steeds werd een stukje vlees geproefd, tot het goedgekeurd werd. Pas dan werd er worst van gemaakt. Alleen het mooiste vlees kwam in de metworst. De hersenen werden gebakken en werden als een lekkernij gezien. Anderen maakten van de hersenen zure zult, dit kon worden gebruikt als broodbeleg. Van het varken werden de ogen, hoeven en dikke darm als slachtafval weggegooid. Maar sommigen bewaarden zelfs de dikke darm, daar kwam de bloedworst in. Anderen gebruiken hiervoor linnen. De dunne darm werd gespoeld en nadien werd met een mes het vet eraf gekrabd, vervolgens werd het opgevuld als metworst. De slager had een speciale haak om de nagels van de hoeven te trekken. Varkenspoten gingen in de snert en de hakken gingen in de bonensoep. De mensen hadden altijd twee varkens, een dikke voor het najaar en een kleinere in het voorjaar. De kleinere was vaak een lekkerder varkentje om te eten maar werd ook wel in de zomer verkocht om een paar extra centen bij te verdienen. In het voorjaar werd een gang naar de markt in Emmen gemaakt om een paar biggen te kopen. Die kwamen dan in een hok met vers stro. De eerste tijd waren de aandoenlijke biggetjes levend speelgoed voor de kinderen. Varkens waren echter ook intelligente dieren, ze scheten en pisten altijd op één plek in het hok om zodoende een droge slaapplek over te houden. Varkens konden ook enorm last van luizen hebben. Mijn vader stipte de luizen aan met een mengsel van petroleum en olie. Schier petroleum was te scherp. De luizen vielen direct dood neer wanneer ze werden aangestipt en het varken kreunde van genot. Een honderdponder liet zich gewillig omdraaien wanneer de behandeling met het wondermengsel dit wenste. Twee varkens in een hok deden ze ook beter vreten. Uit voedingsnijd, dus de ander niks gunnen, vraten ze de buik vol. Het kon zijn dat een varken minder vrat dan normaal, dat kon liggen aan kies- of tandpijn. Vaak werd dan een kruimelige baksteen aan het varken gegeven. Met luid geknak en geknars werd de baksteen volledig opgevreten. De gebitsproblemen waren hiermee vaak opgelost. Daarnaast moest een varken schrokkerig vreten. Soms had je een ‘zoeger’, een zuiger, dan schrokte het varken niet maar zoog het voer op als het ware. Het vreten ging dan te voorzichtig, zo kreeg het beest te weinig binnen, het was een slechte zwien. Want vreten moesten de varkens, spek moest erop, liefst vier vingers dik of meer. Vroeger hadden de mensen door zwaar lichamelijk arbeid meer brandstof nodig. Naast de zes twaalfurige werkdagen had iedereen thuis ook nog een flinke moestuin om te bewerken. Daar werd o.a. boerenkool, bruine bomen en siepels (uien) verbouwd. De bruine bonen en siepels werden voor de winter op zolder bewaard. ‘s Avonds hoorde menigeen hoe op zolder de muizen met de uien aan het spelen waren. Spek werd dus massaal verorbert, rijkelijk bestrooid met zout en peper. Bovendien smeerde het de darmen, zo was de overtuiging. Als het varken aan de ladder hing te drogen en pastoor Ninteman op de fiets langskwam, hield deze even halt, ging naast zijn fiets staan, nam zijn hoofddeksel af en knikte naar de mensen thuis. Een duidelijk appėl om een stukje vlees bij de pastoor af te leveren. Maar Erica had ook een pastoor gekend die het aangeleverde vlees direct doorgaf aan de minderbedeelden. Dezelfde pastoor werd door het kerkbestuur onder financiële curatele gesteld omdat hij al het geld weggaf aan de minder bedeelden. Toen na het Tweede Vaticaanse Concilie de Katholieke kerk zich ging moderniseren kon deze pastoor de veranderingen niet bijbenen. Hij vertrok naar Amsterdam en maakte daar een eind aan zijn leven. Maar pastoor Ninteman paste zich feilloos aan. Met zijn gang door Erica ging zijn hoedje diverse keren af. Zijn twee dienstmeiden hadden d’r maar druk met het inmaken van al het binnengekomen vlees. De mensen die de geestelijke daarnaast ook nog uitnodigden voor een borrel hadden d’r een vaste klant bij. Zo kwam hij elke dag bij de familie Middendorp aan het kanaal. Maar voor pastoor Ninteman was het ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, al zijn schaapjes waren gelijk. Wanneer de familie Middendorp weer eens te laat in de H. Mis kwam riep pastoor Ninteman van de preekstoel: ’10 minuten over tijd en daar komen ze’ en wees vervolgens naar de laatkomers. In die tijd had elke familie hun ‘eigen’ kerkbank, die van de Familie Wittendorp stond helemaal voor in de kerk. Die moesten, gezien de afstand, tegenover de medegelovigen spitsroede lopen. Dat nam niet weg dat pastoor Ninteman de maandag erop weer een borrel kwam halen bij de familie Wittendorp. Hij grinnikte dan: ‘Had ik je even mooi te pakken hè’. In die tijd kreeg de pastoor meer dan alleen vlees. Zo had de pastoor een grote moestuin gelegen langs het toegangspad in het kerkenbos waar nu dennenboompjes staan. De pastoor riep van de cancel: ‘Als de boeren nog een karretje goed verrotte stalmest overhebben dan kunnen ze die bij mijn tuiniers Jeurissen en zoon afleveren’. Geheid de week erop werden diverse karren stalmest bij de pastoor afgeleverd. Vroeg in het voorjaar ging pastoor Ninteman bij Capelle langs voor planten in de moestuin. Hij mocht ze afleveren bij zijn tuiniers.

Geschreven door Henk Beukers

Het betoverde kussen

Het betoverde kussen

Het verhaal speelt zich af in de eindjaren dertig. Het koninklijk paar Juliana en Bernhard waren inmiddels getrouwd, op Erica was midden op het plantsoen een boom geplant ter gelegenheid van hun huwelijk. Om de boom stond een hekwerk met daarin de letters J en B, refererend aan de namen Juliana en Bernhard. Deze letters werden enkele jaren later, tijdens de Duitse bezetting, uit het hekwerk gezaagd. Duitsers hielden niet van monarchistische frivoliteiten. Direct na de oorlog werden de letters weer in het hekwerk gelast. Om het plantsoen liep een straat met dwarsstraten naar alle windrichtingen. De dwarsstraten werden genoemd naar het plantsoen en windrichting, Plantsoenstraat Oost, Plantsoenstraat Noord enz. Aan de straten stonden simpele gemeentewoningen waarvan de meesten inmiddels zijn gesloopt. Op Plantsoenstraat Zuid woonde toentertijd de familie R. Gewoon familie Doorsnee, met uitzicht op het centrale plantsoen. Elk huisje had zijn kruisje. Bij de familie R. betrof het zoon Bennie. Alle kinderen van de familie waren gezond en groeiden als kool. Behalve Bennie, die was en bleef maar een schriel ventje. Daarnaast was Bennie een zenuwenlijder. Vrijwel elke nacht had Bennie last van nachtmerries, hij gilde het hele huis bij elkaar. Ten einde raad gingen de ouders hulp zoeken bij buurvrouw Stoker. Vrouw Stoker, een zonderlinge oude vrouw, kwam niet van Erica. Niemand had contact met haar, niemand wist waar ze vandaan kwam. Maar vrouw Stoker kon ‘bezetten’. Een fenomeen wat tegenwoordig ‘strijken’ of ‘magnetiseren’ wordt genoemd. Hierbij worden strijkende bewegingen gemaakt over de patiënt. Het wonderlijke van dit bezetten of strijken was dat hierna de klachten van pijn of onrust volledig waren verdwenen. Men hoefde er niet in te geloven. Menig criticus liet zich behandelen en kwam tot de conclusie nooit in dergelijke hocus pocus te zullen geloven. Maar ze zwegen heimelijk over de klachten, die bleken te zijn verdwenen. Ondanks het feit dat de mensen vrouw Stoker een eenzame, teruggetrokken en een beetje enge vrouw vonden, werd haar hulp gevraagd. Maar Bennie werd er niet beter van, de klachten namen alleen maar toe. De nachtmerries veranderden langzaam in hysterische angstaanvallen. Om de familie rust te geven werd Bennie voor een week bij familie op het dorp geplaatst. Daar knapte Bennie wonderwel op, de nachtmerries verdwenen spontaan. Na een week, bij terugkomst in zijn eigen huis, kwamen de nachtmerries in volle hevigheid terug. Het bleef niet bij Bennie, zelfs de varkens in de achterschuur werden ziek. Elke keer wanneer de familie zich afvroeg wat de oorzaak kon zijn verscheen uit het niets, de oude buurvrouw. De familie R. was ten einde raad. Op het laatst werd de kussen van Bennie opengetrokken om te zien of ongedierte de oorzaak van de ellende kon zijn. Het was in die tijd gebruikelijk dat de kussens waren gevuld met donsveertjes van ganzen. Wat ze in het kussen zagen deed hun adem stokken. In de donsveren van het kussen zagen ze een afbeelding van een haan. Heel verfijnd, prachtig gekunsteld, ontzettend gedetailleerd, niet door mensenhanden gemaakt. Het figuur in de donsveertjes was echter niet compleet. De familie kon niet geloven wat ze zagen. Was het onrustige geschud van Bennies hoofd op het kussen de oorzaak van dit figuur in de donsveertjes? Het figuur werd uit elkaar getrokken en de kussen werd opnieuw gevuld met de donsveertjes. Ook nu weer stond plots vrouw Stoker achter de familie in het kleine slaapkamer van Bennie. Bij het kapot trekken van het figuur van de haan in de donsveertjes was ze wit weggetrokken. Het begon bij de familie R. een beetje te dagen, dit waren geen gewone nachtmerries die Bennie teisterden. Vrouw Stoker werd te kennen gegeven dat de familie geen gebruik meer wil maken van haar diensten. Vrouw Stoker reageerde als door een horzel gestoken. Boos verliet ze de slaapkamer van Bennie. Bij het verlaten van de huiskamer sprongen opeens tientallen witte muizen gillend uit het hardvuur. Alle leden van de familie R. zochten heil op de stoelen en tafel tot de muizen in kieren waren verdwenen. Die nacht waren de nachtmerries bij Bennie heviger dan ooit. Het waren niet alleen de nachtmerries en gegil van Bennie die de familie R. wakker hielden. Om het huis in het donker waren geluiden te horen die het meest deed denken aan rammelende blikken. De volgend morgen werd het kussen van Bennie opnieuw opengetrokken. Wat ze zagen deed ieder wederom de adem stokken. In het dons was een figuur van een haan zichtbaar, nu iets completer dan de dag tevoren. Opnieuw werd het dons uit elkaar getrokken en werd het kussen weer gevuld. Ieder familielid wist het, als de haan in het kussen compleet werd zou Bennie sterven. De weken erna bleven de nachtmerries bij Bennie toenemen. Ook de sinistere nachtelijke geluiden om het huis namen toe. Mensen in de buurt meenden een huilende zwarte hond om het huis te hebben zien lopen. Bennie werd steeds zieker. Met hem de varkens. Hevig geschrokken van het bovennatuurlijke zocht de familie hun heil bij de pastoor. De goede herder kwam kijken. Maar dit ging de arme man snel boven de pet. De geestelijke kwam haastig tot de conclusie dat het kussen van Bennie vaker gewassen moest worden. De pastoor verliet snel het huis. Elk volgende morgen, na een nacht vol geluiden om het huis, werd het kussen van Bennie geopend. Elke keer zagen ze het figuur van een haan in het ganzendons. Bovennatuurlijk mooi en inmiddels vrijwel compleet. Het werd 2 november, Allerzielen. Tegenwoordig een herdenkingsdag voor de overledenen. Maar Allerzielen was bij de Katholieken bedoeld voor de zielen die hun straftijd in het vagevuur er bijna op hadden zitten. Door in de kerk vijf keer een Onze Vader en vijf keer een Weest Gegroet te bidden kon iedere gelovige een aflaat verdienen. Met die aflaat kon een ziel uit het vagevuur worden gered. Na het gebed, dus na het hebben verricht van een goede daad, werd de gelovige geacht de kerk te verlaten. Wanneer de gelovige buiten de kerk stond werd hem of haar geen stro breed in de weg gelegd om nòg een zieltje uit het vagevuur te redden. Het gevolg liet zich raden, de gehele dag liepen mensen met klotsende klompen de kerk in en uit om de hel schier leeg te bidden. In- en uutlopertie werd de dag van Allerzielen genoemd. Traditioneel werden in die tijd ook de Missionarissen van Afrika op Erica uitgenodigd. De missionarissen stonden beter bekend als de Witte Paters. Deze geestelijken leken destijds een voorkeur te hebben in het geven van donderpreken. Iets wat ze met passie en hartstocht deden. De Witte Paters hadden in donker Afrika veel ervaring opgedaan met inlandse rituelen en bezweringen. Voor het inzegenen van een huis of een demoontje uitdrijven draaiden de Witte Paters hun hand niet voor om. Met name voor dat laatste deed de familie R. een wanhopige beroep op de Witte Paters. In de komende dagen zou het figuur van de haan in het kussen compleet zijn. Daarmee was het lot beschoren van Bennie. Met Bennie de varkens. Dezelfde avond kwamen drie Witte Paters op bezoek bij de familie R. Biddend werd het huis gezegend met weiwater. Zelfs de schuur met de varkens werd niet vergeten. Toen de Witte Paters al biddend de slaapkamer van Bennie betraden hoorden ze een hond lang en klagelijk huilen. Toen de Witte Paters met weiwater begonnen te zegenen hoorden ze buiten een oude vrouw gillen. In de tuin liep vrouw Stoker, gillend van de pijn. Kwaad hief ze haar vuist richting de Witte paters. Toen was ze verdwenen. Niemand had vrouw Stoker en haar zwarte hond ooit weer gezien. Het kussen van Bennie werd geopend. In het dons bleek het figuur van de haan te zijn verdwenen. Sindsdien waren de nachtmerries en angstaanvallen bij Bennie verleden tijd. Zelfs met de varkens ging het goed. De beesten groeiden voorbeeldig op en werden gezonde karbonaadjes. Als Bennie nog zou leven zou hij nu ongeveer negentig jaar oud zijn. Van Bennie was bekend dat hij een ‘fien kereltie’ was, trouwde en kinderloos bleef. Hij bleef niet op Erica wonen, geef hem eens ongelijk.

 

Geschreven door Henk Beukers

1 of 8
12345678