Beesten om ons huis

Beesten om ons huis

Onze eerste huisdier die we aan de Havenstraat mochten begroeten was hond Lexie, een Jack Russel. Lexie kwam van mijn oom Minne. Mijn oom stond toentertijd op Erica bekend als ‘Minne met de iene niere’. Bij oom Minne hadden de kinderen de gewoonte om Lexie te pesten. Onder luid gelach werden steentjes naar zijn kop gegooid. Dan kon ie zo lekker grommen. Lexie was naar hartenlust verpest en was een chagrijnige hond. Een streel over de kop van Lexie kon uitlopen op een beet in de vinger. Toen Lexie vaker ging bijten werd het beestje bij ons afgeleverd. Wij waren blij met Lexie. We hadden niks, we waren overal blij mee. Trots liepen we om het huis met Lexie aan de lijn. Aan de Havenstraat zagen we de jongens van Bekelaar lopen. Hun moeder was een dochter van Poelman de jager. Die lui van Beekelaar mochten we niet. Niet om het een of ander, gewoon zomaar. Die joegen we Lexie aan. Lexie deed waar het goed in was, grommen en grauwen. Al spoedig renden de jongens van Bekelaar voor ons uit, dan kwam Lexie, dan een stuk strak touw, dan een paar meegezeulde tevreden knorrende jongens van Beukers. We hadden een wapen, Lexie. Een nadeel van het wapen was dat het soms tegen ons keerde. Herhaaldelijk werden we gebeten. Dit ging zo een paar keer door. Tot Pa de wenkbrauwen fronste. Een dag later was Lexie verdwenen. We zochten overal. Achter de schuur, bij de buren, op de Havenstraat, overal. Een week later vonden we de hond. Waarom kwam Lexie niet keffend naar ons toe? Lexie had een goed excuus om niet naar ons toe te rennen. Lexie was verzopen. Een pofferig Lexie dreef zachtjes en stilletjes in de eerste Boerenwijk. Om zijn hals bevond zich een touw met een vijftal bakstenen. We waren woest. De volgende ochtend werden aan de Havenstraat de jongens van Bekelaar opgewacht door de jongens van Beukers. ‘Jullie hebb’n oonse hond verzeup’n’, schreeuwden we en vlogen ze aan. D’r vielen een paar rake klappen. De Bekelaartjes jammerden dat ze van niets wisten. ‘Nog lieg’n ok’?!! PATS ging het weer. Uiteindelijk werden de jongens van Bekelaar ontzet door hun oudere broer. Nu moesten wij maken dat we wegkwamen. Vele jaren later bekende Pa dat hij degene was die Lexie in het kanaal had gegooid. ‘Ondanks alle stien’n kwam hij toch nog boov’n driev’n, toen he’k hum maor onderdrukt’ was zijn nuchtere uitleg. Achteraf de juiste beslissing. In die tijd was een dierenarts onbetaalbaar. Een vals dier werd in die tijd verkocht aan ‘Jan Plomp’. Na Lexie kwamen de katten. Tot afgrijzen zagen wij dat de moederpoes telkens haar jongen doodbeet. Op een pikzwarte jong na. Jarenlang hebben we zodoende pikzwarte katten gehad. Moederpoes kreeg een ferme trap onder de staart wanneer we weer dode jonge katjes in haar nest vonden. Hoe is het toch mogelijk dat die kat steeds een zwarte jong liet leven. Wat moederpoes niet wist en wij ook niet: Pa hield van zwart. Een keer liet moederpoes een zwart-wit bont gekleurde jong leven. Waar kwam die zo gauw weg? Het beestje lag niet in het nest. Wij waren verrast, Pa ook. Dan moet het wel een goeie kat zijn. Hij mocht blijven. Toen het jong groot was moesten we van Pa een keus maken. Een van de katten moest weg. We konden het niet over ons hart verkrijgen om de jongste kat weg te doen. Op een vroege ochtend stonden we op de Strengdijk en kieperden een zak leeg. Een gitzwarte kat stond nieuwgierig om zich heen te kijken. Een tel later waren we weg. Boer Jans Bruins had er weer een kat bij. Onze overige katten sneefden steevast onder een auto op de Havenstraat. Die moesten op ons erf begraven worden. Zo kreeg broer Chris een keer de zware taak op zijn schouders. Bij gebrek aan een kruis begroef hij de kat met de staart boven de grond. Op die manier voorkwam hij het zoekraken van het graf. Handig. Jaren later kwam mijn jongste broer Herwin met een pub in zijn armen aangelopen. Bij buurman Roling had de hond jongen gekregen. Herwin mocht zomaar een pub uit het nest kiezen. We keken allemaal vertederend naar het hondje, een teefje. Behalve Ma, die keek even verwijtend naar het huis van Rolink. De volgende 17 jaar werden we steevast in huis verwelkomt door Loekie, een kleine rassenhond waar we allemaal zo verschrikkelijk wijs mee waren. Loekie werd heel oud en kon op het laatst niet meer. Loekie kreeg een spuitje en werd tot mijn afgrijzen achter gelaten bij de dierenarts. Onze trouwe Loekie kreeg zodoende geen waardig grafje op ons erf. Jammer maar het is niet anders.Na Loekie kwamen achttien ganzen. Een van de ganzen werd bij bakker Gerard Kolker geruild tegen een gent. In het afgerikte weiland werden steeds twee deuren tegen elkaar gezet en vormden zo een dakje. Daaronder broedden de ganzen. De vrouwtjes werd bewaakt door de gent. Die beet nog harder dan Lexie. Wanneer Ma de beesten had gevoerd moest ze over het gaas stappen. Dan had ze een seconde nodig om zich om te draaien. Op die seconde wachtte de gent. HAP. Ma had er weer een blauwe plek bij. De ganzen bezorgde buurman Willem Wessel bijna een hartverzakking. De ganzen konden met hun geknipte vleugels niet vliegen. Maar een harde windvlaag tilde de dieren moeiteloos op. Zo ook die keer. Een sterke windvlaag hief een drietal ganzen hoog in de lucht en ze ploften zo’n dertig meter verder als massieve witte bollen terug op aarde. Pal naast de buurman. Die was bezig met onkruid wieden in zijn moestuin. Het plotseling daverend witte geweld uit de hemel deed hem bijna zijn adem stokken. Dat was gelijk het einde van de ganzen. Wegvliegen?, ze verdwenen allemaal in de pot. Toen kwamen de kalkoenen. Daarvan kan ik me herinneren dat eentje ziek was. Het beest stond tegen het gaas te treuren, d’r zat geen muziek meer in. De kalkoen at niet en dronk niet. Als we niets deden dan ging het beest dood. Pa wreef zich bedenkelijk over de kin, toen klaarde zijn gezicht op. ‘We geem die kalkoen een Sinasprilligie’. Als kind knapten we vaak snel op na het innemen van de pijnstiller-met-sinasappelsmaak. De kalkoen kreeg een halve Sinaspril in de strot geduwd. Nieuwsgierig bleven we een kwartier staan kijken hoe het met de kalkoen verging. Die maakte de kwartier niet vol. Stuiptrekkend liet die na 10 minuten het leven. ‘Hmm, we hadd’n hum ‘n kwart tablettie moet’n geem’, concludeerde vader. Einde kalkoenentijdperk. Wederom kreeg Chris de taak om de kalkoen achter in de tuin te begraven. Als recalcitrante tiener had hij wel andere dingen te doen. De diepte van het graf was omgekeerd evenredig met de zin tot graven. Enkele weken later sprak het gezicht van de buurvrouw boekdelen. Vrolijk kwispelend was hun hond het huis binnengelopen en had een cadeautje op het tapijt gelegd. Het was de Sinaspril-kalkoen die inmiddels wel eeerrrrug uit de bek stonk.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie

7 Reacties

  1. Henk · 4 maart 2012 Reageer

    Leuk dat je reageert neef, ook al ken ik je niet.
    We hebben grappige overeenkomsten.
    Mijn vader was jouw Peter, jouw vader was mijn Peter.
    Mijn vader was van de guldenfamilie, weet je nog?
    Jouw vader had maar 1 nier.
    Nog zo’n overeenkomst, ik heb ook maar 1 nier, al had ik dat liever anders gezien.
    Johannes, bedankt voor je reactie uit Zweden.
    Doe Niels Holgerson de groeten.

  2. Johannes Beukers · 28 februari 2012 Reageer

    Mooi verhaal man. Sluit mij aan bij de reactie van mijn broer Gerhard.

    Groetn uut Storfors, Zweden

    Johannes van Minne met iene niere

  3. Wim Beukers ( klein · 21 januari 2012 Reageer

    Ja Henk toen mijn schoon pa al aardig dement werd, had hij het tot het laatst altijd nog over Gerard Beukers met zijn ” stienhond”

  4. Ger(h)ard Beukers · 12 november 2011 Reageer

    Moi Henk.
    Zomaar een keer google ericalekkerwater intikken; kom ik mij doar op de site van mien 10 joar jongere neef Henk terecht , Henk ik wou eigenlijk niet eerder reageren totdat ik alles gelezen had, maaaaar toe ik het stukje over oonze en jullie LEXI las heb ik toch zo ontiegelijk moeten lachen (hij zat bij oons altied kwoad en grommend onder de divan) , niet normaal man, geweldig trouwens wat die Beukeneuties in heur jugendzeit allemoal metmaakt hebt, ik herken d’r hielveul in , prachtig allemaol. gewoon deur goan, wie wet komn wij mekaar nog een keertje tegen, ik fiets nog wel zo af en toe nog wel eens deur ERICA

    Henk goed goan

    groeten van Ger(h)ard van ome Minne met iene niere

  5. UIL · 10 november 2011 Reageer

    Beekelaar woont die nog op Erica? Kan nu nog wel kwaad worden, die ene liep altijd in het bos als wij troepavond hadden van de verkenners hij liep werkelijk het hele verkennerspel te verstieren, hij was geen lid dus hij werd door ons niet geaccepteerd.
    Ik heb hem gezegd dat hij moest opdonderen, dat wilde en deed hij niet, daarom heb ik hem niet te zachthandig het bos uit geleid. De Hopman vond het niet zo koosjer maar durfde niets te doen.
    Na die dag werden de troepavonden weer geweldig mooi. Bij ons werden de gansen en kalkoenen betrokken in het spel van het “Gold’n Bongeltie”, hij hing zichtbaar in de ganse/kalkoeneweide maar niemand durfde het weghalen.
    Mooi verhaal HENK, ga zo door.