Loewe

Loewe

Wanneer ik terug kijk op mijn jeugd komen vele bijzondere mensen voorbij. Eentje die me bijzonder is bijgebleven is Louis, ook wel Loewe genoemd. Loewe was een typ van eerst doen en dan nadenken. Dat leverde een paar bijzondere situaties op. Loewe woonde aan de Kerkweg in een boerderij. Pal naast de boerderij stond een opslagschuur. Het bestond uit vier palen met een golfplaten dak. Het stro was opgeladen tot aan de nok. Helemaal bovenin onder het puntdak bevond zich een ruimte waar vaak kinderen speelden. Zo ook die keer. Zoals kinderen vaak doen maakten ze ruzie met elkaar. Deze keer met Loewe. Met een boos gezicht rende hij zijn huis in. Om na enige tijd met lucifer in de hand weer naar buiten te komen. Loewe loste de ruzie op zijn eigen manier op, hij stak het zooitje gewoon in de fik. Probleem opgelost, toch? Alle overige kinderen waren naar beneden gekomen en stonden verbaast naar Loewe te kijken. Op hetzelfde moment speelde ik op de Kerklaan met Willie, Harry en de Vinken. Op het eind van de Kerklaan zagen we voor de kerk een gillende rode brandweerwagen langssnellen. We renden naar de Kerkweg en zagen verderop een opstootje van mensen. Daar moest iets loos zijn. We renden er naar toe en bleven verstokt staan. Voor ons openbaarde zich een gigantische vuurzee onder een golfplaten dak. Pal naast de vuurzee stond de boerderij van Loewe. De brandweer deed vooral moeite om het dak nat te houden. Uiteindelijk werd de boerderij gered maar het stro heeft nog dagenlang nagesmeuld. Jaren later, als zestienjarige, werd Loewe op zijn bromfiets, een witte Puch, in Emmen aangehouden door een agent. Loewe reed op het voetpad en kreeg daar een bekeuring voor. Een half uur later stond hij voor café Keuter, een van onze hangplekken, te snoeven dat hij een agent voor de gek had gehouden. Hij had een valse naam en adres opgegeven. Hij had de agent verteld dat hij een zoon was van Gert en Hermien Timmerman. Als hangjongeren stonden we allemaal met Loewe mee te lachen. Totdat iemand vroeg of de agent ook zijn nummerplaatje op het achterspatbord genoteerd had. ‘Ja, dat wel, maar dat maakt ja nie uut’, lachte Loewe. Iedereen werd stil. Alleen Loewe had nog steeds groot plezier. Hij werd pas stil toen een politieauto langzaam voorbij reed die een adres leek te zoeken. Verbaast keek hij de auto na en zag hoe deze het oprit van zijn huis opreed. Tegelijkertijd barsten alle overige hangjongeren in lachen uit. ‘Nee Loewe, dat noteren maakte niks uut’. Met een boerenkiespijngezicht nam Loewe plaats op zijn bromfiets. ‘Dat wordt een bloedvlekkie op het behang’, mompelde hij nog en reed naar huis. Zoals gezegd had Loewe een witte Puch als bromfiets. Wij noemden zijn bromfiets ‘Het Witte Spook’. Loewe had zijn eigen rijstijl die vooral te danken was aan zijn ad hoc gedrag. Zo reed hij die keer vanuit Nieuw Amsterdam langs het Verlengde Hoogeveense Kanaal richting Erica. Loewe zag een mooi meisje aan de overkant van de straat en begon als een bronstige beer te loeien. Hij ging rechtop de pedalen van zijn Puch staan om maar indruk te maken op het meisje. Die keek wijselijk niet op. Loewe begon te gillen en keek over zijn schouders het meisje na. Met zijn kin nog op de linker schouder reed hij pardoes het donkere kanaal in. Drijfnat kroop hij even later de wal op, zijn linkerhand hield hij het Natte Spook vast. Loewe was eindelijk afgekoeld. De week erop zat hij elke avond bij Wietse Moorman, de fietsenmaker, zijn bromfiets schoon te maken. Voor Wietse zijn huis hadden wij ook een hangplek. We waren daar al een tijdje aan het hangen tot Loewe voorbij kwam. Loewe drukte zijn dode Witte Spook aan op de Kerklaan. Hij had de bromfiets in de werkplaats helemaal schoon gemaakt, nu moest dat kreng rijden. Er gebeurde echter niets. Na een paar keer de Kerklaan op en neer te zijn geweest kwam hij hijgend bij ons staan. ‘Hij wul nie’, concludeerde de genie. Wij zagen snel waarom. Het vliegwiel ontbrak. Die zat er niet voor niets op maar Loewe vond dat ding blijkbaar maar onzin. Hij vroeg ons advies. Kijk, daar zijn we nooit te beroerd voor. We besnuffelden het Witte Spook en zagen dat er een BING-carburateur op zat. Dasniegoe. Die carburateur moest eraf. Daar moest een BANG-carburateur op, die was bij Corry Capelle verkrijgbaar. ‘Echt?’, vroeg Loewe. ‘Jahaa’, riepen wij met een serieus gezicht, ‘anders doet de bromfiets BINGBANG, dakannie’. Zo toog Loewe met het defecte Spook in de hand naar Corry. Een Bang-carburateur is er nooit opgekomen, die bestond niet eens. Een half jaar later kwamen we bij de Vinken thuis. Daar hadden ze iets bijzonders, een kleurentelevisie. Het bijzonder aan deze kleurentelevisie was dat het op afstand bedienbaar was, snoerloos. Een nieuwigheidje, daar gingen we een poosje mee experimenteren. Na wat gerommel in het achterhuis kwam Loewe binnenvallen. ‘Wat’n mooie kleurn teluvisie ja’, riep Loewe. Ik had de afstandsbediening onzichtbaar naast me neer gelegd. Wij wisten niet van het bestaan van een snoerloze afstandsbediening, Loewe zeker niet. ‘Loewe, a’j in de haand’n klapt giet ‘t geluud harder’, riep eentje. Loewe keek naar de televisie, ‘gao toch hin’. Hij klapte in zijn hand. Tot zijn grote verbazing nam het geluid toe. Wij kwamen op dreef. ‘A’j twei keer klapt giet ie zachter’. Loewe klapte twee keer en het geluid nam af. ‘Krieg nou wat’, mompelde hij verbaast. Na een aantal keren het geluid harder en zachter te hebben geklapt bekwam hij een beetje van verbazing. ‘Loewe, a’j blaost dan gaon de kleur’n van ‘t scherm af’. Loewe begon een beetje verkrampt te lachen. Hij blies voorzichtig naar de televisie. ‘Harder’, riepen we. Loewe nam een ademteug en blies naar de televisie waar de kleuren langzaam wegsmolten. Loewe hield prompt op met blazen en keek ongelovig naar de televisie. ‘A’j zoegt komen de kleuren weer trugge’, adviseerden de deskundigen op de bank. We stapten op en lieten Loewe vol verbazing al handenklappend, blazend en zuigend achter. Tja, dat is de moderne tijd. Toen we achttien jaar waren gingen we een keer in de winter met de auto van Frans Vinke naar Nieuw Amsterdam. Frans had zo’n Simca waar de snuit en kont van de auto even lang en vierkant waren. Zoals een kind een auto tekent. Het was zaterdagavond en we gingen naar de disco. Op het eind van de avond kwamen we Loewe tegen. Loewe was gekleed in een hippe paars glanzende zijden discoblouse. Hij vroeg ons of hij mee kon rijden naar Erica. Net als wij wilde hij naar café Telkamp, de huidige Koperbar. De auto was echter vol. Geen nood, Loewe ging achterop de auto zitten, hij hield zich wel vast aan de dakgoot. Frans beloofde niet harder te rijden dan vijftig km/uur. Halverwege Erica zagen we door de achterruit een wapperende hippe paars glanzende zijden discoblouse. Op het dashboard ging de snelheidsmeter richting tachtig km/uur. Toen we de auto voor café Telkamp parkeerden en uitstapten bleef Loewe zitten. Zijn gezicht had dezelfde kleur zijn blouse, namelijk paars. We moesten hem bijna van de Simca afbikken. ‘K, k, koud’, mompelde het standbeeld. In het café had hij echter snel zijn praatjes weer terug. De zomer erop ging Loewe met ons mee op vakantie naar Oostenrijk. Niemand van ons had ooit bergen gezien, we maakten daar flinke bergwandelingen. Tijdens zo’n wandeling gaf Loewe aan ‘uut de broek’ te moeten. Poepen dus. Hij klom een stuk de berg op en keek om of we wel uit het zicht waren. Loewe wilde bij deze discrete handeling absoluut geen pottenkijkers. We hadden daar begrip voor en liepen alvast vooruit. We volgden het pad dat spiraalsgewijs de berg op liep. Na een tijdje waren we terug op de plek alleen iets hoger op de berg. Daar had Loewe geen rekening mee gehouden. Tussen de struiken zagen we zijn witte togus uit het bladerdek steken. We gingen vlak achter hem staan en fluisterden in zijn oortje, ‘Moi Loewe, giet ‘n bietie’? Als door een wesp gestoken schoot de blanke derrière dieper de struiken in. We bleven dit keer staan en draaiden ons om, we wachten geduldig tot het gevloek in de struiken eindigde. Onze jeugd trok voorbij, Loewe ging zijn eigen weg en verdween uit Erica. Vele jaren later, wel meer dan twintig, stopte voor mijn huis een Volvo stationwagon, de bestuurder vloekte eerst en vroeg toen de weg. Het was Loewe.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie

3 Reacties

  1. UIL · 4 februari 2012 Reageer

    Dan is dat de schuld Loewe en Eric dat die Loewe altijd zoveel praatjes had.
    Kippen lege eierschalen laten leggen, zodat de familie van Loewe weer kip kon eten.
    Hij lult altijd zoveel als een kip zonder kop.

  2. eric · 1 februari 2012 Reageer

    Ik was één van de kinder die daar boven op het brandende stro zat.
    Toen het begon te roken waren we rappies beneden.
    Even daarvoor was ik met Loewe bij zijn opa in het kippenhok geweest om de eieren uit te blazen.
    Deden we wel vaker, dan kregen ze bij Loewe thuis weer kip te eten.
    Dit waren dan de kippen die alleen maar eieren schalen legden.

  3. UIL · 1 februari 2012 Reageer

    Tjonge jonge, ik weet dat van die brand nog best, wij woonden er een paar huizen vandaan. Wij stonden eerste rang te kijken, dus wij stonden de brandweer in de weg. Zij konden toch aan ons langs spuiten!!!!! Fout dus, ze spoten eerst ons aan de kant, toen ging het blussen van de brand verder.
    Een van die brandweerlieden was de zoon van “DIKKE” VELD, dat was de plaatseljke Veldwachter.
    Wij gingen bij Dikke Veld ook wel eens belletje trekken, vond hij niet leuk.
    Toen hij er eens genoeg van had zocht hij ons thuis op en kregen we met de platte kant van zijn sabel voor de kont, en een schop in de kont van Pa, met de woorden “nooit weer doen” werd met een lachend gezicht gezegd. Hij wist wel beter, we waren een stel onverlaten toendertijd.