Ons Huus 2

Ons Huus 2

Ik schrijf de jaren zestig. De tijd van na het avondeten op tijd naar bed. We sliepen niet direct, we maakten in bed van een deken een soort van berg. Die zetten we vol met plastic dieren. We speelden Daktari tot we moe werden, of ruzie kregen. In het laatste geval vloog schele Clarence door de lucht gevolgd door een giraf of twee. Een vermaning van Ma bracht weer rust in de Afrikaanse dierenkliniek. Door een kier in de deur konden we meekijken wat zich op TV afspeelde. Af en toe hoorden we Pa hard lachen om die gekke André van Duin. Soms werd het stil en ernstig. Het was de tijd van de Koude Oorlog. De Russen dreigden te komen. Dat kregen we als kind wel degelijk mee. Op een avond in het najaar van 1966 schrok ik wakker. In het donker gluurde ik naar buiten. Op het bouwland achter ons huis was een vliegtuig geland. De landingslichten van het vliegtuig draaiden langzaam over het veld. Ogottegottegot, de Russen. Ik raakte lichtelijk in paniek. Moest ik mijn broer Wim wakker maken? Moest ik mijn ouders waarschuwen? Ik besloot nog even te wachten. Met bonkend hart zag ik wederom de landingslichten voorbij dwalen. Die Russische vliegtuig zat zeker een parkeerplek te zoeken. Plotseling zag ik de landingslichten van een tweede vliegtuig. Mijn hart sloeg over. Ik had het klamme zweet in de handen. Ik moest de familie waarschuwen. De Russen waren geland. Ogottegotttegot, uitgerekend achter ons huis. Ik besloot te gaan liggen. Even tot rust komen. Twee tellen later sliep ik. De volgende dag hoorde ik vreemd genoeg niemand Russisch spreken. Ik wist trouwens ook niet hoe dat klonk. Ik rende achter ons huis het bouwland op. Geen vliegtuig te zien. Slechts sporen van tractoren. Het aardappelveld was leeg gerooid. Ik keek verbaast om me heen. Had ik me daar gisteravond toch vreselijk sappel gemaakt om niks. Het Russisch vliegtuig bleek een aardappelrooier! De angst kenmerkte die tijd. De dreiging van de Russen voelden we als kind. Het had invloed op onze spel. Steevast was bij het soldaatje spelen de Rus onze tegenstander. Terwijl Pa in de tuin tussen de aardbeiplanten stond te schoffelen bestormden wij schreeuwend de Russische stellingen. Iemand moest het doen. We zorgden er uiteraard wel voor dat we niet de aardbeiplantjes vertrapten. De Russen mochten dan wel onze vijand zijn, van Pa kregen we zakgeld. Laten die verrekte Russen nu uitgerekend bij ons achter in de tuin stelling hebben genomen. We stormden Pa schreeuwend voorbij. Een steelpan en een vergiet waren onze helmen. De Russen vluchten het bouwland op. Met onze geladen berkentakken joegen we ze na. Pa keek ons even na en ging hoofdschuddend verder met schoffelen. Ai, de Russen schoten terug. We lieten ons vallen in het rulle zwarte zand. We hoorden vaag een geluid. We keken op, iemand scheen iets te roepen. Versterking? Was het de Koningin met een nieuw bevel? Oei, het was Ma. Die stond met haar handen in de zij heel boos te kijken. Even later stapten een paar ongelofelijke smerige moe gestreden frontsoldaten voor haar langs. De helmen scheef op het hoofd, het zand diep in de oren. We moesten de geweren in een hoek zetten en ons buiten uitkleden. Het viel nog niet mee om de wereld te redden. Maar na dit te hebben gedaan was het heerlijk douchen. Na het avondeten kregen we de gewoonlijke corveedienst. Standaard moesten broer Jos en ik de afwas doen, broer Wim moest stofzuigen. Bij de afwas was het altijd een strijd over wie mocht afdrogen. Jos wilde alleen maar afdrogen. Toeval of niet, ik wilde ook alleen maar afdrogen. Om de strijdbijl maar te begraven had Jos een systeem bedacht om beurtelings af te drogen. Met een potlood had hij onze namen op het behang geschreven. Met streepjes hield hij de tel bij. Wij konden nu nauwkeurig bepalen wie aan de beurt was om af te drogen. Verrekte slim bedacht van Jos. Ik had die avond afgedroogd en zou ,gatver, morgen weer afwassen. Ik kneep mijn ogen toe en begon geheimzinnig te loensen. Ik loenste geheimzinnig naar links, ik loenste geheimzinnig naar rechts. Niemand in de buurt. Ik sloop naar de keuken. Ik pakte de potlood en zette snel een streepje achter Jos zijn naam. De volgende avond brandde de strijd los om het afdrogen. Jos wist zeker dat hij gisteren de afwas had gedaan. Het was zijn beurt om af te drogen. Hevig verontwaardigd wees ik naar de streepjes achter onze namen. Uiteindelijk werden de streepjes dan maar geteld. Nu brak het moment van de waarheid aan. Huuh? Moest ik toch afwassen? Ik keek Jos smerig aan maar kon niks zeggen. Had die Smiecht ook een streepje achter mijn naam gezet. Gruwel, je kon werkelijk niemand meer vertrouwen. Even later zongen we het hoogste lied tijdens het afwassen. Jungen, komm bald wieder nach Haus. Tweestemmig en zo hard mogelijk. Eindelijk mochten we ‘s avonds na het eten de straat op. Voor het donker thuis zijn en geen kattenkwaad uithalen kregen we als instructie mee. Met grote blauwe ogen gaven we Ma de verzekering dat we ons keurig zouden gaan gedragen. Even later zaten we belletje te drukken. Hier had ik een leuke variant op bedacht. De familie Reuvers aan de Kerklaan had een tamelijk lange oprit. Ik liep snel de oprit op en drukte op de deurbel. Ongemerkt vervoegde ik me weer bij de groep. Frans was aan de beurt om belletje te drukken. De argeloze Frans liep de oprit van Reuvers op. Zijn wijsvinger zou net het knopje van de deurbel indrukken toen pardoes de voordeur open ging. Twee gezichten keken elkaar aan. De ene gaf een gil, de andere liet iets vallen. Hinnikend deden we het op straat bijna in de broek van het lachen. Daar hadden we die Frans toch gigantisch beet genomen. Bij een bepaalde huis was belletje drukken extra spannend. De heer des Huizes kwam ons altijd scheldend achterna. Zodoende promoveerde hij zichzelf tot trofee. We bewaarden hem altijd voor het laatst. We hadden de leeftijd bereikt om onze eerste sigaret te roken. Willie, mijn kameraad, keek die dag geheimzinnig. In de schuur haalde hij een verfrommeld pakje uit zijn broekzak. Daar zaten een paar sigaretten in. We slopen heimelijk op (jawel) de hooizolder en staken ons daar een paar sigaretten aan. Wauw, onze eerste sigaret. 5 minuten later verlieten twee jongens stilletjes de hooizolder. Het hooi lag tot aan de nok op zolder, deze geurde sterk en was zelfs iets groen. Maar niet zo groen als de twee jongensgezichten. Die hadden inmiddels het niveau van grijsgroen bereikt met een vleugje geel. ‘Verd…,wat ben ik ben misselijk’, boerden we tegelijkertijd. Het was onze eerste stap in de volwassenheid.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie

2 Reacties

  1. jety · 9 juli 2012 Reageer

    inderdaad ‘n leuk verhaal.
    Maar Uil, van lok werd je nog groener dan van gewone sigaretten.

  2. UIL · 9 mei 2012 Reageer

    Tomme dat was een mooi verhaal. Een goede afloop is het zeker want het roken zijn we afgeleerd. Ik was iets ouder en rookte voor het eerst van die vezels uit het veen, bah wat was dat vies maar je werd er wel een kerel van.