Sikken Doore

Sikken Doore

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was hier werk zat. Elke bouwvakker kon zo aan de slag. Toch gingen hele volksstammen werken in Duitsland. Over ver werken heette dat, het verdiende goed. Het was de gewoonte om vrijdag terug te keren naar Nederland. Zeker voor vrijdagmiddag. Dan moesten sommigen het steunbriefje inleveren. Op die manier werd een dubbel inkomen verkregen. De toenmalige Linkse Kerk ging teveel uit van fatsoen en eigen verantwoordelijkheid. Controle was er nauwelijks, als ze er naar vroegen dan werd een zielig verhaaltje opgedist. Bij de ambtenaar in kwestie ging dat erin als koek. Later in de kroeg werd schamper gelachen over zoveel naïviteit. Het waren niet alleen de jaren tachtig toen velen in Duitsland gingen werken. In het begin van de vorige eeuw, zo omstreeks 1905, trokken vele turfgravers naar Duitsland. Het verdiende gewoon beter in Duitsland. Zo trok ook Anton Evers naar het Duitse Osnabruck om daar te gaan werken in het veen. Anton maakte daar lange dagen en verdiende goed. Soms trok hij huiswaarts, een reis van bijna een halve werkdag. Het werken in het veen was zwaar. Via het spoor werden de turven in lorry’s naar een verzamelplek gebracht. De lorry’s werden vervolgens door een stoomlocomotief van het veen getrokken. Natuurlijk werden onder de kerels geintjes uitgehaald. Een geliefd geintje was een stuk kienholt voor de wielen van een lorry te gooien. De lorry ontspoorde en kwakte naast het spoor in het veen. De lorry moest in de rails worden getild, alle losse turf moest weer in de lorry worden gesmeten. Als ze dat bij jou flikten dan kon het terugpakken natuurlijk niet lang op zich laten wachten. Nog dezelfde week kwakte een lorry van de opponent tegen de vlakte. Hilariteit alom. Niet bij Anton Evers. D’r werd een stuk kienholt voor de wielen van zijn lorry gesmeten. Prompt kwakte de lorry met turf tegen de vlakte. Met dien verstande dat Anton precies op de plek stond waar de lorry heen viel. Hij werd bedolven onder een paar ton staal en turf. Het weekend erop kwamen Doortje Evers-Berends, zijn vrouw, met de kinderen over naar Osnabruck. Om Anton op de lokale kerkhof aldaar te begraven. De sociale omstandigheden in die tijd waren niet te vergelijken met de huidige. Met een uitkering van een paar gulden per week moest Doortje zich redden met haar jonge kinderen. Haar oudste kind Beth werd van school gehaald, ze moest zorg dragen voor haar jongere broers en zussen. Ze was nog geen tien jaar! Beth moest zeven dagen in de week dag en nacht werken voor het gezin. Het was de rauwe werkelijkheid achter het veel voorkomende analfabetisme. Om toentertijd het gebrek aan leesvaardigheid te verbloemen werd de klant door de fotograaf met een boek op de schoot gefotografeerd. Schaamte hoort hier eigenlijk niet op zijn plaats zijn. Zij waren immers niet schuldig aan het alom voorkomende analfabetisme. Het was destijds de meedogenloze keiharde politiek dat hier debet aan was. Vaak kon je de hardheid van het leven van het gezicht aflezen. Zo ook bij de vrouw op de foto, Beth of Elisabeth, mijn opoe (oma). Opoe was een sterke vrouw. Op eigen kracht heeft ze op latere leeftijd zich het leesvaardigheid nog eigen gemaakt. Voor opoe’s moeder Doortje, Willems vrouw, braken in 1905 bittere tijden aan. Van die paar gulden kon het gezin niet rondkomen. Volgens de op religieuze leest geschoeide politieke opvattingen van die tijd moest het inkomen in het zweet des aanschijns worden verdiend. Het zware werk van de huisvrouw werd simpelweg niet beschouwd als werk. Hardvochtig werd haar een inkomen onthouden. Pastoors en dominees praatten dit goed met beloftes van hemel of dreigden met hel en verdoemenis. Doortje werd noodgedwongen veenarbeider. ‘s Morgens in de vroegte trok ze via het 5e Blok naar het Amsterdamsche Veld. Om daar twaalf uur lang zware arbeid te verrichten. Zodat de heren uit Amsterdam hun rendementswaarde in aandelen konden behouden. Ondertussen werkte haar oudste kind Beth zich uit de naad om de kinderen in de kleren te krijgen, hun eten te geven, ze naar school brengen of de dagelijkse berg was te doen. Af en toe kreeg ze hulp van familie Berends, familie van moederskant. De familie Berends woonde destijds aan de Broekweg. Een verborgen weggetje in het veld tussen Klazienaveen en Erica. Mijn moeder, dochter van Beth, kon zich als kind nog dergelijke bezoekjes aan de familie Berends herinneren. Een huisje paradijselijk gelegen in het veld. In het huisje hingen allerlei kruiden aan het plafond te drogen. Toentertijd woonde Doortje met haar kinderen op Erica in een huisje aan de straat naar Emmen ter hoogte van de latere haven. Het huisje staat er nog, sterker nog, in dat huisje ben ik als achterkleinkind van Doortje vele jaren later geboren. Om het hoofd een beetje boven water te houden had Doortje een paar geiten. Spierwitte geiten. Koeien voor de armenluismensen. Nadat de haven in de jaren dertig werd aangelegd lag hier een brede kade van gras. Hier zette Doortje, inmiddels een oude vrouw, de geiten aan de stik. Een stik was een ijzeren pin met een oog aan het uiteinde. De pin werd diep in het zand gestoken. Aan het oog zat een touw die zich verbond met de geiten. Zolang het touw was zo ver konden de geiten grazen. Was het gras op dan werd de stik verzet naar een andere plek. Op die manier werd het gras op de hele kade van de haven kort gehouden. Ook de wallen van het hoofdkanaal was een geliefde plek om geiten te laten grazen. Overdag zag je destijds langs het Verlengde Hoogeveensche Vaart tientallen geiten aan de stik grazen. ‘s Avonds bracht Doortje de geiten naar haar schuurtje en werden de beesten gemolken. Melk wat ze niet hoefde te kopen. Melk wat ze aanvankelijk bij gebrek aan geld niet kòn kopen. Op maandag tot en met zaterdag nam Doortje, toentertijd als jonge weduwe, de geiten mee naar het veld. In het dampige ochtendgloren zagen mensen op Erica een vrouwtje lopen op de Pannenkoekendijk. In haar kielzog een viertal geiten aan het touw. Op het eind van de Pannenkoekendijk lag het Hoofdkanaal, later Dommerskanaal geheten. Achter het kanaal richting Schoonebeek lag het Amsterdamsche Veld. Eigendom van investeerders uit Amsterdam die flink verdienden aan het bruine goud. Menig huiskamer in Amsterdam werd destijds warm gehouden met turf uit Erica. Doortje hield zich warm door die turf voor hun uit te graven. Af en toe nam ze een turfje mee voor haar kacheltje. Het enkel-steens muurtje van haar huis was geen partij voor de koude oostenwind. Ondanks alle ellende dacht Doortje ook af en toe aan haarzelf. Dan ging ze die avond naar slijter Hof. Onder haar jurk zat een flesje. Dan kocht ze een maatje jenever, en paar borreltjes. Dan zat ze die avond genoeglijk tussen haar kinderen en gunde ze haarzelf een versnapering. Een rustige oude dag heeft mijn overgrootmoeder Doortje niet gekregen. Een triest lot stond haar te wachten. In die tijd was de wetenschap nog niet zover of zelfs onbetaalbaar om iets tegen kanker te kunnen ondernemen. Zeker niet tegen slokdarmkanker. Doortjes oudste kind Beth was inmiddels getrouwd met Jans Kölker (opa), ze woonden aan de Kerkweg. Wanneer in die dagen Doortje bij mijn opoe bleef eten kreeg ze niets door de keel. De tumor had de keel verstopt. Na een paar minuten kwam alles er weer uit. Onderweg naar buiten probeerde ze nog enkele kruimels naar binnen te werken. Het mocht niet baten. Doortje is tachtig jaar oud geworden, toch nog een respectabele leeftijd voor die tijd. Vrijwel elke Ericaan kon in die tijd het vrouwtje herinneren die vroeg op pad in het veen ging werken, in haar hand een touw met een viertal witte geiten. Het was dezelfde Erica die hierom haar een bijnaam had gegeven, die van Sikken Doore.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie

1 Reactie

  1. Gerhard Beukers · 12 december 2018 Reageer

    Mooi Henk.