Posts by: H. Beukers

Erica in oorlogstijd, de hongerwinter

Erica in oorlogstijd, de hongerwinter

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Een stadsjochie in Erica, hongerwinter ‘44-‘45

Ik groeide op in een arbeiderswijk in Utrecht. Er was in de steden niets meer te eten in de winter van ’44. Kerkelijk organisaties regelden wel eens kindertransporten naar het ‘magische’ gebied boven de IJssel waar wel eten was. Mijn moeder slikte haar trots (zij was niet-kerkelijk) en vroeg of ik als 10-jarig jongetje met de kinderen uit de buurt mee mocht op transport naar onbekende bestemming. Ik vond een heel avontuur. Er was een gids bij met een band om zijn arm maar omdat er ook een volwassen man meereisde richting het Noorden gaf deze zijn kostbare vracht snel over aan deze onbekende en ging zelf lekker naar huis. Na een tocht met overnachting en keuring in Zwolle kwamen we tegen het donker aan in Hardenberg en bleek dat ze helemaal niet op ons zaten te wachten daar: er was geen plek. We werden midden op het plein een-voor-een op de wagen gezet en aangeboden aan de mensen. Uiteindelijk werden alle kinderen gekozen behalve een grote jongen van 16 en ik. Wij aten zeker te veel. Wat voelde ik me rot dat niemand me wilde hebben! ‘Wat moeten we nu met die twee?’ vroegen ze zich waarschijnlijk toen af… Gelukkig kwam er bericht dat in Erica nog wel plek was en de onbekende reiziger nam ons de volgende dag met paard en wagen mee tot Coevorden. Hij regelde nog transport tot Schoonebeek maar daarna moesten we alleen verder lopen naar Erica (bijna 7km!) waar de dominee gebeld was en ons verwachtte.

Die ging rondbellen of iemand ons wilde hebben en ondertussen mochten we zijn verjaardag meevieren. Toen niemand gevonden was sliepen we in de consistoriegebouw bij de kerk. Die kerk is later in de 60er jaren afgebrand. Ik werd de volgende dag ondergebracht aan de overkant van de verlengde Vaart (ZZ) bij bakker Ax en zijn vrouw en twee dochters waar ik het best naar mijn zin had. De meiden vonden zo’n klein broertje wel leuk en er was veel bedrijvigheid. Die andere jongen trof het minder goed: die was nogal eenzaam bij een oud stel, fam. Rikke aan de NZ van de Vaart. De bakker had de ziekte van Parkinson en moest enorm hard werken. Toch namen ze mij erbij. Ik weet nog dat ik bij aankomst door de winkel naar de zitkamer erachter liep met de dominee en dat ik een beetje werd ondervraagd bv. over welke krant mijn ouders lazen: ze keken elkaar wel even aan toen ik zei ‘het Volk’! Ze hadden geen christelijk jongetje maar een rooie rakker onder hun hoede genomen! Maar ik paste mij aan, ging naar de ‘School met de Bijbel’ met de Drentse kinderen. Bakker Ax ging aan tafel altijd hardop bidden met de pet over zijn ogen. De dochters Aaltje en Jannie waren ongeveer 20 en 15. Ik ging mee naar de kerk waar Aaltje, de oudste dochter, jeugdleider was. Daar leerde ik psalmen en gedichten en zong hard mee “tot ‘s Heeren lof en prei”. Elke Zaterdagmiddag werd ik gewassen in een teil in de warme bakkerij. Ik had daar een lekker bed in een van de twee bedstedes maar soms moest ik die delen met de bakkersknecht. De eerste knecht was wel aardig maar de tweede knecht had een hekel aan ‘die stadse mensen’ en pestte mij nogal. De knecht ging met de merrie overdag brood venten tot aan Klazienaveen en omliggende plaatsen. Ik genoot als stadsjongen van het buitenleven, al was het minder leuk dat ik een keer in de beerput achterin de tuin stapte (varkensmest met stro, waardoor je niet zag dat het vloeibaar was) en met de ijskoude tuinslang afgespoten moest worden!

Uitzicht op de brug vanaf de bakkerij 1968

Uitzicht op de brug vanaf de bakkerij 1968


Toen de bruggen over de Vaart stuk waren kon ik een poos niet naar school. De Duitsers hadden namelijk alle bruggen opgeblazen met dynamiet om de geallieerden tegen te houden. De bewoners keken toe hoe de dynamiet werd geplaatst en vroegen om een waarschuwing als het zou gaan gebeuren. Maar dat deden ze mooi niet – ze maakten alleen een armgebaar van ‘nu wegwezen’ toen het al begon en we renden zo hard we konden de wei in. Een stuk hout zeilde als een propeller door de lucht en belandde vlak naast mij. Bij thuiskomst bleek de winkelruit van de bakkerij etalage gesneuveld. De brug was een trambrug (de Oosterveensche trambrug) en de rails maakten een bocht achter onze huizenrij langs. Ik zag eens uit mijn slaapkamerraam aan de achterkant van het huis een tramwagon rijden, ik geloof met Duitse militairen erin. Als kind begreep ik er niet veel van natuurlijk maar ik kreeg wel verhalen mee over verzet in het dorp, volgens mij was onze schoolmeester er ook bij betrokken. Op een dag was er rumoer bij de brug en toen bleek dat verzetsmensen hun wapens in het water aan het gooien waren. Er was zeker gevaar voor ontdekking. Het halve dorp keek toe dus ze wisten er allemaal van. Er was ergens een Poolse onderduiker maar ik weet er het fijne niet van. Wel weet ik dat het met de bevrijding een vrolijke chaos was – iedereen ging op het dorp vaderlandse liederen zingen – ‘Wier Neerlands bloed door d’aderen stroomt’ en het Wilhelmus. Onderduikers en Engelse piloten liepen vrij rond of reden op auto’s door de straat en de verzetsmensen schoten in de lucht. Ik liet mij helemaal meeslepen – dacht dat alle regels nu toch zeker niet golden bij zoiets bijzonders – en had niet in de gaten dat de bakker en zijn dochters al uren naar mij op zoek waren. Het duurde na de bevrijding nog een paar maanden voor ik naar huis ging – mijn ouders begrepen niet dat ik maar niet kwam – en toen ik eindelijk onderweg was kwam ik ineens mijn vader tegen op de fiets die mij zelf maar was komen halen. Dat was een weerzien! Hij ging eerst met mij terug naar Erica om de familie Ax hartelijk te bedanken voor hun goede zorgen. 

Bakker Ax en gezin 1968

Bakker Ax en gezin 1968

Ik ben later getrouwd met een Katholieke kleuterjuf en geëmigreerd naar Zuid Afrika waar ik nu nog woon. Toen ik met mijn gezin in 1968 voor het eerst weer in Nederland was hebben we de bakker en zijn dochters opgezocht. We hielden contact en later toen de bakker al was overleden vertelde een van de dochters dat hun vader mij wel had willen houden. Daarom was hij zo traag om mij naar huis te sturen. Hij was erg gehecht aan mij geraakt en zou dan een opvolger voor de bakkerij hebben gehad. In dat geval was ik in plaats van Zuid-Afrikaan een Ericaan geweest en bakker bovendien!

 

Nol Timmermans, nu 86 jaar

 

September 2019

September 2019

Vrijdag 20 september 2019 Het was zover, SusScrofa gaat weer op expeditie. Het zou een bijzonder zonnig weekend gaan worden. Begin in de middag draaide het rekensommetje 4 x 4 (16) van Yeti de oprit op van Vliegend Hert, met in het kielzog Batman. 20190920_125549Het feest kon beginnen. Even afscheid nemen van moeders de vrouw en even later ging het richting Klazienaveen om foerage in te slaan. Een trede de man, en nog wat droog spul. Dan de A37 op richting Duitsland.

Er is ooit uitgerekend dat je met een leven lang joggen twee jaar ouder wordt, maar uit een andere berekening blijkt dat je daarvoor alles bij elkaar twee jaar moet joggen.

De imposante Drenthe brug stond nog stevig op de plaats en leek ons te begroeten. In het centrum van Stadt Meppen gingen we nog even langs de K&K voor de specifieke Duitse artikelen. Voor braadworst en Jagdslock moet je nu eenmaal in Duitsland zijn, nergens anders. Aber Na Noeh!! Vinden we daar naast de spiritualiën een bijzonder likeurtje. Een Hasetaler Krauter Likör. Het bijzondere hieraan is het etiket. 20190920_140640Het is een foto die wij vanaf de Hase-brücke zo vaak hebben gemaakt. Dieper in Duitsland leek de rookpluim van Bokeloh ons te verwelkomen. We verlieten de snelweg en doken in het bronsgroene woud van Groß Dörgen. Met het openen van de toegangshek door Yeti was het SusScrofa-weekend een feit geworden.

De beschaving van een volk is af te meten aan het aantal wouden dat wordt geveld om er tissues van te maken.

De ramen van ons Heimat ‘De Ketel’ (ketel = rustplaats van wildzwijn) werden geopend. Even lekker door waaien. Je zag de spinnen mopperend de kieren opzoeken. Scheiße, het was weer zo laat. Foerage dumpen in de bunkers. Even uitrekken, tijd voor het eerste biertje. Het duurde dan ook niet lang of het kampvuur knetterde naar hartenlust. Drie zwijnen hingen aan het bier om het vuur. Een warm najaarszonnetje en een temperatuurtje van een graad of twintig begeleidde ons. Ik mag wel zeggen, het mag wel zo! Niet veel later zagen we een zwijn op wielen het terrein opkomen. Nu al in de delirium? We hadden nog maar een paar op. 20190920_181408Het bleek BamBam te zijn. Was vanuit Erica op de fiets naar Groß Dörgen gecrost. Even later zaten een viertal bacchanaal om het kampvuur zwijn te wezen. Vanuit het weiland verderop kwamen een drietal dames nieuwsgierig kijken wat hier loos was.

Weetje bij onweer: als je de tijd na de donder vermenigvuldigt met de snelheid heb je de afstand. Dus als je de afstand deelt door de snelheid weet je precies hoe snel je geteld hebt.

Het terrein om de Ketel was inderdaad iets veranderd. Er stond iets van een Hans und Gretel woninkje. We verwachten een heks met “knibbel knabbel knuisje, wie zit er aan mijn huisje” maar moesten hiervoor nog even stevig doordrinken. Wat was het dan? Gaat Yeti aan de sauna? Gaat ie handvormige plantjes kweken? Gijzelnemers opbergen? ‘Neuhh’, snoefde Yeti, ‘ik ga een werkplaats beginnen’. Het was stil. Een sissend plopje van een bierblik verbrak de stilte. Het leven gaat wel door. Blijkbaar keken we Yeti aan alsof we zijn dwangbuis nog een oogje dichter konden knopen. Haastig verklaarde hij zich nader, hij wil gaan houtzagen, voor het vuur. dscf6260Toch een mooi schuurtje geworden. Handige knaap en een doorzetter, die Oei-oei. Deze kwam ons in de avond tot ons vervoegen. Het werd een prachtige vrijdagavond om het kampvuur met sterke verhalen en natuurlijk mit Bratwurst und bier.

Zaterdag 21 september 2019

Het was nog vroeg toen voor Batman en Vliegend Hert een eitje in de pan snissterde. Even later zaten ze achter een broodje kaas-met-ei, ook wel hartstopper genoemd. Een sloot koffie voorkwam volledige dichtslibbing van de bloedvaten. Het dauwtrappen ging richting indianenplaats. Dan door het weiland met duinlandschap waar de dames vertoefden, dan naar rivier de Hase. De hemel was staalblauw, de omgeving heiig spooky. Alles zat onder dikke dauwdruppels. Het was echt dauwtrappen.

Grasklokje

Grasklokje

Jacobskruid

Jacobskruid

Smalle Weegbree

Smalle Weegbree

Duizendblad

Duizendblad

Grasklokjes, Jacobskruid en juveniele paddenstoelen stonden gebroederlijk naast elkaar te kleumen. Een iele najaarszonnetje deed verwoede pogingen om zich door de ochtendnevel te persen. In deze kleine klamme grijze wereld hoorden we de indrukwekkende stilte die Groß Dörgen eigen was. Terug in de Ketel was het snel gedaan met de stilte. Het was voedertied. Een trede eieren en een paar kannen koffie later maakte de troep zich op voor de expeditie. Deze stond in het kader van Moor of wat daar nog van over was. Door het uitblijven van regen de laatste jaren was de natuur zo dreuge als Sinterkloas zien kont. Dus trokken we die ochtend naar het Dorgerner Moor gebied. De troep had het dorp nog niet verlaten of we liepen tegen grof vuil aan in de berm. In het voormalige huis van de schoonouders van Yeti huisden nu Nederlanders. dscf6286Het grof vuil bleek een verkoopkraam te zijn. Hapjes en drankjes voor de toenemende golf aan Duitse fietsers wiens route dwars door Groß Dörgen liep. De Nederlanders hoopten hier een graantje mee te kunnen pikken. Elk jaar nam de hoeveelheid fietsende Duitsers toe in Groß Dörgen. Een speciaal uitgezette nest Hoornaars deed hier niks aan af.

Mijn vrouw en ik zijn op visite geweest bij de deurwaarder. We dachten: het hoeft niet altijd van één kant te komen.

We doken in het Wald richting executieveld. Daar was het druk, alsof de spinnen die dag een najaarsmarkt hadden georganiseerd, overal kraampjes. We liepen even later langs de ‘Viese Boom’ en staken de grote weg naar Haselune over. De zon kreeg nu de overhand, de mistflarden verdwenen. We staken de spoorweg over met op de achtergrond de rookpluim van Bokeloh. Over rookpluim gesproken, op het spoor rijdt bij tijd en wijle nog een heuse Damf Eisenbahn. Nu echter geen stoomfluit te horen. dscf6288Voor ons lag het uitgestrekte Dorgener Moor. Snel doken we het ondoordringbare woud binnen. Overal hoge pollen pijpengras met verraderlijke diepe geulen, geraamtes of wat daar op leek, ontelbare struiken en bomen wiens takken je het liefst willen omhelzen om daarna in het zwarte veen te worden getrokken. Kortom, sfeervol natuur.

Een echte lesbienne zal geen onderbroekjes in de Hema kopen omdat ze vlak bij de warme worst liggen.

We offerden de jongste op om vooraan te lopen. Even later stonden vijf zwijnen naast elkaar in een open ruimte. Voor hun zagen ze een bijzonder tafereel. Waar eens het zwarte water wanhopige reizigers verzwolg speelden nu wervelende stofwolkjes. Eenzame stammen kienholt lagen als skeletten in een zee van leegte. Op sommige plekken zakte je plotseling door een droge korst tot de enkels in de modder. Het moeras deed nog een laatste poging om moeras te zijn.dscf6290Twee witte sneakers aan de rand van het moeras waren misschien de stille getuigen van haar laatste slachtoffer. Maar thans is het moeras slechts een tandeloos oud wijf die in een rijpe perzik bijt. We vonden nog wel een interessante plant, de Aronskelk, waar we anders geen toegang toe kregen. We trokken dwars door het zandwoestijn naar de overkant waar we in het dichte moeraswoud verdwenen. De jongste vooraan, die was nog niet op. Na het nodige geploeter en gewurg eindigde de troep weer op vaste grond. Een solitaire berkenboom op de heuvel wees ons de weg.

Aronskelk

Aronskelk

In de verte was nog net de oude centrale in Haren zichtbaar. Bij een jachtkansel hielden we pauze. Hier nuttigden we een koele boterham in blik. Het begon zelfs een beetje warm te worden. Even later hoorden we een doodzieke Labrador. Hadden ze dat arme beest aan een touw achtergelaten in het bos? Wat een schande. Snel trok de troep richting het kreunend geluid. Het bleek geen zieke Labrador te zijn die het kreunende geluid maakte maar een zieke motor. Een motorpak gevuld met Duitser probeerde middels een kickstarter het ding te reanimeren. Zonder een poot uit te steken keek de troep belangstellend toe. Uiteraard waren we niet te beroerd om belerend en betweterig advies te geven, ‘moe’j eem hingoan, dat moe’j anders doen mien jong.’ Dankzij ons advies kreeg het leren pak dat ding aan de praat en vertrok snel naar de horizon. Na zo’n goede daad nam het dorstgevoel toe. In de berm van de weg vonden we een bijzonder mooie bloem, groot Kaasjeskruis. We trokken verder naar Bokeloh. dscf6302Niet alleen omdat Bokeloh een prachtig middeleeuws stadje was, ook maar vooral omdat Gasthaus Giese open was.

Degene die de slogan heeft uitgevonden ‘Snoep verstandig, eet een appel’ lijkt me niet een bijbelvast Gereformeerde.

Na een kilometerslange tocht in de warme najaarszon vleiden we ons neer onder een parasol op de veranda van Giese. Zo’n bel Duits bier doet wonderen. Na een belletje of twee maakten we ons op voor de terugweg. We trokken over de nieuwe brede brug over de Hase. We volgden de route van Otto Pankok, een streekkunstschilder wiens werken in het landschap op borden te zien waren. De route naar ons heimat werd nog op een ander manier opgeleukt. In de berm stonden honderden vrij toegankelijke fruitbomen die elk geadopteerd waren. dscf6315Hier kon weer een vooroordeel van de Duitser weggestreept worden. Op de Hase-Brucke maakte ik een foto zoals die op het etiket van de Hasetal Likör stond. BamBam was niet voor niets op de fiets naar Groß Dörgen gekomen. Hij moest die middag weer terug naar Erica. We namen afscheid van BamBam en vleiden ons om het kampvuur. Na een uur werd ons lawaai wreed verstoort door een geluid op de Hase. We waren inmiddels de diarree aan kajaks gewend die onophoudelijk over de Hase richting Bokeloh dreven. Nu kwam een complete drijvende kroeg de rivier afgedropen. De jongelui veranderen na de nodige alcoholconsumptie in Oko-schweinen en kunnen van alles in de Hase kwakken. Foei. Wij moeten ook maar een keer eens zo’n ding afhuren. De rest van de avond bestond traditioneel uit kampvuur, braadworst en spannende oude verhalen.

Zondag 22 september 2019

Na het ontbijt maakten we ons op voor de Klein Reusies tocht. dscf6329Een staalblauwe hemel verwelkomde ons, we hadden er zin in. De tocht zou gaan naar de brug over de rivier Mittelradde. Een brug die er al was voordat we ooit een voet in Groß Dörgen hadden gezet. Een brug waaronder ik met zestienjarige vrienden een kampvuur hadden gemaakt omdat het regende. Waar we daarna nauwelijks de tenten terug konden vinden, waarschijnlijk omdat het zo gezellig was. Die zondag bezochten we als eerst de kapschuur waarin we, meer dan dertig jaar geleden, de eerste SusScrofa-weekenden doorbrachten. Bij de schuur aangekomen bleek het verval door gebrek aan onderhoud meedogenloos had toegeslagen. Het dak maar ook de zijgevel lag open.

Haast maakte opa nooit, daar had opa geen tijd voor.

Snel gingen we verder naar het verlaten boerencomplex van wijlen boer Wulf. Ook hier had het verval meedogenloos toegeslagen. Van de vervallen schuur stond nog een spant overeind. De crucifix stond tussen verdorde Rododendrons. dscf6350Het hoofdgebouw van het boerderijcomplex was nog intact, waarschijnlijk omdat het dak geen lekkage vertoonde. Wordt dit het geval dan gaat dit gebouw boer Wulf snel achterna. We liepen verder over het complex van zo’n tiental gebouwen, het was er doodstil en uitgestorven. Een vlasbekje trachtte nog enigszins kleur in het bestaan te krijgen. Ooit was de boerderij zo belangrijk dat het op landkaarten apart benoemd werd. De Wulfjes waren zo bezig geweest hun boerderij in de lucht te houden dat ze vergaten een nieuw ‘Wulfje’ te maken. Het moest natuurlijk een jongetje zijn. Probleem is hoe je dan belangstelling moet tonen. Zwanger? gefeliciteerd, wordt het een jongen of een abortus? Toen de laatste Wulf sneefde werd na lang zoeken ergens in Amerika een familierelatie gevonden. Hij mocht het hele boerderijcomplex plus honderden hectares grond erven als ie de naam Wulf aannam. Mij mochten ze Adolf noemen als ik voor zo’n keus kwam te staan. De Yank heet nu Wulf, leeft waarschijnlijk van de pachtopbrengst en woont ergens lekker vet. Het hele boerderijcomplex is waarschijnlijk te duur om te renoveren. Misschien iets voor een zweverige commune? Het staat er nu verlaten bij en stil te vergaan.

Hans Dorrestein: ik was er op een gegeven moment zo beroerd aan toe dat ik ook telefoonseks heb geprobeerd, maar dat is niks voor mij, telefoonseks. Ik snap niet hoe al die kerels hem het lappen, maar ik kreeg hem er gewoon niet in.

We liepen richting koetshuis en een gebouw voor personeel. De gebouwen werden bijna weer mooi door lelijkheid. Het gevolg van tientallen jaren verval. Het koetshuis vervalt zelfs met koets en al. De belangrijkste koets werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw gestolen. Maar beter zo, anders waren de houtwormen ermee weggereden. Het enige wat we als SusScrofa’s kunnen doen is het verval optekenen. We liepen verder over een eeuwenoude bospad richting de Mittelradde.

Salomonszegel

Salomonszegel

Vlasbekje

Vlasbekje

Hier vond Oei-oei een bijzondere plant, de Salomonszegel. Er wordt beweerd dat de plant de mens de weg wees zodat hij na de zondeval de weg naar het paradijs weer terug zou kunnen vinden. Bij de SusScrofa’s moest het paradijs nog even wachten, het had andere prioriteiten, eerst moest de brug over de Mittelradde worden bezocht. Maar we hadden geen haast. Het is beter om te laat te komen in deze wereld dan te vroeg in de volgende. Een buizerd deed zijn best om onze aandacht te trekken en hield zich schuil in een boom midden in een weiland. Het was niet de Buizerd die de meeste aandacht kreeg, het was de boom zelf. Een hertengeest uit een vervlogen eeuw had zich in de stam verstild. Groß Dörgen kan je maar zo een houten kop opleveren. Een bijzonder fenomeen, de boom heet nu de boom van Hert. We liepen verder en naderden iets wat ooit een brug was geweest. Knaagkevers en houtrot hadden de draagkracht van de brug gereduceerd tot Russisch roulette. Groß Dörgen niet spannend? We wisten echter allen veilig de overkant te behalen en werden uitgezwaaid door de knaagkevers. Een eindje verderop werden we begroet door Springbalsemienen. Deze planten zijn te vergelijken met masturberende potloodventers. Staan daar met open bloemen en schieten hun zaad weg. Springbalsemien wordt ook wel ‘Burenlast’ genoemd. In Duitsland kennen ze ook de eikenprocessierups.

Springbalsemien

Springbalsemien

dscf6359 vliegend-hert

Met een simpel bordje wordt de voorbijganger gewaarschuwd dat het eigenlijk al te laat is voor tegenmaatregelen. In Nederland richt de kever elk jaar een grote milieuvervuiling aan. In elke gemeente wordt blijkbaar de ambtenaar met de meeste werklust gepromoveerd tot een bijbaantje die volkomen nutteloos aan elke ‘besmette’ eikenboom een plastic lint moet bevestigen. Dat zal hem leren. Als hij nog vaker collega’s stoorde in hun rust dan mag ie, gezien hondsdolheid bij vossen, die beesten een lint in de staart knopen.

Brand in crematorium. Eén dode.

Langs de landweg waar ooit machtige populieren stonden werd nu gekenmerkt door holle karkassen. Slechts een enkele populier had de tand des tijds doorstaan en was uitgegroeid tot eindstadium reus. Het leven is hardnekkig en volhardend. De holle stammen van de gevallen populieren-kameraden zaten vol met leven. Hoornaars hadden in de stam een leuk appartementje geknaagd met uitzicht op de rivier. dscf6363De reuzenwespen moesten blijven doorvliegen tot de dood er op volgt. Kennelijk hadden de beesten hun pensioenstelsel afgekeken van voormalig minister Kamps. Voorlopig hadden de wespen het veel te druk om zich over deze arbeidsvoorwaarden druk te maken. Bij de veelbesproken brug hielden we halt, het was onze eindbestemming van die dag. De Mittelradde stroomde vroeger over een kleine stuw in de Hase. Jeugdherinneringen doemden op. Vanaf de stuw, een ijzeren balk dwars over het riviertje, sprongen we als welp en later als verkenner in het stromend water. Thans is de ijzeren balk verzwolgen in de golven. Het hoogteverschil tussen beide rivieren wordt nu op een natuurlijke wijze opgevangen door grote stenen. Duurzamer, natuurlijker en veel mooier. Hier worden de omgevallen bomen niet opgeruimd door de kettingzaag-scene van afdeling Groen. Ze behouden hun functie als springtak voor ijsvogels of hudo-balk voor aalscholvers. dscf6377De SusScrofa’s trokken zich terug uit het pittoreske landschap van Otto Planck. Er was nog een bult te zien in Groß Dörgen. Zo zagen we op de terugweg een mierenbult. Door zure regen helaas steeds meer een zeldzaamheid geworden. Maar dat was het. Het septemberweekend 2019 zat erop.

Ik heb al een slecht geheugen zo lang ik mij kan herinneren.

Terug op het terrein van de SusScrofa’s werd nog even nagepraat en een laatste biertje verzwolgen. De zwijnen waren d’r allen over eens, het was een geslaagd weekend. Het weer had ons alles behalve tegengezeten. We namen afscheid van Groß Dörgen, van de Ketel en van elkaar. Tot November weekend, Bokweekend. Hopelijk kunnen we onze wijze Uil na een ziekteperiode weer in de troep begroeten. Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert.dscf6268

Krappe beurs vakantie

Krappe beurs vakantie

Een tientje zakgeld per week werd aangevuld met een tientje werken op zaterdag of vakantiewerk. Later werd een dag werken zelfs beloond met vijfendertig gulden. Van de zes weken schoolvakantie werkten we vijf weken achtereen van acht tot vijf, zes dagen in de week. Desondanks nog steeds geen vetpot, zeker niet om eens uitgebreid op vakantie te gaan. Eerst gingen we met de bromfiets. Bepakt en gezakt gingen buurjongen Herman, neef Harry en ik naar Bad Zwischenahn in Duitsland. Kreeg die bromfiets van mij kuren. Veel kabaal en niet harder dan vijfendertig kilometer per uur. Later bleek ik vergeten ergens olie in of op te doen. Daar op de camping gekomen bleek een enorm deel van ons budget op te gaan in verblijfskosten per nacht. Afijn, we deden onze campingervaringen op. Zelfs een heus kampvuur was op het terrein mogelijk. Daar maakten we natuurlijk goed gebruik van. We kwamen in aanraking met een Duitser uit Ost-Friesland. Beroep: schoorsteenveger. We keken hem verbaast aan, alsof uit een sprookje gelopen. Was zijn dit voor ‘achterstallige’ mensen die nog schoorstenen vegen. Maar hij kwam met een volle krat bier aanlopen, een goede reden om iets te vergeven. Maar wat een gastvrije gasten die Ost-Friesen. Andere campingDuitsers net zo gastvrij, ze kwamen met flessen sterke drank. Dat ging maar door, elke dag. Wij waren zo onbezonnen om te denken dat we tegen die Duitsers op konden drinken. Ik ben een keer verdwaald in het bos naast de camping. Vreselijk de weg kwijt. Alleen met kruipen kon ik nog iets zien tussen het dikke struikgewas. Later bleek het een coniferenkwekerij te zijn naast de camping. De coniferen reikten niet hoger dan de knie. Na een week zuipen hadden we van al die drank genoeg. We vertrokken. Eigenlijk moesten we vertrekken omdat de campinghouder had ontdekt dat we alle houten rasterpalen om de camping in het kampvuur hadden opgestookt. Met een gloeiende kabaal van vijfendertig kilometer per uur kwamen we aan in het voor ons zo vertrouwde Groß Dörgen. Daar zaten nog een paar armoedzaaiers, Bennie en Frans. Ik kan me nog een vakantie herinneren dat we alleen nog een pak vermicelli en een flesje maggi hadden. Door de vermicelli niet te breken zaten we even later achter een soort van bord spaghetti. Maggi moest aan het gelige drab iets van smaak brengen. Buurman boer, tevens jager, kwam nog even langs, hoofdschuddend liep hij verder. Gelukkig waren zijn toegangsbordjes net opgebrand in het kampvuur. We stonden op het punt naar huis te gaan. Opeens kregen we bezoek van onze gastheer Alwies Rolfes, tevens boer. Hij vroeg ons mee te helpen het hooi van het land te halen. Het zou namelijk tegen de avond gaan regenen. Omdat we toch niks te doen hadden gingen we de boer helpen. Het hooi was net op tijd binnen. Alwies was ons dankbaar. We moesten blijven eten. Welnu, toen dan maar. Nooit gedacht dat een Duitse boerin zo lekker kon koken. Het hield niet op, wel vijf gangen! Daarna kwam Alwies met drank. Onze vakantie duurde zomaar enkele dagen langer. Ook in latere jaren, met de auto, hadden we last van budgettaire problemen tijdens onze vakanties. Of we zopen teveel, zou ook zomaar kunnen. Het eerste leeg kratje bier fungeerde als tafeltje. Daar stonden al snel vier ‘stoelen’ bij. Een windscherm bij elkaar zuipen duurde iets langer. We zopen gewoon teveel. Vooral die keer dat we een bezoek brachten aan de lokale campingdisco. Grote drukte want men was bezig met een loterij. Met een grote witte pluchen dobbelsteen werd het winnend lotnummer bepaald. Telkens wanneer de diskjockey de dobbelsteen op de dansvloer gooide bracht Herman de dobbelsteen als een kwispelende jachthond terug naar vanwaar het kwam. Gillende pret van het publiek, behalve van ons. Wij hadden al zo’n idee waar het hier naartoe ging. Telkens wanneer Herman de dobbelsteen terugbracht verstomde langzamerhand de gillende pret vanuit het publiek. Bij de zevende keer werden we uit de discotheek gesmeten. Bij de eerstvolgende Schnell Imbiss vrat Herman zich vervolgens stijf in Bratwursten mit Mayo. Herman had het meeste geld want hij werkte al. Tot ook Hermans geld op was. Statiegeld van de meubelen en windscherm gaf enig respijt. We vertrokken blut naar huis. Op weg naar huis presteerde Frans weer eens precies op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats te zijn. Tijdens de autorit naar huis moest Frans plassen. Dat begint dan vaak met vaag gemompel, later geneuzel gevolgd door een paniekaanval. Vlak voor het verlaten van de stad wees Frans naar een hoge grasdijk. Daar kon Frans op zijn gemak zijn blaas ledigen zonder dat geloer van zijn kameraden in zijn nek. Want Frans geneerde zich nogal snel. Bovenop de dijk aangekomen begon Frans direct als een paard te plassen. Als Frans eenmaal begon te plassen, dan was er geen houden meer aan. Ook niet toen bleek dat op de dijk nog geen meter voor zijn straal een spoorlijn lag. Ook niet toen hierover, vlak voor zijn neus, tergend langzaam, een passagierstrein langsreed die remde voor een perron verderop. Frans, een vuurrode kop gevuld met boerenkiespijnlach, restte niets anders dan, al plassend, vriendelijk terug te zwaaien naar de wijzende passagiers in de trein. Ja ja, Frans geneerde zich snel. Onze budgettaire ellende was nog niet ten einde. Allereerst iets over de Duitse keuken. Daar kon geen Nederlandse keuken tegenop. Als je in Duitsland een schnitzel bestelde dan lebberde zo’n vleeslap als een surfplank over de bordrand. De schnitzel was bijna niet te zien door de enorme berg champignon- of zigeunersaus. In Nederland kreeg je een heel groot bord met daar middenin een gepaneerde stukje vlees. Ter grootte, dikte en smaak van een bierviltje. Geen champignon te zien, laat staan een zigeuner. Het enige vette hieraan was de prijs. Wanneer dit soort verhalen worden verteld in een auto met vier gezonde hongerige knapen van een jaar of achttien dan begonnen al snel de magen te knorren. Ten tweede iets over de gastvrijheid in Duitsland, daar konden ze in Nederland alleen maar van dromen. Het was een eer om van hun gastvrijheid gebruik te mogen maken. Nou, dat deden we. We stopten voor een cafetaria, gingen naar binnen aan een tafel zitten. De tent was verder leeg. Het was drie uur in de middag. We vroegen vriendelijk aan de serveerster of de keuken al was geopend. Dat bleek open. Na een vriendelijk praatje op onze beste Duits vroegen we naar de menukaart. Even later kwam ze met een mandje gesneden broodjes en zette deze voor ons op tafel. Een Duitse gewoonte als je iets gaat bestellen. Lachend liep ze naar achteren om de menukaarten te halen. Toen de vriendelijke serveerster na enkele minuten terugkwam zag ze een lege tafel. En een leeg broodmandje. Van gulle Duitse gastvrijheid geen kwaad woord. Hier was sprake van een noodsituatie, hongerige Nederlandse tieners en geen cent te makken.

Geschreven door Henk Beukers

Sikken Doore

Sikken Doore

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was hier werk zat. Elke bouwvakker kon zo aan de slag. Toch gingen hele volksstammen werken in Duitsland. Over ver werken heette dat, het verdiende goed. Het was de gewoonte om vrijdag terug te keren naar Nederland. Zeker voor vrijdagmiddag. Dan moesten sommigen het steunbriefje inleveren. Op die manier werd een dubbel inkomen verkregen. De toenmalige Linkse Kerk ging teveel uit van fatsoen en eigen verantwoordelijkheid. Controle was er nauwelijks, als ze er naar vroegen dan werd een zielig verhaaltje opgedist. Bij de ambtenaar in kwestie ging dat erin als koek. Later in de kroeg werd schamper gelachen over zoveel naïviteit. Het waren niet alleen de jaren tachtig toen velen in Duitsland gingen werken. In het begin van de vorige eeuw, zo omstreeks 1905, trokken vele turfgravers naar Duitsland. Het verdiende gewoon beter in Duitsland. Zo trok ook Anton Evers naar het Duitse Osnabruck om daar te gaan werken in het veen. Anton maakte daar lange dagen en verdiende goed. Soms trok hij huiswaarts, een reis van bijna een halve werkdag. Het werken in het veen was zwaar. Via het spoor werden de turven in lorry’s naar een verzamelplek gebracht. De lorry’s werden vervolgens door een stoomlocomotief van het veen getrokken. Natuurlijk werden onder de kerels geintjes uitgehaald. Een geliefd geintje was een stuk kienholt voor de wielen van een lorry te gooien. De lorry ontspoorde en kwakte naast het spoor in het veen. De lorry moest in de rails worden getild, alle losse turf moest weer in de lorry worden gesmeten. Als ze dat bij jou flikten dan kon het terugpakken natuurlijk niet lang op zich laten wachten. Nog dezelfde week kwakte een lorry van de opponent tegen de vlakte. Hilariteit alom. Niet bij Anton Evers. D’r werd een stuk kienholt voor de wielen van zijn lorry gesmeten. Prompt kwakte de lorry met turf tegen de vlakte. Met dien verstande dat Anton precies op de plek stond waar de lorry heen viel. Hij werd bedolven onder een paar ton staal en turf. Het weekend erop kwamen Doortje Evers-Berends, zijn vrouw, met de kinderen over naar Osnabruck. Om Anton op de lokale kerkhof aldaar te begraven. De sociale omstandigheden in die tijd waren niet te vergelijken met de huidige. Met een uitkering van een paar gulden per week moest Doortje zich redden met haar jonge kinderen. Haar oudste kind Beth werd van school gehaald, ze moest zorg dragen voor haar jongere broers en zussen. Ze was nog geen tien jaar! Beth moest zeven dagen in de week dag en nacht werken voor het gezin. Het was de rauwe werkelijkheid achter het veel voorkomende analfabetisme. Om toentertijd het gebrek aan leesvaardigheid te verbloemen werd de klant door de fotograaf met een boek op de schoot gefotografeerd. Schaamte hoort hier eigenlijk niet op zijn plaats zijn. Zij waren immers niet schuldig aan het alom voorkomende analfabetisme. Het was destijds de meedogenloze keiharde politiek dat hier debet aan was. Vaak kon je de hardheid van het leven van het gezicht aflezen. Zo ook bij de vrouw op de foto, Beth of Elisabeth, mijn opoe (oma). Opoe was een sterke vrouw. Op eigen kracht heeft ze op latere leeftijd zich het leesvaardigheid nog eigen gemaakt. Voor opoe’s moeder Doortje, Willems vrouw, braken in 1905 bittere tijden aan. Van die paar gulden kon het gezin niet rondkomen. Volgens de op religieuze leest geschoeide politieke opvattingen van die tijd moest het inkomen in het zweet des aanschijns worden verdiend. Het zware werk van de huisvrouw werd simpelweg niet beschouwd als werk. Hardvochtig werd haar een inkomen onthouden. Pastoors en dominees praatten dit goed met beloftes van hemel of dreigden met hel en verdoemenis. Doortje werd noodgedwongen veenarbeider. ‘s Morgens in de vroegte trok ze via het 5e Blok naar het Amsterdamsche Veld. Om daar twaalf uur lang zware arbeid te verrichten. Zodat de heren uit Amsterdam hun rendementswaarde in aandelen konden behouden. Ondertussen werkte haar oudste kind Beth zich uit de naad om de kinderen in de kleren te krijgen, hun eten te geven, ze naar school brengen of de dagelijkse berg was te doen. Af en toe kreeg ze hulp van familie Berends, familie van moederskant. De familie Berends woonde destijds aan de Broekweg. Een verborgen weggetje in het veld tussen Klazienaveen en Erica. Mijn moeder, dochter van Beth, kon zich als kind nog dergelijke bezoekjes aan de familie Berends herinneren. Een huisje paradijselijk gelegen in het veld. In het huisje hingen allerlei kruiden aan het plafond te drogen. Toentertijd woonde Doortje met haar kinderen op Erica in een huisje aan de straat naar Emmen ter hoogte van de latere haven. Het huisje staat er nog, sterker nog, in dat huisje ben ik als achterkleinkind van Doortje vele jaren later geboren. Om het hoofd een beetje boven water te houden had Doortje een paar geiten. Spierwitte geiten. Koeien voor de armenluismensen. Nadat de haven in de jaren dertig werd aangelegd lag hier een brede kade van gras. Hier zette Doortje, inmiddels een oude vrouw, de geiten aan de stik. Een stik was een ijzeren pin met een oog aan het uiteinde. De pin werd diep in het zand gestoken. Aan het oog zat een touw die zich verbond met de geiten. Zolang het touw was zo ver konden de geiten grazen. Was het gras op dan werd de stik verzet naar een andere plek. Op die manier werd het gras op de hele kade van de haven kort gehouden. Ook de wallen van het hoofdkanaal was een geliefde plek om geiten te laten grazen. Overdag zag je destijds langs het Verlengde Hoogeveensche Vaart tientallen geiten aan de stik grazen. ‘s Avonds bracht Doortje de geiten naar haar schuurtje en werden de beesten gemolken. Melk wat ze niet hoefde te kopen. Melk wat ze aanvankelijk bij gebrek aan geld niet kòn kopen. Op maandag tot en met zaterdag nam Doortje, toentertijd als jonge weduwe, de geiten mee naar het veld. In het dampige ochtendgloren zagen mensen op Erica een vrouwtje lopen op de Pannenkoekendijk. In haar kielzog een viertal geiten aan het touw. Op het eind van de Pannenkoekendijk lag het Hoofdkanaal, later Dommerskanaal geheten. Achter het kanaal richting Schoonebeek lag het Amsterdamsche Veld. Eigendom van investeerders uit Amsterdam die flink verdienden aan het bruine goud. Menig huiskamer in Amsterdam werd destijds warm gehouden met turf uit Erica. Doortje hield zich warm door die turf voor hun uit te graven. Af en toe nam ze een turfje mee voor haar kacheltje. Het enkel-steens muurtje van haar huis was geen partij voor de koude oostenwind. Ondanks alle ellende dacht Doortje ook af en toe aan haarzelf. Dan ging ze die avond naar slijter Hof. Onder haar jurk zat een flesje. Dan kocht ze een maatje jenever, en paar borreltjes. Dan zat ze die avond genoeglijk tussen haar kinderen en gunde ze haarzelf een versnapering. Een rustige oude dag heeft mijn overgrootmoeder Doortje niet gekregen. Een triest lot stond haar te wachten. In die tijd was de wetenschap nog niet zover of zelfs onbetaalbaar om iets tegen kanker te kunnen ondernemen. Zeker niet tegen slokdarmkanker. Doortjes oudste kind Beth was inmiddels getrouwd met Jans Kölker (opa), ze woonden aan de Kerkweg. Wanneer in die dagen Doortje bij mijn opoe bleef eten kreeg ze niets door de keel. De tumor had de keel verstopt. Na een paar minuten kwam alles er weer uit. Onderweg naar buiten probeerde ze nog enkele kruimels naar binnen te werken. Het mocht niet baten. Doortje is tachtig jaar oud geworden, toch nog een respectabele leeftijd voor die tijd. Vrijwel elke Ericaan kon in die tijd het vrouwtje herinneren die vroeg op pad in het veen ging werken, in haar hand een touw met een viertal witte geiten. Het was dezelfde Erica die hierom haar een bijnaam had gegeven, die van Sikken Doore.

Geschreven door Henk Beukers

1 of 17
12345