Posts by: H. Beukers

Bomen op Erica 2

Bomen op Erica 2

Dit jaar zijn onwaarschijnlijk veel bomen uit onze omgeving verdwenen. Met steeds groter materieel gaat afdeling Groen het groen efficiënter te lijf. Honderd jaar boom transformeert in een uur tot een forse molshoop. Waarom heten de afdelingen Groen eigenlijk groen? Is het daar de kleur die wordt gehaat? Er wordt gehakt alleen omdat een deskundige het zegt. Zoals een schilder zijn werk naar een bestaansreden redeneert zo lijkt hier beleid te worden gemaakt. Onder het credo ‘Jullie kunnen beter over m’n verf lullen dan over m’n lul verven’. Ondertussen zijn tientallen bomen dit jaar op Erica geruimd. Achterop de Veenschapswijk vormen zich de Killing Fields van bomen. Soms wordt een gezonde boom omgezaagd terwijl zijn dode soortgenoot er naast mag blijven staan. Het beleid lijkt volkomen willekeurig. ‘Ze’ zullen wel weten wat ze doen. Maar is dat zo? Neem het voorbeeld van de bomen die toentertijd vanaf Zuidbarge langs de Ericasestraat tot aan de Verlengde Herendijk gekapt moesten worden. Dat werd tot aan de snelweg A37! Zo’n honderd bomen teveel werden gekapt. Of een blunderende kerkbestuur die een snoeibedrijf in het Kerkenbos zijn gang liet gaan. Het bedrijf mocht het gekapte hout houden. Mooie ‘deskundige’ praatjes konden de hebberigheid niet verbergen. Na de Novemberstorm van 1973 voltrok zich wederom een ramp in onze kerkenbos. Het werd volledig geplunderd.

Hoe het was.

Hoe het was.

Hoe het is.

Hoe het is.

 

 

 

 

 

 

 

Dan de boomhaters aan de Havenstraat die misbruik maakten van hun politieke invloed bij Gemeente Emmen. Lege plekken in de bomenrij langs de straat zijn stille getuigen van dit soort willekeur. Sindsdien gaat het gezaag en kap maar door. Mocht het een geldkwestie zijn, voor een huiseigenaar kan een gekapte boom zijn ontroerend goed waarde wel degelijk naar beneden brengen. Kijk naar de woningen aan de Kerklaan. Een gezonde goed onderhouden boom kan juist de waarde van een woning met 10 tot 20 % verhogen.

'Deskundig' snoeien.

‘Deskundig’ snoeien.

Is het dan een mogelijke aansprakelijkheidskwestie van de gemeente? Bijvoorbeeld vallende takken? Het overlevingsmechanisme doet een gesnoeide boom meerdere scheuten aanmaken. De scheuten ontstaan uit knoppen die in de bast zitten van de oude tak. Anders dan bij normaal ontwikkelde zijtakken die zich in een kamertje van overlappend stam of takweefsel ontwikkelen, worden deze nieuwe scheuten alleen vastgehouden in de buitenste laag stam of takweefsel. Helaas zijn de scheuten gevoelig voor breuk, vooral tijdens harde wind. Die bomen zijn nu extra breukgevoelig en kunnen daardoor gevaarlijk zijn. Aangezien door gerechtelijke deskundigen het te rigoureus gesnoeide van bomen wordt gezien als een onacceptabele snoeimethode, kan een rechter besluiten dat de Gemeenten aansprakelijk zijn voor de door de boom aangerichte schade. Boom als lichtvanger dan maar? Vaak word als reden om een boom te snoeien gezegd dat de boom te veel licht weg neemt. Een gesnoeide boom neemt echter na een aantal jaren veel meer licht weg als een boom die helemaal niet gesnoeid is. Er komt veel meer licht in huis wanneer men gewoon de onderste takken van een boom wegneemt. Maar al te vaak hebben de afgezaagde takken de leeftijd van de uitvoerders. Waarom al die jaren zo’n tak gedogen en dan opeens afzagen? Een wond achterlatend aan de stam ter grootte van een soepbord. Terwijl een boom biologisch gezien alleen maar is toegerust om een wond af te grendelen die niet groter is dan 10 cm doorsnede. De grote open wonden leggen het binnenste van de boom bloot als toegangspoort voor aantastingen en infecties. Daarnaast kan kan teveel van de blad dragende kroon van de boom worden verwijderd. Omdat de bladeren de “voedselfabriekjes” van de boom zijn, wordt door het in één keer verwijderen de boom uitgehongerd. Het wegnemen van een zo groot percentage van de kroon doet bij de boom een soort van overleveringsmechanisme in werking stellen. De boom moet zo snel mogelijk nieuwe bladdragende takken aanmaken om te zorgen dat zij weer voedsel kan produceren voor stam en wortels. Om voldoende nieuwe twijgen aan te maken, moet de boom putten uit haar energie reserves aanwezig in de stam en wortels. Door de onverwachte vraag naar zo veel opgeslagen energie zal de boom serieus verzwakken en soms zelfs binnen 3-5 jaar sterven. Zien we hier de veroorzaker, rechter en beul in dezelfde persoon? Cyclisch werkverschaffing per zagende ketting? Als opgeheven armen verdwijnen de takken in een hongerige machine. Een snerp geratel, de tak is gedegenereerd tot pulp. Ook de boomstam verdwijnt. Die zien we terug achter een oranje netje bij de benzinepomp. 4 euro voor een achttal blokjes. Miljoenen euro’s moeten in dit bedrijf omgaan. Misschien naderen we nu het èchte motief van al dat gezaag en gekap. Is hier sprake van professioneel snoeibeleid van afdeling Groen of is ze gewoon de hoer van de Gemeente? Plat brengt geld op. Waar miljoenen aan gemeenschapsgeld omgaan wordt, normaal gesproken, eerst het beleid door diverse instanties en inspraakorganen afgezeken. Maar instanties als dorpsraden krijgen geen enkel inzicht in het snoeibeleid van de Gemeente. Dorpsraden mogen slechts constateren hoe zagende kettingen onschuldige bomen in hun dorp te lijf worden gegaan. Die mogen slechts constateren dat geen herplant plaatsvindt op de plek waar ooit een natuurmonument stond. De dorpsraden hebben op dit punt het nakijken. Met zo’n attitude van een overheid wordt een verkeerd voorbeeld gegeven. Het is de schuld van de boom. Dat het niet goed gaat in de wereld hebben we te danken aan bomen. Menig automobilist laat het leven tegen een boom. Het zijn creaturen non grata die ons het zicht op de zon ontnemen, ons elk jaar lastig vallen met vallende bladeren. We hebben geen hout meer nodig om ons huis te verwarmen, bomen zijn overbodig. Vogels kunnen fluiten vanaf een vlechtscherm, kunnen ze de kat ook beter zien aankomen. En dat genestel van die beestjes geeft alleen maar gedoe in de takken. Ze kunnen ook nestelen in nestkastjes. Als er dan toch nieuwe bomen moeten worden geplant gebeurd het met handzaam twijgjes. Hypercorrecte ambtenaren lijken eerder rekening te houden met het zwakke gestel van fervente boomhaters. Dat ze bij het afbreken van het stammetje toch geen hernia oplopen. De kosten in de gezondheidszorg zijn al zo hoog. Overleefd het stammetje het eerste levensjaar dan ontbreekt hierna elke vorm van nazorg. Op genoemde vandalisme maar ook op perioden van droogte lijkt niet gereageerd te worden. Wat afsterft blijft leeg, jullie wilden toch in de natuur het recht van de sterkste, survival of the fittest? Bovendien, elk jaar controleren of ze groeien, desnoods herplant, geeft alleen maar gedoe. Dat is precies wat overheden niet willen, gedoe.
Sommige mensen zien een boom als een levend organisme, met begrip van zijn vitale functies, als een bron van profijt en plezier.
Anderen zien een boom als brandhout.

Het kan ook anders.
Het is een fabel dat een boom die je in de hoogte snoeit meer in de breedte gaat groeien. Snoeien maakt de boom alleen maar gestrest. Soms is het nodig om de omvang van een boom te verkleinen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een boom met haar takken laag boven de straat hangt of dicht bij een bouwwerk komt of wanneer buren moeite hebben met de takken boven hun tuin. Voor de boom is het veel beter om in die gevallen (gefaseerd) hele takken rondom aan de onderzijde of aan één zijkant weg te nemen. Van dit soort snoei wordt de boom dan soms asymetrisch, dit heeft geen gevolgen voor de stevigheid van de boom. Het is hetzelfde als de takken van een boom in het bos, die beginnen ook pas heel hoog en aan de bosrand zie je dat bomen ook maar aan één zijde takken hebben.

Geschreven door Henk Beukers

Bron: pksboomverzorging.nl

Smid Berndt op Erica

Smid Berndt op Erica

Tegenover een kerk stond vaak een kroeg. Na de H. mis gingen de mensen daar vroeger ‘nabidden’. Erica vormde hierop geen uitzondering. Pal tegenover de RK kerk stond een authentieke kroeg die met name op zondagmorgen goede zaken deed. Aan de andere kant van de Kerklaan, ook tegenover de kerk, stond een andere fenomeen uit die tijd, een smederij. Als achtjarig kind heb ik hier een paar mooie herinneringen opgedaan. Hier verdiende smid Berndt zijn nering. Smid Berndt was een smid pur sang. Krachtig gedrongen, oersterk. Zijn smederij stond naast zijn woonhuis aan de Kerkweg. Het was een rood stenen gebouwtje met een pannendak. Aan de voorkant zaten twee grote deuren. Wanneer je de smederij betrad kwam je in een andere wereld. Donker en stoffig en vol met machinerieën. Direct rechts van de deur stond een groot vat. Hier werd van carbid acetyleengas gemaakt, daarmee kon je lassen of iets los branden. Eind december was smid Berndt een goed bezochte leverancier van carbid, brandstof om het oude jaar uit te knallen. Links boven in de vliering bevond zich een aandrijfas voorzien van wielen voor een platte riem. De platte riem liep naar beneden naar het apparatuur. Elke machine was voorzien van een wiel waarover de platte riem liep. Indrukwekkend was het moment waarop het spul werd aangezet. Een grote elektromotor zette de aandrijfas in beweging en platte riemen dreven met daverend geweld alle aandrijfwielen aan en daarmee het apparatuur als slijpsteen en kolomboormachine. Het apparatuur was in die tijd al sterk verouderd. Alles was diepbruin van kleur. Het was niet duidelijk of dit kwam door de leeftijd of door de roest. Het kon ook veroorzaakt worden door de altijd aanwezige stof en rook in de smidse. Zelfs het glas in de ramen zag roodbruin. Het meest indrukwekkende van de smidse was het smidsvuur tegen de achtermuur van het gebouw. Smid Berndt had beschikking over een echt stukje hellevuur. Vol ontzag keken we in het felle witte licht wat gloeide onder een laag kolen. Het vuur werd aangeblazen via een buis dat stak in de kolen. De buis stond in verbinding met een gigantische blaasbalg bovenin de vliering. Met veel kabaal en gesis hapte het ding naar lucht om vervolgens met stormgeweld het vuur in de kolen aan te wakkeren. Allen in de smidse verdwenen opnieuw in een wolk van as en rook. Vol ontzag maakten we ruim baan voor de smid. Met een grote tang in zijn gigantische knuisten zat hij ergens in de kolen te roeren. Opeens trok hij een rood gloeiende hoefijzer uit het vuur die hij vervolgens op het aambeeld trakteerde op een paar gigantische slagen met een voorhamer. Bovenaan de zijmuur hingen tientallen hoefijzers aan dikke spijkers geduldig op hun lot te wachten. De roodgloeiende hoefijzer verdween weer onder de laag kolen, de blaasbalg nam weer een teug lucht. Ondertussen keken we naar de ingang van de smederij, hier verscheen een grote paardenkont. Met een korte schreeuw werd een paardenbeen opgelicht en keken we tegen de zool van de hoef. Zonder genade werd met een soort van holle beitel de hoef uitgelepeld. Tot onzer gruwel werd de roodgloeiende hoefijzer tegen de hoef gelegd. Een wolk van rook en de lucht van verbrande nagel verdrong de rook van het smidsvuur. Na een tevreden knor van de smid verdween de gloeiende hoefijzer stomend in een bak met water. Meedogenloos werd de hoefijzer met spijkers aan de arme paardenvoet getimmerd. De spijkers gingen dwars door de hoef! Met een knijptang werden de uiteinden van de spijkers afgeknipt. Het paard vond alles goed. Ondertussen legde smid Berndt geduldig aan ons uit dat het paard hier niets van voelde omdat de hoef eigenlijk een dikke nagel was. Want dat was ook smid Berndt, een zeer sociaal mens. Hij nam tijd voor een praatje. In die tijd kon dat nog en werd het als een deugd gezien. Maar de tijd veranderde snel. De boeren gingen mechaniseren. Niet alleen het paard verdween, ook de typische kar achter het paard, de blauwe wipkar, verdween. Hoewel de wipkar hoofdzakelijk uit hout bestond waren de trekhaak, de sluithaken aan de schotten, de banden om de wielen de vruchten van gedegen vakmanschap van de smid. Niemand zat meer op dergelijk vakmanschap te wachten. Het werd stil in de smidse. Jarenlang heeft voor de smidse, vlak aan de straat, een wrak van een kar gestaan. Niemand keek er naar om, niemand had behoefte aan die kar. Symbolischer voor de teloorgang van een tijdperk kon bijna niet. De boer kocht voortaan afgemonteerde producten als een tractor of karren. Monteurs werden voortaan gevraagd, geen smid. Bij boeren die niet meegingen in deze ontwikkeling vond geen schaalvergroting plaats omdat de grenzen van de mogelijkheden van een paard waren bereikt. Met 10 hectare werden respectabele boeren op den duur automatisch keuterboertjes. Om tenslotte opgeslokt te worden door degene die wel met de tijd meegingen. Smid Berndt deed een verwoede poging om mee te gaan in de tijd. Hij werd fietsenmaker annex installateur. De zware werkmanshanden moesten nu schroefjes aandraaien. Als tiener mocht ik van mijn moeder aan mijn fiets een kettingkast laten aanleggen. Even later stond ik in de smidse van smid Berndt, mijn fiets hing aan een ketting op werkhoogte. Ik keek om me heen. Alles was nog aanwezig, het aandrijfmechanisme, het apparatuur en de blaasbalg. Alleen hadden ze hun tijd gehad. Als fossielen uit een vorige tijdperk keken ze je dood aan. Ook de rook was verdwenen evenals het kabaal. Ik leerde een andere geluid kennen. De stem van de smid. Tijdens het aanbrengen van een kettingkast aan mijn fiets mocht ik smid Berndt als fietsenmaker meemaken. Gedurende de installatie van de kettingkast kreeg ik onder andere het advies hoe een lek in de uitlaat van een auto te dichten. Door een stalen band om de plek van het lek te plaatsen met daartussen een plak brood. Het brood verkoolde en sloot het lek perfect af, aldus de smid. Een smid die een lek in een uitlaat op zijn manier wilde dicht smeden. Zie hier de tragiek van een gepasseerd tijdsperk. Alhoewel, jaren later heb ik bij mijn oude Eend nog gebruik gemaakt van zijn advies, het werkte perfect! De kettingkast kwam destijds vakkundig aan mijn fiets. Zijn toenmalig gewaardeerde deugd, praten, ging hem nu parten spelen. Het aanbrengen van de kettingkast werd een lang sociaal gebeurtenis. Voor smid Berndt geen enkel probleem, hij deed het met veel plezier, nam er geen extra geld voor. Het was de voortschrijdende tijd, gejaagder, onvergefelijker, die hiervoor geen ruimte meer gaf.
Geschreven door Henk Beukers

November 2016

November 2016

Vrijdag 25 november 2016
In verband met vermeende tijdsgebrek gingen we die morgen boodschappen doen. Aldi in Klazienaveen. Een trede bier per man. Dat deden we toch elke keer? Natuurlijk hadden we weer eens teveel bier ingeslagen. Komt komende derde kerstdag wel op is dan de stralende oplossing. Dus iemand moet voor de datum van 27 december helemaal naar Groß Dörgen (GD) rijden om dat voordeeltje op te halen. Tradities zijn wel vermoeiend. Gelukkig hoef je hierbij niet na te denken. Ook een traditie was de zoute haring die weg moet zwemmen met een ouwe klare. De zoute haringen die in de Aldi opgebaard lagen lieten we dit jaar gelukkig liggen. Vishandel Wesseling wist dit weekend ons van dienste te zijn. De ouwe klare moesten we bij Boni halen. Een bedevaartsplaats voor Anonieme Alcoholisten (AA). De ziel komt bij Boni in een apart met glas afgeschermde ruimte. Vervolgens hoort de ziel in de supermarkt via de luidsprekers wie van het personeel de man in de doorzichtige drankenhal kan helpen. Van de AA kan een A af, namelijk dat van Anoniem. Na klazienaveen moest bij Schepers het nodige teveel Bockbier worden ingeslagen. In ieder geval genoeg om die avond er beroerd van te worden. Die middag vertrokken we redelijk op tijd naar Duitsland. De stemming zat er goed in. Het was fris, tegen het vriespunt, de lucht was staalblauw. Perfect voor onze fotografische plannetjes voor komende zaterdag. Het enige wat ons van die plannetjes kon afhouden was een ondoordringbare mist in combinatie met motregen. Gezien de blauwe lucht en de weerberichten konden we hier smakelijk om lachen. Te onwaarschijnlijk, te weinig kans. Het kon alleen maar een weergaloze weekend worden. We hadden namelijk ook wel eens weekenden meegemaakt dat we onze Heimat niet of nauwelijks uitkwamen. Maar gelukkig wezen alle tekenen erop dat ons dit niet zou overkomen. In Stadt Meppen gingen we nog snel even naar de supermarkt K&K om Jagdslock en braadworsten in te slaan. Een half uur later stonden een viertal zwijnen in het bronsgroene Wald van GD om een knapperend kampvuur. Zo doe je dat. De omgeving stond in het typische harde gloed van de Novemberzon. dscf5166De luiken van de Ketel werden open gezet om de zaak eens even flink uit te luchten. Ondertussen werden in de prachtige stille omgeving van GD de eerste blikken in de natuur geworpen. Tja, een halve liter is zo op. Want observatori di Natura waren we! Die avond hadden we een probleempje, de gaskachel was met geen mogelijkheid aan te krijgen. Gelukkig hadden we alternatieven in de vorm van elektrische kacheltjes. D’r vielen geen dooien ofzo. Alleen onze koude poten misten de gaskachel. Yeti mailde de gaskacheldeskundige (gkd-ge) in de vorm van Bambam. Deze had het weekend over laten gaan om onze koppen nu eens niet te zien. Bam beloofde de volgende morgen even langs te komen. De avond werd weer een oergezellige avond zoals we die kennen uit eerdere weekenden. Geknars van apennoten, gesis van blik, gekraak van brekend worst, verder veel geluid omdat er veel krom- recht- en bijgepraat moest worden.

Zaterdag 26 november 2016
Pluvius vond het nodig uitgerekend die zaterdag met een ondoordringbare mist in combinatie met motregen te startten en ergo te eindigden. Ons ontbijt bestond uit een hartstopper. dscf5167Dat is een boterham met kaas en ei. We maakten dit jaar gebruik van een nieuwe eierkoker. SusScrofa en iets nieuws was en is reden tot bezorgdheid. Bij het betasten en besnuffelen van het apparaat kwam Oehoeboeroe een maatbekertje en een handleiding tegen. Het doorzichtige plastic maatbekertje werd zorgvuldig bekeken, de handleiding verdween in de doos, waar het hoorde. De wijze Uil zag een maatverdeling voor zachte, halfzachte en harde varianten gekookte ei. Hoe moeilijk kan het zijn! Om een ei te koken moet eerst in het ei een gaatje in de luchtkamer worden geprikt. De verrekte prikker zat wel erg ongelukkig onder in het maatbekertje. Het ei kwam tot halverwege het taps lopend glaasje. Schudden hielp niet, het ei zat vast, het bereikte de prikker niet. Uil begon te loensen en liep trillend vast. In bittere armoede gaf hij het maatbekertje aan Hert. Die draaide het bekertje om en gaf het terug aan Uil. Een ontdekkende lach verscheen op de wijze Uil. De prikker zat onder het maatbekertje. Het apparaat werd ingesteld op zachte ei. Toch werden eieren zo zacht als beton. De volgende lading eieren zal Vliegend Hert met het apparaat tot een zacht eetbare variant maken. Zorgvuldig werden de eieren geprikt, zorgvuldig werd een afgepast hoeveelheid water in het apparaat gedaan. Een zacht eitje zal ons deel zijn. Wederom werden we verrast op een kalk-ei. De handleiding werd uit de doos gediept. Het kantelschakelaar bleek geen twee standen te hebben (aan/uit) maar drie. De derde stand was de warmhouder. Onbeperkt, zonder fluittoontje. Zeg maar gegarandeerd hard. Afijn, er zal ongetwijfeld een weekend komen waarbij het ons wel gaat lukken een zacht eitje te creëren op dat ding, desnoods in de uit-stand. Toen opeens was het gas op. Een reserve gasfles bracht uitkomst. De auto van Bambam draaide het terrein op. Uit de koffer haalde hij wat leek op een enorme zetpil. De gkd-ge nam plaats bij de gaskachel en stak tot onze verbazing en gruwel de kachel zonder probleem aan. De druk of temperatuur in de oude gasfles was kennelijk te laag geweest. Dat was tenminste onze collectieve smoes. Bam legde uit dat de zetpil een gastank was uit zijn kamper. Het ding zat nog vol gas. Het gas mochten wij wel hebben. De tank lag onder de Ketel en zal in de toekomst er ooit wel een keer uitgediept worden. Bam ging weer terug naar Erica. De kachel brandde, de braadworstjes snissterden in de pan, wie deed ons wat. Toen was het gas op. Reservepot? Ook. Alle gaspotten? Ook. Even later werd de zetpil van Bambam onder de Ketel opgediept en aangesloten. Wij kregen een vlam! De braadworstjes en wij bleven warm. De Bonefatiustocht was door de barre weersomstandigheden aangepast in tijd en plaats. Een tocht dat deed denken aan vroeger. dscf5228Toen ik eind jaren zestig als jong verkennertje voor het eerst in GD kwam gingen we een keer met de fiets naar Bokeloh. Ik dacht toen werkelijk dat we onze tenten aan de Radde nooit meer zouden terugvinden. Na Bokeloh, op de terugweg naar GD kwamen we op een smalle fietspad. Links keek je in het donkere bronsgroene woud en rechts had je een weidse blik over een zacht glooiende landschap. Aan het fietspaadje leek geen eind te komen. Je hield de voorganger goed in de gaten, die mocht je niet uit het oog verliezen. Dan was je het spoor kwijt, je zou eeuwig rondzwerven in een onbekend gebied waar ze geeneens Ericaans spraken. Het fietspad hield eindelijk op. Het veranderde in een brug. We moesten afstappen omdat de brug iets hoger lag dan het fietspad. Langzaam verlieten we de donkere omklemming van het woud. Met de fiets in de hand liepen we over de brug. Aan beide weerszijden van de brug hadden we onbeperkt uitzicht over een kronkelend rivier in een bosrijke omgeving. Ook weilanden en landbouwgronden waren te zien. dscf5187Met de fiets in de hand zochten we over de natte brugdelen zacht glibberend de overkant van de brug. De brug deinde onder de vele verkennertjes zacht mee, alsof het ons wiegde. Dat zagen we toentertijd toch even anders, we rilden toen we de overkant bereikten. Daar troffen we opnieuw een groene wal van eikenloof. Enorme takken van enorme eikenbomen helden over om ons te omhelzen. GD heette ons welkom. Het dorpje lag pal aan de overkant en lag zo’n zeven meter hoger dan de rivier. Toen we de overkant bereikten bleek in de groene wal een opening te zitten. Een zandpad begeleidde ons achter een huis die donker in het bos lag en waaruit geen licht brandde. Hier moest Hans und Gretel wonen. Rechts in de dichte struiken waren huisjes te zien. Dwergen?Nu pas konden we de enorme boomstammen bewonderen die het groene dak tilden. Zulke bomen hadden we op Erica niet. Het zandpad liep verder. dscf5238We kwamen langs een enorme boomstam die een heus kapel leek te bevatten. Maria zou er zo uit kunnen stappen. Aan het kruis op de kapel was te zien dat het ooit een keer was gebeurd. Het zandpad was inmiddels donker geworden. Ik vroeg me af of we in het dorp nog een boze heks tegenkwamen. Zulke pittoreske dorpen hadden we om Erica niet. We naderden de achterdeur van de boerderij die vlak aan het pad stond. Het bladerdek leek iets te wijken, een opening werd zichtbaar. Het werd iets lichter. Het zandpad maakte plaats voor een verharde straatje. We zouden net weer op de fiets stappen toen iemand ons halt leek te roepen. Tot zover, zeiden de gespreide armen. Het bleek Jesus te zijn die hier als crucifix al vele jaren de weg aangaf. Zoiets kenden we in Nederland niet, daar hadden we ANWB. dscf5239We sloegen linksaf het dorp in, we mochten helemaal doorfietsen naar Alwies Rolfes onze gastherr. Zesenveertig jaar later liepen op een donkere zaterdagavond dezelfde lieden op dezelfde plek. Nou ja, enkelen daarvan dan. De groep kwam terug van een voettocht naar de Hasebrucke. De groep sloeg niet als destijds linksaf maar ging nu rechtsaf. Hier liep het asfalt door. Links de achterkant van de boerderij van Berend Rolfes, rechts hoge bomen ondoordringbare bosjes en struiken. Ooit maakte, vanuit een dezer bomen, een Bosuil met zijn sinistere geluid ons in de Abdij wakker. Het pad splitste op. Linksaf naar de oude kapschuur waarin we met de vouwwagen (Abdij) menig SusScrofa-weekend gevierd hebben. Recht een zandpad die langzaam afliep en eindigde in een weiland met een brede bosrand. dscf5186Tussen de zandp
aden liet GD haar ongenaakbare schoonheid zien in de vorm van een weidse uitzicht over een golvend landschap die in de verte werd onderbroken door donkere bosranden. Het zandpad rechts sloegen we in. Op het eind van het zandpad liepen we tegen een hek, daarachter een open golvend weiland met bossages en bosranden. dscf5182Staande voor het hek, rechts, verborgen in het groen, lag nauwelijks zichtbaar ons kampterrein. Het kampterrein lag net als het dorp zo’n zeven meter hoger dan rivier de Hase. Volop in de wind dus. Fris ook, maar aangenaam in een broeierige zomer. Op het zandpad was het vaak warmer, kon de temperatuur flink verschillen t.o.v. het kampterrein, het kon een jas schelen. Onze tocht voor die dag zat erop. Die zaterdagavond brandde de kachel en werd de dag doorgenomen. Op het menu stond spareribs. Daar werd door de club vol overgave doorheen gevreten. dscf5170Natuurlijk namen we geen risico, alles werd met een slootje bier vakkundig weggespoeld. Terwijl enkele groepsleden zware oogleden kregen en langzaam kantelden bleven de Diehards overeind. Het werd die avond gezellig, warm, vermoeiend en laat en voor sommigen ietsiepietsie misselijk.Bockbier begon te bocken en eiste langzaam zijn tol. Die nacht kwam een bosuil met zijn spookachtig geluid ons een goede nacht toewensen maar schrok van het gesnurk wat uit de Ketel kwam. Over sinister geluid gesproken.dscf5171
Zondag 27 november 2016
Het ontbijt liet ons goed smaken. In de provisiekast gekeken te hebben kwamen we tot de conclusie dat we teveel hadden ingeslagen (tja, traditie). Wanneer we de braadworsten, eieren en de rest hadden geconsumeerd zou er geen ruimte meer bestaan voor macaroni en aanverwante artikelen. Macaroni werd het dus niet die dag. Naar buiten gekeken was de mist en motregen verdwenen. De zondag trakteerde ons op een staalblauwe hemel met een temperatuur rondom het vriespunt. Maar de zondag was geen zaterdag. Klein Reussies tocht werd meer een uitwaaitocht. dscf5199Het werd een tocht naar de Kolk, Uilenbos, HaseAltarm en terug. De natuur had nagenoeg haar herfsttooi afgeschud en maakte zich op voor de winter. De oorverdovende stilte om ons heen was daar een voorbode van. Alleen onze geschuifel door het bladerdek, een boer en een scheet verbraken enigszins de stilte. dscf5217Terug op het kampterrein werd de afwasmachine aangezet in de vorm van een kampvuur. Het gebruik van papieren bordjes had gedurende het weekend zijn voordeel. Die middag vertoefden we een beetje om het kampvuur waarbij Oehoeboeroe ons nog even verraste op roerei en bruine boontjes. Bockweekend 2016 zat erop. De luiken van de Ketel werden gesloten. Plunje werd in de auto’s gepropt, de deur werd vergrendeld. Het kampterrein is tot 24 Maart 2017 vrij van SusScrofa’s.
Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert

Sint Maarten

Sint Maarten

Voordat met Sint Maarten, met een lampion, langs de deuren werd gelopen, hadden kinderen vroeger een andere manier om het bedelfeest te vieren. In de jaren zestig liepen kinderen op Erica verkleed als Sinterklaas of Zwarte Piet langs de deuren. Overal zag je verklede kinderen richting brug lopen. Na het zingen van een liedje kregen de kinderen een paar centen of soms zelfs snoep. De traditie van verkleed langs de deuren te gaan liep echter op zijn eind. Begin jaren zestig maakte Sinterklaas langs de deuren plaats voor een andere bedelheilige, Sint Maarten. Over de ontstaansgeschiedenis van Sint Maarten wordt verondersteld dat het feest teruggrijpt op een Germaans winterfeest: het ronddragen van het (heilige) vuur zou een voorchristelijk vruchtbaarheidsritueel zijn. Het heidense ritueel zou dan door de kerk zijn overgenomen. Hoe het ook zij, Sint Maarten is het eerste sfeerfeest voor de winter, gevolgd door Sinterklaas en Kerstmis. Bij Sint Maarten moeten de kinderen de boer op, ze moeten zich actief opstellen om aan snoep te komen. Bij Sinterklaas daarentegen vliegen de pepernoten vanzelf om de kinderoortjes, bij Kerst wacht zomaar een gedekte dis. De Lampion van tegenwoordig verschilt eigenlijk niet zoveel van die van vroeger. De lampion is nog steeds een lichtdoorlatend papieren omhulsel met een draadje aan een stokje. Met nog steeds daarachter een verwachtingsvolle kindergezichtje na het zingen van een liedje. Verschillen zijn er natuurlijk ook. Lampions van vroeger waren voorzien van een brandend kaarsje, tegenwoordig een lampje gevoed door een batterij in het handvat. Vroeger liepen de kinderen in grote groepen langs de deur, zonder begeleiding van ouders of oppassers. In koor lukt het altijd om een liedje te zingen. Als tegenwoordig een kind vastloopt in het liedje hoor je zachtjes achter een conifeer een ouder meezingen. Bij ons thuis was het op 11 November om 17.30 uur een gekkenhuis. We waren met vier broers sterk en ontzettend opgewonden, over wat ons die avond te wachten stond. Ma hees ons in de kleren en pa stak geduldig de kaarsjes in de lampions aan. Toen broer vier aan de beurt was had broer één zijn jas alweer uit en stond beteuterd naar een uitgedoofde kaarsje te kijken. Broer twee en drie bleven keurig maar vol overgave iedereen in de weg lopen. Om precies 18.00 uur zouden de kinderen van Roling, onze buren, bij ons aan de deur verschijnen. Daarna togen de kinderen van Beukers naar de voordeur van Roling, zo was de traditie. We hielden van tradities. Opeens werden vier kinderen gek en begonnen opgewonden te schreeuwen. Op het pad waren in het inktzwarte nacht een viertal lampions zichtbaar. De kinderen van Roling kwamen er aan. Elk jaar hadden ze prachtige lampions, dat moest je ze nageven. Bij de laatste bocht voor ons huis mompelde Ma terwijl ze naar buiten keek, “Als het dit jaar maar goed gaat”. Het mocht niet zo zijn. Buurjongen Frans zwiepte altijd te veel met de lampion. In de bocht lichtte zijn lampion op als een supernova, zo was de traditie. Even later stonden drie lampions en een geblakerd stokje een Sint Maarten liedje voor onze deur te zingen. Het verdrietig kindergezichtje van Frans met zijn trillend onderlipje was aandoenlijk, het leverde zelfs meer snoep op. Heel even hadden de gebroeders Beukers overwogen ook hun lampions in de hens te steken. We togen op pad. De Rolings bleven even op ons wachten. Ondertussen togen wij naar de voordeur van hun ouders. Bij de Rolings kregen we elk jaar een snoepje. Niet zomaar een snoepje, een grote gladde bonk gekleurde suiker. Ma bond ons op het hart om het snoepje direct in de mond kapot te bijten. Hier kwam namelijk opnieuw een traditie om het hoekje te kijken. Het giet zoals het giet. Wim wees naar zijn keel, maakte een gaggelend geluid, hij liep vervolgens paarser aan dan zijn lampion. Volwassen handen hielden Wim’s benen omhoog en mepten een paar keer op zijn rug. Als een trekautomaat rolde het stukje snoep uit zijn mond. Verwacht geen broederlijke paniek, we hadden dit vaker meegemaakt. Wel waren bezorgde broederlijke opmerkingen hoorbaar als, “We gaot vast verder heur”, of “Mag ik zien lampion hebb’n”? Maar Wim schudde een keer met de kop, hij ging gewoon weer mee. De volgende deur was bij Wessels, de andere buur. Vooral tante Diny vond het prachtig, al die kinderen met lampjes. Willem had het steeds over,”Die kleine ratt’n, die kleine keutels”. Zoon Harry vervoegde zich bij de groep. We liepen achter door het zwarte veld naar Gustin. Daar liep geen pad, gewoon door het bouwland baggeren. Door het veld weer terug naar het pad naast Wessels richting Havenstraat. Hier brandden tenminste de straatlantaarns. Het eerste huis links aan de straat was het huis van Stuurwold. Ook hier was sprake van een traditie. Elk jaar hetzelfde liedje, een verschrikte vrouw Stuurwold die helemaal was vergeten dat het vanavond Sint Maarten was. Altijd kwam ze vervolgens met een stuiver, daar had ze blijkbaar voldoende van in voorraad. Zie die stuiver later maar eens terug te vinden in de zak snoep en koekkruimels. We kwamen bij de hoofdtraditie van de avond, zeg maar onze bonus. De hoofdact bestond uit vrouw Eekhof. Het oude vrouwtje kwam nooit aan de deur. Hier hadden we een speciaal repertoire voor ingestudeerd. Het liedje kikkerbil. Het ging zo, ”Hier woont juffrouw Kikkerbil, die ons niks meer geven wil”. Vol overgave werd het liedje door zo’n negental kinderkeeltjes gezongen. Wisten wij veel. Het mensje lag waarschijnlijk al lang te slapen. Zelfs jaren na haar overlijden werd op 11 november bij haar huisje nog steeds vrouw Kikkerbil van stal gehaald. Diverse adressen liepen we langs de Havenstraat af. Reuvers, Weinands, Hanenbergh, Beukers, van Os, Hofstede enz. Natuurlijk waren daar enkele adressen waar we niet aan de deur kwamen. Bij huize Wever tegenover de kerkhof was het altijd donker, die liepen we voorbij. Ook bij huize Bloeming belden we niet aan. Bloeming hadden we met belletje drukken het afgelopen jaar al genoeg geplaagd. Om dan nu aan te bellen voor snoep ging zelfs ons een beetje te ver. Ons laatste huis op de route was huize Schnieders. Dit was een bakkerij. Tot onze grote verrassing werden we bij deze mensen getrakteerd op een heus bakje patat! Dat hebben die mensen geweten. Het jaar erop was het een file aan lampions voor hun huis. Van schrik zijn de Schnieders er mee opgehouden patat te bakken. Met elk een plastic zak vol met snoep, koekjes en een stuiver togen we huiswaarts. Op het sintelpad naar ons huis keken we vol bewondering naar boven. In die tijd stonden de sterren nog helder aan de hemel te blinken, kon met gemak het Melkwegstelsel worden herkent. Thuis natuurlijk glunderend het resultaat van onze noeste arbeid aan Pa en Ma laten zien. Het lekkerste snoep uit de kruimelmassa sorteren en verstoppen. Er waren in huize Beukers rovers op de kust, je kon je eigen broers eenvoudigweg niet vertrouwen. De volgende morgen stond ik vroeg op, uit pure bezorgdheid keek ik even of nog iets interessants uit andermans snoepzak te vinden was. Van al het snoepgoed was na een week geen kruimel meer over. Het was schranzen tot je erbij neer viel, op naar Sinterklaas!

 

Geschreven door Henk Beukers

September 2016

September 2016

Vrijdag 23 september.
Het was vroeg, 06.00 uur en nog donker, toen Batman en Vliegend Hert ons geliefde dorp Erica verlieten voor een hike van 35 kilometer. whatsapp-image-2016-09-23-at-06-22-35Binnen de bebouwde kom was het uitkijken, sommigen reden je bijna de sokken van de enkels. Bij de Dordsedijk hielden we onze eerste korte pauze. Daarna was het licht. Het stuk na de Kamerlingswijk hadden we zicht tot aan de horizon. dscn5441Vaag stak daar de contour af van de St. Antoniuskerk te Zwartemeer. Daar liepen we met gezwinde pas naar toe. Door de wolkenpakket drong de Koperen Ploert zich met moeite heen en liet zich in een purper en oranje kleed zien. We liepen langs de ingang van de Meerstalblokken. Vlak daarachter ligt de uitkijkbunker waar de Baardmannetjes zich vermaakt hebben. We liepen echter stug door naar het oosten. Het beloofde een prachtige dag te worden, de hemel was hoofdzakelijk onbewolkt met alleen aan de horizon een wolkendek. De temperatuur was met zijn 18 graden iets aan de warme kant maar te doen. Achter Sint Antoniuskerk was een theehuisje te zien, zag er romantisch uit. Voordat we de gravelpad naar de Duitse grens gingen volgen hielden we pauze. Tied veur een pafke. En natuurlijk een boterham en koffie. Langs de grens gekomen zagen we in de volle lengte een strook van zo’n honderd meter breed volledig gestript natuur. Het leek wel de Oost-Duitse grens, alleen de wachttorens ontbraken.

Barry en ‘n Duitser hangen aan de toog. “ik ben van oorsprong timmerman zegt Barry”. De Duitser heeft het niet goed begrepen en vraagt: “Was sagen sie?” Waarop de Barry antwoordt: “planken.”

dscn5442_2Gek eigenlijk dat sommige ambtenaren aan ongerept natuur denken door eerst alles weg te kappen. Onze ingang van het smokkelpad werd niet langer verborgen gehouden door struweel en hoog pijpenstro, Het leek wel de entree van een pretpark. Op het bruggetje namen we een foto. We trokken Duitsland in. De bezemwagen werd bestuurd door Yeti. Deze zou later met de koffie komen, had nog wat te doen. Gaf niets, wij liepen ondertussen gewoon door. Met de wind in de rug en niet al te warm schoot het lekker op. Af en toe moesten we plaats maken voor de enorme landbouwmachines die her en der het land op moesten. Ze leken elk jaar te groeien, die machines. Zo zagen we een zelfstandig rijdend aardappelrooimachine die maar liefst 4 rijen tegelijk meenam bij het rooien.

Een boer pakt zijn vrouw bij een borst en zegt: “Als die nou eens wat groter was, dan konden we een melkkoe wegdoen.” De volgende dag pakt de boer zijn vrouw bij de andere borst en zegt: “als die nou ook eens wat groter was, dan konden we twee melkkoeien wegdoen.” Waarop de vrouw de boer bij zijn lul grijpt en zegt: “Als die nou eens wat groter was, dan konden we de knecht ook nog wegdoen.”

Bij het oude postkantoor bij het Griendsveen hielden we traditiegetrouw een pauze. dscn5444De zon begon nu goed door te breken, het zou warm gaan worden. We trokken snel verder. Langs grote varkensschuren, langs stille veengebieden, langs grote kippenschuren. Het gerestaureerde abortusweggetje werd weer stilaan aangetast door de elementen. Heel in de verte zagen we auto’s over de autobahn A31 flitsen. Grofweg de helft van onze tocht hadden we erop zitten. Bij de Waldweg vlak voor de viaduct over de A31 gingen we pauzeren. Het ging lekker, te lekker. We lagen ruim voor op onze schema, we konden het zelfs kalmer aan doen. In de trekkershut bij Fullen namen we een extra pauze. Het was een prachtige nazomerdag, wie deed ons wat. We trokken dwars door Fullen. In de verte waren de eerste huizen van de buitenwijken van Stadt Meppen zichtbaar. dscn5445Het landschap werd hoofdzakelijk bepaald door electriciteitsmasten van en naar de centrale in Haren, die in de verte te zien was. De condensor van de centrale was beschilderd met de kaart van de wereld, zodoende herkenbaar vanuit alle kanten. Over de uiterste puntje van de masten liep nog een apart lijntje. Waar zou die voor zijn, een geheime telefoonlijn of een privé lijntje voor een dikke sigaar? Het gaf een beeld waar de gesprekken onderweg zoal over gingen. En geloof me, het was zelden stil. Bliksemafleiding, daar was het bovenste lijntje voor, nu weet jij het ook. Na een pauze vlak achter Fullen liepen we richting Stadt Meppen. Vlak voor Stadt Meppen hield een zwarte auto ons in, de bezemwagen. We vulden onze waterflessen bij en maakten met Yeti nog een praatje. Hij zou ons weerzien bij Gasthof Giese te Bokeloh. Na een vrolijk claxonnetje reed hij voor ons uit en verdween in het verkeer. Batman en Vliegend Hert keken elkaar aan. Beide hadden het gevoel dat ze iets misten. Verrek…….de koffie!! dscn5446Die zagen we in de verte nog net de hoek omdraaien. Verder dan maar weer, dan maar zonder koffie. De binnenstad met het drukke verkeer gaf ons onder het lopen enige afleiding. Het lange stuk langs de Ems werd spoedig genomen. Al snel passeerden we de brug. We roken de stal. In de vorm van een café. Hier werden we zelfs herkent door de serveerster. Sind Sie schön wieder da? riep ze vriendelijk. Als BDers (Bekende Drenten) namen we plaats en verdwenen achter een paar bellen bier. Zelfs op weg naar de volgende kroeg kwam ze ons op de fiets voorbij en groette freundlich.

Wilt u iets eten?”, vraagt de serveerster aan de man aan het tafeltje. “Waaruit kan ik kiezen?”, vraagt hij. “Uit ja en nee”, zegt ze.

Bij de kroeg aangekomen, eigenlijk Schnell Imbisch, namen we een biertje plus patat met een half haantje. Half haantje? Eerder een taai bos hennep. Niet te vreten. Volgende keer alleen Pommes, de prutsers. Op naar Bokeloh. Een prachtig kronkelende weg door een bosrijk gebied stond ons te wachten. dscn5447Dan na zo’n vijf kilometer, onder de kerk, Gasthof Giese. Bij Gasthof Giese zat buiten eenzaam aan een tafeltje Yeti alleen te zijn met een leeg glas bier. Daar gingen we onmiddellijk wat aan doen, aan het lege glas.

Komt een man in het café en vraagt aan de barkeeper: ’19 bier a.u.b.’ Zegt de barkeeper: “Weet u het zeker, is dat niet teveel? Zegt de man: ‘Ja, maar er hangt een bordje met de tekst “ONDER DE 18 WORDT NIET GESCHONKEN”.’

Even later was het op het terras bij Giese een vrolijke boel. De tocht zat er bijna op. Tijdens de laatste kilometers werden we onderweg ontvangen door Bambam. Traditioneel werd een groepsfoto gemaakt van alle hike-deelnemers. Er volgde een vrolijk samenzijn aan de stamtafel op het terrein van ons clubhuis. De gele rakkers met hun witte kuiven kwamen en gingen. dscn5449Later vervoegde Oei-oei zich bij de vrolijke boel. Het werd langzaam donker. En fris. De avond ging door in de Ketel, tussen talloze foto’s van eerdere prachtige weekenden. Tot ook daar het licht uitging. Het werd stil in Groß Dörgen, de vrijdag droeg het over aan de zaterdag.

Zaterdag 24 september 2016.
Het werd gehunker naar een bunker. Bammetje had tijdens zijn geliefde bezigheid, geocaching, in Bokeloh in het bos een betonnen bunker ontdekt. Daar keken we niet zo vreemd van op, om Meppen was in de oorlog hevig gevochten. In die tijd was bunkertje bouwen een geliefde bezigheid van de Duitsers. Onderweg naar de bunker toe deden we ook een ander monument aan. Van Kaizer Wilhelm. Daar kwamen we toch langs. Bovendien wou Bambam checken of de geo-caching aldaar nog klopte. Niet. dscf5106We liepen door het zandgat. In het gouden najaarszonnetje was dit geen straf. Richting Bokeloh namen we een andere weg. Ons verscheen een onbekend stukje Bokeloh. Bij een tafeltje hielden we pauze, een borreltje volgde al snel. Om ons heen hetzelfde beeld die we al vaker zagen. Prachtige huizen met in de prachtige tuinen vlijtige Duitsers. Geen grasspriet stond scheef. Blijkbaar een ander geliefde bezigheid van de Duitser. Overigs geen kwaad woord over de Duitser, gastvrijer volk bestaat er niet.

Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar. Zegt de Belg ”Mijn vrouw heeft laatst een Ferrari gekocht, maar ze heeft geeneens een rijbewijs. Zegt de Hollander ” o, mijn vrouw heeft een zwembad in huis aan laten leggen, maar ze kan niet eens zwemmen. Zegt die Duitser, dat is nog niks, mijn vrouw ging laatst op vakantie nam ze een hele doos condooms mee, maar ze heeft geeneens een lul”

We staken een drukke straat over en moesten plots van leidsman Bambam het bos in. Waar fuhrte Bam ons heen? Naar bomen, veel bomen. Dat is in een bos niet zo’n vreemd verschijnsel, dat wende snel. Met zijn neus op de leepfoon (smartphone) volgden we Bam in een ganzenpas. Plots stonden we voor een betonnen kolos. dscf5111Een donker hol leidde ons naar binnen. Althans Bambam en Yeti. Het betonnen bouwsel was bijzonder ruw en slordig gebouwd. Binnenin was een ruimte waar het betonijzer gewoon naar binnen priemde. Aan de buitenkant waren rollen prikkeldraad half verzonken in het beton. Bovendien ontbrak een schietgat, een niet onbelangrijk onderdeel van een bunker. Bovendien stond de bunker midden in een bos. Voor het geval dat een Britse soldaat was verdwaald? De slordigheid waarmee de bunker was gebouwd was niet des Duitsers. Dit was meer een haastig gebouwde schuilhut die onder het zand had gezeten. Destijds was ook in Duitsland verzet. Deze strijders hadden een depot nodig. Ook mensen met Cohen als achternaam hadden in die tijd een gegronde reden om buitenhuis te gaan wonen. Na gegronde inspectie en het nemen van foto’s gingen we richting rivier de Hase. Via snoerloze telefonie, de leepfoon, kregen we bericht binnen dat Hakketee lopend vanuit Erica het stadje Bokeloh had bereikt. Thans had hij plaats genomen op de stoel voor Gasthaus Giese waar Hert een dag tevoren met zijn reet op had gezeten. De troep stak de kruisweg over en ging richting het huis van Panoramix, de druïde. dscf5117Deze bezat een huis met uitzicht over het Hasetal. We hadden hier vaker gelopen maar kwamen thans op een onbekende route. Hier had een natuurkunstenaar, of de druïde zelf, zich artistiek helemaal laten gaan. Het had een hoog Anton Heyboer gehalte. Goed voor museum, of kliko.

Anton Heyboer staat al een tijdje een naaktmodel te schilderen als hij de moed bijeen heeft geraapt en haar een zoen geeft. “Wat krijgen we nou?!”, vraagt het model. “Doe je dat bij al je modellen?” “Nee, jij bent absoluut de eerste!”. “En hoeveel modellen heb je al hier gehad?”, vraagt zij.
“Vier”, antwoordt Anton. “”Een appel, een meloen, een pompoen en een kiwi.”

Beneden bij de HaseBogen gingen we de rivier volgen richting Bokeloh. Als we deze steevast gingen volgen kwamen we vanzelf uit bij de stoel van Hakketee. En zo geschiedde. Het werd op het terras van Gasthaus Giese even bar gezellig, zo temidden van al die overige Nederlanders. Even later bezochten we een andere kunstenaar, Otto Pancock. dscn5469Zijn schilderijen voerden ons naar de Ketel. Een daverende avond aan de stamtafel om het kampvuur volgde. Daar kregen we op het eind van de avond onverwachts bezoek, de Bosuil.

Twee wijze uilen, die in de toekomst kunnen kijken, komen elkaar tegen op een tak. Zegt de ene tegen de andere: “Goh, je ziet er beter uit dan volgende week!”

Deze liet zich aanvankelijk in de verte horen met zijn sinistere gehuil. Toen Batman op zijn Leepfoon het gehuil van de Bosuil imiteerde kwam de vogel ras naderbij. Meerdere Bosuilen volgden. De gloed van het kampvuur scheen tegen de grote Sparrenbomen. Op gegeven ogenblik leek uit elke Spar het klagelijk gehuil van de Bosuil te komen. Ze vlogen zelfs over het vuur van boom naar boom. Op een eerder kamp werden sommige leden zelfs door de Bosuilen aangevallen! De namaakroep uit zo’n leepfoon maakt de dieren blijkbaar agressief! Uiteindelijk doofde het kampvuur, het uilgeluid stierf weg, de zondag bedankte de zaterdag en nam het over. De SusScrofa’s en bosuil gingen slapen. Kamprust.

Zondag 25 september 2016
Batman en Vliegend Hert stonden vroeg op om Hakketee uit te zwaaien. Deze besloot de terugweg naar Erica opnieuw lopend te vervolgen. Na het ontbijt zwaaide Hakketee af. img_0276_2We liepen tot aan de Hasebrucke met Hakketee mee. Hier namen we afscheid. Zelfs Oei-oei vervoegde zich nog even bij ons, Hakketee was inmiddels in het Wald verdwenen. Mourir c’est partir un peu. Het landschap lag onder een witte deken van nevel en dauw. Hun aanwezigheid werd gezwind vervangen door het gouden gloed van de ochtendzon. In een prettige grafstemming liepen we richting de Ketel. Ieder was die dag relatief vroeg uit de veren. Zodoende werd al vroeg aangevangen met de Klein Reussietocht. We werden verrast op een herfstdag gemarineerd in een gouden gloed van de lage najaarszon. Het leek wel of we zo een landschap van Brueghel inliepen. dscn5475Het werd klassiek dauwtrappen langs de Kolk, bospad en HaseAltarm. Via het executieveldje uit de tweede wereldoorlog, nog een damaliges geliefde bezigheid van onze oosterburen, kwamen we terug bij de Ketel. Een paar blikjes droog drinken. Borden en bestek op het afwasvuur. Ieder kroop die namiddag weer in zijn eigen cocon. Op naar het Bokweekend in November.
Moed Broeders, struikel niet. Vliegend Hert

Stoomtram op Erica

Stoomtram op Erica

De tramlijn Coevorden – Ter Apel liep vanuit Coevorden via Zuidoost-Drenthe naar Ter Apel. De stroomtramlijn is aangelegd door de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-Maatschappij (DSM) tussen 1899 en 1907. De lijn is een verlenging  naar de veenontginningen in Zuidoost Drenthe. De tram was vooral van belang voor het goederenvervoer, zoals het transport van turfstrooisel en kolen. Het turfstrooisel werd vervoerd vanaf het Amsterdamscheveld.

Losse wagon stoomtram op Erica

Hier lag een 7 kilometer lange zijlijn van de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij. Het turfstrooisel met bestemming Duitsland, Amsterdam en zelfs Groot-Brittannië werd overgeslagen op treinen of schepen in Coevorden, in Dedemsvaart en in Zwolle. Daarnaast heeft er tot in de jaren 30 ook personenvervoer plaatsgevonden. De laatste personentrams rijden op 16 oktober 1933. De trams mochten namelijk niet harder dan 20 kilometer per uur rijden. Al het personenvervoer werd daarna met bussen verricht. Het eerste deel van de lijn van Coevorden naar het Amsterdamscheveld werd geopend in 1899. In hetzelfde jaar werd de tram al doorgetrokken naar Nieuw-Amsterdam. In 1902 werd Erica bereikt en twee jaar later Klazienaveen. In 1907 kwam de tram tot aan Emmer-Compascuum en het eindpunt Ter Apel. Na 1931 zakte ook het transport van turfstrooisel sterk in, in 1942 werd de lijn opgebroken.
Bron: Wikipedia

Ruim acht jaar zijn noeste arbeiders bezig geweest om het spoor aan te leggen voor de stoomtram tussen het Drentse Coevorden en het Groningse Ter Apel. In Zuidoost Drenthe moesten op het traject ook tientallen bruggen over de kanalen en wijken worden aangelegd. Van deze werkzaamheden werden zelden foto’s gemaakt. Evenals rangeeraangelegenheden als losse wagons zijn zeldzaam.

Bouw trambrug over de viaductstraat Ter Apel

Bouw trambrug over de viaductstraat Ter Apel

aanleg tramspoor klein

Op Erica werd goederen uitgeladen en opgeslagen in een schuur achter café Hof. Ondertussen werd vanuit de locomotief een slang uitgerold naar het kanaal om de watertank te vullen. Daarna vertrok de tram dampend en sissend naar Klazienaveen of op zijn retour naar Nieuw Amsterdam. Gedurende de dag kwamen inwoners van Erica naar de schuur om poststukken e.d. te halen of op te sturen. Tot 1942. Toen kwamen de Duitsers alles ophalen wat van ijzer was, het spoor verdween. Ook het spoor langs het Dommerskanaal naar het Griendsveen. Er gaan geruchten dat het spoor naar Oekraïne werd getransporteerd, voor het aanleggen van een smalspoor aldaar. Gezien het tekort aan ijzer klinkt naar de Duitse oorlogsmachine logischer.

In de decennia daarna werden alle trambruggen opgeruimd. Alleen dorpen met enig historisch besef wisten enkele exemplaren te behouden. Bargercompas heeft een orginele trambrug in het Veenpark terwijl het dorp nooit op de tramroute heeft gelegen. Het is de Oosterveenschebrug, een van de vier trambruggen die op Erica hebben gelegen. De Oosterveenschebrug lag ooit over de Ensingwijk.

Oosterveensche brug te Erica

Oosterveensche brug te Erica

Trambrug over de Waardwijk Cementwijk) op Erica

Trambrug over de Waardwijk Cementwijk) op Erica

 

 

 

 

 

 

Er bestaat geen kaarten van de historische stoomtramroute Coevorden-Ter Apel waarop alle trambruggen zijn aangegeven. Voor de locatie van de trambruggen moest ik veel oude kaarten raadplegen. Het resultaat hieronder is een unieke kaart van de historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met daarop aangegeven de locaties van alle trambruggen.

Geschreven door Henk Beukers

De historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met alle locaties van de trambruggen.
De historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met alle locaties van de trambruggen.

 

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

 

RK kerk Erica 1920

RK kerk Erica 1920

In 1933 had Erica drie Katholieke kerken. De oude kerk, de noodkerk en de nieuwe kerk. De nieuwe huidige kerk staat op precies dezelfde plek als de oude kerk. Tijdens de bouw van de grotere nieuwe kerk gingen de mensen naar een houten noodkerk. Deze stond voor de oude pastorie aan de Kerkweg. De oude kerk op Erica was te vergelijken met de huidige Katholieke kerk in Bargeroosterveld. Alleen was de kerk op Erica voorzien van een kerktoren. Voor de kerk stond een bakstenen poort met daarin grote gietijzeren draaihekken. Boven de draaihekken hing een gietijzeren kroon met een grote lamp. Achter de poort was vlak voor de kerk een sanitaire voorziening gesitueerd. Eerst was deze van hout, later metselwerk. Voor zowel dames als heren. De dames lieten zich hier niet zien. Wanneer een dame een ‘kleine boodschap’ moest doen hurkte zij in haar grote zware jurk langs een landweggetje zoals de Schapendam. Zelfs de nieuwe kerk heeft voor de deuren nog een tijdje een dergelijke sanitaire voorziening gehad. De oude kerk was een stuk kleiner dan de huidige. In de oude kerk werd het zicht enigszins belemmert door pilaren in het gangpad. Op het bepleisterde werk aan muren en pilaren waren prachtige religieuze wandschilderingen aangebracht, te vergelijken met de wandschilderingen in de kerk van Bargeroosterveld. De toren had wel de voorziening voor een uurwerk maar daar is het nooit van gekomen. Zelfs in de nieuwe kerk werd pas veel later het huidige uurwerk geplaatst. De oude kerk bleek na 67 jaar te klein voor de Katholieke Ericanen. Aanvankelijk werd de grotere toestroom van kerkgangers opgevangen door boven de zijbeuken een bordes te bouwen. Mijn moeder had als vijfjarig kind zo’n H. Mis vanaf boven meegemaakt. Ze kon door de spijlen van de balustrade zo naar beneden kijken. Een indrukwekkende ervaring aldus mijn achtentachtigjarige moeder. In 1933 kwam de slopershamer. Achteraf niet nodig geweest, gezien enorme leegloop van de kerk decennia later. Erica had dan nog een prachtige klassieke kerk gehad met prachtige gebrandschilderde ramen en kleurige religieuze wandschilderingen.

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Het mocht niet zo zijn. In Duitsland zijn ze voorzichtiger, bij de bouw van een grotere nieuwe kerk blijft de oude kerk vaak staan. Voor de kleinere missen. Het ontbreken van historisch besef lijkt bij de Nederlanders wel in de genen te zitten. De gebrandschilderde ramen werden opgeslagen in het kippenhok van de pastoor. Betreden van het kerkenbos was immers verboden, al helemaal de tuin van de pastoor. De tuin was om die reden omheind met een ijzeren hek voorzien van gietijzeren punten. Vanaf de straat liep het hek langs het bos, tussen pastorie en buurman Lubberman, naar achteren tot aan de heuvel. De heuvel was het gevolg van de zandafgraving ten behoeve van de vijver. Op de heuvel stond ooit een prachtige prieel. Het hek ging vervolgens dwars door het bos tot andere buurman, Vennedunker. In het dwarsgedeelte zaten twee poorten. Een over het pad naar het kerkhof, de ander precies in het midden over het pad van de pastoor. Dagelijks liep de pastoor hier langs om in het bos een van de getijdengebeden te bidden. Het kippenhok stond op de plaats waar thans de blokhut van de scouting is gesitueerd. Natuurlijk kreeg de jeugd kans om zo’n gammel kippenhok te betreden. Alle gebrandschilderde ramen werden in de daarop volgende jaren vakkundig vernield. De nieuwe kerk nam de lange kerkbanken over van de oude kerk. Er werden zelfs kerkbanken bijgemaakt om de ruimte in de grotere kerk te vullen. Het verschil in de kerkbanken is nog steeds te zien in de huidige kerk. Ook de tabernakel, beelden en de prachtige panelen van de kruisweg werd vanuit de oude kerk meegenomen naar de nieuwe kerk. Toen de sloop begon van de oude kerk werd op de T-kruising Kerkweg-Kerklaan een grote lier in de straat vastgezet. Met een kabel werd vervolgens de toren naar beneden getrokken. De verdere sloop verliep voorspoedig. Bij de bouw van de fundering van de nieuwe kerk vond oma Beukers dat de bouwvakkers maar slordig werkten. Ze lieten overal gaten achter in de fundering. Opa legde geduldig uit dat de gaten voor warme lucht waren aangebracht. De verwarming van de kerkruimte bestond niet langer uit een enorme potkachel, die verdween naar het parochiehuis waar het nog jaren dienst deed. De bouw van de nieuwe kerk verliep voorspoedig. Erica, OLV 02Een klassiek model kerk zonder pilaren, zonder pleisterwerk en ramen zonder gebrandschilderde figuren. ‘Een kale kerk’, aldus oma. Na de bouw gingen de grote mallen voor de gemetselde bogen naar Bats Reuvers, de tuinder. Die maakte er broeikassen van. Ook de glaslatten van de oude kerk hebben bij hem nog jaren dienst gedaan als bonenstokken. Van de oude kerk zijn de korte banken van 3 meter verkocht aan de bevolking van Erica. Half Erica had op een gegeven ogenblik een kerkbank achter het huis. Vanwege de omvang kregen de meeste kerkbanken een plekje buiten het huis. Na tien jaar waren deze vaak zodanig verrot dat ze in de kachel verdwenen. Waarschijnlijk is hierdoor geen kerkbank overgebleven. Harm Sommer (Groene Harm) had een voorlopige houten preekstoel gemaakt voor in de nieuwe kerk. De man met zijn twee rechter handen bleek een waarlijk kunstenaar. De pastoor kon de preekstoel echter onmogelijk betreden. Harm was vergeten de onderste twee treden van het trapje aan te brengen. Spoedig werd de nieuwe Katholiek kerk op Erica met een feestelijke dienst geopend. Het was pdscf5023_2_kleinastoor Ninteman die een tiental jaar later een paar onhebbelijke gewoontes afschafte. Tijdens de H. Mis werden de mensen op een gegeven ogenblik uitgenodigd tot de H. Communie. Kort voordat dit signaal werd gegeven verschenen benen vanuit de kerkbank op het gangpad. Men was klaar voor de start. Opeens rende iedereen tegelijk naar de communiebank. Menig oudje op het gangpad werd de kerkbank weer in gekegeld. Om de communiegang beschaafder te laten verlopen werden de kerkgangers voortaan rij voor rij uitgenodigd om aan de uitreiking van de hostie deel te nemen. Een stoer manspersoon blokkeerde het gangpad. Hij deed een stap naar achteren wanneer de volgende rij aan de beurt was. Pastoor Ninteman schafte nog meer af, namelijk het verhuur van de kerkbanken. Eens per half jaar verhuisden de Monstrans en de kelken met hosties naar de Sacristie. Het godslampje in de kerkruimte werd gedoofd. God was niet aanwezig in Zijn Huis. Die maatregel werd niet voor niets genomen. De kerk veranderde die zondagmiddag in een veiling. De kerkbanken werden per opbod verhuurd. De huurder was verzekerd van een eigen plekje in de kerk. Tijdens de veiling ging het er hard aan toe. Sommige kerkgangers huurden tientallen jaren dezelfde bank en dachten hiermee verworven rechten te hebben opgebouwd. Totdat hun bank opeens naar een ander ging. Dan werd er gefoeterd, getrokken en geduwd, kniekussentjes vlogen door de lucht. Wie het kon betalen had een eigen bank in de kerk, de dikste portemonnees zaten prominent voorin de kerk op de eerste banken. De kerkbanken die niet werden verhuurd kosten voorin de kerk 5 cent per mis en achterin de kerk 3 cent. Voor pastoor Ninteman een gruwel, men hoefde in zijn ogen niet te betalen voor God. Het verhuur van kerkbanken werd dan ook afgeschaft.dscf5031_2_kleinSindsdien zaten de dikke portemonnees achterin de kerk. Pastoor Ninteman ergerde zich aan de eeuwige laatkomers voor de H. mis. Die bleven aan het begin van de mis veel te lang voor de kerk dreutelen. De pastoor nam tegenmaatregelen, en wel op zijn eigen manier. Vlak na de openingsbel liep de herder met het volle wijwatervat naar buiten. De kwast zwaaide kwistig en het wijwater vloeide rijkelijk. De zegen was zo van harte gegund. De mensen waren goed van wil maar zwak van vlees. Al spoedig vervielen ze weer in de oude gewoonte. Pastoor Ninteman liet toen vlak na de openingsbel de kerkdeuren op slot zetten. De laatkomers moesten nu via de sacristie naar binnen. Ten overstaan van een gniffelende publiek. Het hielp maar even. De Drentse koppen waren zo hard als zwerfkeien. De pastoor gooide uiteindelijk de handdoek in de ring. De opvolger van pastoor Ninteman hanteerde een andere methode. Wanneer de laatkomers hadden plaatsgenomen in de kerkbanken onderbrak hij even de H.mis. nintemanDe pastoor vroeg vervolgens aan alle kerkgangers een weesgegroetje te bidden voor de laatkomers. Binnen een maand waren de laatkomers verdwenen. Pastoor Nintemans was een fervente roker, deze gewoonte werd jaren later zijn ondergang. Tijdens zijn pastoraat op Erica stierf hij aan de gevolgen van longkanker. Op Erica werd hij op het kerkhof voor het kapelletje begraven. Een zwarte tegel met grafschrift herdenkt de plek waar hij dagelijks knielde voor het gebed. Door de uitbreiding van het kerkhof stond het kapelletje opeens midden op het kerkhof. Een prachtige plek. Voor historici is het een gruwel om een monument van zijn oorspronkelijke locatie te verplaatsen. Van het toenmalig kerkbestuur gaf niemand blijk van enig historisch besef. Het liet simpelweg de boel naar achteren verslepen, inclusief de graftegel van pastoor Ninteman.

 

Geschreven door Henk Beukers

Bieten wieden

Bieten wieden

De maand mei was vroeger voor ons scholieren de maand om iets bij te verdienen. De boeren Kuper, Eising en Lubberman hadden werk zat. Diverse hectares waren ingezaaid met bieten. De methode van zaaien was nog niet zo verfijnd als van tegenwoordig. Nu gaat het zaadje voor zaadje, toen een hand vol na hand vol. De bietenrijen zagen er uit als een groene oerwoud. Al het groen moest worden verwijderd op een klein bietje na. Om de vijftien centimeter koos je een geluksvogeltje uit die door mocht groeien. De overige wachtte een bitter lot, uitdrogen in de zon. Een lot die ons bietenwieders een paar uur later door de meedogenloze zon ook ten beurt viel. Maar zover was het nog niet. We werden ‘s morgens vroeg door de boer het land opgeleid. We keken op zeven uur in de morgen over de eindeloze rijen bieten naar de dauwige horizon. Ieder kreeg een rij bieten toegewezen, dan begon je. Eerst op de knieën, dan grepen je handen in het groene spul en het wieden begon. Vrijwel direct bemerkte je al kruipend dat het groen doornat was van de dauw. Na een paar meter in de rij bieten te hebben geklauwd voelde je de nattigheid tegen je benen opklimmen. De handen waren niet alleen nat, al het zand en groen bleef er vervolgens aanplakken. Je had geen keus, om bij te blijven in de rij bietenwieders klauwde je snel door. Zo schoof een rij van zo’n tien man door een groene tapijt om vervolgens nette bietenrijen achter hun te laten. Als een enorme maaimachine worstelden de 10 man zich door de groene hel op weg naar de achterste biet, zo’n driehonderd meter verderop. Daar deed je dan zomaar een uur over. Dan had je anderhalve gulden verdiend. Je hield de rijen goed bij want je werd per rij betaald. Na de eerste rij bieten te hebben gewied was je door het ergste heen. De handen konden niet vuiler dan vuil en de nattigheid tot aan je kruis voelde je niet meer. De tien man stonden na de laatste biet op om even verderop aan de volgende 10 rijen bieten te beginnen. De driehonderd meter terug. Er waren ervaren bietenwieder die zelfs meerdere rijen meenamen. Daarvoor moest je volwassen grote klauwen hebben die met een paar vegen al het overige groen konden verwijderen. Onze handen van twaalf jaren waren echter niet zo groot. We lieten het wel na om meerdere rijen mee te nemen in het wiedproces. Al wiedend zakte soms iemand achter in de rij. De buurman wiedde dan een stukje van zijn rij mee. De achtergeblevene kon dat stukje overslaan en zich weer vervoegen in de rij. Solidariteit tussen de bieten. Zo’n rij van 10 wiedende mensen naast elkaar gebeurde niet in stilte. Al wiedend werden de laatste roddels op Erica d’r even doorgejast. Het begon zowaar gezellig te worden in de groene wereld. Zelfs het zingen van een lied was ons niet vreemd. Het doodde het saaie ritme van het wieden. Langzaam droogde de dauw van de groene plantjes. Als eerste droogden je handen. Zand en groene restplantjes bleven niet langer plakken aan de droge handen. Daarna droogde langzaamaan de broek op. Langzaam verdween het gevoel alsof je in de broek geplast had. Bij het opdrogen van de broek tijdens het kruipen door de bieten bleef tevens geen zand en ander vuiligheid aan de broek plakken. Toen we aan de vierde rij begonnen was het inmiddels 10 uur. We hadden drie keer anderhalve gulden verdiend. De eerste schaft. Uit een blauw geëmailleerde metalen beugelfles dronken we koude thee. Uit onze smerige wiedklauwen aten we een snee witbrood. Met frisse tegenzin zagen we de oudste weer opstaan om aan het wieden te beginnen. Even later kroop een rij van 10 man over de eindeloze groene vlakte. Langzaam bood de volgende plaag zich aan. De zon, althans de hitte hiervan. Bood de nattigheid van de dauw nog enige verkoeling, toen deze was opgedroogd kreeg de meedogenloze hitte de ruimte. Deze kon toeslaan omdat de open vlakte geen enkele bescherming bood tegen de koperen ploert. Steeds meer kleren gingen uit. Wederom werden we nat, nu van het zweet. We hebben wel eens dagen meegemaakt dat we onder gegiechel van de dames spiernaakt in het kanaal doken. Het werk moest echter doorgaan. Even later kroop een rij mensen op de open en verlaten vlakte in de volle zon door de eindeloze bietenrijen. Het kon altijd erger. We hebben een jaar gehad dat de boer geen bieten had maar wortels. Die moesten gerooid worden. Het loof was soms wel een meter hoog. Je gaf een stevige ruk aan het loof en de wortel verliet de omklemmende greep van de aarde. Het kwam echter vaak voor dat het loof vlak boven de wortel afbraak. Je keek dan tegen een stevig verankerde oranje knol aan die geenszins van plan was zich gewonnen te geven. Dan ging je de wortel uitgraven met je blote handen. Als je geluk had gaf de wortel toe aan de stevige ruk die je er aan gaf. Vaak moest de wortel nog dieper worden uitgegraven. Het meeste pech liep je op als de nagels zich in de wortel kliefden. Door de rukkende beweging naar boven hoopten zich onder de nagels een prut van wortel en zand. Een bijzonder pijnlijke ervaring waar het vaak tot bloedens toe doorging. De prut zat zo diep en stevig onder de nagels dat het bijna onmogelijk was om het te verwijderen. Thuis probeerde je dan met de punt van de schaar nog dieper onder de nagels te komen dan het vuil. Een nagelborstel roste de laatste kruimels onder de nagels vandaan. Het ergste moest nog komen. De open wondjes onder de nagels begonnen een dag later te ontsteken zodat je niks meer kon aanpakken, laat staan wortels rooien. Gelukkig hadden we dat niet met het bieten wieden. Verscheidene seizoenen konden we bij de boeren een paar tientjes verdienen. Na het bietenwieden gingen we naar het zwembad op Erica en lieten we ons in het koele water plonsen. Om vervolgens de volgende morgen om zeven uur weer voor de dauwige rijen bieten te staan. Zo opeens was het afgelopen met het bietenwieden. De vooruitgang had ons ingehaald. Elk bietenzaadje werd door een of ander procédé voorzien van een laagje klei. Zo’n bolletje klei met zaadje was handelbaar voor een pootmachine. Voortaan geen brede groene rijen snijmoes. Het was net alsof elk bietje zijn plek kende, keurig in gelid 15 cm van elkaar.

Geschreven door Henk Beukers

Het laatste veen om Erica

Het laatste veen om Erica

Hoewel ik nog geen zestig jaar op deze wereld vertoef heb ik toch nog redelijk veel van het veen om Erica meegemaakt. Zeg maar de laatste fase van de ontginning hier in Zuidoost Drenthe. Als kleuter werd bij ons thuis de kachel nog gevuld met turf. Ik zag zelfs kans om, in mijn ijver de kachel te stoken, bijna het hele huis in vlammen te laten opgaan. Ik wurmde met een pook de deksel van de kachel. In het open gat zag ik een brandende inferno van brandende turven. Hierbij kon ook nog wel de verpakking van een Tarvo brood. Deze bleef echter steken in het gat van de kachel. Even later likten de vlammen aan de prop papier. Toen de prop papier in lichterlaaie stond reikten de vlammen precies tot aan de boven hangende lakens. Wat konden die lakens fikken zeg, indrukwekkend. Toen mijn moeder gillend met een emmer water kwam binnenstormen hingen er slechts kleine flarden laken aan het draad, nog zwart ook, net als het plafond. Dat was mijn eerste ervaring met turf en turfkachel. Indrukwekkend was ook de kachel bij mijn oma. Daarop stond een ketel. Daar was iets geheimzinnigs mee. De bodem van de ketel zakte zomaar een tiental centimeters in de brandende kachel. De ketel was zelf de deksel van de kachel. Wanneer de ketel van de kachel werd genomen keek men zo in de hel. Wanneer ieder was voorzien van kokend water, bijvoorbeeld voor thee, werd de ketel weer op de kachel gezet, alles leek weer gewoon. Nou, ik wist wel beter. In die tijd had iedereen een turfhok. Een eldorado voor muizen, en katten. Zo’n turfhok raakte natuurlijk een keer leeg. Jaarlijks moest het hok worden bijgevuld. Men huurde dan een stukje veen voor een bepaalde periode. Hierop werd turf gestoken, gestapeld en gedroogd. Dan werd een vrachtwagen bij Cappelle gehuurd, het spul werd vervolgens opgehaald. Wanneer de vrachtauto onze straat opdraaide mochten we als kinderen op de vrachtwagen, op de berg turf. Even was je koning. Voor het huis moest je het koninkrijk verlaten, al de turf werd uit de vrachtwagen gekieperd. De turf moest worden verplaatst naar de turfhok achter het huis. Iedereen hielp mee. Kinderen uit de straat namen met hun autoped, kinderwagens, handkarretjes turven mee. Dezelfde middag was de bult voor het huis verdwenen. Vol ontzag keek je dan in het turfhok. Deze was tot aan het plafond gestapeld met turven. Zelfs de turfmand was vol. Indrukwekkend. Onze latere buurman Willem had aan de Dordsedijk een kavel gehuurd, daar ging hij naar toe om turf te stapelen. Wij mochten mee! In die tijd lag nog overal veen. Zelfs achter het Kerkenbos had boer Lubberman nog veen liggen. De jeugd maakte hierin hutten, gezinnen wandelden hier op zondagmiddag. Richting Dordsedijk tussen Klazienaveen en Weiteveen lag veen zover het oog reikte. Waar de Schutwijk de Dordsedijk elkaar kruisten lag een brug. Pal naast de brug stond grotendeels verborgen achter de zandwal een huisje. Toen de brug na de vervening verdween kwam het huisje weer tevoorschijn. Samen met Willem draaiden we de Oude Dordsedijk op, we kwamen op de Dordsedijk, richting Weiteveen. We passeerden een bielsen spoorwegbrug waarover het veentreintje tufte richting Duitsland of naar de turfverwerking. Plots werd gestopt, de auto werd aan de kant gezet. We staken de sloot over en klommen tegen een drie meter hoge veenwal op. Bovenop de wal werd je getrakteerd op een adembenemende uitzicht. Veen tot aan de horizonAan de horizon lag vaag Erica. Een bruine oceaan met vele turf bulten als golven en tientallen veenverwerkingsmachines als schepen. Als kind beseften we niet dat het uitgestrekte veengebied op het punt stond definitief te verdwijnen. Het uitzicht vergeet je nooit meer, evenals de geur en de allesomvattende diepbruine kleur. En natuurlijk de gele paaltjes waartussen Willem zijn turf had gestoken. De turf lag in formatie en vormden lange rijen. De turven werden opgepakt en twee aan twee kruisgewijs gestapeld. De wind moest de turven verder drogen. Na drie stapels hadden wij de aardigheid er van af, we gingen spelen op de bruine vlakte. Vol ontzag keken we naar de enorme machinerieën die automatisch turfsteken mogelijk maakte. Een soort van baggeraar vrat klonten veen ter grootte van een turf uit de wal waarop de klonten op een transportband werd gelegd. De transportband leidde naar niets maar stak gewoon een stuk in het landschap. Wanneer de band helemaal was gevuld kantelde de band. Elke klont kon nu op het veen verder drogen. Ondertussen reed het gevaarte een stukje verder. Dat alles onder een daverende kabaal en het een grijnzende rokende machinist. Op het eind van de middag waren wij en Willem klaar met stapelen, we gingen naar huis. Voordat we het veen verlieten kregen we van zijn vrouw een glas appelsap. Waarom ik dat nog weet? Het was de eerste keer in mijn leven dat ik appelsap dronk. Later als tieners bezochten we vaak het veen. In het hoge pijpenstro maakten we gangen en hutten. Urenlang kon je er rond dolen zonder een mens te zien. Als we dorst kregen dronken we uit een veenpoel. Bruin water met een veensmaak. Vergeet je nooit weer. In het bosje van Tapper zgn. Tapperse Bos, konden we urenlang door een dichte oerwoud van berkenbomen rondbanjeren. Bij een zandgat deden we de kleren uit en gingen zwemmen in het donkere water. Soms zagen we treinrails liggen in het veen, met veel moeite kregen we een lege lorry op het spoor. Rijden maar, liefst van een heuveltje af. Urenlang konden we ons vermaken met die lorry’s. Tot een van ons de vingers tussen beide lorry’s kreeg. Hij had op dat moment zijn bakkes gevuld met boterham anders was zijn gegil tot op Erica te horen geweest. Na een poosje de hand in het koele veenwater ging het wel weer. Tenminste, dat vonden wij. Langzaam, bijna ongemerkt, veranderde het landschap van veengebied in landbouwgebied. De veenkoloniale gebieden werd het genoemd. Het is het landschap van de ondernemers. Doelen, rendement, winst. Elke struik of boom werd als verliespost gezien. Elke kromming in het landschap werkte als een gat in de begroting. De ruilverkaveling deed de rest. Het gevolg is messcherp te zien bij de grensovergang naar Duitsland. Wanneer men van Duitsland komt gaat het landschap met kromme wegen en nutteloze bosranden over tot een landschap waarop elke boom of pad zijn plek weet. Rechttoe, rechtaan. Voor de ondernemers een feest. Het is de bevolking die ondertussen ontdaan is van een unieke landschap, maar die werd niets gevraagd.

Geschreven door Henk Beukers

2 of 16
123456