Posts by: H. Beukers

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

 

RK kerk Erica 1920

RK kerk Erica 1920

In 1933 had Erica drie Katholieke kerken. De oude kerk, de noodkerk en de nieuwe kerk. De nieuwe huidige kerk staat op precies dezelfde plek als de oude kerk. Tijdens de bouw van de grotere nieuwe kerk gingen de mensen naar een houten noodkerk. Deze stond voor de oude pastorie aan de Kerkweg. De oude kerk op Erica was te vergelijken met de huidige Katholieke kerk in Bargeroosterveld. Alleen was de kerk op Erica voorzien van een kerktoren. Voor de kerk stond een bakstenen poort met daarin grote gietijzeren draaihekken. Boven de draaihekken hing een gietijzeren kroon met een grote lamp. Achter de poort was vlak voor de kerk een sanitaire voorziening gesitueerd. Eerst was deze van hout, later metselwerk. Voor zowel dames als heren. De dames lieten zich hier niet zien. Wanneer een dame een ‘kleine boodschap’ moest doen hurkte zij in haar grote zware jurk langs een landweggetje zoals de Schapendam. Zelfs de nieuwe kerk heeft voor de deuren nog een tijdje een dergelijke sanitaire voorziening gehad. De oude kerk was een stuk kleiner dan de huidige. In de oude kerk werd het zicht enigszins belemmert door pilaren in het gangpad. Op het bepleisterde werk aan muren en pilaren waren prachtige religieuze wandschilderingen aangebracht, te vergelijken met de wandschilderingen in de kerk van Bargeroosterveld. De toren had wel de voorziening voor een uurwerk maar daar is het nooit van gekomen. Zelfs in de nieuwe kerk werd pas veel later het huidige uurwerk geplaatst. De oude kerk bleek na 67 jaar te klein voor de Katholieke Ericanen. Aanvankelijk werd de grotere toestroom van kerkgangers opgevangen door boven de zijbeuken een bordes te bouwen. Mijn moeder had als vijfjarig kind zo’n H. Mis vanaf boven meegemaakt. Ze kon door de spijlen van de balustrade zo naar beneden kijken. Een indrukwekkende ervaring aldus mijn achtentachtigjarige moeder. In 1933 kwam de slopershamer. Achteraf niet nodig geweest, gezien enorme leegloop van de kerk decennia later. Erica had dan nog een prachtige klassieke kerk gehad met prachtige gebrandschilderde ramen en kleurige religieuze wandschilderingen.

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Het mocht niet zo zijn. In Duitsland zijn ze voorzichtiger, bij de bouw van een grotere nieuwe kerk blijft de oude kerk vaak staan. Voor de kleinere missen. Het ontbreken van historisch besef lijkt bij de Nederlanders wel in de genen te zitten. De gebrandschilderde ramen werden opgeslagen in het kippenhok van de pastoor. Betreden van het kerkenbos was immers verboden, al helemaal de tuin van de pastoor. De tuin was om die reden omheind met een ijzeren hek voorzien van gietijzeren punten. Vanaf de straat liep het hek langs het bos, tussen pastorie en buurman Lubberman, naar achteren tot aan de heuvel. De heuvel was het gevolg van de zandafgraving ten behoeve van de vijver. Op de heuvel stond ooit een prachtige prieel. Het hek ging vervolgens dwars door het bos tot andere buurman, Vennedunker. In het dwarsgedeelte zaten twee poorten. Een over het pad naar het kerkhof, de ander precies in het midden over het pad van de pastoor. Dagelijks liep de pastoor hier langs om in het bos een van de getijdengebeden te bidden. Het kippenhok stond op de plaats waar thans de blokhut van de scouting is gesitueerd. Natuurlijk kreeg de jeugd kans om zo’n gammel kippenhok te betreden. Alle gebrandschilderde ramen werden in de daarop volgende jaren vakkundig vernield. De nieuwe kerk nam de lange kerkbanken over van de oude kerk. Er werden zelfs kerkbanken bijgemaakt om de ruimte in de grotere kerk te vullen. Het verschil in de kerkbanken is nog steeds te zien in de huidige kerk. Ook de tabernakel, beelden en de prachtige panelen van de kruisweg werd vanuit de oude kerk meegenomen naar de nieuwe kerk. Toen de sloop begon van de oude kerk werd op de T-kruising Kerkweg-Kerklaan een grote lier in de straat vastgezet. Met een kabel werd vervolgens de toren naar beneden getrokken. De verdere sloop verliep voorspoedig. Bij de bouw van de fundering van de nieuwe kerk vond oma Beukers dat de bouwvakkers maar slordig werkten. Ze lieten overal gaten achter in de fundering. Opa legde geduldig uit dat de gaten voor warme lucht waren aangebracht. De verwarming van de kerkruimte bestond niet langer uit een enorme potkachel, die verdween naar het parochiehuis waar het nog jaren dienst deed. De bouw van de nieuwe kerk verliep voorspoedig. Erica, OLV 02Een klassiek model kerk zonder pilaren, zonder pleisterwerk en ramen zonder gebrandschilderde figuren. ‘Een kale kerk’, aldus oma. Na de bouw gingen de grote mallen voor de gemetselde bogen naar Bats Reuvers, de tuinder. Die maakte er broeikassen van. Ook de glaslatten van de oude kerk hebben bij hem nog jaren dienst gedaan als bonenstokken. Van de oude kerk zijn de korte banken van 3 meter verkocht aan de bevolking van Erica. Half Erica had op een gegeven ogenblik een kerkbank achter het huis. Vanwege de omvang kregen de meeste kerkbanken een plekje buiten het huis. Na tien jaar waren deze vaak zodanig verrot dat ze in de kachel verdwenen. Waarschijnlijk is hierdoor geen kerkbank overgebleven. Harm Sommer (Groene Harm) had een voorlopige houten preekstoel gemaakt voor in de nieuwe kerk. De man met zijn twee rechter handen bleek een waarlijk kunstenaar. De pastoor kon de preekstoel echter onmogelijk betreden. Harm was vergeten de onderste twee treden van het trapje aan te brengen. Spoedig werd de nieuwe Katholiek kerk op Erica met een feestelijke dienst geopend. Het was pdscf5023_2_kleinastoor Ninteman die een tiental jaar later een paar onhebbelijke gewoontes afschafte. Tijdens de H. Mis werden de mensen op een gegeven ogenblik uitgenodigd tot de H. Communie. Kort voordat dit signaal werd gegeven verschenen benen vanuit de kerkbank op het gangpad. Men was klaar voor de start. Opeens rende iedereen tegelijk naar de communiebank. Menig oudje op het gangpad werd de kerkbank weer in gekegeld. Om de communiegang beschaafder te laten verlopen werden de kerkgangers voortaan rij voor rij uitgenodigd om aan de uitreiking van de hostie deel te nemen. Een stoer manspersoon blokkeerde het gangpad. Hij deed een stap naar achteren wanneer de volgende rij aan de beurt was. Pastoor Ninteman schafte nog meer af, namelijk het verhuur van de kerkbanken. Eens per half jaar verhuisden de Monstrans en de kelken met hosties naar de Sacristie. Het godslampje in de kerkruimte werd gedoofd. God was niet aanwezig in Zijn Huis. Die maatregel werd niet voor niets genomen. De kerk veranderde die zondagmiddag in een veiling. De kerkbanken werden per opbod verhuurd. De huurder was verzekerd van een eigen plekje in de kerk. Tijdens de veiling ging het er hard aan toe. Sommige kerkgangers huurden tientallen jaren dezelfde bank en dachten hiermee verworven rechten te hebben opgebouwd. Totdat hun bank opeens naar een ander ging. Dan werd er gefoeterd, getrokken en geduwd, kniekussentjes vlogen door de lucht. Wie het kon betalen had een eigen bank in de kerk, de dikste portemonnees zaten prominent voorin de kerk op de eerste banken. De kerkbanken die niet werden verhuurd kosten voorin de kerk 5 cent per mis en achterin de kerk 3 cent. Voor pastoor Ninteman een gruwel, men hoefde in zijn ogen niet te betalen voor God. Het verhuur van kerkbanken werd dan ook afgeschaft.dscf5031_2_kleinSindsdien zaten de dikke portemonnees achterin de kerk. Pastoor Ninteman ergerde zich aan de eeuwige laatkomers voor de H. mis. Die bleven aan het begin van de mis veel te lang voor de kerk dreutelen. De pastoor nam tegenmaatregelen, en wel op zijn eigen manier. Vlak na de openingsbel liep de herder met het volle wijwatervat naar buiten. De kwast zwaaide kwistig en het wijwater vloeide rijkelijk. De zegen was zo van harte gegund. De mensen waren goed van wil maar zwak van vlees. Al spoedig vervielen ze weer in de oude gewoonte. Pastoor Ninteman liet toen vlak na de openingsbel de kerkdeuren op slot zetten. De laatkomers moesten nu via de sacristie naar binnen. Ten overstaan van een gniffelende publiek. Het hielp maar even. De Drentse koppen waren zo hard als zwerfkeien. De pastoor gooide uiteindelijk de handdoek in de ring. De opvolger van pastoor Ninteman hanteerde een andere methode. Wanneer de laatkomers hadden plaatsgenomen in de kerkbanken onderbrak hij even de H.mis. nintemanDe pastoor vroeg vervolgens aan alle kerkgangers een weesgegroetje te bidden voor de laatkomers. Binnen een maand waren de laatkomers verdwenen. Pastoor Nintemans was een fervente roker, deze gewoonte werd jaren later zijn ondergang. Tijdens zijn pastoraat op Erica stierf hij aan de gevolgen van longkanker. Op Erica werd hij op het kerkhof voor het kapelletje begraven. Een zwarte tegel met grafschrift herdenkt de plek waar hij dagelijks knielde voor het gebed. Door de uitbreiding van het kerkhof stond het kapelletje opeens midden op het kerkhof. Een prachtige plek. Voor historici is het een gruwel om een monument van zijn oorspronkelijke locatie te verplaatsen. Van het toenmalig kerkbestuur gaf niemand blijk van enig historisch besef. Het liet simpelweg de boel naar achteren verslepen, inclusief de graftegel van pastoor Ninteman.

 

Geschreven door Henk Beukers

Bieten wieden

Bieten wieden

De maand mei was vroeger voor ons scholieren de maand om iets bij te verdienen. De boeren Kuper, Eising en Lubberman hadden werk zat. Diverse hectares waren ingezaaid met bieten. De methode van zaaien was nog niet zo verfijnd als van tegenwoordig. Nu gaat het zaadje voor zaadje, toen een hand vol na hand vol. De bietenrijen zagen er uit als een groene oerwoud. Al het groen moest worden verwijderd op een klein bietje na. Om de vijftien centimeter koos je een geluksvogeltje uit die door mocht groeien. De overige wachtte een bitter lot, uitdrogen in de zon. Een lot die ons bietenwieders een paar uur later door de meedogenloze zon ook ten beurt viel. Maar zover was het nog niet. We werden ‘s morgens vroeg door de boer het land opgeleid. We keken op zeven uur in de morgen over de eindeloze rijen bieten naar de dauwige horizon. Ieder kreeg een rij bieten toegewezen, dan begon je. Eerst op de knieën, dan grepen je handen in het groene spul en het wieden begon. Vrijwel direct bemerkte je al kruipend dat het groen doornat was van de dauw. Na een paar meter in de rij bieten te hebben geklauwd voelde je de nattigheid tegen je benen opklimmen. De handen waren niet alleen nat, al het zand en groen bleef er vervolgens aanplakken. Je had geen keus, om bij te blijven in de rij bietenwieders klauwde je snel door. Zo schoof een rij van zo’n tien man door een groene tapijt om vervolgens nette bietenrijen achter hun te laten. Als een enorme maaimachine worstelden de 10 man zich door de groene hel op weg naar de achterste biet, zo’n driehonderd meter verderop. Daar deed je dan zomaar een uur over. Dan had je anderhalve gulden verdiend. Je hield de rijen goed bij want je werd per rij betaald. Na de eerste rij bieten te hebben gewied was je door het ergste heen. De handen konden niet vuiler dan vuil en de nattigheid tot aan je kruis voelde je niet meer. De tien man stonden na de laatste biet op om even verderop aan de volgende 10 rijen bieten te beginnen. De driehonderd meter terug. Er waren ervaren bietenwieder die zelfs meerdere rijen meenamen. Daarvoor moest je volwassen grote klauwen hebben die met een paar vegen al het overige groen konden verwijderen. Onze handen van twaalf jaren waren echter niet zo groot. We lieten het wel na om meerdere rijen mee te nemen in het wiedproces. Al wiedend zakte soms iemand achter in de rij. De buurman wiedde dan een stukje van zijn rij mee. De achtergeblevene kon dat stukje overslaan en zich weer vervoegen in de rij. Solidariteit tussen de bieten. Zo’n rij van 10 wiedende mensen naast elkaar gebeurde niet in stilte. Al wiedend werden de laatste roddels op Erica d’r even doorgejast. Het begon zowaar gezellig te worden in de groene wereld. Zelfs het zingen van een lied was ons niet vreemd. Het doodde het saaie ritme van het wieden. Langzaam droogde de dauw van de groene plantjes. Als eerste droogden je handen. Zand en groene restplantjes bleven niet langer plakken aan de droge handen. Daarna droogde langzaamaan de broek op. Langzaam verdween het gevoel alsof je in de broek geplast had. Bij het opdrogen van de broek tijdens het kruipen door de bieten bleef tevens geen zand en ander vuiligheid aan de broek plakken. Toen we aan de vierde rij begonnen was het inmiddels 10 uur. We hadden drie keer anderhalve gulden verdiend. De eerste schaft. Uit een blauw geëmailleerde metalen beugelfles dronken we koude thee. Uit onze smerige wiedklauwen aten we een snee witbrood. Met frisse tegenzin zagen we de oudste weer opstaan om aan het wieden te beginnen. Even later kroop een rij van 10 man over de eindeloze groene vlakte. Langzaam bood de volgende plaag zich aan. De zon, althans de hitte hiervan. Bood de nattigheid van de dauw nog enige verkoeling, toen deze was opgedroogd kreeg de meedogenloze hitte de ruimte. Deze kon toeslaan omdat de open vlakte geen enkele bescherming bood tegen de koperen ploert. Steeds meer kleren gingen uit. Wederom werden we nat, nu van het zweet. We hebben wel eens dagen meegemaakt dat we onder gegiechel van de dames spiernaakt in het kanaal doken. Het werk moest echter doorgaan. Even later kroop een rij mensen op de open en verlaten vlakte in de volle zon door de eindeloze bietenrijen. Het kon altijd erger. We hebben een jaar gehad dat de boer geen bieten had maar wortels. Die moesten gerooid worden. Het loof was soms wel een meter hoog. Je gaf een stevige ruk aan het loof en de wortel verliet de omklemmende greep van de aarde. Het kwam echter vaak voor dat het loof vlak boven de wortel afbraak. Je keek dan tegen een stevig verankerde oranje knol aan die geenszins van plan was zich gewonnen te geven. Dan ging je de wortel uitgraven met je blote handen. Als je geluk had gaf de wortel toe aan de stevige ruk die je er aan gaf. Vaak moest de wortel nog dieper worden uitgegraven. Het meeste pech liep je op als de nagels zich in de wortel kliefden. Door de rukkende beweging naar boven hoopten zich onder de nagels een prut van wortel en zand. Een bijzonder pijnlijke ervaring waar het vaak tot bloedens toe doorging. De prut zat zo diep en stevig onder de nagels dat het bijna onmogelijk was om het te verwijderen. Thuis probeerde je dan met de punt van de schaar nog dieper onder de nagels te komen dan het vuil. Een nagelborstel roste de laatste kruimels onder de nagels vandaan. Het ergste moest nog komen. De open wondjes onder de nagels begonnen een dag later te ontsteken zodat je niks meer kon aanpakken, laat staan wortels rooien. Gelukkig hadden we dat niet met het bieten wieden. Verscheidene seizoenen konden we bij de boeren een paar tientjes verdienen. Na het bietenwieden gingen we naar het zwembad op Erica en lieten we ons in het koele water plonsen. Om vervolgens de volgende morgen om zeven uur weer voor de dauwige rijen bieten te staan. Zo opeens was het afgelopen met het bietenwieden. De vooruitgang had ons ingehaald. Elk bietenzaadje werd door een of ander procédé voorzien van een laagje klei. Zo’n bolletje klei met zaadje was handelbaar voor een pootmachine. Voortaan geen brede groene rijen snijmoes. Het was net alsof elk bietje zijn plek kende, keurig in gelid 15 cm van elkaar.

Geschreven door Henk Beukers

Het laatste veen om Erica

Het laatste veen om Erica

Hoewel ik nog geen zestig jaar op deze wereld vertoef heb ik toch nog redelijk veel van het veen om Erica meegemaakt. Zeg maar de laatste fase van de ontginning hier in Zuidoost Drenthe. Als kleuter werd bij ons thuis de kachel nog gevuld met turf. Ik zag zelfs kans om, in mijn ijver de kachel te stoken, bijna het hele huis in vlammen te laten opgaan. Ik wurmde met een pook de deksel van de kachel. In het open gat zag ik een brandende inferno van brandende turven. Hierbij kon ook nog wel de verpakking van een Tarvo brood. Deze bleef echter steken in het gat van de kachel. Even later likten de vlammen aan de prop papier. Toen de prop papier in lichterlaaie stond reikten de vlammen precies tot aan de boven hangende lakens. Wat konden die lakens fikken zeg, indrukwekkend. Toen mijn moeder gillend met een emmer water kwam binnenstormen hingen er slechts kleine flarden laken aan het draad, nog zwart ook, net als het plafond. Dat was mijn eerste ervaring met turf en turfkachel. Indrukwekkend was ook de kachel bij mijn oma. Daarop stond een ketel. Daar was iets geheimzinnigs mee. De bodem van de ketel zakte zomaar een tiental centimeters in de brandende kachel. De ketel was zelf de deksel van de kachel. Wanneer de ketel van de kachel werd genomen keek men zo in de hel. Wanneer ieder was voorzien van kokend water, bijvoorbeeld voor thee, werd de ketel weer op de kachel gezet, alles leek weer gewoon. Nou, ik wist wel beter. In die tijd had iedereen een turfhok. Een eldorado voor muizen, en katten. Zo’n turfhok raakte natuurlijk een keer leeg. Jaarlijks moest het hok worden bijgevuld. Men huurde dan een stukje veen voor een bepaalde periode. Hierop werd turf gestoken, gestapeld en gedroogd. Dan werd een vrachtwagen bij Cappelle gehuurd, het spul werd vervolgens opgehaald. Wanneer de vrachtauto onze straat opdraaide mochten we als kinderen op de vrachtwagen, op de berg turf. Even was je koning. Voor het huis moest je het koninkrijk verlaten, al de turf werd uit de vrachtwagen gekieperd. De turf moest worden verplaatst naar de turfhok achter het huis. Iedereen hielp mee. Kinderen uit de straat namen met hun autoped, kinderwagens, handkarretjes turven mee. Dezelfde middag was de bult voor het huis verdwenen. Vol ontzag keek je dan in het turfhok. Deze was tot aan het plafond gestapeld met turven. Zelfs de turfmand was vol. Indrukwekkend. Onze latere buurman Willem had aan de Dordsedijk een kavel gehuurd, daar ging hij naar toe om turf te stapelen. Wij mochten mee! In die tijd lag nog overal veen. Zelfs achter het Kerkenbos had boer Lubberman nog veen liggen. De jeugd maakte hierin hutten, gezinnen wandelden hier op zondagmiddag. Richting Dordsedijk tussen Klazienaveen en Weiteveen lag veen zover het oog reikte. Waar de Schutwijk de Dordsedijk elkaar kruisten lag een brug. Pal naast de brug stond grotendeels verborgen achter de zandwal een huisje. Toen de brug na de vervening verdween kwam het huisje weer tevoorschijn. Samen met Willem draaiden we de Oude Dordsedijk op, we kwamen op de Dordsedijk, richting Weiteveen. We passeerden een bielsen spoorwegbrug waarover het veentreintje tufte richting Duitsland of naar de turfverwerking. Plots werd gestopt, de auto werd aan de kant gezet. We staken de sloot over en klommen tegen een drie meter hoge veenwal op. Bovenop de wal werd je getrakteerd op een adembenemende uitzicht. Veen tot aan de horizonAan de horizon lag vaag Erica. Een bruine oceaan met vele turf bulten als golven en tientallen veenverwerkingsmachines als schepen. Als kind beseften we niet dat het uitgestrekte veengebied op het punt stond definitief te verdwijnen. Het uitzicht vergeet je nooit meer, evenals de geur en de allesomvattende diepbruine kleur. En natuurlijk de gele paaltjes waartussen Willem zijn turf had gestoken. De turf lag in formatie en vormden lange rijen. De turven werden opgepakt en twee aan twee kruisgewijs gestapeld. De wind moest de turven verder drogen. Na drie stapels hadden wij de aardigheid er van af, we gingen spelen op de bruine vlakte. Vol ontzag keken we naar de enorme machinerieën die automatisch turfsteken mogelijk maakte. Een soort van baggeraar vrat klonten veen ter grootte van een turf uit de wal waarop de klonten op een transportband werd gelegd. De transportband leidde naar niets maar stak gewoon een stuk in het landschap. Wanneer de band helemaal was gevuld kantelde de band. Elke klont kon nu op het veen verder drogen. Ondertussen reed het gevaarte een stukje verder. Dat alles onder een daverende kabaal en het een grijnzende rokende machinist. Op het eind van de middag waren wij en Willem klaar met stapelen, we gingen naar huis. Voordat we het veen verlieten kregen we van zijn vrouw een glas appelsap. Waarom ik dat nog weet? Het was de eerste keer in mijn leven dat ik appelsap dronk. Later als tieners bezochten we vaak het veen. In het hoge pijpenstro maakten we gangen en hutten. Urenlang kon je er rond dolen zonder een mens te zien. Als we dorst kregen dronken we uit een veenpoel. Bruin water met een veensmaak. Vergeet je nooit weer. In het bosje van Tapper zgn. Tapperse Bos, konden we urenlang door een dichte oerwoud van berkenbomen rondbanjeren. Bij een zandgat deden we de kleren uit en gingen zwemmen in het donkere water. Soms zagen we treinrails liggen in het veen, met veel moeite kregen we een lege lorry op het spoor. Rijden maar, liefst van een heuveltje af. Urenlang konden we ons vermaken met die lorry’s. Tot een van ons de vingers tussen beide lorry’s kreeg. Hij had op dat moment zijn bakkes gevuld met boterham anders was zijn gegil tot op Erica te horen geweest. Na een poosje de hand in het koele veenwater ging het wel weer. Tenminste, dat vonden wij. Langzaam, bijna ongemerkt, veranderde het landschap van veengebied in landbouwgebied. De veenkoloniale gebieden werd het genoemd. Het is het landschap van de ondernemers. Doelen, rendement, winst. Elke struik of boom werd als verliespost gezien. Elke kromming in het landschap werkte als een gat in de begroting. De ruilverkaveling deed de rest. Het gevolg is messcherp te zien bij de grensovergang naar Duitsland. Wanneer men van Duitsland komt gaat het landschap met kromme wegen en nutteloze bosranden over tot een landschap waarop elke boom of pad zijn plek weet. Rechttoe, rechtaan. Voor de ondernemers een feest. Het is de bevolking die ondertussen ontdaan is van een unieke landschap, maar die werd niets gevraagd.

Geschreven door Henk Beukers

Maart 2016

Maart 2016

Opgedragen aan Marlies.

Vrijdag 18 maart 2016.
Het was nog donker toen Batman op 06.00 uur bij Vliegend Hert binnenstapte. Na een kort afscheid togen de heren op pad. Hike Maart 2016 was begonnen.
DSCF4513DSCN4713Nog voor dat we de Kerklaan hadden verlaten begon het te lichten. Wat erger was, het begon te motregenen. Snel zetten we de pas er in. Tegen de tijd dat we Erica achter ons lieten stopte de motregen, om af en toe weer geniepig toe te slaan. Het was te weinig om te storen. De temperatuur was zo’n acht graden, bij de Dordsedijk gingen de jassen uit, het was te warm. Het lange eind richting Zwartemeer ging rap. Sint Antonius was ons welgezind. Na de kerk gepasseerd te hebben maakten we onze eerste rustpauze, het was nog maar 08.00 uur. We doken het natuurgebied De Meerstalblokken in en liepen een poos langs de grens met Duitsland. Een strook van zo’n vijftig meter aan beide zijden van de grens was volkomen plat gezaagd. Waaronder prachtige oude eikenbomen. Voor een brandgang? Het smokkelpad naar Duitsland was nu duidelijk te zien. Snel vluchtten we Duitsland in. Gelukkig viel het met de drassigheid mee, ook het zandpad was redelijk droog. We moesten opschieten. We hadden een Rendez Vous bij het Griendsveencomplex. Om 09.00 uur zou Yeti daar ons ontmoetten. Volgens planning stond hij daar met een kop koffie ons op te wachten. Yeti nam nog even een foto van de twee binken en vervolgde zijn weg terug naar Nederland. Batman en Vliegend Hert toogden verder richting de Autobahn A31. Hier hielden we een korte pauze bij een bankje aan de Waldweg. Vlak voor Fullen pauzeerden we nog even in een bushalte. Hierin zat een oude verdwaalde Duitser. Door hem minuten zwijgend strak aan te kijken stond hij op en vertrok. Zo, nu konden we ons even uitstrekken op de bank. We hadden de gang er goed in. Normaal pauzeerden we bij onze Russische vrienden en namen we de middagpauze vlak voor Meppen. Beide sloegen we over en liepen met de Nordic stokken gezwind door. Voor ons kwam in de verte een parasol op ons af. Wat zullen we nu krijgen? Het bleek een scootmobiel waarvan de berijdster niet in de zon wil zitten. We verdwenen in de binnenstad van Stadt Meppen. DSCN4725 DSCN4726Opnieuw viel ons oog op een wel erg merkwaardige Duitser. Hij sprong van de fiets om al lopend moet een handveeg zijn achterwiel schoon te maken. Hoofdschuddend keken we hem na. Dit beloofde een spannend weekend te worden. De kroeg waarnaar wij zochten, die we vaak gesloten aantroffen, was open. Hier betaalde het vroeg opstaan van vandaag zich af. We namen plaats achter een tafel en zaten even later genoeglijk achter volle bierglazen, zo groot als bloemvazen. Na een tweede ronde werd ons vriendelijk te kennen gegeven zo snel mogelijk op te rotten. Wat is toch aan de hand met die beroemde Duitse gastvrijheid? Niets dus, de schilder kwam zo langs, het gehele interieur werd geschilderd. Dan zaten die twee Niederlandische nathalzen daar maar in de weg, dus…wegwezen. Kwam ons goed uit, het volgend adresje in de Stadt was een Schnell Imbiss, hier namen we een patatje met een poot. Daar konden we weer verder op lopen. We verlieten Meppen en toogden richting Bokeloh. Bij Gasthaus Giese hadden we wederom een Rendez Vous, nu met Yei en Oehoeboeroe. De heren waren exact op tijd, dus wij ook. Na vijfendertig kilometer achter de kuiten lieten Batman en Vliegend Hert het gerstenat goed smaken, Yeti en Oehoeboeroe deden niet voor ons onder. In het Gasthaus zaten twee stelletjes aus Die Niederlanden, dorpsgenoten zowaar! Wat deden die nu op een vrijdagmiddag zover in Duitsland? Het bleek dat het gebied om Bokeloh razend populair was bij veel Drenten uit de Zuidoosthoek. Het werd bar gezellig. Na een hartelijk afscheid begonnen we aan onze laatste stuk van de Hike. De brug over de Hase in Bokeloh was niet meer. Weg, foetsie. De oude brug begon gebreken te vertonen, had zijn tijd erop zitten. Ernaast lag een noodbrug. DSCN4729 DSCN4730Gelukkig maar, anders hadden we een andere route moeten nemen. Een opmerkelijk frisse Yeti en dito Oehoeboeroe namen met Batman en Vliegend Hert op de brug van Gross Dorgen de pose aan voor de traditionele foto. Later ‘s avonds voegden de heren Oei-oei en Bambam zich toe aan de groep. Zoals gewoonlijk werd het weer een bar gezellige weerzien die rijkelijk werd besprenkeld met het gouden gerstenat. Nog voor twaalf uur kwam de man met de hamer en sloeg ons allemaal het nest in.

Zaterdag 19 maart 2016.
Het thema van dit weekend was: IJzer uit de Oertijd. Ooit was de ijzertijd begonnen. Ooit hadden onze voorouders een klont ijzeroxide in handen waarmee ze iets wilden doen. DSCN4735 Als je het spul ging verhitten en, als je er maar lang genoeg op bleef meppen, ontstond iets wat veel langer scherp bleef dan vuursteen of brons. Maar hoe kom je aan ijzeroxide? Bij het dorp Schleper kwam het uit de grond, letterlijk. Het spul lag op de bouwland voor het oprapen. Daar gingen we die zaterdag naar toe, om ons even in de ijzertijd te wanen. Natuurlijk namen we erts mee als souvenir. Die ochtend ging het ontbijt redelijk snel. Het was dicht bewolkt maar niet koud, het regende niet. Kortom, prachtig wandelweer. DSCN4745 DSCF4533We toogden op pad richting Schleper. Jaren geleden zijn we daar ook geweest om de nieuwe snelweg uit te peilen in een weiland. Toentertijd hadden we met closetpapier een denkbeeldige snelweg aangelegd. Bambam had vanuit een kanzel hier foto’s gemaakt. Bij de boerderij van Alwies Rolfes namen we het zandpad richtig de rivier Mittelradde. Halverwege het pad sloegen we af naar de oude huis van Tensings ( zoeremelkboer). DSCF4528 DSCF4526Dit was inmiddels een ruïne. Aan de oude balken kon men het vakmanschap nog steeds aflezen van de toenmalige bouwlui. Oude geschriften uit de jaren vijftig lagen daar op de deel nog steeds voor het oprapen. We snuffelden door het huis en Oehoeboeroe vond een balk waartegen hij zijn hoofd kon stoten. Nu was zijn hoofd al niet zo fris, het herinnerde zich het kittig sapje van gisteren. Achter het huis liepen we het veld in. Bouwgrond wisselde zich af met rivierbeddingen en bosstroken, enorme zwerfkeien vormden hier natuurlijke stuwdammen. Dit zie je niet in het propere Nederland. Al hadden ze in Duitsland wel iets properder mogen zijn. Overal lagen oude vallen, ontelbaar aantal lege flessen, vreemde balletjes met nummers, flarden plastic of onderdelen van landbouwmachines. Een boer had ooit een lier gebruikt om een boom om te trekken. DSCF4525 DSCF4522Na de klus bleef het gereedschap aan een boom hangen, ‘t is maar geleend spul. De Universität Osnabrück had hier ooit veldonderzoek gedaan. Overal vonden we hun Forschungsgerät terug. Stelletje Öcoschweine. Maar gelukkig vonden we ook sporen in de natuur, keutels, botten en een schedel. Richting Radde kwamen we op een heuvel, hier stond een kanzel. Stond. Het ding lag plat. Je hoorde geen ree mopperen. We kwamen op een pad waarbij de bramenstruiken zich gedwee lieten uitvouwen zodat we vrij baan hadden. Yeti noemde het pad treffelijk het ‘Mozespad’. DSCF4560Op dit pad vonden Oei-oei en Oehoeboeroe de eerste nuggets ijzeroxide. Het lag gewoon als dikke kluiten op het pad, het voelde alleen veel zwaarder aan en had een roestkleur. Op de brug van de Radde namen we een pauze. Even later plonsden glazen flesjes in de Radde. Nog meer Öcoschweine maar nu onder ons. Op een veldje lieten een paar reeën zich gewillig fotograferen. We trokken verder het veld in richting Schleper, richting de snelweg. Langs de oever van de Radde dreven vele rattenvallen. Hopelijk zien de bevers het verschil. Anders zag Oehoeboeroe het wel met zijn reuzenlens op de fototoestel. Langs de snelweg in Schleper waren ze bezig het spoor van nieuwe bielzen te voorzien. Hier dronken we onze meegebrachte pilsjes. DSCF4542 DSCF4561Oehoeboeroe, inmiddels frisgroen als zijn overjas, zocht plotseling in de berm naar viooltjes. Na de Radde opnieuw te hebben gepasseerd kwamen we op het weiland waar we toentertijd de foto’s hebben gemaakt. Niets was veranderd, zelfs de kanzel stond nog op zijn plek. Ze hebben ons niet gemist. Toentertijd kwamen we van de andere kant, logisch dat we deze weg zochten voor de terugweg. We wisten ons nog te herinneren dat het een moerasgebied was, toen tamelijk droog en diengevolg doorwaadbaar. Dit keer ontbrak factor droog, daarmee de mogelijkheid doorwaadbaar. Na lang zoeken raakten we in paniek, een borrel volgde. Wederom waren dicht bij ons een paar Öcoschweine te zien. Eindelijk vonden we een doorwaadbare plaats, nota bene naast de oever van de Radde. We staken een maisveld over. Hier vonden we waarvoor we kwamen. IJzer, ijzer en ijzer, overal klonten roest tussen de maisstronken. Bambam spaarde apart ijzererts in een plastic zak, hij wil proefondervindelijk bepalen hoe onze voorouders het ijzer uit het erts verkregen. Al snel had Vliegend Hert meer dan een kilo aan ijzererts in zijn jaszak. Helaas bleven alle verdere jaszakken leeg en schoon. Oei-oei, Oehoeboeroe en Yeti vonden het opeens mooi genoeg geweest. Ze verlieten de scene. Bambam, Batman en Vliegend Hert besloten op het Mozespad verder naar ijzer te zoeken. DSCF4572 DSCF4575Op het pad maar vooral op het maisveld richting de visvijver werd ijzeroxide in overvloed gevonden. Sommige nuggets waren na miljoenen jaren nog steeds vuistdik. Bij de visvijver vonden we ossenschedels aan de bomen gespijkerd en serpentdraad over de hekken. Een eng ventje vist hier. Een totempaal bij de ingang moest indringers afschrikken. We verlieten de visvijver en liepen naar het pad richting spookboerderij. We waren voorzichtig, misschien zagen we het prachtige blauw van een ijsvogel. DSCF4585 DSCF4579Toen we het pad naderden zagen we inderdaad blauw. Een Nederlandse blauwe personenauto met een natuurvriend en -vriendin. Beide op de achterbank. De vriend had het blijkbaar warm, hij had zijn broek op de knieën. Zoals reeds opgemerkt, het landschap hier is populair bij de Nederlandse Naturfreunde. We lieten ze verder van de natuur genieten en liepen door. Bij de oude houten brug bleven we staan. Oer zette het riviertje in een overdadige kleur van roest. Ook hier zou binnenkort een noodbrug aangelegd moeten worden. Op sommige plekken veerde de planken van de brug vervaarlijk mee en was deze erg doorzichtig. Na enkele foto’s van het roestkleurig riviertje te hebben genomen trokken we richting spookboerderij. Over een ruïne gesproken, de voorgevel was zo verzakt dat betreding van het pand eigenlijk niet meer veilig was. Ooit een jeugdherberg, ooit een stal voor kostbare koetsen, nu een pittoreske bouwval. We trokken via de boerderij van Wulf richting het thuiskamp. DSCF4588Daar wachtten de overige leden reeds op ons. Van de ijzernuggets die Vliegend Hert in zijn jaszak had verzameld maakte hij achter de Ketel op een betonplaat een soort van piramide. Hij vond dat we het aangename met het nuttige moesten verenigen. De verzamelde klonten ijzeroxide kreeg als bestemming: pissoir. Een waardige souvenir van deze dag. Spoedig was de stamtafel gevuld met gerstenat en draaiende braadworsten. Een gezellige avond volgde, menig puntje werd van de i gehaald, menig kant die de wal zocht, iedereen had gelijk. Dat laatste pas toen iedereen sliep.

Zondag 20 maart 2016
De Klein Reussiestocht voerde ons op verzoek van Bambam naar het keizergedenkplaats. Bambam is nog al wild van geocaching. Daar zou eentje liggen. Het zat die zondag tegen. Op de tocht naar het zandgat werden we begeleid door motregen. De hele natuur om ons heen was druilerig, had er niet veel zin in. Bij het zandgat aangekomen druilde het daar ook. Ondanks het verbod op motorcrossers zagen we kapot gereden hellingen en bandensporen.DSCN4785

 

 

Gelukkig hadden we de Geocaching van Bambam nog. Als we dat vinden zit er tenminste nog iets mee die dag. Bij het monument aangekomen zat het niet mee. De geocach bleek te zijn gestolen. Een biertje dan maar. En een groepsfoto. Je moet toch wat. Na een tijdje gezellig te hebben gekletst besloten we voor even weer Öcoschweine te zijn. Dit moeten we snel weer afleren! Terug lopend naar het thuiskamp begon het nog harder te regenen. D’r zat niets anders op, we trokken nog een blik open. Daarna ruimden we de spullen op. Sloten de boel af. De Ketel werd weer aan zijn lot overgelaten, binnen de wanden wel enkele mooie momenten rijker. IJzer uit de Oertijd-weekend had zijn doel behaald. Het weekend gaat als geslaagd in de boeken. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend Hert

Havenstraat Erica

Havenstraat Erica

Opgedragen aan Lieke.

Voordat Erica überhaupt het licht zag (1863) bestond in Zuidoost Drenthe een zandweg tussen de dorpen Zuidbarge en Schoonebeek. Het was een zandpad waarvan iemand ooit vond dat het van strategisch belang was. Op Erica werd een schans gebouwd. De Bergerschans. Erica had eigenlijk Bergerschans moeten heten maar, zo wil het verhaal, een kanaalgraver die de Latijnse taal beheerste, besliste anders. Het waarschijnlijkheidsgehalte van dit verhaal mag ieder voor zich bepalen. Het klinkt logischer dat de naam Erica werd ingefluisterd door een ontwikkeld persoon van buitenaf. Eentje met een zekere geldingsdrang. Vul maar in. De Bergerschans zou een vierkante zandwal worden met kanonnen. De schans werd nooit afgebouwd. Het zandpad veranderde door de jaren enigszins van route tot de huidige weg tussen Zuidbarge en Schoonebeek. Waar precies de Bergerschans heeft gelegen blijft gissen, hoewel lui van de Historische Kring Erica wel een aardig vermoeden hebben van de oorspronkelijke plaats. De Verlengde Hoogeveense Vaart werd gegraven ter ontsluiting van het enorme veengebied in Zuidoost Drenthe. De schepen vol turf voerden naar Amsterdam zodat de stadsfatjes er warmpjes bij zaten. Op de plek waar het zandpad met het kanaal kruiste werd een brug gebouwd. De eerste generatie Ericanen streek neer in dit gebied. Er werden zelfs twee bruggen gebouwd. Laatste kwam over een zijkanaal te liggen die in noordelijke richting liep. De brug stond haaks op de eerste brug en lag er bovendien pal naast. Tussen die twee bruggen werd in de dertiger jaren een kazemat gebouwd. In het zijkanaal naast het zandpad zat een verbrede gedeelte in het kanaal, de haven. Voor menig visser een ideale visplek. Het kanaal nam hierna een haakse bocht en verdween, na nog een bocht te hebben genomen, in de Veenschapswijk. Het zandpad naast de haven kreeg de toepasselijke naam Havenstraat. Erica ontwikkelde zich door de jaren heen maar bleef dorp. Het zandpad werd een verharde klinkerweg, de Havenstraat werd de hoofdstraat van Erica. De brug werd het centrum van het dorp. Om de brug kwamen mensen te wonen die het konden betalen, de verveners. Terwijl deze ‘semipaleizen’ (Parels van Erica) werden gebouwd zochten de veenarbeiders en ex-kanaalgravers hun heil in keten en krotten. Deze situatie zou pas veranderen met komst van de vakbonden. Het startte met de vrije zaterdagmiddag en later de vrije zaterdag. Geleerden maakten zich in het openbaar zorgen, teveel vrije tijd zou leiden tot Sodom en Gomorra. Volgens de hoogontwikkelde heren was vrije tijd alleen geschikt voor ontwikkelde mensen. De ‘onderontwikkelde’ mensen van de vakbonden wisten gelukkig wel beter. Laten we de foto van de Havenstraat eens nader bestuderen. Rechts tussen de huizen hangt het wasgoed van de toenmalige bewoners. Vroeger hadden de mensen een vaste wasdag in de week, dat was maandag. De bomen staan vol in het blad waarbij het loof vanuit oostelijke richting worden beschenen. Schaduwen op het huis en vage schaduwen op de straat bevestigen de stand van de zon. Deze stond vrij laag aan de hemel. Je zou schaduwen verwachten van de lantaarnpaal en ANWB-bord, deze zijn waarschijnlijk geretoucheerd. Zoals gezegd moesten mensen vroeger tot 18.00 uur werken, zo ook de fotograaf. De goede man moest eerst eten, vervolgens toog hij toen met de camera op pad. Zo tegen 19.00 uur stond meneer met zijn camera bij de brug. Een dergelijke lage zonnestand tegen 19.00 uur vinden we in de maand Augustus. Gezien de grote plassen langs de weg was het een natte maand maar ook een teken dat riolering onder de Havenstraat ontbrak. Het jaartal waarop de foto is gemaakt is moeilijker te schatten. Het was in ieder geval vóór 1951. Het gevleugelde wiel op de ANWB-bord werd namelijk in 1951 vervangen door de huidige ANWB-vignet. Het weinig gemotoriseerd verkeer doet een eerder jaartal vermoeden, ook de type straatlantaarn doet vermoeden dat de foto eerder is genomen dan 1951. Één van de Parels van Erica, rechts op de foto, biedt de oplossing. De rijk gedecoreerde villa, Tegeltjeshuis genaamd, aan de Havenstraat 2 werd in 1897 gebouwd als woning voor de directeur van de NV Friesche Veen Maatschappij. De gevlekte boomstam voor de villa doet me denken aan een Plataan of kan begroeiing van Klimop zijn. Hoogstwaarschijnlijk werden de bomen door de eerste bewoner in de grond gepoot. De leeftijd van deze bomen schat ik op zo’n dertig, veertig jaar. Ik kom tot de conclusie dat de fotograaf de foto heeft geschoten op een plek vlak bij de kazemat, op een maandagavond tegen 19.00 uur in de maand Augustus in de eindjaren dertig van de vorige eeuw. In die tijd woonde vervener Van der Sluis in het Tegeltjeshuis. Naast het Tegeltjeshuis stond het postkantoor en de winkel van Johan Prinsen. In die tijd hadden de huizen nog een fatsoenlijk voortuin. Achter het huis van Johan Prinsen is nog een stukje zonnescherm te zien van de bakkerij van Joop Savenije. Daarnaast stond de winkel van Gankema, op het eind stond het huis van de schoolmeester Pol. Dan kwam de openbare lagere school, een verkeersbord langs de Havenstraat wees daarop. Aan de noordkant van het schoolgebouw was de brandweerkazerne gebouwd voor de vrijwillige brandweer. Hierin stond een kar voorzien van pomp en spuit. De kar werd achter een particuliere auto gekoppeld en naar de brand gereden. Midden op de foto is vaag de ingang van het schoolplein te zien met op de achtergrond een groot wit huis. Als deze toentertijd niet werd afgebroken had Erica nog een parel erbij gehad. Links op de foto is nog net een stukje paardenstal te zien van boer Mensen. Daarachter het havenkanaal die uitmondt in een verbrede stuk kanaal, de haven. Achterop de landerijen is vaag het huis te zien van Jan Wisman ‘Jan Kwatta’ (omdat hij vaak een chocoladereep at). Hij was belastinginspecteur. Op de landerijen langs het kanaal lag in de winter een ijsbaan. Om de kop financieel boven water te houden stonden op de wallen langs de haven en kanaal de sikken van weduwe Evers ‘Sikken Dore’, mijn overgrootmoeder, aan de stik te grazen. De bewoners rechts aan de Havenstraat, waaronder mijn geboortehuis, hadden tot aan Nieuw-Amsterdam vrij zicht over de landerijen van boer Mensen. Erica was op de foto, net als Zuidbarge, een prachtig karakteristiek dorp. Planologen kijken tegenwoordig verlekkerd naar dergelijke dorpskernen. Smalle straten met klinkers remt vanzelf het verkeer en mijdt het vrachtverkeer die daar niets heeft te zoeken. De bomen waren nu natuurlijke monumenten geweest. Naast de karakteristieke elementen had Erica ook nog een haven gehad. Gezien het nieuwe vaartraject Erica-TerApel had het vandaag de dag veel toeristen aangetrokken. Over economisch belang gesproken. Het mocht niet zo zijn. Terwijl Zuidbarge als karakteristiek dorp met vele bomen bleef bestaan moest Erica het onderspit delven. In het begin speelde de NAM in Schoonebeek hierin een grote rol. Het begon met de inwoners van Erica een worst voor te houden. Medio jaren vijftig werd vanuit Emmen t.b.v. de NAMpersoneel een waterleiding naar Schoonebeek aangelegd. Erica lag op de route en profiteerde mee, het dorp hing vroeg aan de waterleiding. De Havenstraat werd tevens voorzien van riolering. De mensen op Erica waren blij met de aandacht vanuit Gemeente Emmen. De aap kwam al snel uit de mouw. De toeleveringswegen, waaronder de Havenstraat, naar het NAM-terrein in Schoonebeek werden geschikt gemaakt voor zwaar vrachtverkeer. Klinkers voldeden niet meer, de Havenstraat moest sterker, stabieler en vooral breder. De Havenstraat werd diep uitgegraven en erger, alle bomen aan de oostkant van de Havenstraat moesten verdwijnen. Bovendien waren alle belendende huizen hun voortuintjes kwijt. De Gemeente Emmen had er geen moeite mee, zolang de NAM maar betaalde. Als pleister op de wond konden mensen op Erica voor een habbekrats brandhout kopen. Nog steeds is Zuidbarge zuinig op zijn bomen, nog steeds worden op Erica eeuwenoude bomen omgezaagd. De Kerklaan is hierin het meest schrijnende voorbeeld. Ondanks mooie beloftes komen daar op dezelfde plek zelden tot nooit nieuwe bomen voor terug. Er komt een generatie mensen die niet meer weet wat oude bomen zijn. Die denken dat bomen niet dikker worden dan dertig centimeter. Ze worden toegejuicht door boomhaters op Erica die het dorp het liefst willen overzien, zittend op een stoel. Vergelijk Erica op de foto eens met het huidige Erica. Met zijn beschadigde Havenstraat en modderig verzakte bermen, zijn vreselijke winkelgevels met schreeuwerig witte kunststof platen. Vooral de afwezigheid van eeuwenoude bomen is schrijnend opvallend. Het is wat je krijgt als economisch gewin boven planologische schoonheid wordt verkozen.

Geschreven door Henk Beukers.

Buurman Willem 2

Buurman Willem 2

Toen het gezin Beukers in de begin jaren zestig van de vorige eeuw het huidige huisje betrok werd deze bewoond door Poelman. Het huisje werd in eerste instantie gedeeld door hun inwonende zoon. De zoon was ziek, had TBC, woonde in een aparte kamer. Toen zoonlief stierf kwam tijdelijk zijn getrouwde dochter met echtgenoot bij hun inwonen. Uiteindelijk stierf oude Poelman en had niemand geld om het huisje over te nemen. Ondanks het feit dat in die tijd een kavel al snel zo’n drieduizend vierkante meter besloeg werd om een vierkante meter gekissebist. Vooral buurman Willem had dit tot kunst verheven. Toen oude Poelman de Kadaster erbij hield werden de kavels precies uitgemeten. De strijdbijl werd eindelijk begraven. Voor een maand. Omgewoelde grond was een stil bewijs dat er in de nachtelijke uren met de kadasterpaaltjes was geknoeid. Toen oude Poelman de zaak inspecteerde stond Willem in zijn huiskamer achter een gordijn toe te kijken. De strijd laaide weer op, het hield pas op toen oude Poelman kwam te overlijden. Als nieuwe buren werden we door Willem hartelijk begroet. Precies op de grens van Willem en huize Beukers had Willem een slootje gegraven voor het afvoer van de gootsteen in zijn keuken. De woningen stonden zo’n honderd meter van de Havenstraat en waren in die tijd niet aangesloten op de riolering. In die tijd werd het rioleringsprobleem opgelost d.m.v. septickelders en sloten. Toen decennia later Willems huis werd verkocht en de kavel door het kadaster werd nagemeten bleek het slootje zich meters op onze grond te bevinden. Willem had daar volgens eigen zeggen recht op. Keer op keer bestudeerde hij zijn kadastrale tekening en kwam bij het berekenen een aantal vierkante meters te kort. Tja, dan haal je dat weg bij de buren. Door toedoen van mijn vader vond Willem jaren later zijn gemiste meters. Mijn vader wees hem op het recht van overpad voor ons huis langs. De helft van dat pad bleek zijn eigendom. Willem zijn kavel was eindelijk compleet. De sloot bleef echter op zijn plek. Nachtelijke verplaatsingen van kadasterpaaltjes was van nu af aan verleden tijd. Wie denkt dat Willem nu stil ging zitten vergist zich. Mijn moeder en Willems vrouw, tante Diny, hingen vaak samen de was op. De waslijnen waren gesitueerd achter de huizen in het vrije veld waar de wind vrij spel had. Na het ophangen van de was bleven de dames vaak nog even kletsen. Tot opeens een hek tussen de beide waslijnen verscheen. Willem vond dat het geklets van de dames lang genoeg had geduurd. Hup, hek d’r tussen! Ondanks het feit dat Willem een groentetuin bijhield lag het grootste deel van zijn kavel braak. Er groeide gras tot aan onze kinderknieën. Prachtig speelveldje toch? Het lange gras werd hooi en daarin was het goed toeven. Willem joeg ons daar herhaaldelijk weg, gras moest groeien, dat kon niet als daar kinderen op lagen. Toen broer Wim op een zaterdagmiddag zijn hooiveldje in vlammen liet opgaan werd Willem bijna gek. Voor Willem was de trots van de tuin een mestbult. Deze was bij Willem gelijkzijdig, loodrecht, horizontaal en vooral waterpas. Een model mestbult. Je kon er op biljarten. Willem ontplofte dan ook zowat toen hij een loslopende kip op zijn bult ontwaarde. Die kip was van huize Beukers, onze kippen liepen los. Na Willems tirade niet meer. De kippen moesten van Pa binnen blijven. Volgens Willem hadden de kippen de mestbult dood gepikt. Tja, wat moet je nog met een dode mestbult. Dat najaar gingen de kippen onverbiddelijk de pot in. Met Pa kon Willem geen ruzie krijgen, nooit gelukt ook. Voor ons was Willem best wel een lieve aardige buurman. Beetje opvliegerig misschien, maar altijd van korte duur, hij bleef nooit lang boos. Willem kreeg met ons geen ruzie. Roef, de zoon van de andere buurman, type lange tenen kort lontje, was een ander verhaal. Tijdens het schoffelen vond Roef steentjes in het zand en die gooide hij op het sintelpad. Dat zag Willem. Met hoge stem en korte pasjes kwam hij als een haantje verhaal halen bij Roef. De steentjes (niet de sintels) zouden maar lekke banden veroorzaken. Willem had zich op Roef verkeken. Honderd kilo drift vloog vijftig kilo Willem bijna aan. Daar had Willem niet op gerekend. Met overslaande stem en rappe pasjes maakte Willem zich snel uit de voeten. Het gezin Beukers genoot van het avondeten en keek door het raam geboeid naar het schouwspel. Zowel Willem als Roef kwamen nadien bij ons hun verhaal doen oftewel hun gelijk halen. Door beide diplomatiek gelijk te geven keerde de rust terug. Willem kon zich niet onttrekken aan zijn lot, zijn opvliegende karakter bracht hem herhaaldelijk in problemen. Het kostte hem bijna zijn baan. Dagelijks zagen we Willem op zijn fiets naar de NAM in Schoonebeek rijden. Een kleine man, alpinopet, zwart oliejas en kaarsrecht op de fiets. Op het werk deed hij zijn ding. Zijn chef meende daar een opmerking over te moeten maken. Toen de goede man zich omdraaide had ie een punter van Willem onder zijn kont te pakken. Collega’s moesten de kleine terriër van de chef afplukken. Na veel gepraat maar vooral omdat Willem een zeer lange onberispelijke staat van dienst had bij de NAM werd de zaak in het minne geschikt. Daar was Willem met veel geluk weggekomen. De zaak kreeg bekendheid bij de NAM, wegens zijn hoge stem bij een driftbui stond Willem voortaan bekend als Piepsie. Toen Willem eindelijk met pensioen ging dacht iedereen dat het gebeurd was met de vrede in de Hanebietersbuurt. Dat viel mee. Willem had zich een houtdraaibankje aangeschaft en had zich teruggetrokken in zijn schuurtje. Uit dikke rondhout sneed hij een plak waar hij vervolgens een onderzetter voor een kaars van maakte. Een kandelaar dus. Willem stond niet vooraan bij het uitdelen van fantasie. Pas toen familie, buurt en zijn schuur tot de nok waren voorzien van kandelaars hield hij op. Het gereedschap in zijn schuur moest hierna in het vet. Toen mijn vader een jaar later de werkplaats van Wietse (Fietse) Moorman bezocht zag hij een fietsenmaker wiens overjas dreef van het vet. Wietse verklaarde zich verontschuldigend dat hij met een oude fiets bezig was geweest. De fiets van ene Willem, of Pa die kende. Ja, die kende Pa wel. Willem werd milder naarmate hij ouder werd. Een zekere gevoel van humor kon Willem niet ontzegd worden. Wekelijks kwamen mijn ouders en Willem met echtgenote Diny bij elkaar over de vloer om te gaan jokeren. En spel waarbij logisch en soms strategisch moet worden nagedacht. Een spel voor Willem ten voeten uit. ‘Rommel’ als zevens of achten spaarde Willem niet, ook al had hij er drie stuks van. Een gevleugelde uitspraak van Willem tijdens het kaartspel was: ‘Ik ben nuit’. Hij legde vervolgens zijn kaarten op tafel om halverwege het uitleggen van de kaarten tot de conclusie te komen: ‘Ik ben niet nuit’. Willem verloor het jokerspel altijd met de handen vol kaarten, soms met drie jokers. Van zijn pensioen heeft Willem nog geen tien jaar mogen genieten, hij is overleden in zijn slaap. Het was aandoenlijk om, na vele jaren, bij mijn ouders thuis in een oude lade, het oude scoreboekje van het jokerspel terug te vinden, Willem met de meeste punten.
Geschreven door Henk Beukers

Mythe van de zwarte specht

Mythe van de zwarte specht

Theo Schildkamp benoemde de mooie vogel al in zijn vele prachtige verhalen. Ik heb hem zien vliegen in Gross Dorgen. De zwarte specht. Het is een vrij zeldzame broedvogel van hoog, gemengd naaldhout, voornamelijk in het oosten en zuiden des lands. Met wijdgespreide voeten klautert hij langs de boomstammen naar boven. Hij heeft de kleur van een kraai, de vliegwijze van een gaai: hij fladdert, een beetje op de wijze van de hop. Hij heeft een bijzonder geluid: een hoog raspend kruu-kruu-kruu. De zwarte specht heeft iets weg van een kardinaal: een echte zwartrok met een streng snuitwerk en een rood kalotje op. Het is een van de weinige vogels waarover Plinius een mythe beschreef. Der Schwarzspecht ist ein Kräutermann, het vers verhaalt van het wonderbaarlijke kruid dat slechts de specht weet te vinden, het voorjaarswortel van de Salomonszegel. Alle deskundigen zijn het er sinds de oudheid over eens dat je voorzichtig moet zijn met het gebruik van Salomonszegel. Alle delen zijn min of meer giftig, maar de aantrekkelijke blauwe bessen zijn het giftigst van al en die moet je zeker niet plukken en opeten. Je gaat er heftig van overgeven en krijgt er een vreselijke diarree van, zo niet erger. Dat is wel een zware straf voor het plukken van deze beschermde plant, maar je bent dus gewaarschuwd. De zwarte specht werd door Jacob Van Maerlant in zijn ‘Der Nature Bloeme’ prachtig beschreven.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
.i. cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.


Sommige Salomonszegels zouden de kracht bezitten om deuren en meisjesharten te openen, rotsen te verbrijzelen en tanden te trekken. Je moest dan wel de juiste Springwortel vinden en daar kon dus die specht, (latijn: picus) van Van Maerlant bij helpen. Alhoewel volgens Sloet, het niet bekend is welke plant de specht kende ‘eene plant, waarvan de wortel schatten aanwijst en alle sloten en deuren, die er mede aangeraakt worden, doet openspringen, welke kracht hem den naam van Springwortel gegeven heeft. Om hem te verkrijgen zoekt men een nest van den specht en stopt, wanneer het mannetje uitgevlogen is, het gat met eene ingeslagen pin dicht. Zoodra het mannetje dat merkt, haalt hij den wortel en houdt dien voor de pin, die met groot geweld uit de opening springt. Voor dat het zoover gekomen is, maakt iemand, die zich verstopt heeft, een vervaarlijk geschreeuw en de verschrikte vogel laat den wortel vallen. Welk een welkome hulp voor het inbrekersgilde! Volg hier een raad op: stop het spechtengat dicht – voor alle duidelijkheid: de opening van de nestholte. De specht zal dan het kruid gaan halen. Maak hem, als hij daarmee terugkomt, zo aan het schrikken dat hij het pardoes laat vallen. Dan heb je het te pakken! Een mooi verhaal. Een van de vele die over spechten de ronde doen. Zo langzamerhand zijn ze uitgestorven, maar vroeger wist men elkaar van alles te vertellen over deze klimvogels. Met name over het bikken en beitelen in het hout, alsmede over het klagelijke, hoge roepstem van het dier. Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht vanuit Bokeloh, aan bij het huis van Mariechie, een pinnig vrouwmens, dat weigerde hun een boterhammetje te geven. Zelfs een slokje water, melk of een appel kon er niet af. Ze sneerde verwensingen en wees bars met de vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en luidkeels roepen om regenwater wanneer ze dorst had. Eigen schuld, dikke bult, lekker puh.. Het kan dus lelijk met je aflopen wanneer je iemand een iets weigert. Van alle vogelgeluiden in Gross-Dörgen horen we af en toe de vrij zeldzame broedvogel van het hoog gemengd naaldwoud, die kruu-kruu roept. Het wordt steeds meer een sprookje uit het verleden die op de wind van de tijd is verwaaid.

Henk Beukers

November slachtmaand

November slachtmaand

Afbeelding: Michiel van Musscher, Het varken op de leer met gezicht op de Haarlemmerpoort, 1668

Voor en in de oorlog had vrijwel iedere inwoner van Erica een hok achter het huis met een paar varkens erin. Daarnaast hadden ze een hok met kippen en aan de stik een paar sikken. Een sik was de ‘arbeiderskoe’, deze werd gehouden om de melk. Een echte koe was voor de meesten niet mogelijk omdat daarvoor een bunder grond vereist was. Van Erica naar Nieuw Amsterdam was het aan beide kanten van het kanaal wit van de sikken die aan de stik stonden te grazen, sommigen zelfs tot onder aan het kanaal. Op het eind van het jaar werden de beesten boks en gingen ze ermee naar de bok. Gedurende de winter gaven de sikken steeds minder melk tot het ophield. In het voorjaar kwamen de jonge guitige springerige sikjes ter wereld. Wanneer oma Beukers naar de straat liep huppelden de sikjes achter haar aan. Een paar passerende fietsers uit Emmen riepen, ‘Och, wat toch prachtig, die jonge hertjes’. De mannelijke jongelingen, de geitenbokjes, zullen geen melk geven en hadden diengevolg geen waarde. Die werden kort na de geboorte met de zijkant van de schop de hersens ingeslagen. Soms lukte dat niet helemaal maar verdwenen alsnog met de seksegenoten in het gezamenlijke graf. Wie daar moeite mee had kon de bokjes ook naar van der Land brengen. Van der land slachtte de bokjes en verdiende iets aan het vel. Van der Land was een keurig heerschap, je wilde alleen niet weten wat daar in zijn achterschuur gebeurde. Hij had een prachtige dochter die later Katholiek werd en verhuisde naar Klazienaveen. Op Erica had je snel een bijnaam. Iedereen kende de dochter van van der Land als ‘Bokkie’ van der Land. Nou, dan zou ik ook verhuizen. Bij mijn moeder hadden ze een Tochenburger, een sik met hoorns. In die tijd bracht een paar vodden bij de voddenboer een ballon op. Toen mijn moeder als kind een vod zocht voor de voddenboer vond ze er een in de sikkenhok. Bij het bukken kwam de hoorn van de sik achter haar jurk. Wie dacht dat varkens hard konden gillen…Sikkenvlees wilde niemand eten, dus werden sikken zelden geslacht. Bij verminderde melkopbrengst werd het beest op een kar gezet en gingen ze ermee naar de markt in Emmen. De gemeente had op het marktplein allemaal hokken neergezet met stro. Daar was een speciaal gedeelte voor sikken net zoals er ook een gedeelte was voor varkens, kippen, honden enz. Een grapje uit die tijd was om aan een voorbijganger met een hoed te vragen of ie de hond had verkocht, bij een nee werd steevast opgemerkt: ‘nou, ie hebt de hok nog op de kop staon’. Kippen, van piepjong tot stokoud, werden met wagensvol tegelijk opgekocht en gingen allemaal naar de slachterij. De markt in Emmen was ook een sociale gebeurtenis. Zo gingen de boeren uit Schoonebeek wekelijks met karren vol zwijnen naar Emmen. Voor de Schoonebeker boeren was het hun wekelijkse uitje en lieten zich bij Grimme een borreltje goed smaken. De verkochte biggen voor Erica werd door de heer Pater in een kar naar het dorp gebracht. Biggen voor Beukers kregen de letter B op de rug. Degene die thuis geen varkens hield was ziek, zwak of misselijk. Die moest het doen met een ‘moeseoortie’ spek’. In november en april waren overal op Erica gegil van varkens te horen. Het waren de slachtmaanden. Vooral november stond als slachtmaand bekend. Het varken werd levend op de ladder gebonden met de kop naar beneden. Dit ging gepaard met luid gegil van het varken. Het gegil was niet van enthousiasme, het varkentje had allang door dat hij niet ‘ter leering ende vermaeck’ op de ladder werd gebonden. De slager sneed een halsslagader door en liet het varken vervolgens doodbloeden. Het bloed werd in schalen opgevangen om bloedworst van de maken. Het gegil van het varken hield langzaam op. Het laatste wat het beest op de kop van deze wereld zag vanaf de ladder waren volle schalen met eigen bloed waarin driftig werd geroerd om stolling tegen te gaan. De maand november werd gekozen als slachtmaand omdat het nog niet hard vroor, al had je wel nachtvorsten. Het varken kon zo snel koud worden. ‘s Avonds werd het varken met een paar man van de ladder afgehaald en kwam op een oude tafel te liggen. Hier werd het varken in stukken gesneden. Spek eraf in zes repen, vlees eraf, poten eraf. Het vlees en spek ging tien dagen in het zout om vervolgens aan de balken verder te drogen. Het vocht trok in het zout en het zout trok in het vlees. Op die manier kon vlees langer worden bewaard. In de oorlogsjaren was het aanbod van zout krap. Het roze vleesvocht wat uit het zout lekte was nog zout genoeg en werd als zout bij het eten gebruikt. Later nam het wecken de taak van het inzouten over. Alhoewel het nog wel gezouten vlees was wat werd ingeweckt. Daarnaast werd ook een gedeelte fijn gesneden vlees behandeld met kaneel en kruiden om worst van te maken. Het toevoegen van kruiden luisterde nauw, steeds werd een stukje vlees geproefd, tot het goedgekeurd werd. Pas dan werd er worst van gemaakt. Alleen het mooiste vlees kwam in de metworst. De hersenen werden gebakken en werden als een lekkernij gezien. Anderen maakten van de hersenen zure zult, dit kon worden gebruikt als broodbeleg. Van het varken werden de ogen, hoeven en dikke darm als slachtafval weggegooid. Maar sommigen bewaarden zelfs de dikke darm, daar kwam de bloedworst in. Anderen gebruiken hiervoor linnen. De dunne darm werd gespoeld en nadien werd met een mes het vet eraf gekrabd, vervolgens werd het opgevuld als metworst. De slager had een speciale haak om de nagels van de hoeven te trekken. Varkenspoten gingen in de snert en de hakken gingen in de bonensoep. De mensen hadden altijd twee varkens, een dikke voor het najaar en een kleinere in het voorjaar. De kleinere was vaak een lekkerder varkentje om te eten maar werd ook wel in de zomer verkocht om een paar extra centen bij te verdienen. In het voorjaar werd een gang naar de markt in Emmen gemaakt om een paar biggen te kopen. Die kwamen dan in een hok met vers stro. De eerste tijd waren de aandoenlijke biggetjes levend speelgoed voor de kinderen. Varkens waren echter ook intelligente dieren, ze scheten en pisten altijd op één plek in het hok om zodoende een droge slaapplek over te houden. Varkens konden ook enorm last van luizen hebben. Mijn vader stipte de luizen aan met een mengsel van petroleum en olie. Schier petroleum was te scherp. De luizen vielen direct dood neer wanneer ze werden aangestipt en het varken kreunde van genot. Een honderdponder liet zich gewillig omdraaien wanneer de behandeling met het wondermengsel dit wenste. Twee varkens in een hok deden ze ook beter vreten. Uit voedingsnijd, dus de ander niks gunnen, vraten ze de buik vol. Het kon zijn dat een varken minder vrat dan normaal, dat kon liggen aan kies- of tandpijn. Vaak werd dan een kruimelige baksteen aan het varken gegeven. Met luid geknak en geknars werd de baksteen volledig opgevreten. De gebitsproblemen waren hiermee vaak opgelost. Daarnaast moest een varken schrokkerig vreten. Soms had je een ‘zoeger’, een zuiger, dan schrokte het varken niet maar zoog het voer op als het ware. Het vreten ging dan te voorzichtig, zo kreeg het beest te weinig binnen, het was een slechte zwien. Want vreten moesten de varkens, spek moest erop, liefst vier vingers dik of meer. Vroeger hadden de mensen door zwaar lichamelijk arbeid meer brandstof nodig. Naast de zes twaalfurige werkdagen had iedereen thuis ook nog een flinke moestuin om te bewerken. Daar werd o.a. boerenkool, bruine bomen en siepels (uien) verbouwd. De bruine bonen en siepels werden voor de winter op zolder bewaard. ‘s Avonds hoorde menigeen hoe op zolder de muizen met de uien aan het spelen waren. Spek werd dus massaal verorbert, rijkelijk bestrooid met zout en peper. Bovendien smeerde het de darmen, zo was de overtuiging. Als het varken aan de ladder hing te drogen en pastoor Ninteman op de fiets langskwam, hield deze even halt, ging naast zijn fiets staan, nam zijn hoofddeksel af en knikte naar de mensen thuis. Een duidelijk appėl om een stukje vlees bij de pastoor af te leveren. Maar Erica had ook een pastoor gekend die het aangeleverde vlees direct doorgaf aan de minderbedeelden. Dezelfde pastoor werd door het kerkbestuur onder financiële curatele gesteld omdat hij al het geld weggaf aan de minder bedeelden. Toen na het Tweede Vaticaanse Concilie de Katholieke kerk zich ging moderniseren kon deze pastoor de veranderingen niet bijbenen. Hij vertrok naar Amsterdam en maakte daar een eind aan zijn leven. Maar pastoor Ninteman paste zich feilloos aan. Met zijn gang door Erica ging zijn hoedje diverse keren af. Zijn twee dienstmeiden hadden d’r maar druk met het inmaken van al het binnengekomen vlees. De mensen die de geestelijke daarnaast ook nog uitnodigden voor een borrel hadden d’r een vaste klant bij. Zo kwam hij elke dag bij de familie Middendorp aan het kanaal. Maar voor pastoor Ninteman was het ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, al zijn schaapjes waren gelijk. Wanneer de familie Middendorp weer eens te laat in de H. Mis kwam riep pastoor Ninteman van de preekstoel: ’10 minuten over tijd en daar komen ze’ en wees vervolgens naar de laatkomers. In die tijd had elke familie hun ‘eigen’ kerkbank, die van de Familie Wittendorp stond helemaal voor in de kerk. Die moesten, gezien de afstand, tegenover de medegelovigen spitsroede lopen. Dat nam niet weg dat pastoor Ninteman de maandag erop weer een borrel kwam halen bij de familie Wittendorp. Hij grinnikte dan: ‘Had ik je even mooi te pakken hè’. In die tijd kreeg de pastoor meer dan alleen vlees. Zo had de pastoor een grote moestuin gelegen langs het toegangspad in het kerkenbos waar nu dennenboompjes staan. De pastoor riep van de cancel: ‘Als de boeren nog een karretje goed verrotte stalmest overhebben dan kunnen ze die bij mijn tuiniers Jeurissen en zoon afleveren’. Geheid de week erop werden diverse karren stalmest bij de pastoor afgeleverd. Vroeg in het voorjaar ging pastoor Ninteman bij Capelle langs voor planten in de moestuin. Hij mocht ze afleveren bij zijn tuiniers.

Geschreven door Henk Beukers

November 2015

November 2015

Vrijdag 25 november 1015.
Precies op tijd, namelijk om 13.30 uur, draaide een witte Volkswagen bestelbus de oprit op. Iedereen aanwezig? Nee, Oehoeboeroe de Uil ontbrak. DSCN0090 DSCN0107 Net toen we weg wilden rijden toeterde een auto op straat. Uil werd nog even nabezorgd. Eindelijk toogden we voor de zoveelste keer naar ons geliefde plaatsje in het grote Duitsland, Groβ Dörgen. Het was november, dat wil heten Bokweekend. Maar eerst nog even boodschappen doen. Bij de Aldi in Klazienaveen. Later nog in K&K in Stadt Meppen. Daar maakten we nog iets bijzonders mee. Een hoogzwangere Poolse vrouw kreeg opeens weeën voor de kassa. Waarom zijn die Poolse vrouwen toch altijd zo foeilelijk? Deze leek wel erg op zijn vader met haar snor en ongeschoren kin. DSCN0113 DSCN0115Maar goed, een vrouw in nood moet je helpen. Het was echter te laat. Midden voor de kassa braken de vliezen. Nou, vliezen, het was meer de jas die brak. In plaats van een kleine roze Polak die over de plavuizen stuiterde gulpte een stortvloed tubes tandpasta over onze schoenen. Een wenkbrauw van de chef begon te fronsen. Maar Yeti en Uil boden EHBO, al hadden ze nog nooit zo’n vreemde bevalling meegemaakt. Eigenlijk hadden ze nog nooit een bevalling van tube tandpasta meegemaakt. Maar alert waren ze, de heren Yeti en Uil. DSCN0117 DSCN0127Vliegensvlug stopte Yeti de betaalpas in handen van Batman. Hier was actie gewenst en Yeti wilde voorkomen dat Batman en Vliegend Hert maar in de weg zouden lopen. Bevallen van een mud tubes was geen sinecure. Batman moest maar samen met Vliegend Hert de boodschappen afrekenen. Yeti duwde Batman de Rabocard in handen en fluisterde hem de pincode in zijn oor. Fluisteren? Het had net zo goed door de interne audio-omroepsysteem van K&K gekund. Terwijl Batman stond af te rekenen brachten Yeti en Uil de kraamvrouw en haar echtgenoot, net zo lelijk, naar de kamer van de chef. Wat bracht de nageboorte, tandenborstels? Batman was zo door de gebeurtenissen overdonderd dat hij bij de kassa de pincode was vergeten. Gelukkig wist het personeel van K&K plus alle aanwezige klanten de pincode te herinneren. DSCF4324DSCF4309Maar Batman kreeg een briljante inval, als iedereen de pincode wist dan neem ik gewoon een andere Rabocard. Batman nam geen risico en rekende met zijn eigen Rabocard af. Op de parkeerplaats werden de boodschappen ingeladen door Batman en Vliegend Hert. Yeti kwam spoedig aangestoven, hij had hulp nodig. Yeti kwam mededelen dat de Pool geen lelijke kraamvrouw was maar gewoon een lelijke Pool. Yeti gaf uitleg dat een Pool wel kan bevallen op een trap maar als je een Pool betrapt dit..uhh.. hem niet beviel. Batman en Vliegend Hert keken Yeti strak aan. Na een stilte vroeg Yeti of ze alsjeblieft even mee wilden gaan. Op draf terug naar de kamer van de chef. Daar zaten ze, de twee lelijke Polen. Naast een berg tubes tandpasta en een watercontainer. Dat laatste hoorde er niet bij. We gingen in de deur staan en riepen, ‘Hier kommt kein Maus mehr aus’. DSCF4313 DSCF4323De hulpchef ter grootte van een flinke hamster keek ons dankbaar aan. Hiermee waren de mogelijke vluchtplannen van de winkeldieven vervlogen. Toen de Polizei kwam staken we automatisch de polsen naar voren, een reflex. Maar de chef wees tijdig de daders aan en de rakkers werden ingerekend. Als dank kregen we van de opperchef een doos chocolade die we bij de kassa mochten afrekenen, de pincode wisten ze al. Voor de Troep eindigde hiermee het avontuur en trok verder naar Groβ Dörgen. In de Ketel werd nog flink nagepraat en slonk de Bokbier zienderogen. ‘s Avonds voegde Oei-oei zich bij de Troep, Bambam excuseerde zich voor het Bokweekend. Na het openingsritueel waarbij een zoute haring werd weggespoeld met een jenevertje kapseisde Oei-oei. Maar goed dat hij hier voor de rust kwam. De rest vierde het leven tot in de late uurtjes.
Zaterdag 26 november 1015.
Volgens gebruikelijke recept werkten we ons het ontbijt naar binnen. Voor wat het weer betreft kwam een stille wens uit. Een staalblauwe hemel. Over de Hasebrücke sloegen we linksaf over de dijk en volgden een poos de rivier Hase. Een najaarszon zette het landschap in die typerende harde zonlicht. Een reiger verwelkomde het reisgezelschap beneden aan de dijk. Verderop liet de Hase in de bocht een zandafzetting zien die de rivier door de eeuwen heen altijd heeft veranderd. We verlieten de rivier en trokken het woud in. De natuur was zoals verwacht in diepe rust. RSCN0121 DSCF4327De felrode bessen van de Gelderse roos gaven enigszins kleur aan de grijze massa. Net als je denkt dat gaat het niet worden gebeurd er iets onverwachts. Yeti ging het licht zien. Zomaar. Het licht ging aan. Met een devoot gezicht keek hij ons biddend aan. De verschijning duurde maar even. Toch kon daarvan nog net een foto worden gemaakt. Het was ook zo weer over. Een glasboer ruimde de afvalemmer leeg en nam en passant ook Yeti’s aureool mee. Hij keerde terug op aarde en werd weer simpel. ‘Meer’, riep Batman, Yeti ging weer devoot kijken en wachtte af, met één oog open, of er meer kwam. Maar Batman bedoelde een meertje in het bos, dat was onze voorlopige doel. Plotseling uit het niets verscheen, pal voor ons, een grote haas. Voorzichtig brachten we onze lenzen in positie. Dit is de reden waarom we hier zijn, observatie. Op het moment dat we de knoppen wilden indrukken hoorden we Oei-oei ineens roepen ‘Goeiedag Haas’. Foetsie was de haas. Foei-foei Oei-oei. Bij het meertje vonden we Duivelsnaaigaren en een bijzonder heuveltje. Het leek wel een grafheuvel. Hoe komt een grafheuvel midden in een bosmeer terecht? Hadden we een groot natuurhistorische ontdekking gedaan? Totdat we erachter kwamen dat de grafheuvel bestond uit de muts van al onzer Uil, die stond voor de lens van de fotocamera. DSCF4311 DSCF4316Uil’s muts of een grafheuvel. Het grote verschil is dat de inhoud van de grafheuvel voornamelijk bestaat uit zand en de inhoud van de muts…uhh…niet. Via topografische kaarten op de mobiele apparaatjes kwamen we tot de ontdekking dat we drie kilometer terug naar rechts hadden moeten afslaan. Best interessant om het woud van de andere kant te bekijken, al waren niet alle leden even enthousiast over deze keuze. Na eindelijk de ingeslagen pad te hebben gekozen liepen we een dorp binnen. Hier stonden oude boerderijen die aan oude glorie niet hadden ingeboet. Bij een van de boerderijen had zelfs een windveer wortel geschoten. Om de boerderijen lagen grote zandheuvels, vroeger kunstmatig aangelegd, die thans de boerderijen uit de gure wind hielden. Via een zijpad verlieten we het dorp en werden we uitgezwaaid door Jezus. Een prachtige crucifix die in elk dorp in de buurt te vinden was. DSCF4326 DSCN0140In de verte huppelden twee borsten op ons toe, een trimster. We namen plaats achter een hek en besloten van de heuvels te genieten. We trokken het bos in en kwamen op een wel heel vreemde open plek terecht. Overal lagen tissues. Hier moest iemand snotverkouden zijn geweest. Snel verlieten we deze besmette plek. In de verte hoorden we een staccato aan knallen. Hier in Duitsland werd de kerstdis in het bos gevonden. In de verte werd de dijk waarop we vanmorgen zijn begonnen zichtbaar. We trokken de dijk op en liepen naar de vertrouwde Dorgenerbrücke. In het donkere woud zagen we de Ketel in de verte staan. Bij terugkomst in de Ketel ging de kachel aan, het werd spoedig behaaglijk. Terwijl we ons laafden aan het leven werd om de Ketel een drijfjacht gehouden door mannetjes in fluorescerend roze pakjes. Dan bedoel ik geen kabouters van Rien Poortvliet. DSCN0152 DSCF4342Het werd vroeg donker om de Ketel en de hoofdact diende zich aan. Op zilveren borden. De Schweinehacken. Het werd een feestmaal die met sloten bier moest worden weggespoeld. Met ronde buiken en voldaan gekreun duurde de avond niet bijzonder lang. Het luide gesnurk was spoedig hoorbaar. Vliegend Hert had een minder prettig herinnering aan de feestmaal, zuurbranden van de vette hap hielden hem de nacht wakker. Een vorm van nagenieten zou je het kunnen noemen.
Zondag 27 november 1015.
Het weer was zoals we het oorspronkelijk vreesden, harde wind met hevige slagregens. Het was zo troosteloos dat we direct na het ontbijt aan de zuip gingen. Yeti keek bezorgd naar buiten. Het toegangspad naar ons kampterrein was één modderpoel. Daar moet straks een Volkswagenbusje doorheen. DSCF4336 DSCF4349Dat zou niet gaan als nog een paar uur werd gewacht. Yeti rukte de zwijnen achter de pot bier weg, er moest gewerkt worden. De bus werd met vereende krachten door de blubberige zooi geduwd. Het lukte ternauwernood maar het busje stond verderop veilig op het droge. Met gerust hart kon Yeti de zwijnen weer achter de potten bier zetten en hun bezigheden laten vervolgen.
Het regende de gehele dag zodat alle geplande activiteiten in het bier vielen. Tenslotte werden de biezen gepakt, wegwezen uit die natte prut. Op naar de Kalkoenentocht op derde kerstdag. Moed Broeders, Struikel niet.
Vliegend Hert

3 of 16
1234567