Posts by: H. Beukers

Maart 2016

Maart 2016

Opgedragen aan Marlies.

Vrijdag 18 maart 2016.
Het was nog donker toen Batman op 06.00 uur bij Vliegend Hert binnenstapte. Na een kort afscheid togen de heren op pad. Hike Maart 2016 was begonnen.
DSCF4513DSCN4713Nog voor dat we de Kerklaan hadden verlaten begon het te lichten. Wat erger was, het begon te motregenen. Snel zetten we de pas er in. Tegen de tijd dat we Erica achter ons lieten stopte de motregen, om af en toe weer geniepig toe te slaan. Het was te weinig om te storen. De temperatuur was zo’n acht graden, bij de Dordsedijk gingen de jassen uit, het was te warm. Het lange eind richting Zwartemeer ging rap. Sint Antonius was ons welgezind. Na de kerk gepasseerd te hebben maakten we onze eerste rustpauze, het was nog maar 08.00 uur. We doken het natuurgebied De Meerstalblokken in en liepen een poos langs de grens met Duitsland. Een strook van zo’n vijftig meter aan beide zijden van de grens was volkomen plat gezaagd. Waaronder prachtige oude eikenbomen. Voor een brandgang? Het smokkelpad naar Duitsland was nu duidelijk te zien. Snel vluchtten we Duitsland in. Gelukkig viel het met de drassigheid mee, ook het zandpad was redelijk droog. We moesten opschieten. We hadden een Rendez Vous bij het Griendsveencomplex. Om 09.00 uur zou Yeti daar ons ontmoetten. Volgens planning stond hij daar met een kop koffie ons op te wachten. Yeti nam nog even een foto van de twee binken en vervolgde zijn weg terug naar Nederland. Batman en Vliegend Hert toogden verder richting de Autobahn A31. Hier hielden we een korte pauze bij een bankje aan de Waldweg. Vlak voor Fullen pauzeerden we nog even in een bushalte. Hierin zat een oude verdwaalde Duitser. Door hem minuten zwijgend strak aan te kijken stond hij op en vertrok. Zo, nu konden we ons even uitstrekken op de bank. We hadden de gang er goed in. Normaal pauzeerden we bij onze Russische vrienden en namen we de middagpauze vlak voor Meppen. Beide sloegen we over en liepen met de Nordic stokken gezwind door. Voor ons kwam in de verte een parasol op ons af. Wat zullen we nu krijgen? Het bleek een scootmobiel waarvan de berijdster niet in de zon wil zitten. We verdwenen in de binnenstad van Stadt Meppen. DSCN4725 DSCN4726Opnieuw viel ons oog op een wel erg merkwaardige Duitser. Hij sprong van de fiets om al lopend moet een handveeg zijn achterwiel schoon te maken. Hoofdschuddend keken we hem na. Dit beloofde een spannend weekend te worden. De kroeg waarnaar wij zochten, die we vaak gesloten aantroffen, was open. Hier betaalde het vroeg opstaan van vandaag zich af. We namen plaats achter een tafel en zaten even later genoeglijk achter volle bierglazen, zo groot als bloemvazen. Na een tweede ronde werd ons vriendelijk te kennen gegeven zo snel mogelijk op te rotten. Wat is toch aan de hand met die beroemde Duitse gastvrijheid? Niets dus, de schilder kwam zo langs, het gehele interieur werd geschilderd. Dan zaten die twee Niederlandische nathalzen daar maar in de weg, dus…wegwezen. Kwam ons goed uit, het volgend adresje in de Stadt was een Schnell Imbiss, hier namen we een patatje met een poot. Daar konden we weer verder op lopen. We verlieten Meppen en toogden richting Bokeloh. Bij Gasthaus Giese hadden we wederom een Rendez Vous, nu met Yei en Oehoeboeroe. De heren waren exact op tijd, dus wij ook. Na vijfendertig kilometer achter de kuiten lieten Batman en Vliegend Hert het gerstenat goed smaken, Yeti en Oehoeboeroe deden niet voor ons onder. In het Gasthaus zaten twee stelletjes aus Die Niederlanden, dorpsgenoten zowaar! Wat deden die nu op een vrijdagmiddag zover in Duitsland? Het bleek dat het gebied om Bokeloh razend populair was bij veel Drenten uit de Zuidoosthoek. Het werd bar gezellig. Na een hartelijk afscheid begonnen we aan onze laatste stuk van de Hike. De brug over de Hase in Bokeloh was niet meer. Weg, foetsie. De oude brug begon gebreken te vertonen, had zijn tijd erop zitten. Ernaast lag een noodbrug. DSCN4729 DSCN4730Gelukkig maar, anders hadden we een andere route moeten nemen. Een opmerkelijk frisse Yeti en dito Oehoeboeroe namen met Batman en Vliegend Hert op de brug van Gross Dorgen de pose aan voor de traditionele foto. Later ‘s avonds voegden de heren Oei-oei en Bambam zich toe aan de groep. Zoals gewoonlijk werd het weer een bar gezellige weerzien die rijkelijk werd besprenkeld met het gouden gerstenat. Nog voor twaalf uur kwam de man met de hamer en sloeg ons allemaal het nest in.

Zaterdag 19 maart 2016.
Het thema van dit weekend was: IJzer uit de Oertijd. Ooit was de ijzertijd begonnen. Ooit hadden onze voorouders een klont ijzeroxide in handen waarmee ze iets wilden doen. DSCN4735 Als je het spul ging verhitten en, als je er maar lang genoeg op bleef meppen, ontstond iets wat veel langer scherp bleef dan vuursteen of brons. Maar hoe kom je aan ijzeroxide? Bij het dorp Schleper kwam het uit de grond, letterlijk. Het spul lag op de bouwland voor het oprapen. Daar gingen we die zaterdag naar toe, om ons even in de ijzertijd te wanen. Natuurlijk namen we erts mee als souvenir. Die ochtend ging het ontbijt redelijk snel. Het was dicht bewolkt maar niet koud, het regende niet. Kortom, prachtig wandelweer. DSCN4745 DSCF4533We toogden op pad richting Schleper. Jaren geleden zijn we daar ook geweest om de nieuwe snelweg uit te peilen in een weiland. Toentertijd hadden we met closetpapier een denkbeeldige snelweg aangelegd. Bambam had vanuit een kanzel hier foto’s gemaakt. Bij de boerderij van Alwies Rolfes namen we het zandpad richtig de rivier Mittelradde. Halverwege het pad sloegen we af naar de oude huis van Tensings ( zoeremelkboer). DSCF4528 DSCF4526Dit was inmiddels een ruïne. Aan de oude balken kon men het vakmanschap nog steeds aflezen van de toenmalige bouwlui. Oude geschriften uit de jaren vijftig lagen daar op de deel nog steeds voor het oprapen. We snuffelden door het huis en Oehoeboeroe vond een balk waartegen hij zijn hoofd kon stoten. Nu was zijn hoofd al niet zo fris, het herinnerde zich het kittig sapje van gisteren. Achter het huis liepen we het veld in. Bouwgrond wisselde zich af met rivierbeddingen en bosstroken, enorme zwerfkeien vormden hier natuurlijke stuwdammen. Dit zie je niet in het propere Nederland. Al hadden ze in Duitsland wel iets properder mogen zijn. Overal lagen oude vallen, ontelbaar aantal lege flessen, vreemde balletjes met nummers, flarden plastic of onderdelen van landbouwmachines. Een boer had ooit een lier gebruikt om een boom om te trekken. DSCF4525 DSCF4522Na de klus bleef het gereedschap aan een boom hangen, ‘t is maar geleend spul. De Universität Osnabrück had hier ooit veldonderzoek gedaan. Overal vonden we hun Forschungsgerät terug. Stelletje Öcoschweine. Maar gelukkig vonden we ook sporen in de natuur, keutels, botten en een schedel. Richting Radde kwamen we op een heuvel, hier stond een kanzel. Stond. Het ding lag plat. Je hoorde geen ree mopperen. We kwamen op een pad waarbij de bramenstruiken zich gedwee lieten uitvouwen zodat we vrij baan hadden. Yeti noemde het pad treffelijk het ‘Mozespad’. DSCF4560Op dit pad vonden Oei-oei en Oehoeboeroe de eerste nuggets ijzeroxide. Het lag gewoon als dikke kluiten op het pad, het voelde alleen veel zwaarder aan en had een roestkleur. Op de brug van de Radde namen we een pauze. Even later plonsden glazen flesjes in de Radde. Nog meer Öcoschweine maar nu onder ons. Op een veldje lieten een paar reeën zich gewillig fotograferen. We trokken verder het veld in richting Schleper, richting de snelweg. Langs de oever van de Radde dreven vele rattenvallen. Hopelijk zien de bevers het verschil. Anders zag Oehoeboeroe het wel met zijn reuzenlens op de fototoestel. Langs de snelweg in Schleper waren ze bezig het spoor van nieuwe bielzen te voorzien. Hier dronken we onze meegebrachte pilsjes. DSCF4542 DSCF4561Oehoeboeroe, inmiddels frisgroen als zijn overjas, zocht plotseling in de berm naar viooltjes. Na de Radde opnieuw te hebben gepasseerd kwamen we op het weiland waar we toentertijd de foto’s hebben gemaakt. Niets was veranderd, zelfs de kanzel stond nog op zijn plek. Ze hebben ons niet gemist. Toentertijd kwamen we van de andere kant, logisch dat we deze weg zochten voor de terugweg. We wisten ons nog te herinneren dat het een moerasgebied was, toen tamelijk droog en diengevolg doorwaadbaar. Dit keer ontbrak factor droog, daarmee de mogelijkheid doorwaadbaar. Na lang zoeken raakten we in paniek, een borrel volgde. Wederom waren dicht bij ons een paar Öcoschweine te zien. Eindelijk vonden we een doorwaadbare plaats, nota bene naast de oever van de Radde. We staken een maisveld over. Hier vonden we waarvoor we kwamen. IJzer, ijzer en ijzer, overal klonten roest tussen de maisstronken. Bambam spaarde apart ijzererts in een plastic zak, hij wil proefondervindelijk bepalen hoe onze voorouders het ijzer uit het erts verkregen. Al snel had Vliegend Hert meer dan een kilo aan ijzererts in zijn jaszak. Helaas bleven alle verdere jaszakken leeg en schoon. Oei-oei, Oehoeboeroe en Yeti vonden het opeens mooi genoeg geweest. Ze verlieten de scene. Bambam, Batman en Vliegend Hert besloten op het Mozespad verder naar ijzer te zoeken. DSCF4572 DSCF4575Op het pad maar vooral op het maisveld richting de visvijver werd ijzeroxide in overvloed gevonden. Sommige nuggets waren na miljoenen jaren nog steeds vuistdik. Bij de visvijver vonden we ossenschedels aan de bomen gespijkerd en serpentdraad over de hekken. Een eng ventje vist hier. Een totempaal bij de ingang moest indringers afschrikken. We verlieten de visvijver en liepen naar het pad richting spookboerderij. We waren voorzichtig, misschien zagen we het prachtige blauw van een ijsvogel. DSCF4585 DSCF4579Toen we het pad naderden zagen we inderdaad blauw. Een Nederlandse blauwe personenauto met een natuurvriend en -vriendin. Beide op de achterbank. De vriend had het blijkbaar warm, hij had zijn broek op de knieën. Zoals reeds opgemerkt, het landschap hier is populair bij de Nederlandse Naturfreunde. We lieten ze verder van de natuur genieten en liepen door. Bij de oude houten brug bleven we staan. Oer zette het riviertje in een overdadige kleur van roest. Ook hier zou binnenkort een noodbrug aangelegd moeten worden. Op sommige plekken veerde de planken van de brug vervaarlijk mee en was deze erg doorzichtig. Na enkele foto’s van het roestkleurig riviertje te hebben genomen trokken we richting spookboerderij. Over een ruïne gesproken, de voorgevel was zo verzakt dat betreding van het pand eigenlijk niet meer veilig was. Ooit een jeugdherberg, ooit een stal voor kostbare koetsen, nu een pittoreske bouwval. We trokken via de boerderij van Wulf richting het thuiskamp. DSCF4588Daar wachtten de overige leden reeds op ons. Van de ijzernuggets die Vliegend Hert in zijn jaszak had verzameld maakte hij achter de Ketel op een betonplaat een soort van piramide. Hij vond dat we het aangename met het nuttige moesten verenigen. De verzamelde klonten ijzeroxide kreeg als bestemming: pissoir. Een waardige souvenir van deze dag. Spoedig was de stamtafel gevuld met gerstenat en draaiende braadworsten. Een gezellige avond volgde, menig puntje werd van de i gehaald, menig kant die de wal zocht, iedereen had gelijk. Dat laatste pas toen iedereen sliep.

Zondag 20 maart 2016
De Klein Reussiestocht voerde ons op verzoek van Bambam naar het keizergedenkplaats. Bambam is nog al wild van geocaching. Daar zou eentje liggen. Het zat die zondag tegen. Op de tocht naar het zandgat werden we begeleid door motregen. De hele natuur om ons heen was druilerig, had er niet veel zin in. Bij het zandgat aangekomen druilde het daar ook. Ondanks het verbod op motorcrossers zagen we kapot gereden hellingen en bandensporen.DSCN4785

 

 

Gelukkig hadden we de Geocaching van Bambam nog. Als we dat vinden zit er tenminste nog iets mee die dag. Bij het monument aangekomen zat het niet mee. De geocach bleek te zijn gestolen. Een biertje dan maar. En een groepsfoto. Je moet toch wat. Na een tijdje gezellig te hebben gekletst besloten we voor even weer Öcoschweine te zijn. Dit moeten we snel weer afleren! Terug lopend naar het thuiskamp begon het nog harder te regenen. D’r zat niets anders op, we trokken nog een blik open. Daarna ruimden we de spullen op. Sloten de boel af. De Ketel werd weer aan zijn lot overgelaten, binnen de wanden wel enkele mooie momenten rijker. IJzer uit de Oertijd-weekend had zijn doel behaald. Het weekend gaat als geslaagd in de boeken. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend Hert

Havenstraat Erica

Havenstraat Erica

Opgedragen aan Lieke.

Voordat Erica überhaupt het licht zag (1863) bestond in Zuidoost Drenthe een zandweg tussen de dorpen Zuidbarge en Schoonebeek. Het was een zandpad waarvan iemand ooit vond dat het van strategisch belang was. Op Erica werd een schans gebouwd. De Bergerschans. Erica had eigenlijk Bergerschans moeten heten maar, zo wil het verhaal, een kanaalgraver die de Latijnse taal beheerste, besliste anders. Het waarschijnlijkheidsgehalte van dit verhaal mag ieder voor zich bepalen. Het klinkt logischer dat de naam Erica werd ingefluisterd door een ontwikkeld persoon van buitenaf. Eentje met een zekere geldingsdrang. Vul maar in. De Bergerschans zou een vierkante zandwal worden met kanonnen. De schans werd nooit afgebouwd. Het zandpad veranderde door de jaren enigszins van route tot de huidige weg tussen Zuidbarge en Schoonebeek. Waar precies de Bergerschans heeft gelegen blijft gissen, hoewel lui van de Historische Kring Erica wel een aardig vermoeden hebben van de oorspronkelijke plaats. De Verlengde Hoogeveense Vaart werd gegraven ter ontsluiting van het enorme veengebied in Zuidoost Drenthe. De schepen vol turf voerden naar Amsterdam zodat de stadsfatjes er warmpjes bij zaten. Op de plek waar het zandpad met het kanaal kruiste werd een brug gebouwd. De eerste generatie Ericanen streek neer in dit gebied. Er werden zelfs twee bruggen gebouwd. Laatste kwam over een zijkanaal te liggen die in noordelijke richting liep. De brug stond haaks op de eerste brug en lag er bovendien pal naast. Tussen die twee bruggen werd in de dertiger jaren een kazemat gebouwd. In het zijkanaal naast het zandpad zat een verbrede gedeelte in het kanaal, de haven. Voor menig visser een ideale visplek. Het kanaal nam hierna een haakse bocht en verdween, na nog een bocht te hebben genomen, in de Veenschapswijk. Het zandpad naast de haven kreeg de toepasselijke naam Havenstraat. Erica ontwikkelde zich door de jaren heen maar bleef dorp. Het zandpad werd een verharde klinkerweg, de Havenstraat werd de hoofdstraat van Erica. De brug werd het centrum van het dorp. Om de brug kwamen mensen te wonen die het konden betalen, de verveners. Terwijl deze ‘semipaleizen’ (Parels van Erica) werden gebouwd zochten de veenarbeiders en ex-kanaalgravers hun heil in keten en krotten. Deze situatie zou pas veranderen met komst van de vakbonden. Het startte met de vrije zaterdagmiddag en later de vrije zaterdag. Geleerden maakten zich in het openbaar zorgen, teveel vrije tijd zou leiden tot Sodom en Gomorra. Volgens de hoogontwikkelde heren was vrije tijd alleen geschikt voor ontwikkelde mensen. De ‘onderontwikkelde’ mensen van de vakbonden wisten gelukkig wel beter. Laten we de foto van de Havenstraat eens nader bestuderen. Rechts tussen de huizen hangt het wasgoed van de toenmalige bewoners. Vroeger hadden de mensen een vaste wasdag in de week, dat was maandag. De bomen staan vol in het blad waarbij het loof vanuit oostelijke richting worden beschenen. Schaduwen op het huis en vage schaduwen op de straat bevestigen de stand van de zon. Deze stond vrij laag aan de hemel. Je zou schaduwen verwachten van de lantaarnpaal en ANWB-bord, deze zijn waarschijnlijk geretoucheerd. Zoals gezegd moesten mensen vroeger tot 18.00 uur werken, zo ook de fotograaf. De goede man moest eerst eten, vervolgens toog hij toen met de camera op pad. Zo tegen 19.00 uur stond meneer met zijn camera bij de brug. Een dergelijke lage zonnestand tegen 19.00 uur vinden we in de maand Augustus. Gezien de grote plassen langs de weg was het een natte maand maar ook een teken dat riolering onder de Havenstraat ontbrak. Het jaartal waarop de foto is gemaakt is moeilijker te schatten. Het was in ieder geval vóór 1951. Het gevleugelde wiel op de ANWB-bord werd namelijk in 1951 vervangen door de huidige ANWB-vignet. Het weinig gemotoriseerd verkeer doet een eerder jaartal vermoeden, ook de type straatlantaarn doet vermoeden dat de foto eerder is genomen dan 1951. Één van de Parels van Erica, rechts op de foto, biedt de oplossing. De rijk gedecoreerde villa, Tegeltjeshuis genaamd, aan de Havenstraat 2 werd in 1897 gebouwd als woning voor de directeur van de NV Friesche Veen Maatschappij. De gevlekte boomstam voor de villa doet me denken aan een Plataan of kan begroeiing van Klimop zijn. Hoogstwaarschijnlijk werden de bomen door de eerste bewoner in de grond gepoot. De leeftijd van deze bomen schat ik op zo’n dertig, veertig jaar. Ik kom tot de conclusie dat de fotograaf de foto heeft geschoten op een plek vlak bij de kazemat, op een maandagavond tegen 19.00 uur in de maand Augustus in de eindjaren dertig van de vorige eeuw. In die tijd woonde vervener Van der Sluis in het Tegeltjeshuis. Naast het Tegeltjeshuis stond het postkantoor en de winkel van Johan Prinsen. In die tijd hadden de huizen nog een fatsoenlijk voortuin. Achter het huis van Johan Prinsen is nog een stukje zonnescherm te zien van de bakkerij van Joop Savenije. Daarnaast stond de winkel van Gankema, op het eind stond het huis van de schoolmeester Pol. Dan kwam de openbare lagere school, een verkeersbord langs de Havenstraat wees daarop. Aan de noordkant van het schoolgebouw was de brandweerkazerne gebouwd voor de vrijwillige brandweer. Hierin stond een kar voorzien van pomp en spuit. De kar werd achter een particuliere auto gekoppeld en naar de brand gereden. Midden op de foto is vaag de ingang van het schoolplein te zien met op de achtergrond een groot wit huis. Als deze toentertijd niet werd afgebroken had Erica nog een parel erbij gehad. Links op de foto is nog net een stukje paardenstal te zien van boer Mensen. Daarachter het havenkanaal die uitmondt in een verbrede stuk kanaal, de haven. Achterop de landerijen is vaag het huis te zien van Jan Wisman ‘Jan Kwatta’ (omdat hij vaak een chocoladereep at). Hij was belastinginspecteur. Op de landerijen langs het kanaal lag in de winter een ijsbaan. Om de kop financieel boven water te houden stonden op de wallen langs de haven en kanaal de sikken van weduwe Evers ‘Sikken Dore’, mijn overgrootmoeder, aan de stik te grazen. De bewoners rechts aan de Havenstraat, waaronder mijn geboortehuis, hadden tot aan Nieuw-Amsterdam vrij zicht over de landerijen van boer Mensen. Erica was op de foto, net als Zuidbarge, een prachtig karakteristiek dorp. Planologen kijken tegenwoordig verlekkerd naar dergelijke dorpskernen. Smalle straten met klinkers remt vanzelf het verkeer en mijdt het vrachtverkeer die daar niets heeft te zoeken. De bomen waren nu natuurlijke monumenten geweest. Naast de karakteristieke elementen had Erica ook nog een haven gehad. Gezien het nieuwe vaartraject Erica-TerApel had het vandaag de dag veel toeristen aangetrokken. Over economisch belang gesproken. Het mocht niet zo zijn. Terwijl Zuidbarge als karakteristiek dorp met vele bomen bleef bestaan moest Erica het onderspit delven. In het begin speelde de NAM in Schoonebeek hierin een grote rol. Het begon met de inwoners van Erica een worst voor te houden. Medio jaren vijftig werd vanuit Emmen t.b.v. de NAMpersoneel een waterleiding naar Schoonebeek aangelegd. Erica lag op de route en profiteerde mee, het dorp hing vroeg aan de waterleiding. De Havenstraat werd tevens voorzien van riolering. De mensen op Erica waren blij met de aandacht vanuit Gemeente Emmen. De aap kwam al snel uit de mouw. De toeleveringswegen, waaronder de Havenstraat, naar het NAM-terrein in Schoonebeek werden geschikt gemaakt voor zwaar vrachtverkeer. Klinkers voldeden niet meer, de Havenstraat moest sterker, stabieler en vooral breder. De Havenstraat werd diep uitgegraven en erger, alle bomen aan de oostkant van de Havenstraat moesten verdwijnen. Bovendien waren alle belendende huizen hun voortuintjes kwijt. De Gemeente Emmen had er geen moeite mee, zolang de NAM maar betaalde. Als pleister op de wond konden mensen op Erica voor een habbekrats brandhout kopen. Nog steeds is Zuidbarge zuinig op zijn bomen, nog steeds worden op Erica eeuwenoude bomen omgezaagd. De Kerklaan is hierin het meest schrijnende voorbeeld. Ondanks mooie beloftes komen daar op dezelfde plek zelden tot nooit nieuwe bomen voor terug. Er komt een generatie mensen die niet meer weet wat oude bomen zijn. Die denken dat bomen niet dikker worden dan dertig centimeter. Ze worden toegejuicht door boomhaters op Erica die het dorp het liefst willen overzien, zittend op een stoel. Vergelijk Erica op de foto eens met het huidige Erica. Met zijn beschadigde Havenstraat en modderig verzakte bermen, zijn vreselijke winkelgevels met schreeuwerig witte kunststof platen. Vooral de afwezigheid van eeuwenoude bomen is schrijnend opvallend. Het is wat je krijgt als economisch gewin boven planologische schoonheid wordt verkozen.

Geschreven door Henk Beukers.

Buurman Willem 2

Buurman Willem 2

Toen het gezin Beukers in de begin jaren zestig van de vorige eeuw het huidige huisje betrok werd deze bewoond door Poelman. Het huisje werd in eerste instantie gedeeld door hun inwonende zoon. De zoon was ziek, had TBC, woonde in een aparte kamer. Toen zoonlief stierf kwam tijdelijk zijn getrouwde dochter met echtgenoot bij hun inwonen. Uiteindelijk stierf oude Poelman en had niemand geld om het huisje over te nemen. Ondanks het feit dat in die tijd een kavel al snel zo’n drieduizend vierkante meter besloeg werd om een vierkante meter gekissebist. Vooral buurman Willem had dit tot kunst verheven. Toen oude Poelman de Kadaster erbij hield werden de kavels precies uitgemeten. De strijdbijl werd eindelijk begraven. Voor een maand. Omgewoelde grond was een stil bewijs dat er in de nachtelijke uren met de kadasterpaaltjes was geknoeid. Toen oude Poelman de zaak inspecteerde stond Willem in zijn huiskamer achter een gordijn toe te kijken. De strijd laaide weer op, het hield pas op toen oude Poelman kwam te overlijden. Als nieuwe buren werden we door Willem hartelijk begroet. Precies op de grens van Willem en huize Beukers had Willem een slootje gegraven voor het afvoer van de gootsteen in zijn keuken. De woningen stonden zo’n honderd meter van de Havenstraat en waren in die tijd niet aangesloten op de riolering. In die tijd werd het rioleringsprobleem opgelost d.m.v. septickelders en sloten. Toen decennia later Willems huis werd verkocht en de kavel door het kadaster werd nagemeten bleek het slootje zich meters op onze grond te bevinden. Willem had daar volgens eigen zeggen recht op. Keer op keer bestudeerde hij zijn kadastrale tekening en kwam bij het berekenen een aantal vierkante meters te kort. Tja, dan haal je dat weg bij de buren. Door toedoen van mijn vader vond Willem jaren later zijn gemiste meters. Mijn vader wees hem op het recht van overpad voor ons huis langs. De helft van dat pad bleek zijn eigendom. Willem zijn kavel was eindelijk compleet. De sloot bleef echter op zijn plek. Nachtelijke verplaatsingen van kadasterpaaltjes was van nu af aan verleden tijd. Wie denkt dat Willem nu stil ging zitten vergist zich. Mijn moeder en Willems vrouw, tante Diny, hingen vaak samen de was op. De waslijnen waren gesitueerd achter de huizen in het vrije veld waar de wind vrij spel had. Na het ophangen van de was bleven de dames vaak nog even kletsen. Tot opeens een hek tussen de beide waslijnen verscheen. Willem vond dat het geklets van de dames lang genoeg had geduurd. Hup, hek d’r tussen! Ondanks het feit dat Willem een groentetuin bijhield lag het grootste deel van zijn kavel braak. Er groeide gras tot aan onze kinderknieën. Prachtig speelveldje toch? Het lange gras werd hooi en daarin was het goed toeven. Willem joeg ons daar herhaaldelijk weg, gras moest groeien, dat kon niet als daar kinderen op lagen. Toen broer Wim op een zaterdagmiddag zijn hooiveldje in vlammen liet opgaan werd Willem bijna gek. Voor Willem was de trots van de tuin een mestbult. Deze was bij Willem gelijkzijdig, loodrecht, horizontaal en vooral waterpas. Een model mestbult. Je kon er op biljarten. Willem ontplofte dan ook zowat toen hij een loslopende kip op zijn bult ontwaarde. Die kip was van huize Beukers, onze kippen liepen los. Na Willems tirade niet meer. De kippen moesten van Pa binnen blijven. Volgens Willem hadden de kippen de mestbult dood gepikt. Tja, wat moet je nog met een dode mestbult. Dat najaar gingen de kippen onverbiddelijk de pot in. Met Pa kon Willem geen ruzie krijgen, nooit gelukt ook. Voor ons was Willem best wel een lieve aardige buurman. Beetje opvliegerig misschien, maar altijd van korte duur, hij bleef nooit lang boos. Willem kreeg met ons geen ruzie. Roef, de zoon van de andere buurman, type lange tenen kort lontje, was een ander verhaal. Tijdens het schoffelen vond Roef steentjes in het zand en die gooide hij op het sintelpad. Dat zag Willem. Met hoge stem en korte pasjes kwam hij als een haantje verhaal halen bij Roef. De steentjes (niet de sintels) zouden maar lekke banden veroorzaken. Willem had zich op Roef verkeken. Honderd kilo drift vloog vijftig kilo Willem bijna aan. Daar had Willem niet op gerekend. Met overslaande stem en rappe pasjes maakte Willem zich snel uit de voeten. Het gezin Beukers genoot van het avondeten en keek door het raam geboeid naar het schouwspel. Zowel Willem als Roef kwamen nadien bij ons hun verhaal doen oftewel hun gelijk halen. Door beide diplomatiek gelijk te geven keerde de rust terug. Willem kon zich niet onttrekken aan zijn lot, zijn opvliegende karakter bracht hem herhaaldelijk in problemen. Het kostte hem bijna zijn baan. Dagelijks zagen we Willem op zijn fiets naar de NAM in Schoonebeek rijden. Een kleine man, alpinopet, zwart oliejas en kaarsrecht op de fiets. Op het werk deed hij zijn ding. Zijn chef meende daar een opmerking over te moeten maken. Toen de goede man zich omdraaide had ie een punter van Willem onder zijn kont te pakken. Collega’s moesten de kleine terriër van de chef afplukken. Na veel gepraat maar vooral omdat Willem een zeer lange onberispelijke staat van dienst had bij de NAM werd de zaak in het minne geschikt. Daar was Willem met veel geluk weggekomen. De zaak kreeg bekendheid bij de NAM, wegens zijn hoge stem bij een driftbui stond Willem voortaan bekend als Piepsie. Toen Willem eindelijk met pensioen ging dacht iedereen dat het gebeurd was met de vrede in de Hanebietersbuurt. Dat viel mee. Willem had zich een houtdraaibankje aangeschaft en had zich teruggetrokken in zijn schuurtje. Uit dikke rondhout sneed hij een plak waar hij vervolgens een onderzetter voor een kaars van maakte. Een kandelaar dus. Willem stond niet vooraan bij het uitdelen van fantasie. Pas toen familie, buurt en zijn schuur tot de nok waren voorzien van kandelaars hield hij op. Het gereedschap in zijn schuur moest hierna in het vet. Toen mijn vader een jaar later de werkplaats van Wietse (Fietse) Moorman bezocht zag hij een fietsenmaker wiens overjas dreef van het vet. Wietse verklaarde zich verontschuldigend dat hij met een oude fiets bezig was geweest. De fiets van ene Willem, of Pa die kende. Ja, die kende Pa wel. Willem werd milder naarmate hij ouder werd. Een zekere gevoel van humor kon Willem niet ontzegd worden. Wekelijks kwamen mijn ouders en Willem met echtgenote Diny bij elkaar over de vloer om te gaan jokeren. En spel waarbij logisch en soms strategisch moet worden nagedacht. Een spel voor Willem ten voeten uit. ‘Rommel’ als zevens of achten spaarde Willem niet, ook al had hij er drie stuks van. Een gevleugelde uitspraak van Willem tijdens het kaartspel was: ‘Ik ben nuit’. Hij legde vervolgens zijn kaarten op tafel om halverwege het uitleggen van de kaarten tot de conclusie te komen: ‘Ik ben niet nuit’. Willem verloor het jokerspel altijd met de handen vol kaarten, soms met drie jokers. Van zijn pensioen heeft Willem nog geen tien jaar mogen genieten, hij is overleden in zijn slaap. Het was aandoenlijk om, na vele jaren, bij mijn ouders thuis in een oude lade, het oude scoreboekje van het jokerspel terug te vinden, Willem met de meeste punten.
Geschreven door Henk Beukers

Mythe van de zwarte specht

Mythe van de zwarte specht

Theo Schildkamp benoemde de mooie vogel al in zijn vele prachtige verhalen. Ik heb hem zien vliegen in Gross Dorgen. De zwarte specht. Het is een vrij zeldzame broedvogel van hoog, gemengd naaldhout, voornamelijk in het oosten en zuiden des lands. Met wijdgespreide voeten klautert hij langs de boomstammen naar boven. Hij heeft de kleur van een kraai, de vliegwijze van een gaai: hij fladdert, een beetje op de wijze van de hop. Hij heeft een bijzonder geluid: een hoog raspend kruu-kruu-kruu. De zwarte specht heeft iets weg van een kardinaal: een echte zwartrok met een streng snuitwerk en een rood kalotje op. Het is een van de weinige vogels waarover Plinius een mythe beschreef. Der Schwarzspecht ist ein Kräutermann, het vers verhaalt van het wonderbaarlijke kruid dat slechts de specht weet te vinden, het voorjaarswortel van de Salomonszegel. Alle deskundigen zijn het er sinds de oudheid over eens dat je voorzichtig moet zijn met het gebruik van Salomonszegel. Alle delen zijn min of meer giftig, maar de aantrekkelijke blauwe bessen zijn het giftigst van al en die moet je zeker niet plukken en opeten. Je gaat er heftig van overgeven en krijgt er een vreselijke diarree van, zo niet erger. Dat is wel een zware straf voor het plukken van deze beschermde plant, maar je bent dus gewaarschuwd. De zwarte specht werd door Jacob Van Maerlant in zijn ‘Der Nature Bloeme’ prachtig beschreven.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
.i. cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.


Sommige Salomonszegels zouden de kracht bezitten om deuren en meisjesharten te openen, rotsen te verbrijzelen en tanden te trekken. Je moest dan wel de juiste Springwortel vinden en daar kon dus die specht, (latijn: picus) van Van Maerlant bij helpen. Alhoewel volgens Sloet, het niet bekend is welke plant de specht kende ‘eene plant, waarvan de wortel schatten aanwijst en alle sloten en deuren, die er mede aangeraakt worden, doet openspringen, welke kracht hem den naam van Springwortel gegeven heeft. Om hem te verkrijgen zoekt men een nest van den specht en stopt, wanneer het mannetje uitgevlogen is, het gat met eene ingeslagen pin dicht. Zoodra het mannetje dat merkt, haalt hij den wortel en houdt dien voor de pin, die met groot geweld uit de opening springt. Voor dat het zoover gekomen is, maakt iemand, die zich verstopt heeft, een vervaarlijk geschreeuw en de verschrikte vogel laat den wortel vallen. Welk een welkome hulp voor het inbrekersgilde! Volg hier een raad op: stop het spechtengat dicht – voor alle duidelijkheid: de opening van de nestholte. De specht zal dan het kruid gaan halen. Maak hem, als hij daarmee terugkomt, zo aan het schrikken dat hij het pardoes laat vallen. Dan heb je het te pakken! Een mooi verhaal. Een van de vele die over spechten de ronde doen. Zo langzamerhand zijn ze uitgestorven, maar vroeger wist men elkaar van alles te vertellen over deze klimvogels. Met name over het bikken en beitelen in het hout, alsmede over het klagelijke, hoge roepstem van het dier. Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht vanuit Bokeloh, aan bij het huis van Mariechie, een pinnig vrouwmens, dat weigerde hun een boterhammetje te geven. Zelfs een slokje water, melk of een appel kon er niet af. Ze sneerde verwensingen en wees bars met de vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en luidkeels roepen om regenwater wanneer ze dorst had. Eigen schuld, dikke bult, lekker puh.. Het kan dus lelijk met je aflopen wanneer je iemand een iets weigert. Van alle vogelgeluiden in Gross-Dörgen horen we af en toe de vrij zeldzame broedvogel van het hoog gemengd naaldwoud, die kruu-kruu roept. Het wordt steeds meer een sprookje uit het verleden die op de wind van de tijd is verwaaid.

Henk Beukers

November slachtmaand

November slachtmaand

Afbeelding: Michiel van Musscher, Het varken op de leer met gezicht op de Haarlemmerpoort, 1668

Voor en in de oorlog had vrijwel iedere inwoner van Erica een hok achter het huis met een paar varkens erin. Daarnaast hadden ze een hok met kippen en aan de stik een paar sikken. Een sik was de ‘arbeiderskoe’, deze werd gehouden om de melk. Een echte koe was voor de meesten niet mogelijk omdat daarvoor een bunder grond vereist was. Van Erica naar Nieuw Amsterdam was het aan beide kanten van het kanaal wit van de sikken die aan de stik stonden te grazen, sommigen zelfs tot onder aan het kanaal. Op het eind van het jaar werden de beesten boks en gingen ze ermee naar de bok. Gedurende de winter gaven de sikken steeds minder melk tot het ophield. In het voorjaar kwamen de jonge guitige springerige sikjes ter wereld. Wanneer oma Beukers naar de straat liep huppelden de sikjes achter haar aan. Een paar passerende fietsers uit Emmen riepen, ‘Och, wat toch prachtig, die jonge hertjes’. De mannelijke jongelingen, de geitenbokjes, zullen geen melk geven en hadden diengevolg geen waarde. Die werden kort na de geboorte met de zijkant van de schop de hersens ingeslagen. Soms lukte dat niet helemaal maar verdwenen alsnog met de seksegenoten in het gezamenlijke graf. Wie daar moeite mee had kon de bokjes ook naar van der Land brengen. Van der land slachtte de bokjes en verdiende iets aan het vel. Van der Land was een keurig heerschap, je wilde alleen niet weten wat daar in zijn achterschuur gebeurde. Hij had een prachtige dochter die later Katholiek werd en verhuisde naar Klazienaveen. Op Erica had je snel een bijnaam. Iedereen kende de dochter van van der Land als ‘Bokkie’ van der Land. Nou, dan zou ik ook verhuizen. Bij mijn moeder hadden ze een Tochenburger, een sik met hoorns. In die tijd bracht een paar vodden bij de voddenboer een ballon op. Toen mijn moeder als kind een vod zocht voor de voddenboer vond ze er een in de sikkenhok. Bij het bukken kwam de hoorn van de sik achter haar jurk. Wie dacht dat varkens hard konden gillen…Sikkenvlees wilde niemand eten, dus werden sikken zelden geslacht. Bij verminderde melkopbrengst werd het beest op een kar gezet en gingen ze ermee naar de markt in Emmen. De gemeente had op het marktplein allemaal hokken neergezet met stro. Daar was een speciaal gedeelte voor sikken net zoals er ook een gedeelte was voor varkens, kippen, honden enz. Een grapje uit die tijd was om aan een voorbijganger met een hoed te vragen of ie de hond had verkocht, bij een nee werd steevast opgemerkt: ‘nou, ie hebt de hok nog op de kop staon’. Kippen, van piepjong tot stokoud, werden met wagensvol tegelijk opgekocht en gingen allemaal naar de slachterij. De markt in Emmen was ook een sociale gebeurtenis. Zo gingen de boeren uit Schoonebeek wekelijks met karren vol zwijnen naar Emmen. Voor de Schoonebeker boeren was het hun wekelijkse uitje en lieten zich bij Grimme een borreltje goed smaken. De verkochte biggen voor Erica werd door de heer Pater in een kar naar het dorp gebracht. Biggen voor Beukers kregen de letter B op de rug. Degene die thuis geen varkens hield was ziek, zwak of misselijk. Die moest het doen met een ‘moeseoortie’ spek’. In november en april waren overal op Erica gegil van varkens te horen. Het waren de slachtmaanden. Vooral november stond als slachtmaand bekend. Het varken werd levend op de ladder gebonden met de kop naar beneden. Dit ging gepaard met luid gegil van het varken. Het gegil was niet van enthousiasme, het varkentje had allang door dat hij niet ‘ter leering ende vermaeck’ op de ladder werd gebonden. De slager sneed een halsslagader door en liet het varken vervolgens doodbloeden. Het bloed werd in schalen opgevangen om bloedworst van de maken. Het gegil van het varken hield langzaam op. Het laatste wat het beest op de kop van deze wereld zag vanaf de ladder waren volle schalen met eigen bloed waarin driftig werd geroerd om stolling tegen te gaan. De maand november werd gekozen als slachtmaand omdat het nog niet hard vroor, al had je wel nachtvorsten. Het varken kon zo snel koud worden. ‘s Avonds werd het varken met een paar man van de ladder afgehaald en kwam op een oude tafel te liggen. Hier werd het varken in stukken gesneden. Spek eraf in zes repen, vlees eraf, poten eraf. Het vlees en spek ging tien dagen in het zout om vervolgens aan de balken verder te drogen. Het vocht trok in het zout en het zout trok in het vlees. Op die manier kon vlees langer worden bewaard. In de oorlogsjaren was het aanbod van zout krap. Het roze vleesvocht wat uit het zout lekte was nog zout genoeg en werd als zout bij het eten gebruikt. Later nam het wecken de taak van het inzouten over. Alhoewel het nog wel gezouten vlees was wat werd ingeweckt. Daarnaast werd ook een gedeelte fijn gesneden vlees behandeld met kaneel en kruiden om worst van te maken. Het toevoegen van kruiden luisterde nauw, steeds werd een stukje vlees geproefd, tot het goedgekeurd werd. Pas dan werd er worst van gemaakt. Alleen het mooiste vlees kwam in de metworst. De hersenen werden gebakken en werden als een lekkernij gezien. Anderen maakten van de hersenen zure zult, dit kon worden gebruikt als broodbeleg. Van het varken werden de ogen, hoeven en dikke darm als slachtafval weggegooid. Maar sommigen bewaarden zelfs de dikke darm, daar kwam de bloedworst in. Anderen gebruiken hiervoor linnen. De dunne darm werd gespoeld en nadien werd met een mes het vet eraf gekrabd, vervolgens werd het opgevuld als metworst. De slager had een speciale haak om de nagels van de hoeven te trekken. Varkenspoten gingen in de snert en de hakken gingen in de bonensoep. De mensen hadden altijd twee varkens, een dikke voor het najaar en een kleinere in het voorjaar. De kleinere was vaak een lekkerder varkentje om te eten maar werd ook wel in de zomer verkocht om een paar extra centen bij te verdienen. In het voorjaar werd een gang naar de markt in Emmen gemaakt om een paar biggen te kopen. Die kwamen dan in een hok met vers stro. De eerste tijd waren de aandoenlijke biggetjes levend speelgoed voor de kinderen. Varkens waren echter ook intelligente dieren, ze scheten en pisten altijd op één plek in het hok om zodoende een droge slaapplek over te houden. Varkens konden ook enorm last van luizen hebben. Mijn vader stipte de luizen aan met een mengsel van petroleum en olie. Schier petroleum was te scherp. De luizen vielen direct dood neer wanneer ze werden aangestipt en het varken kreunde van genot. Een honderdponder liet zich gewillig omdraaien wanneer de behandeling met het wondermengsel dit wenste. Twee varkens in een hok deden ze ook beter vreten. Uit voedingsnijd, dus de ander niks gunnen, vraten ze de buik vol. Het kon zijn dat een varken minder vrat dan normaal, dat kon liggen aan kies- of tandpijn. Vaak werd dan een kruimelige baksteen aan het varken gegeven. Met luid geknak en geknars werd de baksteen volledig opgevreten. De gebitsproblemen waren hiermee vaak opgelost. Daarnaast moest een varken schrokkerig vreten. Soms had je een ‘zoeger’, een zuiger, dan schrokte het varken niet maar zoog het voer op als het ware. Het vreten ging dan te voorzichtig, zo kreeg het beest te weinig binnen, het was een slechte zwien. Want vreten moesten de varkens, spek moest erop, liefst vier vingers dik of meer. Vroeger hadden de mensen door zwaar lichamelijk arbeid meer brandstof nodig. Naast de zes twaalfurige werkdagen had iedereen thuis ook nog een flinke moestuin om te bewerken. Daar werd o.a. boerenkool, bruine bomen en siepels (uien) verbouwd. De bruine bonen en siepels werden voor de winter op zolder bewaard. ‘s Avonds hoorde menigeen hoe op zolder de muizen met de uien aan het spelen waren. Spek werd dus massaal verorbert, rijkelijk bestrooid met zout en peper. Bovendien smeerde het de darmen, zo was de overtuiging. Als het varken aan de ladder hing te drogen en pastoor Ninteman op de fiets langskwam, hield deze even halt, ging naast zijn fiets staan, nam zijn hoofddeksel af en knikte naar de mensen thuis. Een duidelijk appėl om een stukje vlees bij de pastoor af te leveren. Maar Erica had ook een pastoor gekend die het aangeleverde vlees direct doorgaf aan de minderbedeelden. Dezelfde pastoor werd door het kerkbestuur onder financiële curatele gesteld omdat hij al het geld weggaf aan de minder bedeelden. Toen na het Tweede Vaticaanse Concilie de Katholieke kerk zich ging moderniseren kon deze pastoor de veranderingen niet bijbenen. Hij vertrok naar Amsterdam en maakte daar een eind aan zijn leven. Maar pastoor Ninteman paste zich feilloos aan. Met zijn gang door Erica ging zijn hoedje diverse keren af. Zijn twee dienstmeiden hadden d’r maar druk met het inmaken van al het binnengekomen vlees. De mensen die de geestelijke daarnaast ook nog uitnodigden voor een borrel hadden d’r een vaste klant bij. Zo kwam hij elke dag bij de familie Middendorp aan het kanaal. Maar voor pastoor Ninteman was het ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, al zijn schaapjes waren gelijk. Wanneer de familie Middendorp weer eens te laat in de H. Mis kwam riep pastoor Ninteman van de preekstoel: ’10 minuten over tijd en daar komen ze’ en wees vervolgens naar de laatkomers. In die tijd had elke familie hun ‘eigen’ kerkbank, die van de Familie Wittendorp stond helemaal voor in de kerk. Die moesten, gezien de afstand, tegenover de medegelovigen spitsroede lopen. Dat nam niet weg dat pastoor Ninteman de maandag erop weer een borrel kwam halen bij de familie Wittendorp. Hij grinnikte dan: ‘Had ik je even mooi te pakken hè’. In die tijd kreeg de pastoor meer dan alleen vlees. Zo had de pastoor een grote moestuin gelegen langs het toegangspad in het kerkenbos waar nu dennenboompjes staan. De pastoor riep van de cancel: ‘Als de boeren nog een karretje goed verrotte stalmest overhebben dan kunnen ze die bij mijn tuiniers Jeurissen en zoon afleveren’. Geheid de week erop werden diverse karren stalmest bij de pastoor afgeleverd. Vroeg in het voorjaar ging pastoor Ninteman bij Capelle langs voor planten in de moestuin. Hij mocht ze afleveren bij zijn tuiniers.

Geschreven door Henk Beukers

November 2015

November 2015

Vrijdag 25 november 1015.
Precies op tijd, namelijk om 13.30 uur, draaide een witte Volkswagen bestelbus de oprit op. Iedereen aanwezig? Nee, Oehoeboeroe de Uil ontbrak. DSCN0090 DSCN0107 Net toen we weg wilden rijden toeterde een auto op straat. Uil werd nog even nabezorgd. Eindelijk toogden we voor de zoveelste keer naar ons geliefde plaatsje in het grote Duitsland, Groβ Dörgen. Het was november, dat wil heten Bokweekend. Maar eerst nog even boodschappen doen. Bij de Aldi in Klazienaveen. Later nog in K&K in Stadt Meppen. Daar maakten we nog iets bijzonders mee. Een hoogzwangere Poolse vrouw kreeg opeens weeën voor de kassa. Waarom zijn die Poolse vrouwen toch altijd zo foeilelijk? Deze leek wel erg op zijn vader met haar snor en ongeschoren kin. DSCN0113 DSCN0115Maar goed, een vrouw in nood moet je helpen. Het was echter te laat. Midden voor de kassa braken de vliezen. Nou, vliezen, het was meer de jas die brak. In plaats van een kleine roze Polak die over de plavuizen stuiterde gulpte een stortvloed tubes tandpasta over onze schoenen. Een wenkbrauw van de chef begon te fronsen. Maar Yeti en Uil boden EHBO, al hadden ze nog nooit zo’n vreemde bevalling meegemaakt. Eigenlijk hadden ze nog nooit een bevalling van tube tandpasta meegemaakt. Maar alert waren ze, de heren Yeti en Uil. DSCN0117 DSCN0127Vliegensvlug stopte Yeti de betaalpas in handen van Batman. Hier was actie gewenst en Yeti wilde voorkomen dat Batman en Vliegend Hert maar in de weg zouden lopen. Bevallen van een mud tubes was geen sinecure. Batman moest maar samen met Vliegend Hert de boodschappen afrekenen. Yeti duwde Batman de Rabocard in handen en fluisterde hem de pincode in zijn oor. Fluisteren? Het had net zo goed door de interne audio-omroepsysteem van K&K gekund. Terwijl Batman stond af te rekenen brachten Yeti en Uil de kraamvrouw en haar echtgenoot, net zo lelijk, naar de kamer van de chef. Wat bracht de nageboorte, tandenborstels? Batman was zo door de gebeurtenissen overdonderd dat hij bij de kassa de pincode was vergeten. Gelukkig wist het personeel van K&K plus alle aanwezige klanten de pincode te herinneren. DSCF4324DSCF4309Maar Batman kreeg een briljante inval, als iedereen de pincode wist dan neem ik gewoon een andere Rabocard. Batman nam geen risico en rekende met zijn eigen Rabocard af. Op de parkeerplaats werden de boodschappen ingeladen door Batman en Vliegend Hert. Yeti kwam spoedig aangestoven, hij had hulp nodig. Yeti kwam mededelen dat de Pool geen lelijke kraamvrouw was maar gewoon een lelijke Pool. Yeti gaf uitleg dat een Pool wel kan bevallen op een trap maar als je een Pool betrapt dit..uhh.. hem niet beviel. Batman en Vliegend Hert keken Yeti strak aan. Na een stilte vroeg Yeti of ze alsjeblieft even mee wilden gaan. Op draf terug naar de kamer van de chef. Daar zaten ze, de twee lelijke Polen. Naast een berg tubes tandpasta en een watercontainer. Dat laatste hoorde er niet bij. We gingen in de deur staan en riepen, ‘Hier kommt kein Maus mehr aus’. DSCF4313 DSCF4323De hulpchef ter grootte van een flinke hamster keek ons dankbaar aan. Hiermee waren de mogelijke vluchtplannen van de winkeldieven vervlogen. Toen de Polizei kwam staken we automatisch de polsen naar voren, een reflex. Maar de chef wees tijdig de daders aan en de rakkers werden ingerekend. Als dank kregen we van de opperchef een doos chocolade die we bij de kassa mochten afrekenen, de pincode wisten ze al. Voor de Troep eindigde hiermee het avontuur en trok verder naar Groβ Dörgen. In de Ketel werd nog flink nagepraat en slonk de Bokbier zienderogen. ‘s Avonds voegde Oei-oei zich bij de Troep, Bambam excuseerde zich voor het Bokweekend. Na het openingsritueel waarbij een zoute haring werd weggespoeld met een jenevertje kapseisde Oei-oei. Maar goed dat hij hier voor de rust kwam. De rest vierde het leven tot in de late uurtjes.
Zaterdag 26 november 1015.
Volgens gebruikelijke recept werkten we ons het ontbijt naar binnen. Voor wat het weer betreft kwam een stille wens uit. Een staalblauwe hemel. Over de Hasebrücke sloegen we linksaf over de dijk en volgden een poos de rivier Hase. Een najaarszon zette het landschap in die typerende harde zonlicht. Een reiger verwelkomde het reisgezelschap beneden aan de dijk. Verderop liet de Hase in de bocht een zandafzetting zien die de rivier door de eeuwen heen altijd heeft veranderd. We verlieten de rivier en trokken het woud in. De natuur was zoals verwacht in diepe rust. RSCN0121 DSCF4327De felrode bessen van de Gelderse roos gaven enigszins kleur aan de grijze massa. Net als je denkt dat gaat het niet worden gebeurd er iets onverwachts. Yeti ging het licht zien. Zomaar. Het licht ging aan. Met een devoot gezicht keek hij ons biddend aan. De verschijning duurde maar even. Toch kon daarvan nog net een foto worden gemaakt. Het was ook zo weer over. Een glasboer ruimde de afvalemmer leeg en nam en passant ook Yeti’s aureool mee. Hij keerde terug op aarde en werd weer simpel. ‘Meer’, riep Batman, Yeti ging weer devoot kijken en wachtte af, met één oog open, of er meer kwam. Maar Batman bedoelde een meertje in het bos, dat was onze voorlopige doel. Plotseling uit het niets verscheen, pal voor ons, een grote haas. Voorzichtig brachten we onze lenzen in positie. Dit is de reden waarom we hier zijn, observatie. Op het moment dat we de knoppen wilden indrukken hoorden we Oei-oei ineens roepen ‘Goeiedag Haas’. Foetsie was de haas. Foei-foei Oei-oei. Bij het meertje vonden we Duivelsnaaigaren en een bijzonder heuveltje. Het leek wel een grafheuvel. Hoe komt een grafheuvel midden in een bosmeer terecht? Hadden we een groot natuurhistorische ontdekking gedaan? Totdat we erachter kwamen dat de grafheuvel bestond uit de muts van al onzer Uil, die stond voor de lens van de fotocamera. DSCF4311 DSCF4316Uil’s muts of een grafheuvel. Het grote verschil is dat de inhoud van de grafheuvel voornamelijk bestaat uit zand en de inhoud van de muts…uhh…niet. Via topografische kaarten op de mobiele apparaatjes kwamen we tot de ontdekking dat we drie kilometer terug naar rechts hadden moeten afslaan. Best interessant om het woud van de andere kant te bekijken, al waren niet alle leden even enthousiast over deze keuze. Na eindelijk de ingeslagen pad te hebben gekozen liepen we een dorp binnen. Hier stonden oude boerderijen die aan oude glorie niet hadden ingeboet. Bij een van de boerderijen had zelfs een windveer wortel geschoten. Om de boerderijen lagen grote zandheuvels, vroeger kunstmatig aangelegd, die thans de boerderijen uit de gure wind hielden. Via een zijpad verlieten we het dorp en werden we uitgezwaaid door Jezus. Een prachtige crucifix die in elk dorp in de buurt te vinden was. DSCF4326 DSCN0140In de verte huppelden twee borsten op ons toe, een trimster. We namen plaats achter een hek en besloten van de heuvels te genieten. We trokken het bos in en kwamen op een wel heel vreemde open plek terecht. Overal lagen tissues. Hier moest iemand snotverkouden zijn geweest. Snel verlieten we deze besmette plek. In de verte hoorden we een staccato aan knallen. Hier in Duitsland werd de kerstdis in het bos gevonden. In de verte werd de dijk waarop we vanmorgen zijn begonnen zichtbaar. We trokken de dijk op en liepen naar de vertrouwde Dorgenerbrücke. In het donkere woud zagen we de Ketel in de verte staan. Bij terugkomst in de Ketel ging de kachel aan, het werd spoedig behaaglijk. Terwijl we ons laafden aan het leven werd om de Ketel een drijfjacht gehouden door mannetjes in fluorescerend roze pakjes. Dan bedoel ik geen kabouters van Rien Poortvliet. DSCN0152 DSCF4342Het werd vroeg donker om de Ketel en de hoofdact diende zich aan. Op zilveren borden. De Schweinehacken. Het werd een feestmaal die met sloten bier moest worden weggespoeld. Met ronde buiken en voldaan gekreun duurde de avond niet bijzonder lang. Het luide gesnurk was spoedig hoorbaar. Vliegend Hert had een minder prettig herinnering aan de feestmaal, zuurbranden van de vette hap hielden hem de nacht wakker. Een vorm van nagenieten zou je het kunnen noemen.
Zondag 27 november 1015.
Het weer was zoals we het oorspronkelijk vreesden, harde wind met hevige slagregens. Het was zo troosteloos dat we direct na het ontbijt aan de zuip gingen. Yeti keek bezorgd naar buiten. Het toegangspad naar ons kampterrein was één modderpoel. Daar moet straks een Volkswagenbusje doorheen. DSCF4336 DSCF4349Dat zou niet gaan als nog een paar uur werd gewacht. Yeti rukte de zwijnen achter de pot bier weg, er moest gewerkt worden. De bus werd met vereende krachten door de blubberige zooi geduwd. Het lukte ternauwernood maar het busje stond verderop veilig op het droge. Met gerust hart kon Yeti de zwijnen weer achter de potten bier zetten en hun bezigheden laten vervolgen.
Het regende de gehele dag zodat alle geplande activiteiten in het bier vielen. Tenslotte werden de biezen gepakt, wegwezen uit die natte prut. Op naar de Kalkoenentocht op derde kerstdag. Moed Broeders, Struikel niet.
Vliegend Hert

Het betoverde kussen

Het betoverde kussen

Het verhaal speelt zich af in de eindjaren dertig. Het koninklijk paar Juliana en Bernhard waren inmiddels getrouwd, op Erica was midden op het plantsoen een boom geplant ter gelegenheid van hun huwelijk. Om de boom stond een hekwerk met daarin de letters J en B, refererend aan de namen Juliana en Bernhard. Deze letters werden enkele jaren later, tijdens de Duitse bezetting, uit het hekwerk gezaagd. Duitsers hielden niet van monarchistische frivoliteiten. Direct na de oorlog werden de letters weer in het hekwerk gelast. Om het plantsoen liep een straat met dwarsstraten naar alle windrichtingen. De dwarsstraten werden genoemd naar het plantsoen en windrichting, Plantsoenstraat Oost, Plantsoenstraat Noord enz. Aan de straten stonden simpele gemeentewoningen waarvan de meesten inmiddels zijn gesloopt. Op Plantsoenstraat Zuid woonde toentertijd de familie R. Gewoon familie Doorsnee, met uitzicht op het centrale plantsoen. Elk huisje had zijn kruisje. Bij de familie R. betrof het zoon Bennie. Alle kinderen van de familie waren gezond en groeiden als kool. Behalve Bennie, die was en bleef maar een schriel ventje. Daarnaast was Bennie een zenuwenlijder. Vrijwel elke nacht had Bennie last van nachtmerries, hij gilde het hele huis bij elkaar. Ten einde raad gingen de ouders hulp zoeken bij buurvrouw Stoker. Vrouw Stoker, een zonderlinge oude vrouw, kwam niet van Erica. Niemand had contact met haar, niemand wist waar ze vandaan kwam. Maar vrouw Stoker kon ‘bezetten’. Een fenomeen wat tegenwoordig ‘strijken’ of ‘magnetiseren’ wordt genoemd. Hierbij worden strijkende bewegingen gemaakt over de patiënt. Het wonderlijke van dit bezetten of strijken was dat hierna de klachten van pijn of onrust volledig waren verdwenen. Men hoefde er niet in te geloven. Menig criticus liet zich behandelen en kwam tot de conclusie nooit in dergelijke hocus pocus te zullen geloven. Maar ze zwegen heimelijk over de klachten, die bleken te zijn verdwenen. Ondanks het feit dat de mensen vrouw Stoker een eenzame, teruggetrokken en een beetje enge vrouw vonden, werd haar hulp gevraagd. Maar Bennie werd er niet beter van, de klachten namen alleen maar toe. De nachtmerries veranderden langzaam in hysterische angstaanvallen. Om de familie rust te geven werd Bennie voor een week bij familie op het dorp geplaatst. Daar knapte Bennie wonderwel op, de nachtmerries verdwenen spontaan. Na een week, bij terugkomst in zijn eigen huis, kwamen de nachtmerries in volle hevigheid terug. Het bleef niet bij Bennie, zelfs de varkens in de achterschuur werden ziek. Elke keer wanneer de familie zich afvroeg wat de oorzaak kon zijn verscheen uit het niets, de oude buurvrouw. De familie R. was ten einde raad. Op het laatst werd de kussen van Bennie opengetrokken om te zien of ongedierte de oorzaak van de ellende kon zijn. Het was in die tijd gebruikelijk dat de kussens waren gevuld met donsveertjes van ganzen. Wat ze in het kussen zagen deed hun adem stokken. In de donsveren van het kussen zagen ze een afbeelding van een haan. Heel verfijnd, prachtig gekunsteld, ontzettend gedetailleerd, niet door mensenhanden gemaakt. Het figuur in de donsveertjes was echter niet compleet. De familie kon niet geloven wat ze zagen. Was het onrustige geschud van Bennies hoofd op het kussen de oorzaak van dit figuur in de donsveertjes? Het figuur werd uit elkaar getrokken en de kussen werd opnieuw gevuld met de donsveertjes. Ook nu weer stond plots vrouw Stoker achter de familie in het kleine slaapkamer van Bennie. Bij het kapot trekken van het figuur van de haan in de donsveertjes was ze wit weggetrokken. Het begon bij de familie R. een beetje te dagen, dit waren geen gewone nachtmerries die Bennie teisterden. Vrouw Stoker werd te kennen gegeven dat de familie geen gebruik meer wil maken van haar diensten. Vrouw Stoker reageerde als door een horzel gestoken. Boos verliet ze de slaapkamer van Bennie. Bij het verlaten van de huiskamer sprongen opeens tientallen witte muizen gillend uit het hardvuur. Alle leden van de familie R. zochten heil op de stoelen en tafel tot de muizen in kieren waren verdwenen. Die nacht waren de nachtmerries bij Bennie heviger dan ooit. Het waren niet alleen de nachtmerries en gegil van Bennie die de familie R. wakker hielden. Om het huis in het donker waren geluiden te horen die het meest deed denken aan rammelende blikken. De volgend morgen werd het kussen van Bennie opnieuw opengetrokken. Wat ze zagen deed ieder wederom de adem stokken. In het dons was een figuur van een haan zichtbaar, nu iets completer dan de dag tevoren. Opnieuw werd het dons uit elkaar getrokken en werd het kussen weer gevuld. Ieder familielid wist het, als de haan in het kussen compleet werd zou Bennie sterven. De weken erna bleven de nachtmerries bij Bennie toenemen. Ook de sinistere nachtelijke geluiden om het huis namen toe. Mensen in de buurt meenden een huilende zwarte hond om het huis te hebben zien lopen. Bennie werd steeds zieker. Met hem de varkens. Hevig geschrokken van het bovennatuurlijke zocht de familie hun heil bij de pastoor. De goede herder kwam kijken. Maar dit ging de arme man snel boven de pet. De geestelijke kwam haastig tot de conclusie dat het kussen van Bennie vaker gewassen moest worden. De pastoor verliet snel het huis. Elk volgende morgen, na een nacht vol geluiden om het huis, werd het kussen van Bennie geopend. Elke keer zagen ze het figuur van een haan in het ganzendons. Bovennatuurlijk mooi en inmiddels vrijwel compleet. Het werd 2 november, Allerzielen. Tegenwoordig een herdenkingsdag voor de overledenen. Maar Allerzielen was bij de Katholieken bedoeld voor de zielen die hun straftijd in het vagevuur er bijna op hadden zitten. Door in de kerk vijf keer een Onze Vader en vijf keer een Weest Gegroet te bidden kon iedere gelovige een aflaat verdienen. Met die aflaat kon een ziel uit het vagevuur worden gered. Na het gebed, dus na het hebben verricht van een goede daad, werd de gelovige geacht de kerk te verlaten. Wanneer de gelovige buiten de kerk stond werd hem of haar geen stro breed in de weg gelegd om nòg een zieltje uit het vagevuur te redden. Het gevolg liet zich raden, de gehele dag liepen mensen met klotsende klompen de kerk in en uit om de hel schier leeg te bidden. In- en uutlopertie werd de dag van Allerzielen genoemd. Traditioneel werden in die tijd ook de Missionarissen van Afrika op Erica uitgenodigd. De missionarissen stonden beter bekend als de Witte Paters. Deze geestelijken leken destijds een voorkeur te hebben in het geven van donderpreken. Iets wat ze met passie en hartstocht deden. De Witte Paters hadden in donker Afrika veel ervaring opgedaan met inlandse rituelen en bezweringen. Voor het inzegenen van een huis of een demoontje uitdrijven draaiden de Witte Paters hun hand niet voor om. Met name voor dat laatste deed de familie R. een wanhopige beroep op de Witte Paters. In de komende dagen zou het figuur van de haan in het kussen compleet zijn. Daarmee was het lot beschoren van Bennie. Met Bennie de varkens. Dezelfde avond kwamen drie Witte Paters op bezoek bij de familie R. Biddend werd het huis gezegend met weiwater. Zelfs de schuur met de varkens werd niet vergeten. Toen de Witte Paters al biddend de slaapkamer van Bennie betraden hoorden ze een hond lang en klagelijk huilen. Toen de Witte Paters met weiwater begonnen te zegenen hoorden ze buiten een oude vrouw gillen. In de tuin liep vrouw Stoker, gillend van de pijn. Kwaad hief ze haar vuist richting de Witte paters. Toen was ze verdwenen. Niemand had vrouw Stoker en haar zwarte hond ooit weer gezien. Het kussen van Bennie werd geopend. In het dons bleek het figuur van de haan te zijn verdwenen. Sindsdien waren de nachtmerries en angstaanvallen bij Bennie verleden tijd. Zelfs met de varkens ging het goed. De beesten groeiden voorbeeldig op en werden gezonde karbonaadjes. Als Bennie nog zou leven zou hij nu ongeveer negentig jaar oud zijn. Van Bennie was bekend dat hij een ‘fien kereltie’ was, trouwde en kinderloos bleef. Hij bleef niet op Erica wonen, geef hem eens ongelijk.

 

Geschreven door Henk Beukers

September 2015

September 2015

Vrijdag 25 september 2015
Het was een donkere mistige morgen toen twee mannen uit Erica slopen, al hadden zij een belastingschuld. Het waren Batman en Vliegend Hert. Op weg naar hun clubhuis, 35 kilometer naar het oosten, diep verscholen in een donkere eikenwoud in Duitsland. Het herfstweekend van de SusScrofa’s was begonnen. DSCN4410 DSCN4411De eerste negen kilometer speelde zich af in het schemerdonkere ochtendgloren. Traditiegetrouw werden bij de heren op de Ensingwijk bijna de sokken uit hun schoenen gereden door haastig werkverkeer. Desalniettemin werd er stevig doorgestapt zodat de eerste halte in Zwartemeer, achter de Sint Antoniuskerk, al ruim voor negen uur werd bereikt. Het was de laatste halte in Nederland. Hierna doken de heren in het natuurgebied De Meerstalblokken en volgden de verborgen smokkelpad naar Duitsland. Het weer knapte wonderwel iets op maar het bleef zwaar bewolkt, gelukkig geen 
regen. De temperatuur bleef schommelen om de vijftien graden, een prettig Hike-temperatuur. Ook dit keer zagen de beide SusScrofa’s in Duitsland nieuwe enorme schuren verschijnen. Laat hier geen misverstand over ontstaan, het is puur opgefokte productie voor de kiloknallers in de winkel. Op sommige plekken ging het al, gezien de penetrante geur, behoorlijk op Brabant lijken.

Misverstand:
Een non komt terug van het klooster en is op weg naar huis. Als ze bij een bosje is, springt er een man uit en zegt: “Noem een popgroep of ik verkracht je.” Zegt de non: “Doe Maar.”

Bij het oude huis van Griendsveen, de hikers hadden er zo’n vijftien kilometer op zitten, verschenen de ondersteuningstroepen in de vorm van Yeti met zijn witte tank. Batman en Vliegend Hert konden hun watervoorraad bijvullen en werden getrakteerd op een bak koffie. Tegenover de straat op de brug verscheen een vermoeide Duitse trimmer die het blijkbaar erg zwaar had. Even leek het erop dat hij over de leuning zou springen. Terwijl de wanhopige man over de leuning naar het diepe zwarte water stond te kijken keken drie SusScrofa’s toe. Yeti ging haastig  DSCF4095 DSCF4111de koffiemokken bijvullen, de heren wilden niets missen. De trimmer bedacht zich, zag het zonnetje weer schijnen en strompelde moeizaam verder richting Schöningsdorf.

Misverstand.
Een grote gespierde man komt de kroeg binnen, duwt een man opzij en drinkt zijn pilsje op. Begint de man te huilen. Zegt de zielepoot, ik kwam vanochtend op mijn werk, werd ik ontslagen. Ik dacht, ik pleeg zelfmoord. Ik naar de treinovergang, komt er geen trein. Ik hang me op, knapt het touw. Dan maar naar de kroeg, bestel ik me een pilsje, gooi het vol met vergif en nu drink JIJ het op…!!!

Voor de SusScrofa’s, die er inmiddels helemaal voor zaten, zat er niets anders op om de mokken leeg te drinken en voort te gaan met hun bezigheden. Yeti ging in stadt Meppen onze voedselvoorraad aanvullen met echte Bratwursten die natuurlijk alleen in Duitsland verkrijgbaar waren. En natuurlijk een paar flessen Jagdslock tegen vergeling van de levers. Batman en Vliegend Hert trokken in oostelijk richting verder Duitsland in. Hun volgende halte was een oorlogskerkhof. Een, overigs goed onderhouden, overblijfsel uit de ’2e Weltkrieg’.

Emslandlager X (Fullen) in het Emsland, op slechts enkele kilometers van de Nederlandse grens, werd opgericht in 1938 als strafkamp voor tegenstanders van het Nazi-regime. Er was in het begin ruimte voor 1000 gevangenen. In de oorlog werd het een krijgsgevangenenkamp. In 1944 en 1945 werd het kamp voornamelijk gebruikt als interneringskamp voor Italiaanse militairen. Zij ondergingen net zoals de Russische gevangenen een zwaar regime waaronder ontginningsarbeid onder zware omstandigheden in het veen, waardoor vele honderden stierven. Ook onder de Russische gevangenen was het sterftecijfer hoog. Er is niet veel overgebleven van het kamp, behalve de kamp begraafplaats (Kriegsgräberstätte). Hier rusten 137 slachtoffers die bij naam bekend zijn (voornamelijk Russen) alsmede ongeveer 1500 onbekende Russische militairen. Oorspronkelijk waren hier ook 751 Italiaanse militairen begraven, zij zijn overgebracht naar Italië of naar de Italiaanse erebegraafplaats in Hamburg-Öjendorf.

Even later verschenen de buitenwijken van Meppen. In het centrum werden de heren opnieuw geconfronteerd met een tegenslag zoals ze dit tijdens vorige Hike’s ook al hadden meegemaakt. De kroeg was gesloten. Op vakantie. Scheisse. Dan maar over op plan B. In deze kneipe kregen de heren heerlijke koude Krombacher pils. Batman en Vliegend Hert verlieten oostelijk de buitenwijken van Meppen.Ze trokken op naar het stadje Bokeloh, zo’n zes kilometer naar het oosten. Het was de laatste halteplaats en gelijk de mooiste: Gasthaus Giese.

Misverstand
Een Marva kreeg een rekenkundige vraag:
Je hebt 100 soldaten en je trekt er 99 van af. Wat hou je over?
Antwoord van de stoere meid: Een emmer vol en een lamme hand.

Hier troffen we wederom Yeti, onze steun en toeverlaat tijdens deze hike. Gezamenlijk dronken we een paar gigantische bellen echte koude Duits bier. Onovertroffen. Dat ging lekker in de spieren zitten. Al gistend werden de laatste drie kilometers gezamenlijk afgelegd.

Yeti heeft een tennisarm.
Zegt Yeti, ik heb al een tennisarm en met dat lopen ben ik nu bang voor een voetbalknie. Batman antwoordde: Kiek maor uut da’j gien wandel-aars kriegt. DSCN4418 DSCN4417

Op de Hasebrucke werd traditioneel een groepsfoto gemaakt van de binken die al die kilometers achter de kuiten hadden. De drie gelopen kilometer waren voor Yeti genoeg om bescheiden deel te aan de groepsfoto. De Hike zat er op. Op onze kampplaats had Yeti reeds de overdekte (geen dekzeil) stamtafel ingericht. Na van droge kledij te zijn gewisseld namen de Hikers voorzichtig hun eerste blik bier. Nou, dat voorzichtigheid was er snel af hoor! In de avond werden de troep versterkt door Bambam. De SusScrofa’s Oei-oei en Oehoeboeroe bleven dit herfstweekend 2015 op de reservebank. Elk had hun eigen reden en waren bewust van hun gemiste kans op een mooie herinnering.

Zaterdag 26 september.
Batman en Vliegend Hert gingen vroeg in de morgen dauwtrappen, de overige leden besloten hun coma nog even voort te zetten. De dauwtrap ging naar de Kolk, een watertje of meerstal in het bos. Het bleek dat de heren niet de enigen waren die tijdens dit weekend in het mooie Dorgen vertoefden. Hier stikte het van de Duitsers, het leek hier wel de Nordseeküste. DSCF4086Een volledige weiland langs de Kolk werd in beslag genomen door tenten. Batman en Vliegend Hert liepen langs de enorme tentenzee van slapende Duitsers. Plots zagen ze in de verte een waslijn met een kittig behaatje. Voor een paar ouwe SusScrofa’s een leuke, onverwachtse en interessante natuurverschijnsel. Toen de ouwe knarren de waslijn passeerden bleek het behaatje een paar schoenen te zijn, bungelend aan de veters. Een (gaap) totaal oninteressante natuurverschijnsel. DSCF4105

“Moeder, ik ben al 14 jaar, wordt het nu geen tijd dat ik een b.h. krijg?” “Nee Tinus…!”

Voorbij de Kolk namen de beide bekoelde SusScrofa’s sfeerfoto’s van de opkomende zon in dampende mistflarden. In deze mystieke wereld werd de eerste ree geobserveerd. Via een omtrekkende beweging werd de teruggang naar de Ketel aangenomen. Terug op de kampplaats waren Bambam en Yeti inmiddels teruggekeerd in het land der levenden. De groep ging ontbijten en maakten zich klaar voor de Sint Bonifatiustocht. Het ijzerweekend, wat aanvankelijk gepland stond, ging niet door. De heren hadden namelijk een Beverburcht in gedachte. Wat scheelt er aan een beverburcht, dat toch ook interessant? zou U als lezer zich afvragen. Jawel, geachte lezer, een beverburcht is inderdaad een prachtige natuurverschijnsel ware het niet dat het in dit geval de naam is van een KROEG. Stelletje sponzen.  DSCN4452

Yeti stopte plotseling en keek de overige zwijnen ernstig aan: Weten jullie dat er in bier vrouwelijke hormonen zitten? Als ik tien glazen bier op hebt, begin ik allerlei onzin uit te kramen…ik ga me overal mee bemoeien.. en ik kan dan ook geen auto meer rijden!

Maar de heren hadden geluk, het werd die dag een prachtige herfstdag met typische Hollandse wolkenluchten. De leden der SusScrofa snoven de herfstsfeer op met volle teugen. Niet zonder risico overigs, er is altijd wel een zwijn in de buurt met een overvloed aan methaangas. Niet te beroerd de groep te verrassen of vergassen. Badend in de herfstzon liet een ree zich gewillig fotograferen om even later weer gaperig in het wilgenstruweel te verdwijnen. Toeristen bah. DSCF4128 DSCF4129Van de omgeving werden prachtige sfeerfoto’s gemaakt. Dat de atmosfeer geheel in rust was bewees een enorme damppluim aan de horizon. Het was de condensor van de kerncentrale in Lingen. De pluim was vele kilometers hoog. Verderop zagen we een boer het mais van het land halen. Waar we vroeger een boertje in een blauw boezeroen verwoed op de maisstengels zagen inhakken zagen we nu een groene monster die zestien rijen mais tegelijk maaide, kneusde en verhakselde. De groene massa werd als diarree in een meerijdend wagen ernaast gespoten. Bunder voor bunder werd door deze monster opgevreten. Bij de boerderij zagen de SusScrofa’s een bult hout zoals alleen een Duitser die kan opbouwen.

Een houten been gemaakt van kreupelhout, is als een pyromaan die een vlammend betoog houdt, is als een overvolle tas een obesitas noemen, is applaus krijgen van klapschaatsen. DSCF4133

Bijna waterpas en correct in de houding. Eindelijk werd de Biberburg bereikt. Gesloten. Dreimal Scheisse. Gelukkig had Bambam een viertal blikjes bier in zijn rugzak meegenomen. Die werden soldaat gemaakt bij de stalen uitkijktoren enkele kilometers verderop. Ondertussen een prachtig natuur onder een gouden najaarszon passerend. Als een berggeit klom Bambam in de toren. Vanaf de grond nam Vliegend Hert een foto van Bambam al zijnde in de stratosfeer. Vanuit deze hoogte nam Bam een foto van het uitgestrekte Naturgebiet. IMG_6200Bij de toren stond een insectenhotel waarvan de bovenverdieping gereserveerd werd door Hoornaars, zeg maar de Mick Jagger in zijn soort. Alleen niet zo lelijk. Grote wesp? Dan zal die angel ook wel groot zijn. Kijk, daar hielden de heren niet van. Snel werd doorgelopen naar de Mittelradde, een zijrivier van de Hase. Op een oude wilg groeide een grote Berkenzwam waaraan verschillende generaties meededen, heel apart. Het bospad naar de ruïnes van boer Wulf was bijna geen pad meer. Wegens een ‘definitief transfer’ had boer Wulf in geen jaren het bospad meer gebruikt. In het totaal overwoekerde pad vonden de heren zowaar een groene kikker. De foto’s laten niet alleen het amfibisch monstertje zien maar ook Yeti’s technische handelingen, benodigd om de foto te maken. DSCF4146

1 April niet goed begrepen.
Er zitten twee kikkers op een randje bij de vijver. Zegt de ene kikker tegen de andere: “Moet je daar eens over het randje kijken, daar loopt een klein rupsje.” Als de ene kikker gaat kijken, stopt de andere kikker gauw zijn lul in de kont van de kikker en roept: “1 april kikker in je bil !”

Een brug passeren die voor de helft uit paddenstoelen bestond was best spannend. Gelukkig hielden de paddenstoelen ons gewicht. Over een groene monster gesproken, bij de boerderij van boer Wulf stond zowaar er eentje. Een vervaarlijk monster met een cabine die leek op een gaskamer uit een Amerikaanse gevangenis. Een sparrenvreter op wielen. Op het terrein met panden behorende tot de voormalige boerderij was de sfeer zo dood als de huidige status van de toenmalige boer. DSCF4163Terug op het kampterrein namen de heren met een zucht plaats aan de stamtafel. Niks was op die dag zo lekker als het sissend geluid van een geopende blik bier op een zaterdagnamiddag in september. DSCF4196 Die avond werd, op de Hasebrucke, in het gouden gloed van de najaarszon, tegen het bronsgroene bladerdek van een eeuwenoude eikenboom, een groepsfoto gemaakt van vier SusScrofa’s. Het werd een tijdsmonument. De daarop volgende nacht stond nachtfotografie op het programma. Het object was de maan, verantwoordelijk voor het natuurverschijnsel dat vloed heet. Er werd zowaar een behoorlijke resultaat bereikt. Vloed werd het ook later in de Ketel. Een bar gezellig avondje volgde waar heel Erica even doorgenomen werd.

DSCF4180

DSCF4157 DSCF4156

Zondag 27 september.
De vroege ploeg begon al rap aan de ochtenddienst. Gezien de tijd van het jaar en de vochtige omgeving in de natuur stond voor Batman en Vliegend Hert een logisch programma klaar, paddenstoelen. Hiervoor zochten de heren een geschikte biotoop in de buurt. Die werd gevonden in een Alt-arm van de Hase. Hier stonden voldoende grove sparren die een overdaad aan paddenstoelen opleverde. Na het ploeteren door natte kreupelhout waadden Batman en Vliegend Hert even later tot aan de enkels door een zee van paddenstoelen. Ardappelbovisten, Bloedrode gordijnzwammen, Denne-eekhoorntjesbrood, Elfenbankjes, Gele korstzwammen, Grote oranje bekerzwammen, Kleine viltinktzwammen, Meniezwammetjes, Rode korrelhoeden, Roestrode ringboleten, Russula’s, Trechterzwammen, Vermiljoen houtzwammen, Vleeskleurige korrelhoeden, Zwerminktzwammen enz. enz. Het leek wel het hof van Eden. Eva had zich niet hoeven te bezondigen aan een appel. Hallo, had toch gewoon een heerlijke Ringboleet genuttigd. Was je het hof ook niet uitgeknikkerd. Een hoop gedoe was ons bespaart gebleven. Batman en Vliegend Hert struinden de gehele binnenkant van de lus af in de oude rivierarm. Zwerminktzwam Vleeskleurige korrelhoed Vermiljoen-houtzwam Trechterzwam Russula

 

 

 

 

 

Russula 2 Roestrode ringboleet Rode korrelhoed meniezwammetje Kleine viltinktzwam

 

 

 

 

 

 

Grote oranje bekerzwam

Bloedrode gordijnzwam Elfenbankje Denne-eekhoorntjesbrood Bundel moskopje

 

 

 

 

 

 

Een abortuskliniek met een wachttijd van 9 maanden, is als een kind uit Tsjernobyl met een stralende glimlach, is een impotente man met een slaapzak, is als een taxichauffeur een afzetter noemen, is als een Citroën-dealer afpersen, is als een Katholieke kannibaal die alleen op vrijdag vissers eet.

Langzaam werd nattigheid gevoeld in de schoenen. Het gras en onderlaag was doordrenkt met water. Het was watertrappen in plaats van dauwtrappen. De prachtige lichtval van de najaarszon in het groene struweel maakte alles weer goed. Terug in de Ketel werden de sokken gewisseld voor droge. De overige heren leefden inmiddels ook weer verticaal. Het ontbijt volgde. DSCF4243Op het afsluitprogramma stond het ‘spel der ballen’. Om het spel interessanter te laten lijken moet het in een andere taal worden uitgesproken, jeu-de-boul.  Op het kampterrein gingen we dat van harte spelen. Ondertussen dronken we een pilsje. Tot de onvermijdelijke tijd aanbrak om de spullen te pakken. Het herfstweekend september 2015 was voorbij. Zal ook nooit weer komen. Elk weekend der Zwijnen is immers uniek. Prachtig weer gehad, veel gezien, veel gelachen. Ieder een prachtige herinnering rijker. Gewoon genieten, meer niet.

Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert.

DSCF4173

Oude Cobus

Oude Cobus

Het ouderlijke huis van mijn vader aan de Kerkweg was eigendom van Oude Cobus. De helft van de woning, een kamer en een deel, gebruikte Cobus zelf. Cobus Jacobus Maatje was een sterke kerel. Hij had nog geholpen het Oranjekanaal uit te graven. Toen dat werk gereed was had hij zich, zoals zovelen, neergestreken in deze contreien van zuidoost Drenthe. Als veenarbeider had hij vervolgens voor zijn nering gezorgd. Cobus had ooit verkering met een mooie meid. De mooie meid gaf aan in Duitsland prachtige meubels te hebben gezien. ‘Toe, toe, toe’, huppelde de meid smekend om Cobus. Die gaf met een groots gebaar zijn nieuwe vlam genoeg geld mee om de meubels te kopen. Dat was de laatste keer dat Cobus zijn mooie meid zag. En zijn geld. Sindsdien was Cobus vrijgezel. Hij mompelde alleen de naam van het meisje wanneer hij dacht alleen te zijn. Achter zijn kamer lag zijn deel. Behalve zijn schijtton lagen hier een stapel turven en een bultje wit zand. Wanneer Cobus met de kruiwagen turf van de bult achter zijn huis ging halen, om de stapel turf op de deel bij te vullen, werd deze hoog opgeladen waarbij zelfs de bomen van de kruiwagen werden gebruikt. Ook draalde hij niet om zijn tuin diep om te spitten. Cobus was toen vijfennegentig jaar oud. Oude Cobus droeg altijd een blauwe boezeroen met een dikke rood flanellen (roodboi) overhemd met een dunnere blauwe slip. De slip van de overhemd was dunner zodat hij dit in de broek kon stoppen. Cobus had altijd een zwarte broek aan met een klap van voren. In de zomer ging de bovenbroek uit en ging hij verder in zijn dikke wit flanellen (witboi) onderbroek, uiteraard met een klap van voren. Op zondag had Cobus zijn zondagse pak aan, gewoon van hetzelfde maar dan schoner. Altijd een pet op, doordeweeks met een vilten klep, zondags de pet met een gladde klep. Cobus redde zich geheel zelf. Hij maakte o.a. zijn eten zelf klaar. Cobus at zo een pan op met aardappels (inclusief zwarte pitten) en bonen. Al waren de aardappels bevroren, het nat liep hem dan langs de kin, oude Cobus zei altijd, ‘smaakt goed heur’. Brood en vlees kende hij niet, wel spek en roggebrood. Dat betrok Cobus van Hofstede, die had zijn winkel op de hoek Kerkweg-Verl. Hoogeveense vaart. Vooral op spek was Cobus verzot. Bij de huiskamerdeur hing altijd een groot stuk spek waar hij dan een stukje van af sneed. Soms kropen de maden uit het spek. Cobus trok zich hiervan niets aan, hij at smakkend het spek met maden en al op. Cobus at in de zomer groente, dat wil zeggen een krop sla. Deze werd uit de tuin gehaald, goed afgeschud en vervolgens met luis en al geconsumeerd. Toen de dokter eens langskwam zei deze tegen mijn oma, ‘Hij leeft van de smeer, een goede wasbeurt wordt zijn dood’. Op het eind van Cobus leven nam zijn bezorgde familie hem mee naar het huusie van Maatje. Deze stond oostelijk zo’n honderdvijftig meter in het veld waar de Havenstraat en Kerkweg overgingen in Ericaase straat. Hier blies oude Kobus, vlak voor zijn honderdste verjaardag, zijn laatste adem uit. Het was nooit geheel duidelijk geworden waarom de familie, die zich zelden had laten zien, opeens zo bezorgd was om oude Cobus. Feit was wel dat oude Cobus een paar flinke sokken vol met geld had. Cobus was een sociaal mens, hij leende geld uit aan mensen op Erica. Cobus gaf mensen hoop en verloste hun van financiële nood. Gezien de leeftijd van Kobus hoopten de schuldenaren stiekem op een andere verlossing, het overlijden van oude Cobus zou voor die mensen meer dan ‘oprechte deelneming’ zijn. Misschien toch terecht dat de familie van Cobus zorgen maakte. Wekelijks kwamen mensen langs om, van het geleende geld, rente te betalen aan Cobus. Daaronder ook Tinus Hegeman, een man in een invalidenkar. Terwijl in de kamer van oude Cobus de geldzaken werden afgewikkeld sjeesde mijn vader, als tiener, achter het huis en over straat, met de invalidenkar van Tinus. Wanneer Tinus weer naar buiten dreigde te komen riep mijn oma tegen de scheurende coureur, ‘Zet ‘m gauw naor bin’n, Tinus komp d’r an’. Oma keek trots naar haar zoon, hij blijft toch je kind. Tijdens de lange winteravonden kon Cobus eenzaam zijn. Vaak kreeg hij in de avond bezoek waarbij Cobus zich afvroeg of het om hem of om zijn geld te doen was. Als het te eenzaam werd kwam Cobus bij zijn buren, mijn grootouders, op bezoek. Soms meerdere keren op een avond. Cobus was in die tijd zoals vele mensen erg religieus. Ook al vroor het vijfentwintig graden, Cobus ging elke dag naar de ochtendmis. Met blote handen en doordeweeks altijd dezelfde jas en pet. Cobus kwam nadien weer thuis. ‘Het is wel kold’, hij ging rillend bij de warme kachel zitten. Oude Cobus werd dan een beetje ziek. Gezien zijn hoge leeftijd werd hij in die tijd snel bediend van het Sacrament der Zieken. De volgende morgen werd Cobus afgeroepen in de kerk, zeg maar als aspirant overledene. Cobus was een taaie, hij knapte nog dezelfde nacht op, trok zijn jasje aan, deed zijn pet op en ging trouw naar de kerk. Daar hoorde hij, tot eigen grote verbazing, zichzelf afroepen van de kansel. Cobus Maatje zou op sterven na dood zijn. Alle avonden nam Cobus zijn lange pijp met een porseleinen kop en nam plaats in zijn stoel bij de kachel. Onder het dekseltje werd de pijp gevuld met tabak wat hij anders overdag zou pruimen. Het gepruimde tabak werd door Cobus gewoon in de kamer uitgespuugd. Om geen bende te maken werd op de lemen vloer wit zand gestrooid. Bij het huusie van Maatje werd hagelwitte zand gedolven. Al jaren ging oude Cobus met een kruiwagen naar zijn familie en nam wit zand mee dat op de deel werd gedeponeerd. Dat strooide hij vervolgens in zijn kamer op de lemen vloer. Er waren mensen die het zandstrooien tot een ware kunst hadden verheven, een meter van de kant in allerlei patroontjes met krulletjes in de hoeken. Het was net een tapijt. Dit soort verfijndheid was aan oude Cobus niet besteed. Hij smeet het zand gewoon door de kamer en spuugde er na hartenlust dikke zwarte kwalsters pruimtabak op. Wanneer het te gek werd veegde hij het zand bij elkaar en kwam er nieuwe zand in. Voor het raam had hij een paar dakpannen staan die hij gebruikte als ‘kwalstervanger’. Cobus schoot niet altijd raak. In zijn kamer, vlakbij zijn stoel naast de kachel, stond een koperen kwispedoor. Als Cobus pruimde werden de uitgespuugde tabakskwalsters vakkundig op de kwispedoor gericht. Die raakte natuurlijk wel eens vol, dat kon je zien aan de zwarte slierten die langzaam over de kwispedoor op het zand dropen. Dan pakte oude Cobus kordaat de kwispedoor en bracht de inhoud naar zijn eigen gegraven gat achter het huis. Daarin kwam normaal de wekelijkse inhoud van zijn schijtton die hij keurig afdekte met zandplaggen. De inhoud van de kwispedoor kieperde Cobus zonder omkijken gewoon in zijn gat. Willem dekte, al kokhalzend, de riekende inhoud alsnog af. Omdat oude CCbus door zijn hoge leeftijd niet al te vast op zijn de benen stond werd veel van de oorspronkelijke inhoud van de kwispedoor onderweg verloren. Wanneer hij eindelijk zijn gegraven gat had bereikt kon men zijn spoor precies volgen. Vanaf zijn stoel, door zijn deel, achter het huis langs, lag om de meter een zwarte kwak zo groot als een etensbord. Daar was geen wit zand tegen te strooien. ‘Spit weg’, gruwelde mijn oma dan, ‘daor lig ‘n pannekoek en daor ok’, wijzend naar de zwarte plekken van tabakskwak. Dan moest Willem de ‘pannenkoeken’ opruimen. Dat gebeurde onder zeer luide kokhalsde geluiden van protest. Kobus voedingsgewoonte van spek en roggebrood had zo zijn gevolgen. Hij had grote problemen met zijn stoelgang. Willem werd door Cobus regelmatig op weggestuurd om bij de drogist ‘Anna Maria Wortelboer’ pillen te halen. ‘Schijtpillen’, verduidelijkte Cobus nog eens. ‘Nou’, brombe Willem, ‘ik gao gien schijtpill’n haal’n van Anna Maria Wortelboer’. Cobus bleef maar aandringen zodat Willem een uur later met de kraag ‘stief’ in de nek naar de drogist fietste om schijtpillen van Anna Maria Wortelboer te halen. Ondertussen ging Cobus naar het ‘Huusie’ om te doen wat een mens moet doen. Niet veel later was het gekreun tot op de straat te horen. ‘Ooohhh, help mie toch, oohoohoo help mie dan toch’. Willem zou Willem niet zijn als hij de volgende dag op zijn eigen huusie Cobus niet ging nadoen. ‘Oooo help mie dan toch’, beulde Willem tot twee huizen verder. Toen Cobus een keer wegens aambeien in het ziekenhuis in Groningen lag had Willem in zijn huiskamer de planken achter de dakpannen vernieuwd. Door de ‘missers’ van oude Cobus waren de planken compleet verrot. Cobus had de nieuwe planken niet eens bemerkt toen hij weer thuis kwam. Het ziekenhuis had oude Cobus maar niks gevonden, ‘och, wat krieg ie daor maar ‘n dun soeppie’, de soep was niet meer dan water. Met zijn inmiddels negenennegentig jaar was op Erica alleen ‘Aole Gankema’ hem met honderdeneen jaar de baas. Het graf van oude Gankema is nog steeds te vinden op het openbare kerkhof van Erica. Van het graf van oude Cobus is niets meer te vinden, voorgoed verdwenen in de vergetelheid. Het ‘Eeuwige Rust’ heeft door de regel een houdbaarheidsdatum van zo’n dertig jaar.

Geschreven door Henk Beukers

Cobus MaatjeCobus Maatje 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een aflaat is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden. Volgens de Katholieke leer moet elke zondaar namelijk een straf ondergaan voor zijn zonden, om de ziel te zuiveren en de morele orde en de eer van God te herstellen. Gelovigen kunnen ook aflaten bekomen voor afgestorvenen om hen te helpen bij het uitboeten van hun tijdelijke zondestraffen in het vagevuur. Voor Cobus betekende dit 300 dagen minder logement in het vagevuur.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

1945, Erica ging gebukt onder de Duitse bezetting. Er gloorde hoop, Radio Oranje bracht ieder luisteraar de laatste gang van zaken op de hoogte. Erica had zich in de oorlogsjaren aangepast en verzet. Zo kende Erica een Engelandroute waarbij neergestorte piloten van de geallieerden een veilige route naar Engeland werd aangeboden. De kippenhok van de pastoor achter de Katholieke Kerk in het bos was zo’n schuilplaats. Later werd de kippenhok gesloopt en bouwde van Os (later bouwbedrijf van Os) zijn eerste opdracht, een clubgebouw (Blokhut) voor de verkenners later Scouting genaamd. Vanuit de toenmalige kippenhok brachten leden van het verzet, onder leiding van meester Engbers, de piloten naar een onderkomen aan het Dommerskanaal. Van hieruit liep de route verder en namen de gebroeders Griendtsveen het over. Helaas werden zij verraden, de gebroeders verdwenen in de strafkampen. Ze overleefden de hel. In het laatste oorlogsjaar was Erica vergeven van de onderduikers. Bij de overburen van mijn moeder, de familie Heijnen, bleek al jaren een Franse onderduiker te zitten. Deze was gevlucht uit een van de Eemslandkampen vlak over de Duitse grens. Het waren concentratiekampen waar gedurende de oorlog meer dan dertigduizend mensen werden vermoord. Dat is veel meer dan in het beruchte Dachau. Niemand wist van het bestaan van de Franse onderduiker, behalve de zus van mijn moeder, Dora. Die had hem een keer buiten betrapt. Als meisje was ze zich bewust van de gevolgen als de Duitsers hier achter kwamen. Zus Dora, mijn tante, zweeg als het graf. Zelfs opa, opoe, mijn ooms en mijn moeder wisten van niets. Tante Dora’s zorgvuldig zwijgen redde hiermee het leven van de Fransman plus de levens van de familie Heijnen. Het einde van de oorlog naderde gezwind, sommigen waaronder vrouw Reuvers waren een beetje te enthousiast, bij het riskante af. Overtuigd van de bevrijding liet ze aan de Kerkweg enthousiast de Nederlandse vlag uit haar slaapkamerraam wapperen. De verboden radio was tot een straat verderop nog hoorbaar. Maar Erica was helemaal niet bevrijd, nog niet. In de scholen zaten gewonde en oude Duitse soldaten te revalideren. Om hun tijd te doden patrouilleerden ze door de straten van Erica, ze waren verzot op een Tasse koffie. De uitingen van vreugde in huize Reuvers werden een paar van deze Duitse soldaten te gortig. Deze soldaten waren duidelijk oorlogsmoe en wilden naar huis, de oorlog liep immers ten einde. Maar hier moesten ze toch echt iets aan doen, ze hadden geen keus. Ze namen hun geweren van de schouders, ontgrendelden deze, en schoten pardoes door het open slaapkamerraam. Een ijzige kreet volgde, even later liep vrouw Reuvers achter het huis gillend het veld in. Zij was niet alleen. Een paar meter voor haar uit rende de onderduiker die zich al jaren in haar huis had verborgen. Beide zochten dekking tussen de pollen pijpenstro. De Duitse soldaten hadden echter geen belangstelling, ze schouderden hun geweren en liepen door. Zoals gezegd radio’s waren verboden en moesten bij de Duitsers worden ingeleverd, avondklokken werden ingesteld, ramen moesten worden geblindeerd. In het laatste oorlogsjaar klommen monteurs in de palen en sloten op Erica ieder huis van de stroom af. Voortaan zat ieder gezin bij een klein olielampje als het donker werd. Uit deze ellende kon dan spontaan iets tragikomisch ontstaan. Groene Harm had namelijk een windmolentje gemonteerd op het dak van zijn huis. Het molentje was verbonden met een fietsdynamo. Het bijzondere van Harms windmolentje lag in het feit dat die constant stroom gaf, wind of geen wind. Dat was zoiets bijzonders dat op Erica zijn bijnaam Groene Harm werd veranderd in Harm Wind. Zijn handel in windmolentjes floreerde. Harm had namelijk lef, veel lef. Nog geen uur nadat de monteur zijn huis van de stroom had afgekoppeld klom Harm in de paal. Handige Harm zat een half uur later weer aan de stroom en zijn lampje brandde constant, wind of geen wind. Vervelend was dat bij Harm in de meterkast de stroommeter opliep. Harm dacht toen erg leep te zijn. Met een dun ijzerdraadje zette hij via een piepklein geboord gaatje de stroommeter stil. Een van de eigenschappen van oorlog is dat het ooit eindigt. Van alle beroepen die dan weer worden opgestart is die ook van stroomcontroleur. Harm Wind werd betrapt en kreeg na de oorlog een gepeperde rekening. Op mei 1945 was mijn vader bij zijn werkgever Bats Reuvers (thans bloemenhuis Lubbe) op het land aan het werk. Toen hij tegen 11.00 uur opkeek richting Nieuw Amsterdam zag hij in de verte op de Dikke Wijk tanks rijden. Even later bulderden de kanonnen. In Noordbarge bij het Oranjekanaal ter hoogte van de melkfabriek boden de Duitsers weerstand. Leunend op de schoffel stond mijn vader het strijdgewoel in de verte te bekijken. De ene boerderij na de andere ging in vlammen op. De strijd hield op toen de Duitsers zich overgaven. De bevolking kwam te voorschijn en wilden zich honend uitlaten over de krijgsgevangen Duitsers. Dit werd door de geallieerde soldaten, in dit geval Poolse soldaten, verboden. De Duitse soldaten streden ook maar voor hun Heimat, aldus de Polakken. Kilometers verderop ging een tiener verder met schoffelen. Het bleef op Erica opmerkelijk rustig die dag. Iedereen bleef in het ongewisse en om zich heen kijken. Vooral niet dezelfde fout maken als vrouw Reuvers. Pas om negen uur ‘s avonds ging de pastoor van Erica op de fiets naar Emmen om zich te laten vergewissen van de laatste ontwikkelingen op bevrijdingsgebied. Om 22.00 uur was hij terug op Erica. Even later luidde een iel belletje, de grote klok was door de Duitsers ingepikt, over Erica. Erica was bevrijd. De dag erop was het een heksenketel op Erica. Iedereen had die dag vrij en overal waren dansavonden. Het tegeltjeshuis bij de brug werd ingericht als hoofdkwartier van de binnenlandse strijdkrachten. Mannen in burger met een band om de arm en in hun handen een pistool of mitrailleur waren nu soldaten. Auto’s reden rond met gewapende mannen zittend op de voorspatborden. De jacht op NSB’ers was begonnen. Wie waren die NSB’ers? Daarvoor moeten we terug naar de tijd van voor de oorlog. Nederland lag in die tijd letterlijk maar ook figuurlijk achter de dijken. Alles was op zijn Nederlands tot in de puntjes geregeld. Naast het gehate fietsplaatje bij burgers hadden boeren een nog meer gehate productiebeperking. Teveel geproduceerde aardappels werden kapot geprikt. Teveel geproduceerd graan werd rood gekleurd. Zowel aardappelen als graan werd op die manier gereduceerd tot veevoer. De Duitsers kwamen en schaften alles af. De verleiding tot collaboratie met de Duitsers was groot. De meesten lieten zich echter niet registreren bij de NSB maar gaven mondeling aan sympathisant te zijn. Om het nog ingewikkelder te maken; degene die zich wel bij de NSB lieten registreren waren niet op voorhand ‘slecht’. Boer Lubby aan de Pannenkoekendijk was zo’n voorbeeld. Naast varkensboer werkte Lubby op het gemeentehuis in Emmen. Menig Ericaan had in de oorlogsjaren de nodige vergunningen, vrijstellingen of anders soortelijk papierwerk aan hem te danken. Zelfs top-NSBer Kuper (geen familie van) had nooit iemand verraden of aangegeven, hij had zelfs onderduikers aan het werk! In de chaotische dagen na de bevrijding was echter geen plaats voor subtiliteit. Hardhandig werden alle geregistreerde NSBers van bed gelicht. In de Kommerhoek werd zelfs eerst een handgranaat in de bedstee gegooid, de NSBers zouden bewapend zijn. Tot geluk van het stel ontplofte de granaat niet. Een oud NSB-echtpaar liep strompelend over de Havenstraat. Rondom het stel een zestal zwaar bewapende mannen die hun geweren dreigend op de oudjes richtten. De NSBers werden opgesloten in café Hof, in de openbare school aan de Havenstraat en in het parochiehuis aan de Kerklaan. Mijn moeder, ook een binnenlandse strijdkracht, moest een zieke NSBer bewaken. Tot ergernis keek de man de gehele nacht mijn moeder met één oog aan. Bleek later de man een glazen oog te hebben en allang overleden te zijn. In de bestuurskamer werden jonge vrouwen gevangen gehouden. Niemand mocht met hun in aanraking komen. Het eten en drinken werd op de trap gezet en later door een der gevangenen opgehaald. Later bleken het sletjes van de Duitsers te zijn die daarbij een geslachtsziekte hadden opgelopen. Gebouw bij brug 2Zowel de gevangenen NSBers als de Binnenlandse Strijdkrachten moesten van levensmiddelen worden voorzien. In een bijgebouw aan de Pannenkoekendijk dichtbij de brug was de centrale keuken ingericht (zie pijl). De boerderijen of huizen van NSBers werden volkomen leeg geplunderd. Kookgerei maar ook voedsel werd naar de centrale keuken gebracht. Daar zwaaide bakker Gerard Kolker de scepter. Zijn bakkerij werd tijdelijk bemand door zijn broer Johan. Mijn moeder kon zich nog herinneren dat het eten ‘verrekte lekker’ was. In de dagen na de bevrijding werden de NSBers naar Westerbork vervoerd. Op Erica keerde de rust terug. De oorlog was voorbij. Niet voor de NSBers, terecht, deze mensen hadden straf verdiend, zeker degene die een misdaad hadden gepleegd. Maar wel volgens de wet. In die tijd was het echter een chaos. In Westerbork voltrok zich voor de tweede maal een menselijke drama, nu ná de oorlog. De NSBers werden overgeleverd aan bewakers, voormalige gevangenen van het kamp, die nog een appeltje te schillen hadden met collaborateurs van de gehate Duitsers. De nieuwe bewakers hanteerden dezelfde maatstaf in wreedheden als die ze ook onder de Duitsers hadden moeten ondergaan. Van de duizenden NSBers overleefden honderden dit niet, waaronder boer Lubby. Het is misschien wel Nederlands laatste onbesproken zwarte bladzijde van de Tweede Wereldoorlog.

Geschreven door Henk Beukers

3 of 16
1234567