Posts by: H. Beukers

November slachtmaand

November slachtmaand

Afbeelding: Michiel van Musscher, Het varken op de leer met gezicht op de Haarlemmerpoort, 1668

Voor en in de oorlog had vrijwel iedere inwoner van Erica een hok achter het huis met een paar varkens erin. Daarnaast hadden ze een hok met kippen en aan de stik een paar sikken. Een sik was de ‘arbeiderskoe’, deze werd gehouden om de melk. Een echte koe was voor de meesten niet mogelijk omdat daarvoor een bunder grond vereist was. Van Erica naar Nieuw Amsterdam was het aan beide kanten van het kanaal wit van de sikken die aan de stik stonden te grazen, sommigen zelfs tot onder aan het kanaal. Op het eind van het jaar werden de beesten boks en gingen ze ermee naar de bok. Gedurende de winter gaven de sikken steeds minder melk tot het ophield. In het voorjaar kwamen de jonge guitige springerige sikjes ter wereld. Wanneer oma Beukers naar de straat liep huppelden de sikjes achter haar aan. Een paar passerende fietsers uit Emmen riepen, ‘Och, wat toch prachtig, die jonge hertjes’. De mannelijke jongelingen, de geitenbokjes, zullen geen melk geven en hadden diengevolg geen waarde. Die werden kort na de geboorte met de zijkant van de schop de hersens ingeslagen. Soms lukte dat niet helemaal maar verdwenen alsnog met de seksegenoten in het gezamenlijke graf. Wie daar moeite mee had kon de bokjes ook naar van der Land brengen. Van der land slachtte de bokjes en verdiende iets aan het vel. Van der Land was een keurig heerschap, je wilde alleen niet weten wat daar in zijn achterschuur gebeurde. Hij had een prachtige dochter die later Katholiek werd en verhuisde naar Klazienaveen. Op Erica had je snel een bijnaam. Iedereen kende de dochter van van der Land als ‘Bokkie’ van der Land. Nou, dan zou ik ook verhuizen. Bij mijn moeder hadden ze een Tochenburger, een sik met hoorns. In die tijd bracht een paar vodden bij de voddenboer een ballon op. Toen mijn moeder als kind een vod zocht voor de voddenboer vond ze er een in de sikkenhok. Bij het bukken kwam de hoorn van de sik achter haar jurk. Wie dacht dat varkens hard konden gillen…Sikkenvlees wilde niemand eten, dus werden sikken zelden geslacht. Bij verminderde melkopbrengst werd het beest op een kar gezet en gingen ze ermee naar de markt in Emmen. De gemeente had op het marktplein allemaal hokken neergezet met stro. Daar was een speciaal gedeelte voor sikken net zoals er ook een gedeelte was voor varkens, kippen, honden enz. Een grapje uit die tijd was om aan een voorbijganger met een hoed te vragen of ie de hond had verkocht, bij een nee werd steevast opgemerkt: ‘nou, ie hebt de hok nog op de kop staon’. Kippen, van piepjong tot stokoud, werden met wagensvol tegelijk opgekocht en gingen allemaal naar de slachterij. De markt in Emmen was ook een sociale gebeurtenis. Zo gingen de boeren uit Schoonebeek wekelijks met karren vol zwijnen naar Emmen. Voor de Schoonebeker boeren was het hun wekelijkse uitje en lieten zich bij Grimme een borreltje goed smaken. De verkochte biggen voor Erica werd door de heer Pater in een kar naar het dorp gebracht. Biggen voor Beukers kregen de letter B op de rug. Degene die thuis geen varkens hield was ziek, zwak of misselijk. Die moest het doen met een ‘moeseoortie’ spek’. In november en april waren overal op Erica gegil van varkens te horen. Het waren de slachtmaanden. Vooral november stond als slachtmaand bekend. Het varken werd levend op de ladder gebonden met de kop naar beneden. Dit ging gepaard met luid gegil van het varken. Het gegil was niet van enthousiasme, het varkentje had allang door dat hij niet ‘ter leering ende vermaeck’ op de ladder werd gebonden. De slager sneed een halsslagader door en liet het varken vervolgens doodbloeden. Het bloed werd in schalen opgevangen om bloedworst van de maken. Het gegil van het varken hield langzaam op. Het laatste wat het beest op de kop van deze wereld zag vanaf de ladder waren volle schalen met eigen bloed waarin driftig werd geroerd om stolling tegen te gaan. De maand november werd gekozen als slachtmaand omdat het nog niet hard vroor, al had je wel nachtvorsten. Het varken kon zo snel koud worden. ‘s Avonds werd het varken met een paar man van de ladder afgehaald en kwam op een oude tafel te liggen. Hier werd het varken in stukken gesneden. Spek eraf in zes repen, vlees eraf, poten eraf. Het vlees en spek ging tien dagen in het zout om vervolgens aan de balken verder te drogen. Het vocht trok in het zout en het zout trok in het vlees. Op die manier kon vlees langer worden bewaard. In de oorlogsjaren was het aanbod van zout krap. Het roze vleesvocht wat uit het zout lekte was nog zout genoeg en werd als zout bij het eten gebruikt. Later nam het wecken de taak van het inzouten over. Alhoewel het nog wel gezouten vlees was wat werd ingeweckt. Daarnaast werd ook een gedeelte fijn gesneden vlees behandeld met kaneel en kruiden om worst van te maken. Het toevoegen van kruiden luisterde nauw, steeds werd een stukje vlees geproefd, tot het goedgekeurd werd. Pas dan werd er worst van gemaakt. Alleen het mooiste vlees kwam in de metworst. De hersenen werden gebakken en werden als een lekkernij gezien. Anderen maakten van de hersenen zure zult, dit kon worden gebruikt als broodbeleg. Van het varken werden de ogen, hoeven en dikke darm als slachtafval weggegooid. Maar sommigen bewaarden zelfs de dikke darm, daar kwam de bloedworst in. Anderen gebruiken hiervoor linnen. De dunne darm werd gespoeld en nadien werd met een mes het vet eraf gekrabd, vervolgens werd het opgevuld als metworst. De slager had een speciale haak om de nagels van de hoeven te trekken. Varkenspoten gingen in de snert en de hakken gingen in de bonensoep. De mensen hadden altijd twee varkens, een dikke voor het najaar en een kleinere in het voorjaar. De kleinere was vaak een lekkerder varkentje om te eten maar werd ook wel in de zomer verkocht om een paar extra centen bij te verdienen. In het voorjaar werd een gang naar de markt in Emmen gemaakt om een paar biggen te kopen. Die kwamen dan in een hok met vers stro. De eerste tijd waren de aandoenlijke biggetjes levend speelgoed voor de kinderen. Varkens waren echter ook intelligente dieren, ze scheten en pisten altijd op één plek in het hok om zodoende een droge slaapplek over te houden. Varkens konden ook enorm last van luizen hebben. Mijn vader stipte de luizen aan met een mengsel van petroleum en olie. Schier petroleum was te scherp. De luizen vielen direct dood neer wanneer ze werden aangestipt en het varken kreunde van genot. Een honderdponder liet zich gewillig omdraaien wanneer de behandeling met het wondermengsel dit wenste. Twee varkens in een hok deden ze ook beter vreten. Uit voedingsnijd, dus de ander niks gunnen, vraten ze de buik vol. Het kon zijn dat een varken minder vrat dan normaal, dat kon liggen aan kies- of tandpijn. Vaak werd dan een kruimelige baksteen aan het varken gegeven. Met luid geknak en geknars werd de baksteen volledig opgevreten. De gebitsproblemen waren hiermee vaak opgelost. Daarnaast moest een varken schrokkerig vreten. Soms had je een ‘zoeger’, een zuiger, dan schrokte het varken niet maar zoog het voer op als het ware. Het vreten ging dan te voorzichtig, zo kreeg het beest te weinig binnen, het was een slechte zwien. Want vreten moesten de varkens, spek moest erop, liefst vier vingers dik of meer. Vroeger hadden de mensen door zwaar lichamelijk arbeid meer brandstof nodig. Naast de zes twaalfurige werkdagen had iedereen thuis ook nog een flinke moestuin om te bewerken. Daar werd o.a. boerenkool, bruine bomen en siepels (uien) verbouwd. De bruine bonen en siepels werden voor de winter op zolder bewaard. ‘s Avonds hoorde menigeen hoe op zolder de muizen met de uien aan het spelen waren. Spek werd dus massaal verorbert, rijkelijk bestrooid met zout en peper. Bovendien smeerde het de darmen, zo was de overtuiging. Als het varken aan de ladder hing te drogen en pastoor Ninteman op de fiets langskwam, hield deze even halt, ging naast zijn fiets staan, nam zijn hoofddeksel af en knikte naar de mensen thuis. Een duidelijk appėl om een stukje vlees bij de pastoor af te leveren. Maar Erica had ook een pastoor gekend die het aangeleverde vlees direct doorgaf aan de minderbedeelden. Dezelfde pastoor werd door het kerkbestuur onder financiële curatele gesteld omdat hij al het geld weggaf aan de minder bedeelden. Toen na het Tweede Vaticaanse Concilie de Katholieke kerk zich ging moderniseren kon deze pastoor de veranderingen niet bijbenen. Hij vertrok naar Amsterdam en maakte daar een eind aan zijn leven. Maar pastoor Ninteman paste zich feilloos aan. Met zijn gang door Erica ging zijn hoedje diverse keren af. Zijn twee dienstmeiden hadden d’r maar druk met het inmaken van al het binnengekomen vlees. De mensen die de geestelijke daarnaast ook nog uitnodigden voor een borrel hadden d’r een vaste klant bij. Zo kwam hij elke dag bij de familie Middendorp aan het kanaal. Maar voor pastoor Ninteman was het ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, al zijn schaapjes waren gelijk. Wanneer de familie Middendorp weer eens te laat in de H. Mis kwam riep pastoor Ninteman van de preekstoel: ’10 minuten over tijd en daar komen ze’ en wees vervolgens naar de laatkomers. In die tijd had elke familie hun ‘eigen’ kerkbank, die van de Familie Wittendorp stond helemaal voor in de kerk. Die moesten, gezien de afstand, tegenover de medegelovigen spitsroede lopen. Dat nam niet weg dat pastoor Ninteman de maandag erop weer een borrel kwam halen bij de familie Wittendorp. Hij grinnikte dan: ‘Had ik je even mooi te pakken hè’. In die tijd kreeg de pastoor meer dan alleen vlees. Zo had de pastoor een grote moestuin gelegen langs het toegangspad in het kerkenbos waar nu dennenboompjes staan. De pastoor riep van de cancel: ‘Als de boeren nog een karretje goed verrotte stalmest overhebben dan kunnen ze die bij mijn tuiniers Jeurissen en zoon afleveren’. Geheid de week erop werden diverse karren stalmest bij de pastoor afgeleverd. Vroeg in het voorjaar ging pastoor Ninteman bij Capelle langs voor planten in de moestuin. Hij mocht ze afleveren bij zijn tuiniers.

Geschreven door Henk Beukers

November 2015

November 2015

Vrijdag 25 november 1015.
Precies op tijd, namelijk om 13.30 uur, draaide een witte Volkswagen bestelbus de oprit op. Iedereen aanwezig? Nee, Oehoeboeroe de Uil ontbrak. DSCN0090 DSCN0107 Net toen we weg wilden rijden toeterde een auto op straat. Uil werd nog even nabezorgd. Eindelijk toogden we voor de zoveelste keer naar ons geliefde plaatsje in het grote Duitsland, Groβ Dörgen. Het was november, dat wil heten Bokweekend. Maar eerst nog even boodschappen doen. Bij de Aldi in Klazienaveen. Later nog in K&K in Stadt Meppen. Daar maakten we nog iets bijzonders mee. Een hoogzwangere Poolse vrouw kreeg opeens weeën voor de kassa. Waarom zijn die Poolse vrouwen toch altijd zo foeilelijk? Deze leek wel erg op zijn vader met haar snor en ongeschoren kin. DSCN0113 DSCN0115Maar goed, een vrouw in nood moet je helpen. Het was echter te laat. Midden voor de kassa braken de vliezen. Nou, vliezen, het was meer de jas die brak. In plaats van een kleine roze Polak die over de plavuizen stuiterde gulpte een stortvloed tubes tandpasta over onze schoenen. Een wenkbrauw van de chef begon te fronsen. Maar Yeti en Uil boden EHBO, al hadden ze nog nooit zo’n vreemde bevalling meegemaakt. Eigenlijk hadden ze nog nooit een bevalling van tube tandpasta meegemaakt. Maar alert waren ze, de heren Yeti en Uil. DSCN0117 DSCN0127Vliegensvlug stopte Yeti de betaalpas in handen van Batman. Hier was actie gewenst en Yeti wilde voorkomen dat Batman en Vliegend Hert maar in de weg zouden lopen. Bevallen van een mud tubes was geen sinecure. Batman moest maar samen met Vliegend Hert de boodschappen afrekenen. Yeti duwde Batman de Rabocard in handen en fluisterde hem de pincode in zijn oor. Fluisteren? Het had net zo goed door de interne audio-omroepsysteem van K&K gekund. Terwijl Batman stond af te rekenen brachten Yeti en Uil de kraamvrouw en haar echtgenoot, net zo lelijk, naar de kamer van de chef. Wat bracht de nageboorte, tandenborstels? Batman was zo door de gebeurtenissen overdonderd dat hij bij de kassa de pincode was vergeten. Gelukkig wist het personeel van K&K plus alle aanwezige klanten de pincode te herinneren. DSCF4324DSCF4309Maar Batman kreeg een briljante inval, als iedereen de pincode wist dan neem ik gewoon een andere Rabocard. Batman nam geen risico en rekende met zijn eigen Rabocard af. Op de parkeerplaats werden de boodschappen ingeladen door Batman en Vliegend Hert. Yeti kwam spoedig aangestoven, hij had hulp nodig. Yeti kwam mededelen dat de Pool geen lelijke kraamvrouw was maar gewoon een lelijke Pool. Yeti gaf uitleg dat een Pool wel kan bevallen op een trap maar als je een Pool betrapt dit..uhh.. hem niet beviel. Batman en Vliegend Hert keken Yeti strak aan. Na een stilte vroeg Yeti of ze alsjeblieft even mee wilden gaan. Op draf terug naar de kamer van de chef. Daar zaten ze, de twee lelijke Polen. Naast een berg tubes tandpasta en een watercontainer. Dat laatste hoorde er niet bij. We gingen in de deur staan en riepen, ‘Hier kommt kein Maus mehr aus’. DSCF4313 DSCF4323De hulpchef ter grootte van een flinke hamster keek ons dankbaar aan. Hiermee waren de mogelijke vluchtplannen van de winkeldieven vervlogen. Toen de Polizei kwam staken we automatisch de polsen naar voren, een reflex. Maar de chef wees tijdig de daders aan en de rakkers werden ingerekend. Als dank kregen we van de opperchef een doos chocolade die we bij de kassa mochten afrekenen, de pincode wisten ze al. Voor de Troep eindigde hiermee het avontuur en trok verder naar Groβ Dörgen. In de Ketel werd nog flink nagepraat en slonk de Bokbier zienderogen. ‘s Avonds voegde Oei-oei zich bij de Troep, Bambam excuseerde zich voor het Bokweekend. Na het openingsritueel waarbij een zoute haring werd weggespoeld met een jenevertje kapseisde Oei-oei. Maar goed dat hij hier voor de rust kwam. De rest vierde het leven tot in de late uurtjes.
Zaterdag 26 november 1015.
Volgens gebruikelijke recept werkten we ons het ontbijt naar binnen. Voor wat het weer betreft kwam een stille wens uit. Een staalblauwe hemel. Over de Hasebrücke sloegen we linksaf over de dijk en volgden een poos de rivier Hase. Een najaarszon zette het landschap in die typerende harde zonlicht. Een reiger verwelkomde het reisgezelschap beneden aan de dijk. Verderop liet de Hase in de bocht een zandafzetting zien die de rivier door de eeuwen heen altijd heeft veranderd. We verlieten de rivier en trokken het woud in. De natuur was zoals verwacht in diepe rust. RSCN0121 DSCF4327De felrode bessen van de Gelderse roos gaven enigszins kleur aan de grijze massa. Net als je denkt dat gaat het niet worden gebeurd er iets onverwachts. Yeti ging het licht zien. Zomaar. Het licht ging aan. Met een devoot gezicht keek hij ons biddend aan. De verschijning duurde maar even. Toch kon daarvan nog net een foto worden gemaakt. Het was ook zo weer over. Een glasboer ruimde de afvalemmer leeg en nam en passant ook Yeti’s aureool mee. Hij keerde terug op aarde en werd weer simpel. ‘Meer’, riep Batman, Yeti ging weer devoot kijken en wachtte af, met één oog open, of er meer kwam. Maar Batman bedoelde een meertje in het bos, dat was onze voorlopige doel. Plotseling uit het niets verscheen, pal voor ons, een grote haas. Voorzichtig brachten we onze lenzen in positie. Dit is de reden waarom we hier zijn, observatie. Op het moment dat we de knoppen wilden indrukken hoorden we Oei-oei ineens roepen ‘Goeiedag Haas’. Foetsie was de haas. Foei-foei Oei-oei. Bij het meertje vonden we Duivelsnaaigaren en een bijzonder heuveltje. Het leek wel een grafheuvel. Hoe komt een grafheuvel midden in een bosmeer terecht? Hadden we een groot natuurhistorische ontdekking gedaan? Totdat we erachter kwamen dat de grafheuvel bestond uit de muts van al onzer Uil, die stond voor de lens van de fotocamera. DSCF4311 DSCF4316Uil’s muts of een grafheuvel. Het grote verschil is dat de inhoud van de grafheuvel voornamelijk bestaat uit zand en de inhoud van de muts…uhh…niet. Via topografische kaarten op de mobiele apparaatjes kwamen we tot de ontdekking dat we drie kilometer terug naar rechts hadden moeten afslaan. Best interessant om het woud van de andere kant te bekijken, al waren niet alle leden even enthousiast over deze keuze. Na eindelijk de ingeslagen pad te hebben gekozen liepen we een dorp binnen. Hier stonden oude boerderijen die aan oude glorie niet hadden ingeboet. Bij een van de boerderijen had zelfs een windveer wortel geschoten. Om de boerderijen lagen grote zandheuvels, vroeger kunstmatig aangelegd, die thans de boerderijen uit de gure wind hielden. Via een zijpad verlieten we het dorp en werden we uitgezwaaid door Jezus. Een prachtige crucifix die in elk dorp in de buurt te vinden was. DSCF4326 DSCN0140In de verte huppelden twee borsten op ons toe, een trimster. We namen plaats achter een hek en besloten van de heuvels te genieten. We trokken het bos in en kwamen op een wel heel vreemde open plek terecht. Overal lagen tissues. Hier moest iemand snotverkouden zijn geweest. Snel verlieten we deze besmette plek. In de verte hoorden we een staccato aan knallen. Hier in Duitsland werd de kerstdis in het bos gevonden. In de verte werd de dijk waarop we vanmorgen zijn begonnen zichtbaar. We trokken de dijk op en liepen naar de vertrouwde Dorgenerbrücke. In het donkere woud zagen we de Ketel in de verte staan. Bij terugkomst in de Ketel ging de kachel aan, het werd spoedig behaaglijk. Terwijl we ons laafden aan het leven werd om de Ketel een drijfjacht gehouden door mannetjes in fluorescerend roze pakjes. Dan bedoel ik geen kabouters van Rien Poortvliet. DSCN0152 DSCF4342Het werd vroeg donker om de Ketel en de hoofdact diende zich aan. Op zilveren borden. De Schweinehacken. Het werd een feestmaal die met sloten bier moest worden weggespoeld. Met ronde buiken en voldaan gekreun duurde de avond niet bijzonder lang. Het luide gesnurk was spoedig hoorbaar. Vliegend Hert had een minder prettig herinnering aan de feestmaal, zuurbranden van de vette hap hielden hem de nacht wakker. Een vorm van nagenieten zou je het kunnen noemen.
Zondag 27 november 1015.
Het weer was zoals we het oorspronkelijk vreesden, harde wind met hevige slagregens. Het was zo troosteloos dat we direct na het ontbijt aan de zuip gingen. Yeti keek bezorgd naar buiten. Het toegangspad naar ons kampterrein was één modderpoel. Daar moet straks een Volkswagenbusje doorheen. DSCF4336 DSCF4349Dat zou niet gaan als nog een paar uur werd gewacht. Yeti rukte de zwijnen achter de pot bier weg, er moest gewerkt worden. De bus werd met vereende krachten door de blubberige zooi geduwd. Het lukte ternauwernood maar het busje stond verderop veilig op het droge. Met gerust hart kon Yeti de zwijnen weer achter de potten bier zetten en hun bezigheden laten vervolgen.
Het regende de gehele dag zodat alle geplande activiteiten in het bier vielen. Tenslotte werden de biezen gepakt, wegwezen uit die natte prut. Op naar de Kalkoenentocht op derde kerstdag. Moed Broeders, Struikel niet.
Vliegend Hert

Het betoverde kussen

Het betoverde kussen

Het verhaal speelt zich af in de eindjaren dertig. Het koninklijk paar Juliana en Bernhard waren inmiddels getrouwd, op Erica was midden op het plantsoen een boom geplant ter gelegenheid van hun huwelijk. Om de boom stond een hekwerk met daarin de letters J en B, refererend aan de namen Juliana en Bernhard. Deze letters werden enkele jaren later, tijdens de Duitse bezetting, uit het hekwerk gezaagd. Duitsers hielden niet van monarchistische frivoliteiten. Direct na de oorlog werden de letters weer in het hekwerk gelast. Om het plantsoen liep een straat met dwarsstraten naar alle windrichtingen. De dwarsstraten werden genoemd naar het plantsoen en windrichting, Plantsoenstraat Oost, Plantsoenstraat Noord enz. Aan de straten stonden simpele gemeentewoningen waarvan de meesten inmiddels zijn gesloopt. Op Plantsoenstraat Zuid woonde toentertijd de familie R. Gewoon familie Doorsnee, met uitzicht op het centrale plantsoen. Elk huisje had zijn kruisje. Bij de familie R. betrof het zoon Bennie. Alle kinderen van de familie waren gezond en groeiden als kool. Behalve Bennie, die was en bleef maar een schriel ventje. Daarnaast was Bennie een zenuwenlijder. Vrijwel elke nacht had Bennie last van nachtmerries, hij gilde het hele huis bij elkaar. Ten einde raad gingen de ouders hulp zoeken bij buurvrouw Stoker. Vrouw Stoker, een zonderlinge oude vrouw, kwam niet van Erica. Niemand had contact met haar, niemand wist waar ze vandaan kwam. Maar vrouw Stoker kon ‘bezetten’. Een fenomeen wat tegenwoordig ‘strijken’ of ‘magnetiseren’ wordt genoemd. Hierbij worden strijkende bewegingen gemaakt over de patiënt. Het wonderlijke van dit bezetten of strijken was dat hierna de klachten van pijn of onrust volledig waren verdwenen. Men hoefde er niet in te geloven. Menig criticus liet zich behandelen en kwam tot de conclusie nooit in dergelijke hocus pocus te zullen geloven. Maar ze zwegen heimelijk over de klachten, die bleken te zijn verdwenen. Ondanks het feit dat de mensen vrouw Stoker een eenzame, teruggetrokken en een beetje enge vrouw vonden, werd haar hulp gevraagd. Maar Bennie werd er niet beter van, de klachten namen alleen maar toe. De nachtmerries veranderden langzaam in hysterische angstaanvallen. Om de familie rust te geven werd Bennie voor een week bij familie op het dorp geplaatst. Daar knapte Bennie wonderwel op, de nachtmerries verdwenen spontaan. Na een week, bij terugkomst in zijn eigen huis, kwamen de nachtmerries in volle hevigheid terug. Het bleef niet bij Bennie, zelfs de varkens in de achterschuur werden ziek. Elke keer wanneer de familie zich afvroeg wat de oorzaak kon zijn verscheen uit het niets, de oude buurvrouw. De familie R. was ten einde raad. Op het laatst werd de kussen van Bennie opengetrokken om te zien of ongedierte de oorzaak van de ellende kon zijn. Het was in die tijd gebruikelijk dat de kussens waren gevuld met donsveertjes van ganzen. Wat ze in het kussen zagen deed hun adem stokken. In de donsveren van het kussen zagen ze een afbeelding van een haan. Heel verfijnd, prachtig gekunsteld, ontzettend gedetailleerd, niet door mensenhanden gemaakt. Het figuur in de donsveertjes was echter niet compleet. De familie kon niet geloven wat ze zagen. Was het onrustige geschud van Bennies hoofd op het kussen de oorzaak van dit figuur in de donsveertjes? Het figuur werd uit elkaar getrokken en de kussen werd opnieuw gevuld met de donsveertjes. Ook nu weer stond plots vrouw Stoker achter de familie in het kleine slaapkamer van Bennie. Bij het kapot trekken van het figuur van de haan in de donsveertjes was ze wit weggetrokken. Het begon bij de familie R. een beetje te dagen, dit waren geen gewone nachtmerries die Bennie teisterden. Vrouw Stoker werd te kennen gegeven dat de familie geen gebruik meer wil maken van haar diensten. Vrouw Stoker reageerde als door een horzel gestoken. Boos verliet ze de slaapkamer van Bennie. Bij het verlaten van de huiskamer sprongen opeens tientallen witte muizen gillend uit het hardvuur. Alle leden van de familie R. zochten heil op de stoelen en tafel tot de muizen in kieren waren verdwenen. Die nacht waren de nachtmerries bij Bennie heviger dan ooit. Het waren niet alleen de nachtmerries en gegil van Bennie die de familie R. wakker hielden. Om het huis in het donker waren geluiden te horen die het meest deed denken aan rammelende blikken. De volgend morgen werd het kussen van Bennie opnieuw opengetrokken. Wat ze zagen deed ieder wederom de adem stokken. In het dons was een figuur van een haan zichtbaar, nu iets completer dan de dag tevoren. Opnieuw werd het dons uit elkaar getrokken en werd het kussen weer gevuld. Ieder familielid wist het, als de haan in het kussen compleet werd zou Bennie sterven. De weken erna bleven de nachtmerries bij Bennie toenemen. Ook de sinistere nachtelijke geluiden om het huis namen toe. Mensen in de buurt meenden een huilende zwarte hond om het huis te hebben zien lopen. Bennie werd steeds zieker. Met hem de varkens. Hevig geschrokken van het bovennatuurlijke zocht de familie hun heil bij de pastoor. De goede herder kwam kijken. Maar dit ging de arme man snel boven de pet. De geestelijke kwam haastig tot de conclusie dat het kussen van Bennie vaker gewassen moest worden. De pastoor verliet snel het huis. Elk volgende morgen, na een nacht vol geluiden om het huis, werd het kussen van Bennie geopend. Elke keer zagen ze het figuur van een haan in het ganzendons. Bovennatuurlijk mooi en inmiddels vrijwel compleet. Het werd 2 november, Allerzielen. Tegenwoordig een herdenkingsdag voor de overledenen. Maar Allerzielen was bij de Katholieken bedoeld voor de zielen die hun straftijd in het vagevuur er bijna op hadden zitten. Door in de kerk vijf keer een Onze Vader en vijf keer een Weest Gegroet te bidden kon iedere gelovige een aflaat verdienen. Met die aflaat kon een ziel uit het vagevuur worden gered. Na het gebed, dus na het hebben verricht van een goede daad, werd de gelovige geacht de kerk te verlaten. Wanneer de gelovige buiten de kerk stond werd hem of haar geen stro breed in de weg gelegd om nòg een zieltje uit het vagevuur te redden. Het gevolg liet zich raden, de gehele dag liepen mensen met klotsende klompen de kerk in en uit om de hel schier leeg te bidden. In- en uutlopertie werd de dag van Allerzielen genoemd. Traditioneel werden in die tijd ook de Missionarissen van Afrika op Erica uitgenodigd. De missionarissen stonden beter bekend als de Witte Paters. Deze geestelijken leken destijds een voorkeur te hebben in het geven van donderpreken. Iets wat ze met passie en hartstocht deden. De Witte Paters hadden in donker Afrika veel ervaring opgedaan met inlandse rituelen en bezweringen. Voor het inzegenen van een huis of een demoontje uitdrijven draaiden de Witte Paters hun hand niet voor om. Met name voor dat laatste deed de familie R. een wanhopige beroep op de Witte Paters. In de komende dagen zou het figuur van de haan in het kussen compleet zijn. Daarmee was het lot beschoren van Bennie. Met Bennie de varkens. Dezelfde avond kwamen drie Witte Paters op bezoek bij de familie R. Biddend werd het huis gezegend met weiwater. Zelfs de schuur met de varkens werd niet vergeten. Toen de Witte Paters al biddend de slaapkamer van Bennie betraden hoorden ze een hond lang en klagelijk huilen. Toen de Witte Paters met weiwater begonnen te zegenen hoorden ze buiten een oude vrouw gillen. In de tuin liep vrouw Stoker, gillend van de pijn. Kwaad hief ze haar vuist richting de Witte paters. Toen was ze verdwenen. Niemand had vrouw Stoker en haar zwarte hond ooit weer gezien. Het kussen van Bennie werd geopend. In het dons bleek het figuur van de haan te zijn verdwenen. Sindsdien waren de nachtmerries en angstaanvallen bij Bennie verleden tijd. Zelfs met de varkens ging het goed. De beesten groeiden voorbeeldig op en werden gezonde karbonaadjes. Als Bennie nog zou leven zou hij nu ongeveer negentig jaar oud zijn. Van Bennie was bekend dat hij een ‘fien kereltie’ was, trouwde en kinderloos bleef. Hij bleef niet op Erica wonen, geef hem eens ongelijk.

 

Geschreven door Henk Beukers

September 2015

September 2015

Vrijdag 25 september 2015
Het was een donkere mistige morgen toen twee mannen uit Erica slopen, al hadden zij een belastingschuld. Het waren Batman en Vliegend Hert. Op weg naar hun clubhuis, 35 kilometer naar het oosten, diep verscholen in een donkere eikenwoud in Duitsland. Het herfstweekend van de SusScrofa’s was begonnen. DSCN4410 DSCN4411De eerste negen kilometer speelde zich af in het schemerdonkere ochtendgloren. Traditiegetrouw werden bij de heren op de Ensingwijk bijna de sokken uit hun schoenen gereden door haastig werkverkeer. Desalniettemin werd er stevig doorgestapt zodat de eerste halte in Zwartemeer, achter de Sint Antoniuskerk, al ruim voor negen uur werd bereikt. Het was de laatste halte in Nederland. Hierna doken de heren in het natuurgebied De Meerstalblokken en volgden de verborgen smokkelpad naar Duitsland. Het weer knapte wonderwel iets op maar het bleef zwaar bewolkt, gelukkig geen 
regen. De temperatuur bleef schommelen om de vijftien graden, een prettig Hike-temperatuur. Ook dit keer zagen de beide SusScrofa’s in Duitsland nieuwe enorme schuren verschijnen. Laat hier geen misverstand over ontstaan, het is puur opgefokte productie voor de kiloknallers in de winkel. Op sommige plekken ging het al, gezien de penetrante geur, behoorlijk op Brabant lijken.

Misverstand:
Een non komt terug van het klooster en is op weg naar huis. Als ze bij een bosje is, springt er een man uit en zegt: “Noem een popgroep of ik verkracht je.” Zegt de non: “Doe Maar.”

Bij het oude huis van Griendsveen, de hikers hadden er zo’n vijftien kilometer op zitten, verschenen de ondersteuningstroepen in de vorm van Yeti met zijn witte tank. Batman en Vliegend Hert konden hun watervoorraad bijvullen en werden getrakteerd op een bak koffie. Tegenover de straat op de brug verscheen een vermoeide Duitse trimmer die het blijkbaar erg zwaar had. Even leek het erop dat hij over de leuning zou springen. Terwijl de wanhopige man over de leuning naar het diepe zwarte water stond te kijken keken drie SusScrofa’s toe. Yeti ging haastig  DSCF4095 DSCF4111de koffiemokken bijvullen, de heren wilden niets missen. De trimmer bedacht zich, zag het zonnetje weer schijnen en strompelde moeizaam verder richting Schöningsdorf.

Misverstand.
Een grote gespierde man komt de kroeg binnen, duwt een man opzij en drinkt zijn pilsje op. Begint de man te huilen. Zegt de zielepoot, ik kwam vanochtend op mijn werk, werd ik ontslagen. Ik dacht, ik pleeg zelfmoord. Ik naar de treinovergang, komt er geen trein. Ik hang me op, knapt het touw. Dan maar naar de kroeg, bestel ik me een pilsje, gooi het vol met vergif en nu drink JIJ het op…!!!

Voor de SusScrofa’s, die er inmiddels helemaal voor zaten, zat er niets anders op om de mokken leeg te drinken en voort te gaan met hun bezigheden. Yeti ging in stadt Meppen onze voedselvoorraad aanvullen met echte Bratwursten die natuurlijk alleen in Duitsland verkrijgbaar waren. En natuurlijk een paar flessen Jagdslock tegen vergeling van de levers. Batman en Vliegend Hert trokken in oostelijk richting verder Duitsland in. Hun volgende halte was een oorlogskerkhof. Een, overigs goed onderhouden, overblijfsel uit de ’2e Weltkrieg’.

Emslandlager X (Fullen) in het Emsland, op slechts enkele kilometers van de Nederlandse grens, werd opgericht in 1938 als strafkamp voor tegenstanders van het Nazi-regime. Er was in het begin ruimte voor 1000 gevangenen. In de oorlog werd het een krijgsgevangenenkamp. In 1944 en 1945 werd het kamp voornamelijk gebruikt als interneringskamp voor Italiaanse militairen. Zij ondergingen net zoals de Russische gevangenen een zwaar regime waaronder ontginningsarbeid onder zware omstandigheden in het veen, waardoor vele honderden stierven. Ook onder de Russische gevangenen was het sterftecijfer hoog. Er is niet veel overgebleven van het kamp, behalve de kamp begraafplaats (Kriegsgräberstätte). Hier rusten 137 slachtoffers die bij naam bekend zijn (voornamelijk Russen) alsmede ongeveer 1500 onbekende Russische militairen. Oorspronkelijk waren hier ook 751 Italiaanse militairen begraven, zij zijn overgebracht naar Italië of naar de Italiaanse erebegraafplaats in Hamburg-Öjendorf.

Even later verschenen de buitenwijken van Meppen. In het centrum werden de heren opnieuw geconfronteerd met een tegenslag zoals ze dit tijdens vorige Hike’s ook al hadden meegemaakt. De kroeg was gesloten. Op vakantie. Scheisse. Dan maar over op plan B. In deze kneipe kregen de heren heerlijke koude Krombacher pils. Batman en Vliegend Hert verlieten oostelijk de buitenwijken van Meppen.Ze trokken op naar het stadje Bokeloh, zo’n zes kilometer naar het oosten. Het was de laatste halteplaats en gelijk de mooiste: Gasthaus Giese.

Misverstand
Een Marva kreeg een rekenkundige vraag:
Je hebt 100 soldaten en je trekt er 99 van af. Wat hou je over?
Antwoord van de stoere meid: Een emmer vol en een lamme hand.

Hier troffen we wederom Yeti, onze steun en toeverlaat tijdens deze hike. Gezamenlijk dronken we een paar gigantische bellen echte koude Duits bier. Onovertroffen. Dat ging lekker in de spieren zitten. Al gistend werden de laatste drie kilometers gezamenlijk afgelegd.

Yeti heeft een tennisarm.
Zegt Yeti, ik heb al een tennisarm en met dat lopen ben ik nu bang voor een voetbalknie. Batman antwoordde: Kiek maor uut da’j gien wandel-aars kriegt. DSCN4418 DSCN4417

Op de Hasebrucke werd traditioneel een groepsfoto gemaakt van de binken die al die kilometers achter de kuiten hadden. De drie gelopen kilometer waren voor Yeti genoeg om bescheiden deel te aan de groepsfoto. De Hike zat er op. Op onze kampplaats had Yeti reeds de overdekte (geen dekzeil) stamtafel ingericht. Na van droge kledij te zijn gewisseld namen de Hikers voorzichtig hun eerste blik bier. Nou, dat voorzichtigheid was er snel af hoor! In de avond werden de troep versterkt door Bambam. De SusScrofa’s Oei-oei en Oehoeboeroe bleven dit herfstweekend 2015 op de reservebank. Elk had hun eigen reden en waren bewust van hun gemiste kans op een mooie herinnering.

Zaterdag 26 september.
Batman en Vliegend Hert gingen vroeg in de morgen dauwtrappen, de overige leden besloten hun coma nog even voort te zetten. De dauwtrap ging naar de Kolk, een watertje of meerstal in het bos. Het bleek dat de heren niet de enigen waren die tijdens dit weekend in het mooie Dorgen vertoefden. Hier stikte het van de Duitsers, het leek hier wel de Nordseeküste. DSCF4086Een volledige weiland langs de Kolk werd in beslag genomen door tenten. Batman en Vliegend Hert liepen langs de enorme tentenzee van slapende Duitsers. Plots zagen ze in de verte een waslijn met een kittig behaatje. Voor een paar ouwe SusScrofa’s een leuke, onverwachtse en interessante natuurverschijnsel. Toen de ouwe knarren de waslijn passeerden bleek het behaatje een paar schoenen te zijn, bungelend aan de veters. Een (gaap) totaal oninteressante natuurverschijnsel. DSCF4105

“Moeder, ik ben al 14 jaar, wordt het nu geen tijd dat ik een b.h. krijg?” “Nee Tinus…!”

Voorbij de Kolk namen de beide bekoelde SusScrofa’s sfeerfoto’s van de opkomende zon in dampende mistflarden. In deze mystieke wereld werd de eerste ree geobserveerd. Via een omtrekkende beweging werd de teruggang naar de Ketel aangenomen. Terug op de kampplaats waren Bambam en Yeti inmiddels teruggekeerd in het land der levenden. De groep ging ontbijten en maakten zich klaar voor de Sint Bonifatiustocht. Het ijzerweekend, wat aanvankelijk gepland stond, ging niet door. De heren hadden namelijk een Beverburcht in gedachte. Wat scheelt er aan een beverburcht, dat toch ook interessant? zou U als lezer zich afvragen. Jawel, geachte lezer, een beverburcht is inderdaad een prachtige natuurverschijnsel ware het niet dat het in dit geval de naam is van een KROEG. Stelletje sponzen.  DSCN4452

Yeti stopte plotseling en keek de overige zwijnen ernstig aan: Weten jullie dat er in bier vrouwelijke hormonen zitten? Als ik tien glazen bier op hebt, begin ik allerlei onzin uit te kramen…ik ga me overal mee bemoeien.. en ik kan dan ook geen auto meer rijden!

Maar de heren hadden geluk, het werd die dag een prachtige herfstdag met typische Hollandse wolkenluchten. De leden der SusScrofa snoven de herfstsfeer op met volle teugen. Niet zonder risico overigs, er is altijd wel een zwijn in de buurt met een overvloed aan methaangas. Niet te beroerd de groep te verrassen of vergassen. Badend in de herfstzon liet een ree zich gewillig fotograferen om even later weer gaperig in het wilgenstruweel te verdwijnen. Toeristen bah. DSCF4128 DSCF4129Van de omgeving werden prachtige sfeerfoto’s gemaakt. Dat de atmosfeer geheel in rust was bewees een enorme damppluim aan de horizon. Het was de condensor van de kerncentrale in Lingen. De pluim was vele kilometers hoog. Verderop zagen we een boer het mais van het land halen. Waar we vroeger een boertje in een blauw boezeroen verwoed op de maisstengels zagen inhakken zagen we nu een groene monster die zestien rijen mais tegelijk maaide, kneusde en verhakselde. De groene massa werd als diarree in een meerijdend wagen ernaast gespoten. Bunder voor bunder werd door deze monster opgevreten. Bij de boerderij zagen de SusScrofa’s een bult hout zoals alleen een Duitser die kan opbouwen.

Een houten been gemaakt van kreupelhout, is als een pyromaan die een vlammend betoog houdt, is als een overvolle tas een obesitas noemen, is applaus krijgen van klapschaatsen. DSCF4133

Bijna waterpas en correct in de houding. Eindelijk werd de Biberburg bereikt. Gesloten. Dreimal Scheisse. Gelukkig had Bambam een viertal blikjes bier in zijn rugzak meegenomen. Die werden soldaat gemaakt bij de stalen uitkijktoren enkele kilometers verderop. Ondertussen een prachtig natuur onder een gouden najaarszon passerend. Als een berggeit klom Bambam in de toren. Vanaf de grond nam Vliegend Hert een foto van Bambam al zijnde in de stratosfeer. Vanuit deze hoogte nam Bam een foto van het uitgestrekte Naturgebiet. IMG_6200Bij de toren stond een insectenhotel waarvan de bovenverdieping gereserveerd werd door Hoornaars, zeg maar de Mick Jagger in zijn soort. Alleen niet zo lelijk. Grote wesp? Dan zal die angel ook wel groot zijn. Kijk, daar hielden de heren niet van. Snel werd doorgelopen naar de Mittelradde, een zijrivier van de Hase. Op een oude wilg groeide een grote Berkenzwam waaraan verschillende generaties meededen, heel apart. Het bospad naar de ruïnes van boer Wulf was bijna geen pad meer. Wegens een ‘definitief transfer’ had boer Wulf in geen jaren het bospad meer gebruikt. In het totaal overwoekerde pad vonden de heren zowaar een groene kikker. De foto’s laten niet alleen het amfibisch monstertje zien maar ook Yeti’s technische handelingen, benodigd om de foto te maken. DSCF4146

1 April niet goed begrepen.
Er zitten twee kikkers op een randje bij de vijver. Zegt de ene kikker tegen de andere: “Moet je daar eens over het randje kijken, daar loopt een klein rupsje.” Als de ene kikker gaat kijken, stopt de andere kikker gauw zijn lul in de kont van de kikker en roept: “1 april kikker in je bil !”

Een brug passeren die voor de helft uit paddenstoelen bestond was best spannend. Gelukkig hielden de paddenstoelen ons gewicht. Over een groene monster gesproken, bij de boerderij van boer Wulf stond zowaar er eentje. Een vervaarlijk monster met een cabine die leek op een gaskamer uit een Amerikaanse gevangenis. Een sparrenvreter op wielen. Op het terrein met panden behorende tot de voormalige boerderij was de sfeer zo dood als de huidige status van de toenmalige boer. DSCF4163Terug op het kampterrein namen de heren met een zucht plaats aan de stamtafel. Niks was op die dag zo lekker als het sissend geluid van een geopende blik bier op een zaterdagnamiddag in september. DSCF4196 Die avond werd, op de Hasebrucke, in het gouden gloed van de najaarszon, tegen het bronsgroene bladerdek van een eeuwenoude eikenboom, een groepsfoto gemaakt van vier SusScrofa’s. Het werd een tijdsmonument. De daarop volgende nacht stond nachtfotografie op het programma. Het object was de maan, verantwoordelijk voor het natuurverschijnsel dat vloed heet. Er werd zowaar een behoorlijke resultaat bereikt. Vloed werd het ook later in de Ketel. Een bar gezellig avondje volgde waar heel Erica even doorgenomen werd.

DSCF4180

DSCF4157 DSCF4156

Zondag 27 september.
De vroege ploeg begon al rap aan de ochtenddienst. Gezien de tijd van het jaar en de vochtige omgeving in de natuur stond voor Batman en Vliegend Hert een logisch programma klaar, paddenstoelen. Hiervoor zochten de heren een geschikte biotoop in de buurt. Die werd gevonden in een Alt-arm van de Hase. Hier stonden voldoende grove sparren die een overdaad aan paddenstoelen opleverde. Na het ploeteren door natte kreupelhout waadden Batman en Vliegend Hert even later tot aan de enkels door een zee van paddenstoelen. Ardappelbovisten, Bloedrode gordijnzwammen, Denne-eekhoorntjesbrood, Elfenbankjes, Gele korstzwammen, Grote oranje bekerzwammen, Kleine viltinktzwammen, Meniezwammetjes, Rode korrelhoeden, Roestrode ringboleten, Russula’s, Trechterzwammen, Vermiljoen houtzwammen, Vleeskleurige korrelhoeden, Zwerminktzwammen enz. enz. Het leek wel het hof van Eden. Eva had zich niet hoeven te bezondigen aan een appel. Hallo, had toch gewoon een heerlijke Ringboleet genuttigd. Was je het hof ook niet uitgeknikkerd. Een hoop gedoe was ons bespaart gebleven. Batman en Vliegend Hert struinden de gehele binnenkant van de lus af in de oude rivierarm. Zwerminktzwam Vleeskleurige korrelhoed Vermiljoen-houtzwam Trechterzwam Russula

 

 

 

 

 

Russula 2 Roestrode ringboleet Rode korrelhoed meniezwammetje Kleine viltinktzwam

 

 

 

 

 

 

Grote oranje bekerzwam

Bloedrode gordijnzwam Elfenbankje Denne-eekhoorntjesbrood Bundel moskopje

 

 

 

 

 

 

Een abortuskliniek met een wachttijd van 9 maanden, is als een kind uit Tsjernobyl met een stralende glimlach, is een impotente man met een slaapzak, is als een taxichauffeur een afzetter noemen, is als een Citroën-dealer afpersen, is als een Katholieke kannibaal die alleen op vrijdag vissers eet.

Langzaam werd nattigheid gevoeld in de schoenen. Het gras en onderlaag was doordrenkt met water. Het was watertrappen in plaats van dauwtrappen. De prachtige lichtval van de najaarszon in het groene struweel maakte alles weer goed. Terug in de Ketel werden de sokken gewisseld voor droge. De overige heren leefden inmiddels ook weer verticaal. Het ontbijt volgde. DSCF4243Op het afsluitprogramma stond het ‘spel der ballen’. Om het spel interessanter te laten lijken moet het in een andere taal worden uitgesproken, jeu-de-boul.  Op het kampterrein gingen we dat van harte spelen. Ondertussen dronken we een pilsje. Tot de onvermijdelijke tijd aanbrak om de spullen te pakken. Het herfstweekend september 2015 was voorbij. Zal ook nooit weer komen. Elk weekend der Zwijnen is immers uniek. Prachtig weer gehad, veel gezien, veel gelachen. Ieder een prachtige herinnering rijker. Gewoon genieten, meer niet.

Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert.

DSCF4173

Oude Cobus

Oude Cobus

Het ouderlijke huis van mijn vader aan de Kerkweg was eigendom van Oude Cobus. De helft van de woning, een kamer en een deel, gebruikte Cobus zelf. Cobus Jacobus Maatje was een sterke kerel. Hij had nog geholpen het Oranjekanaal uit te graven. Toen dat werk gereed was had hij zich, zoals zovelen, neergestreken in deze contreien van zuidoost Drenthe. Als veenarbeider had hij vervolgens voor zijn nering gezorgd. Cobus had ooit verkering met een mooie meid. De mooie meid gaf aan in Duitsland prachtige meubels te hebben gezien. ‘Toe, toe, toe’, huppelde de meid smekend om Cobus. Die gaf met een groots gebaar zijn nieuwe vlam genoeg geld mee om de meubels te kopen. Dat was de laatste keer dat Cobus zijn mooie meid zag. En zijn geld. Sindsdien was Cobus vrijgezel. Hij mompelde alleen de naam van het meisje wanneer hij dacht alleen te zijn. Achter zijn kamer lag zijn deel. Behalve zijn schijtton lagen hier een stapel turven en een bultje wit zand. Wanneer Cobus met de kruiwagen turf van de bult achter zijn huis ging halen, om de stapel turf op de deel bij te vullen, werd deze hoog opgeladen waarbij zelfs de bomen van de kruiwagen werden gebruikt. Ook draalde hij niet om zijn tuin diep om te spitten. Cobus was toen vijfennegentig jaar oud. Oude Cobus droeg altijd een blauwe boezeroen met een dikke rood flanellen (roodboi) overhemd met een dunnere blauwe slip. De slip van de overhemd was dunner zodat hij dit in de broek kon stoppen. Cobus had altijd een zwarte broek aan met een klap van voren. In de zomer ging de bovenbroek uit en ging hij verder in zijn dikke wit flanellen (witboi) onderbroek, uiteraard met een klap van voren. Op zondag had Cobus zijn zondagse pak aan, gewoon van hetzelfde maar dan schoner. Altijd een pet op, doordeweeks met een vilten klep, zondags de pet met een gladde klep. Cobus redde zich geheel zelf. Hij maakte o.a. zijn eten zelf klaar. Cobus at zo een pan op met aardappels (inclusief zwarte pitten) en bonen. Al waren de aardappels bevroren, het nat liep hem dan langs de kin, oude Cobus zei altijd, ‘smaakt goed heur’. Brood en vlees kende hij niet, wel spek en roggebrood. Dat betrok Cobus van Hofstede, die had zijn winkel op de hoek Kerkweg-Verl. Hoogeveense vaart. Vooral op spek was Cobus verzot. Bij de huiskamerdeur hing altijd een groot stuk spek waar hij dan een stukje van af sneed. Soms kropen de maden uit het spek. Cobus trok zich hiervan niets aan, hij at smakkend het spek met maden en al op. Cobus at in de zomer groente, dat wil zeggen een krop sla. Deze werd uit de tuin gehaald, goed afgeschud en vervolgens met luis en al geconsumeerd. Toen de dokter eens langskwam zei deze tegen mijn oma, ‘Hij leeft van de smeer, een goede wasbeurt wordt zijn dood’. Op het eind van Cobus leven nam zijn bezorgde familie hem mee naar het huusie van Maatje. Deze stond oostelijk zo’n honderdvijftig meter in het veld waar de Havenstraat en Kerkweg overgingen in Ericaase straat. Hier blies oude Kobus, vlak voor zijn honderdste verjaardag, zijn laatste adem uit. Het was nooit geheel duidelijk geworden waarom de familie, die zich zelden had laten zien, opeens zo bezorgd was om oude Cobus. Feit was wel dat oude Cobus een paar flinke sokken vol met geld had. Cobus was een sociaal mens, hij leende geld uit aan mensen op Erica. Cobus gaf mensen hoop en verloste hun van financiële nood. Gezien de leeftijd van Kobus hoopten de schuldenaren stiekem op een andere verlossing, het overlijden van oude Cobus zou voor die mensen meer dan ‘oprechte deelneming’ zijn. Misschien toch terecht dat de familie van Cobus zorgen maakte. Wekelijks kwamen mensen langs om, van het geleende geld, rente te betalen aan Cobus. Daaronder ook Tinus Hegeman, een man in een invalidenkar. Terwijl in de kamer van oude Cobus de geldzaken werden afgewikkeld sjeesde mijn vader, als tiener, achter het huis en over straat, met de invalidenkar van Tinus. Wanneer Tinus weer naar buiten dreigde te komen riep mijn oma tegen de scheurende coureur, ‘Zet ‘m gauw naor bin’n, Tinus komp d’r an’. Oma keek trots naar haar zoon, hij blijft toch je kind. Tijdens de lange winteravonden kon Cobus eenzaam zijn. Vaak kreeg hij in de avond bezoek waarbij Cobus zich afvroeg of het om hem of om zijn geld te doen was. Als het te eenzaam werd kwam Cobus bij zijn buren, mijn grootouders, op bezoek. Soms meerdere keren op een avond. Cobus was in die tijd zoals vele mensen erg religieus. Ook al vroor het vijfentwintig graden, Cobus ging elke dag naar de ochtendmis. Met blote handen en doordeweeks altijd dezelfde jas en pet. Cobus kwam nadien weer thuis. ‘Het is wel kold’, hij ging rillend bij de warme kachel zitten. Oude Cobus werd dan een beetje ziek. Gezien zijn hoge leeftijd werd hij in die tijd snel bediend van het Sacrament der Zieken. De volgende morgen werd Cobus afgeroepen in de kerk, zeg maar als aspirant overledene. Cobus was een taaie, hij knapte nog dezelfde nacht op, trok zijn jasje aan, deed zijn pet op en ging trouw naar de kerk. Daar hoorde hij, tot eigen grote verbazing, zichzelf afroepen van de kansel. Cobus Maatje zou op sterven na dood zijn. Alle avonden nam Cobus zijn lange pijp met een porseleinen kop en nam plaats in zijn stoel bij de kachel. Onder het dekseltje werd de pijp gevuld met tabak wat hij anders overdag zou pruimen. Het gepruimde tabak werd door Cobus gewoon in de kamer uitgespuugd. Om geen bende te maken werd op de lemen vloer wit zand gestrooid. Bij het huusie van Maatje werd hagelwitte zand gedolven. Al jaren ging oude Cobus met een kruiwagen naar zijn familie en nam wit zand mee dat op de deel werd gedeponeerd. Dat strooide hij vervolgens in zijn kamer op de lemen vloer. Er waren mensen die het zandstrooien tot een ware kunst hadden verheven, een meter van de kant in allerlei patroontjes met krulletjes in de hoeken. Het was net een tapijt. Dit soort verfijndheid was aan oude Cobus niet besteed. Hij smeet het zand gewoon door de kamer en spuugde er na hartenlust dikke zwarte kwalsters pruimtabak op. Wanneer het te gek werd veegde hij het zand bij elkaar en kwam er nieuwe zand in. Voor het raam had hij een paar dakpannen staan die hij gebruikte als ‘kwalstervanger’. Cobus schoot niet altijd raak. In zijn kamer, vlakbij zijn stoel naast de kachel, stond een koperen kwispedoor. Als Cobus pruimde werden de uitgespuugde tabakskwalsters vakkundig op de kwispedoor gericht. Die raakte natuurlijk wel eens vol, dat kon je zien aan de zwarte slierten die langzaam over de kwispedoor op het zand dropen. Dan pakte oude Cobus kordaat de kwispedoor en bracht de inhoud naar zijn eigen gegraven gat achter het huis. Daarin kwam normaal de wekelijkse inhoud van zijn schijtton die hij keurig afdekte met zandplaggen. De inhoud van de kwispedoor kieperde Cobus zonder omkijken gewoon in zijn gat. Willem dekte, al kokhalzend, de riekende inhoud alsnog af. Omdat oude CCbus door zijn hoge leeftijd niet al te vast op zijn de benen stond werd veel van de oorspronkelijke inhoud van de kwispedoor onderweg verloren. Wanneer hij eindelijk zijn gegraven gat had bereikt kon men zijn spoor precies volgen. Vanaf zijn stoel, door zijn deel, achter het huis langs, lag om de meter een zwarte kwak zo groot als een etensbord. Daar was geen wit zand tegen te strooien. ‘Spit weg’, gruwelde mijn oma dan, ‘daor lig ‘n pannekoek en daor ok’, wijzend naar de zwarte plekken van tabakskwak. Dan moest Willem de ‘pannenkoeken’ opruimen. Dat gebeurde onder zeer luide kokhalsde geluiden van protest. Kobus voedingsgewoonte van spek en roggebrood had zo zijn gevolgen. Hij had grote problemen met zijn stoelgang. Willem werd door Cobus regelmatig op weggestuurd om bij de drogist ‘Anna Maria Wortelboer’ pillen te halen. ‘Schijtpillen’, verduidelijkte Cobus nog eens. ‘Nou’, brombe Willem, ‘ik gao gien schijtpill’n haal’n van Anna Maria Wortelboer’. Cobus bleef maar aandringen zodat Willem een uur later met de kraag ‘stief’ in de nek naar de drogist fietste om schijtpillen van Anna Maria Wortelboer te halen. Ondertussen ging Cobus naar het ‘Huusie’ om te doen wat een mens moet doen. Niet veel later was het gekreun tot op de straat te horen. ‘Ooohhh, help mie toch, oohoohoo help mie dan toch’. Willem zou Willem niet zijn als hij de volgende dag op zijn eigen huusie Cobus niet ging nadoen. ‘Oooo help mie dan toch’, beulde Willem tot twee huizen verder. Toen Cobus een keer wegens aambeien in het ziekenhuis in Groningen lag had Willem in zijn huiskamer de planken achter de dakpannen vernieuwd. Door de ‘missers’ van oude Cobus waren de planken compleet verrot. Cobus had de nieuwe planken niet eens bemerkt toen hij weer thuis kwam. Het ziekenhuis had oude Cobus maar niks gevonden, ‘och, wat krieg ie daor maar ‘n dun soeppie’, de soep was niet meer dan water. Met zijn inmiddels negenennegentig jaar was op Erica alleen ‘Aole Gankema’ hem met honderdeneen jaar de baas. Het graf van oude Gankema is nog steeds te vinden op het openbare kerkhof van Erica. Van het graf van oude Cobus is niets meer te vinden, voorgoed verdwenen in de vergetelheid. Het ‘Eeuwige Rust’ heeft door de regel een houdbaarheidsdatum van zo’n dertig jaar.

Geschreven door Henk Beukers

Cobus MaatjeCobus Maatje 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een aflaat is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden. Volgens de Katholieke leer moet elke zondaar namelijk een straf ondergaan voor zijn zonden, om de ziel te zuiveren en de morele orde en de eer van God te herstellen. Gelovigen kunnen ook aflaten bekomen voor afgestorvenen om hen te helpen bij het uitboeten van hun tijdelijke zondestraffen in het vagevuur. Voor Cobus betekende dit 300 dagen minder logement in het vagevuur.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

1945, Erica ging gebukt onder de Duitse bezetting. Er gloorde hoop, Radio Oranje bracht ieder luisteraar de laatste gang van zaken op de hoogte. Erica had zich in de oorlogsjaren aangepast en verzet. Zo kende Erica een Engelandroute waarbij neergestorte piloten van de geallieerden een veilige route naar Engeland werd aangeboden. De kippenhok van de pastoor achter de Katholieke Kerk in het bos was zo’n schuilplaats. Later werd de kippenhok gesloopt en bouwde van Os (later bouwbedrijf van Os) zijn eerste opdracht, een clubgebouw (Blokhut) voor de verkenners later Scouting genaamd. Vanuit de toenmalige kippenhok brachten leden van het verzet, onder leiding van meester Engbers, de piloten naar een onderkomen aan het Dommerskanaal. Van hieruit liep de route verder en namen de gebroeders Griendtsveen het over. Helaas werden zij verraden, de gebroeders verdwenen in de strafkampen. Ze overleefden de hel. In het laatste oorlogsjaar was Erica vergeven van de onderduikers. Bij de overburen van mijn moeder, de familie Heijnen, bleek al jaren een Franse onderduiker te zitten. Deze was gevlucht uit een van de Eemslandkampen vlak over de Duitse grens. Het waren concentratiekampen waar gedurende de oorlog meer dan dertigduizend mensen werden vermoord. Dat is veel meer dan in het beruchte Dachau. Niemand wist van het bestaan van de Franse onderduiker, behalve de zus van mijn moeder, Dora. Die had hem een keer buiten betrapt. Als meisje was ze zich bewust van de gevolgen als de Duitsers hier achter kwamen. Zus Dora, mijn tante, zweeg als het graf. Zelfs opa, opoe, mijn ooms en mijn moeder wisten van niets. Tante Dora’s zorgvuldig zwijgen redde hiermee het leven van de Fransman plus de levens van de familie Heijnen. Het einde van de oorlog naderde gezwind, sommigen waaronder vrouw Reuvers waren een beetje te enthousiast, bij het riskante af. Overtuigd van de bevrijding liet ze aan de Kerkweg enthousiast de Nederlandse vlag uit haar slaapkamerraam wapperen. De verboden radio was tot een straat verderop nog hoorbaar. Maar Erica was helemaal niet bevrijd, nog niet. In de scholen zaten gewonde en oude Duitse soldaten te revalideren. Om hun tijd te doden patrouilleerden ze door de straten van Erica, ze waren verzot op een Tasse koffie. De uitingen van vreugde in huize Reuvers werden een paar van deze Duitse soldaten te gortig. Deze soldaten waren duidelijk oorlogsmoe en wilden naar huis, de oorlog liep immers ten einde. Maar hier moesten ze toch echt iets aan doen, ze hadden geen keus. Ze namen hun geweren van de schouders, ontgrendelden deze, en schoten pardoes door het open slaapkamerraam. Een ijzige kreet volgde, even later liep vrouw Reuvers achter het huis gillend het veld in. Zij was niet alleen. Een paar meter voor haar uit rende de onderduiker die zich al jaren in haar huis had verborgen. Beide zochten dekking tussen de pollen pijpenstro. De Duitse soldaten hadden echter geen belangstelling, ze schouderden hun geweren en liepen door. Zoals gezegd radio’s waren verboden en moesten bij de Duitsers worden ingeleverd, avondklokken werden ingesteld, ramen moesten worden geblindeerd. In het laatste oorlogsjaar klommen monteurs in de palen en sloten op Erica ieder huis van de stroom af. Voortaan zat ieder gezin bij een klein olielampje als het donker werd. Uit deze ellende kon dan spontaan iets tragikomisch ontstaan. Groene Harm had namelijk een windmolentje gemonteerd op het dak van zijn huis. Het molentje was verbonden met een fietsdynamo. Het bijzondere van Harms windmolentje lag in het feit dat die constant stroom gaf, wind of geen wind. Dat was zoiets bijzonders dat op Erica zijn bijnaam Groene Harm werd veranderd in Harm Wind. Zijn handel in windmolentjes floreerde. Harm had namelijk lef, veel lef. Nog geen uur nadat de monteur zijn huis van de stroom had afgekoppeld klom Harm in de paal. Handige Harm zat een half uur later weer aan de stroom en zijn lampje brandde constant, wind of geen wind. Vervelend was dat bij Harm in de meterkast de stroommeter opliep. Harm dacht toen erg leep te zijn. Met een dun ijzerdraadje zette hij via een piepklein geboord gaatje de stroommeter stil. Een van de eigenschappen van oorlog is dat het ooit eindigt. Van alle beroepen die dan weer worden opgestart is die ook van stroomcontroleur. Harm Wind werd betrapt en kreeg na de oorlog een gepeperde rekening. Op 10 april 1945 was mijn vader bij zijn werkgever Bats Reuvers (thans locatie bloemenhuis Lubbe) op het land aan het werk. Toen hij tegen 15.30 uur opkeek richting Nieuw Amsterdam zag hij in de verte op de Dikke Wijk tanks rijden. 16 Shermantanks en 80 manschappen van de Poolse generaal Maczek kwamen vanuit Coevorden en gingen het gevecht aan met de Duitsers. Even later bulderden de kanonnen. In Noordbarge bij het Oranjekanaal ter hoogte van de melkfabriek, verscholen in schuttersputten langs zo’n 17 boerderijen, boden de Duitsers weerstand. Leunend op de schoffel stond mijn vader het strijdgewoel in de verte te bekijken. De ene boerderij na de andere ging in vlammen op. Na een paar uur, en levens van twee Poolse- en achttien Duitse  soldaten, hield de strijd op. De Duitsers gaven zich over of trokken zich terug richting Nieuw Weerdinge. De bevolking kwam te voorschijn en wilden zich honend uitlaten over de krijgsgevangen Duitsers. Dit werd door de Poolse soldaten verboden. De Duitse soldaten streden ook maar voor hun Heimat, aldus de Polen. Een paar kilometer verderop ging een tiener verder met schoffelen, het was 17.30 uur, de werkdag was nog niet voorbij. (Een dag later ging Pa met een paar vrienden de boerderijen op het strijdtoneel bekijken. De zwartgeblakerde kadavers van koeien in de stallen hangend in kettingen maakten diepe indruk op de tieners.) Het bleef op Erica opmerkelijk rustig de 10e dag in April 1945. Iedereen bleef in het ongewisse en om zich heen kijken. Vooral niet dezelfde fout maken als vrouw Reuvers. Pas om negen uur ‘s avonds ging de pastoor van Erica op de fiets naar Emmen om zich te laten vergewissen van de laatste ontwikkelingen op bevrijdingsgebied. Om 22.00 uur was hij terug op Erica. Even later luidde een iel belletje, de grote klok was door de Duitsers ingepikt, over Erica. Erica was bevrijd. De dag erop was het een heksenketel op Erica. Iedereen had die dag vrij en overal waren dansavonden. Het tegeltjeshuis bij de brug werd ingericht als hoofdkwartier van de binnenlandse strijdkrachten. Mannen in burger met een band om de arm en in hun handen een pistool of mitrailleur waren nu soldaten. Auto’s reden rond met gewapende mannen zittend op de voorspatborden. De jacht op NSB’ers was begonnen. Wie waren die NSB’ers? Daarvoor moeten we terug naar de tijd van voor de oorlog. Nederland lag in die tijd letterlijk maar ook figuurlijk achter de dijken. Alles was op zijn Nederlands tot in de puntjes geregeld. Naast het gehate fietsplaatje bij burgers hadden boeren een nog meer gehate productiebeperking. Teveel geproduceerde aardappels werden kapot geprikt. Teveel geproduceerd graan werd rood gekleurd. Zowel aardappelen als graan werd op die manier gereduceerd tot veevoer. De Duitsers kwamen en schaften alles af. De verleiding tot collaboratie met de Duitsers was groot. De meesten lieten zich echter niet registreren bij de NSB maar gaven mondeling aan sympathisant te zijn. Om het nog ingewikkelder te maken; degene die zich wel bij de NSB lieten registreren waren niet op voorhand ‘slecht’. Boer Lubby aan de Pannenkoekendijk was zo’n voorbeeld. Naast varkensboer werkte Lubby op het gemeentehuis in Emmen. Menig Ericaan had in de oorlogsjaren de nodige vergunningen, vrijstellingen of anders soortelijk papierwerk aan hem te danken. Zelfs top-NSBer Kuper (geen familie van) had nooit iemand verraden of aangegeven, hij had zelfs onderduikers aan het werk! In de chaotische dagen na de bevrijding was echter geen plaats voor subtiliteit. Hardhandig werden alle geregistreerde NSBers van bed gelicht. In de Kommerhoek werd zelfs eerst een handgranaat in de bedstee gegooid, de NSBers zouden bewapend zijn. Tot geluk van het stel ontplofte de granaat niet. Een oud NSB-echtpaar liep strompelend over de Havenstraat. Rondom het stel een zestal zwaar bewapende mannen die hun geweren dreigend op de oudjes richtten. De NSBers werden opgesloten in café Hof, in de openbare school aan de Havenstraat en in het parochiehuis aan de Kerklaan. Mijn moeder, ook lid van de Binnenlandse Strijdkrachten, moest in het parochiehuis een zieke NSBer bewaken. Tot ergernis van mijn moeder keek de man haar de gehele nacht met één oog aan. Bleek later de man een glazen oog te hebben en overleden te zijn. In de bestuurskamer werden jonge vrouwen gevangen gehouden. Niemand mocht met hun in aanraking komen. Het eten en drinken werd op de trap gezet en later door een der gevangenen opgehaald. Later bleken het sletjes van de Duitsers te zijn die daarbij een geslachtsziekte hadden opgelopen. Gebouw bij brug 2Zowel de gevangenen NSBers als de Binnenlandse Strijdkrachten moesten van levensmiddelen worden voorzien. In een bijgebouw aan de Pannenkoekendijk dichtbij de brug was de centrale keuken ingericht (zie pijl). De boerderijen of huizen van NSBers werden volkomen leeg geplunderd. Kookgerei maar ook voedsel werd naar de centrale keuken gebracht. Daar zwaaide bakker Gerard Kolker de scepter. Zijn bakkerij werd tijdelijk bemand door zijn broer Johan. Mijn moeder kon zich nog herinneren dat het eten ‘verrekte lekker’ was. Op Erica keerde de rust terug. De oorlog was voorbij. Niet voor de geregistreerde NSB’ers. Deze mensen moesten nu rekenschap afleggen. Ze werden gevangen genomen en gedeporteerd naar Westerbork. Van de duizenden NSBers overleefden honderden het verblijf in het voormalig deportatiekamp niet, waaronder boer Lubby. Het was het lot van de verliezer. 

Geschreven door Henk Beukers

Meer informatie over Jean Godin en familie Heijnen.

Foto’s van de familie Heijnen en Jean Godin uit de oorlogstijd ingezonden door Robert Einhaus. (Klik op foto voor vergroting)

Vlnr 1 Geert Heijnen (de organist) 1906-1990 2 Jans Heijnen (1911-1989) 3 zus Heijnen (jongste dochter) (1924-2011) 4 Franse onderduiker Jean Godin 5 Henk Heijnen (1923-2017) 6 Gerard Wesseling {grootgebracht bij opa en oma Heijnen} 1893-1953 Hij was de zoon van de zus van Johannes Kasper Heijnen en een onbekende Poolse soldaat.

Vlnr 1 Geert Heijnen (de organist) 1906-1990 2 Jans Heijnen (1911-1989) 3 zus Heijnen (jongste dochter) (1924-2011) 4 Franse onderduiker Jean Godin 5 Henk Heijnen (1923-2017) 6 Gerard Wesseling {grootgebracht bij opa en oma Heijnen} 1893-1953 Hij was de zoon van de zus van Johannes Kasper Heijnen en een onbekende Poolse soldaat.

vlnr 1 Jans Heijnen 2 Jan Einhaus 3 Onbekende soldaat 4 Henk Heijnen 5 Onbekende soldaat  6 Pastoor Ninteman 7 Gerard Wesseling

vlnr 1 Jans Heijnen 2 Jan Einhaus 3 Onbekende soldaat 4 Henk Heijnen 5 Onbekende soldaat
6 Pastoor Ninteman 7 Gerard Wesseling

vlnr 1 JK Heijnen 2 H.Roelink 3 Jan Einhaus 4 Gerard Wesseling 5 Geert Heijnen 6 Jans Heijnen  7 Henk Heijnen 8 Mieke Heijnen 9 Zus Heijnen 10 Annie Heijnen 11,12,13 Onbekende soldaten  14 Pastoor Ninteman

vlnr 1 JK Heijnen 2 H.Roelink 3 Jan Einhaus 4 Gerard Wesseling 5 Geert Heijnen 6 Jans Heijnen
7 Henk Heijnen 8 Mieke Heijnen 9 Zus Heijnen 10 Annie Heijnen 11,12,13 Onbekende soldaten
14 Pastoor Ninteman

vlnr 1 Jean Godin 2 JK Heijnen 3 EH Roelink

vlnr 1 Jean Godin 2 JK Heijnen 3 EH Roelink

Familie Jean Godin

Familie Jean Godin

Familie Jean Godin (achterkant)

Familie Jean Godin (achterkant)

Briefkaart van Jean Godin

Briefkaart van Jean Godin

Briefkaart van Jean Godin (achterkant)

Briefkaart van Jean Godin (achterkant)

Briefkaart van Jean Godin

Briefkaart van Jean Godin

Briefkaart van Jean Godin (achterkant)

Briefkaart van Jean Godin (achterkant)

Verzoek van melk inleveren op zijn nazi-Duits.

Verzoek van melk inleveren op zijn nazi-Duits.

Vrijstellingsbewijs van de fiets.

Vrijstellingsbewijs van de fiets.

 

 

 

 

Erica in oorlogstijd, opstand.

Erica in oorlogstijd, opstand.

Vijfde jaar alweer

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het begon op een septemberdag in 1944. Erica ging gebukt onder het vierde oorlogsjaar. Dagelijks voerden lange rijen volgeladen schepen door het kanaal richting Duitsland. Net als de overige door Duitsland veroverde landen werd Nederland leeg geplunderd. Mijn vader zat aan het kanaal te vissen toen weer een lange rij schepen voorbij voerde. Plotseling een daverende klap met een enorme waterfontein. De Duitse soldaten op de schepen besloten ook te gaan vissen. Maar dan op zijn Duits, met handgranaten. Dikke vissen kwamen door de drukgolf, veroorzaakt door de explosie van de handgranaat, boven drijven. Gretig werden de dikste vissen door de soldaten binnen gehaald, de rest lieten ze drijven. Dat vond mijn vader niet erg. Met iets minder dikke vissen was hij ook zeer tevreden. Toen mijn vader met zijn rijke oogst bij huis aankwam zag hij een opstootje schuin voor zijn huis op de Kerkweg. Zijn tante Sien was in een druk gebarende discussie met NSBer Kupers (geen familie van). Tante Sien woonde tegenover Kupers in een grote boerderij. Tante Sien was weduwe, haar man was zo’n dertig jaar eerder met nog een paar Ericanen gestorven aan de Spaanse griep. Kupers stond met een paar mede-NSBers met een verfpot in de hand naar overbuurvrouw tante Sien te luisteren. ‘Dat had ik nie van joe dacht Kupers’, hoorde mijn vader tante Sien zeggen. Kupers stond met een rood hoofd er verlegen bij te lachen. Ze hadden net met witgekalkte letters op de Kerkstraat geschreven: ‘V van Victory want Duitschland wint voor Europa op alle fronten’. Tante Sien liet haar schort los, deze had ze gevuld met zand. Het gestorte zand bedekte de tekst op de klinkers. Meerdere Ericanen bemoeiden zich met het opstootje. De groep NSBers onder leiding van Kupers maakten zich uit de voeten. Het duurde niet lang of het volgende opstootje diende zich aan. Pal voor de Katholieke kerk hadden Kupers groep wederom hun oorlogstaal op de klinkers gekalkt. Nu kwamen verschillende Ericanen aangerend met haastig gevulde zakken zand om de tekst direct weer te bedekken. De NSBers trokken over de Kerkweg richting de Verlengde Hoogeveense Vaart. Met veel kabaal en geschreeuw van de NSBers werd opnieuw hun spreuk op de Kerkweg gekalkt. De tegenstanders die daarop de tekst met zand bedekten was inmiddels tot een twintigtal gegroeid. Bij het kanaal sloeg Kupers met zijn groep rechtsaf richting het centrum van Erica. Aan het kanaal werd wederom met de witte kwast hitsige oorlogstaal op de straat geschreven. Hun geschreeuw en gebral was hierbij echter aanmerkelijk verstomd. Bezorgd keken enkele NSBers om zich heen. Ander geschreeuw overstemde de hunne. De groep boze Ericanen was inmiddels aangezweld tot zo’n zestig man en groeide nog steeds. Ze waren niet bang. Even leek het erop dat Kupers en consorten het slachtoffer gingen worden van een volksgericht. Ze werden bij het huis van de gebroeders R. in het nauw gedreven. Snel vluchtte de groep het huis van R. binnen. De gebroeders R. waren eveneens NSBers, maar dan van het ergste soort. Deze gaven lezingen om mensen binnenboord te trekken in hun donkere organisatie. Het lukte. Menig boer en menig burger liet zich ompraten en sloot zich aan bij de NSB. Een aantal waren echter voorzichtig, ze lieten zich niet inschrijven maar bleven liever sympathisant. Voor de overigen die zich wel officieel lieten inschrijven bij de NSB had deze misstap, na de oorlog, catastrofale gevolgen. Voor het huis van de gebroeders R. hadden zich inmiddels zo’n honderd boze Ericase mannen verzameld. Erica kwam in opstand. Geschreeuw, geduw, opgeheven vuisten en scheldpartijen, de jarenlange onderdrukking ontlaadde zich. Plotseling suisde een baksteen door de lucht en sloeg luid rinkelend door de voorruit van het huis van R. Degene die de steen wierp, zo bleek later, was mijn oom Willem. Een luide hoezee welde uit de groep boze Ericanen. Inmiddels was een telefoontje gepleegd naar het centrale gezag in Emmen. Mannen in zwarte kledij, bewapend met karabijnen en wapenstokken, reden op motoren met zijspan richting Erica. Toen de motoren voor het huis van R. stopten kwam een bange groep NSBers voorzichtig tevoorschijn. Van de groep boze Ericanen was niemand meer te zien. Ze bleken tijdig te zijn gewaarschuwd en hadden zich uit de voeten gemaakt. De spertijd werd ingekort naar 20.00 uur, nog dagenlang werd met motoren gepatrouilleerd door de straten van Erica. Hierbij werden de mannen van ‘Jan Hagel’ voortdurend uitgedaagd door opstootjes en zijn er daadwerkelijk schoten gevallen. Tot de rust uiteindelijk weer terugkeerde op het dorp. Maar Erica vergeet niet snel iets. Op het eind van de oorlog maakten de Duitsers er een gewoonte van om paarden van de boeren te vorderen. Die hadden geen keus. Op gezette tijden werd door de Duitsers voor de Katholieke kerk een tent opgezet, voor hun onmisbare administratie. De boeren kregen een oproep om met hun paarden voor de kerk te verschijnen. Weldra vulde het terrein zich met honderden Ericanen die schouder aan schouder de Duitsers zwijgend smerig aankeken. Zwijgend verzet. Terwijl de ene paard na het andere werd gevorderd voor het front ontstond langzamerhand een dreigende sfeer voor het kerkgebouw. De Duitsers trokken zich hiervan echter niets aan. De boeren mochten blij zijn, voor hun paarden kregen ze tenminste een frontpaard terug. Het bleken totaal afgeragde paarden. maar sommige boeren kregen niets terug, dus wees blij. Een kwartier voor eind van de vordering werd het plotseling onrustig. Mannen maakten zich snel uit de voeten, ze wisten wat er ging komen. De Duitsers stonden al rond te kijken om ‘vrijwilligers’ te zoeken die de gevorderde paarden naar Hoogeveen moesten brengen. Een reis van twee uur heen en twee uur terug. Op het eind van de paardenvordering was geen ‘vrijwilliger’ meer op het terrein te zien, hoogstens vrouwen, kinderen en bejaarden. Een razzia in het dorp volgde. Mijn vader, inmiddels achttien jaar, vluchtte naar zijn huis en later het veld in richting het huis van oude Poelman. Decennia later ons huis! De Duitsers gingen aan de Kerkweg alle huizen, ook mijn vaders huis, met veel kabaal bij langs. Mannen die te lang hadden getreuzeld of hun klompen niet snel genoeg konden vinden gingen als ‘vrijwilliger’ mee met de Duitsers. Die werden pas ‘s avonds weer terug gezien. Langzaam verdween het kabaal en werd het stil. Van achter mijn vaders huis ging de deur van het ‘huusie’ langzaam piepend open. Het was mijn oom Jurry, hij trok zijn broek op, klopte zijn pijp uit, hij had van al die drukte niets gemerkt.

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, bombardement.

Erica in oorlogstijd, bombardement.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het was een rustige winterdag in het najaar van 1944. Mijn opa was op dat moment op erica nabij de molen een turfschip aan het uitladen. Het turfschip lag vast in het bevroren kanaal. Het was zwaar werk waarbij mijn opa met een speciale kruiwagen de turf tegen de wal moest op rijden. Het was eentonig werk, niets leek die dag het ritme te kunnen verstoren. Mijn opa was de laatste lading aan het opstapelen achter een huis toen in de verte een geronk hoorbaar werd. Het was oorlog, voor mijn opa was het de zoveelste vliegtuig die over Erica vloog. Hij besloot gewoon door te gaan met zijn werkzaamheden. In 1944 waren de geallieerden heer en meester in het luchtruim. Hun snelle jagers schoten op alles wat verdacht leek. Bijvoorbeeld een turfschip. Terwijl mijn opa achter het huis aan het werk was dook een Engelse jager uit een wolk naar beneden. Het geronk nam toe, uit de vleugels schoten korte felle vlammen. Luide knallen overstemden het motorgeronk. Uit het ijs in het kanaal spoten geisers van water en ijsstof. Overal op Erica zochten mensen dekking, behalve mijn opa die werkte stug door. Na zijn eerste salvo maakte de jager een bocht boven Erica om zich voor te bereiden op zijn volgende salvo uit de mitrailleurs. Nu werd de molen getroffen, een wiek werd eraf geschoten en het dak beschadigd. Bij de derde duikvlucht werden een paar turfschepen getroffen waaronder die van mijn opa. Zo plotseling als de jachtvliegtuig was gekomen zo snel was het verdwenen. Voorzichtig kwamen de mensen uit hun schuilplaatsen. Aan het kanaal stond mijn opa verbaasd om zich heen te kijken met een lege kruiwagen in zijn handen. Hij keek naar het kanaal en krabde zich even onder de pet. Waar was zijn turfschip gebleven? De molen op Erica bleef tot in de jaren zeventig een bouwval. In Emmen hadden ze ook een molen, deze stond in het centrum. Maar zoals vele oude gebouwen in Emmen werd ook deze molen gesloopt. Ze dachten een nieuwe molen te kunnen realiseren door de molen uit Erica te confisqueren. Met de trambrug op Erica was het ook gelukt. Die staat nu in het veenmuseum in Barger-Compascuüm. Gelukkig werden de bewoners op Erica tijdig bewust van hun erfgoed. De molen werd gerestaureerd en is thans een monument in het dorp. Terug naar het laatste jaar van de oorlog. Wanneer mensen op Erica naar de horizon het zuidwesten keken zagen ze een witte streep die langzaam naar boven kroop en verdween in de wolken. Soms zagen de mensen op Erica elk uur zo’n geheimzinnige streep in de wolken verdwijnen. Het waren V2 raketten die de Duitsers vanuit de omgeving van Uelsen op hun vijand schoten. Dat kon zijn Londen of het front in Frankrijk of België. In het laatste oorlogsjaar was het druk in de lucht. Dagelijks tegen negen uur ‘s morgens werd uit het westen een diepe grondtoon hoorbaar die langzaam luider werd. Pas tegen tien uur zagen mensen de oorzaak van het geluid. Het waren honderden Amerikaanse bommenwerpers. Als wespen vlogen daar jachtvliegtuigen om heen. Wanneer de vliegtuigen eindelijk waren verdwenen naar het oosten was de zon achter een dikke nevel verdwenen. Uren later kwamen de Amerikaanse toestellen terug. ‘s Nachts namen de Engelsen het over. Het kon niet uitblijven dat het een keer misging. Zo hoorde mijn vader ‘s nachts een luide knal en zag in het noordoosten een enorme vuurbal naar beneden stortten. Later bleek dat een Engelse bommenwerper te zijn die was aangeschoten door een Duitse nachtjager. Het vliegtuig was neergestort op een woonhuis. De bemanningsleden werden in Nieuw Dordrecht begraven. Wie goed kijkt ziet tegenover de oorlogsgraven graven met dezelfde naam. Het zijn de bewoners van het woonhuis. Tijdens het werk op het land zag mijn vader een paar Amerikaanse bommenwerpers, zogenaamde ‘Vliegende Forten’, boven Schoonebeek vliegen. Plotseling zag mijn vader vanuit het noorden drie Duitse jagers naar de bommenwerpers toe vliegen. Ze openden de aanval op de bommenwerpers. Een moment later hoorde mijn vader explosies en zag vleugels en staarten door de lucht vliegen. Twee jagers waren door de Vliegende Forten te grazen genomen. Een vliegtuig van de Amerikanen vloog rokend verder. Mijn vader draaide zich om en schoffelde verder. Het veengebied ten zuiden van Erica werden door de geallieerde vliegers vaak als noodlandingsgebied gezien. Blijkbaar werd geredeneerd dat veen een zachte substantie is. In de praktijk bleek de enige kans op overleven een parachute te zijn. Van een neergestorte bommenwerper bleef in het veen door de regel alleen stukjes over. Dat gold doorgaans ook voor de bemanning. Er zijn getuigen die spreken van bemanningsleden die pas op het laatst uit het vliegtuig sprongen. Niemand overleefd zo’n impact in het veen met zo’n snelheid. De bemanningsleden stonden als poppetjes in het veen gepriemd. Tot op de dag van vandaag kunnen op bepaalde plekken in het veen nog onderdeeltjes van vliegtuigen te vinden zijn. Uiteraard worden hier de crashplekken niet bekend gemaakt. Soms ging het met de bommenwerpers anders. Zo verdwenen Amerikaanse bommenwerpers niet naar het oosten maar bleven ze cirkelen boven het oostelijk gelegen dorp Klazienaveen. Om daarna naar het westen te verdwijnen. Een evacué uit het westen van Nederland waarschuwde dat de vliegtuigen terug zouden komen. Hij had dit in het westen vaker gezien. Een week later werd de Puritfabriek in Klazienaveen gebombardeerd met een aantal doden tot gevolg. Dat niet de gehele fabriek niet in de as werd gelegd lag aan het feit, zo werd beweerd, dat aandeelhouders van de Puritfabriek Amerikanen waren. Op een ander minder bekende gebeurtenis maakten zo’n twaalf Amerikaanse bommenwerpers boven Erica zich los van de hoofdmacht. Via een omtrekkende beweging vlogen ze weer richting Engeland. Boven het gebied Tweede Zuiderraai gingen de bommenluiken open en lieten ze hun dodelijke lading vallen op de daar op het land werkende arbeiders. Voor Ericase begrippen waren de gevolgen gruwelijk: een dode tiener, een zestal zwaar gewonden en een aantal dode paarden. Het was een bombardement op Erica die geen geschiedenis heeft omdat niemand het zich herinnerd.

 

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, onderdrukking en verraad.

Erica in oorlogstijd, onderdrukking en verraad.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Voor de Duitse inval liepen op Erica vier agenten constant door de straten, o.a. om te controleren of elke fietser een fietsplaatje bij zich had. Met dit fietsplaatje werd aangetoond dat fietsbelasting was betaald. Het plaatje werd gewoonlijk op de fiets gemonteerd. Dit hoefde echter niet. Men kon het plaatje ook op de jas spelden. Belangrijk was dat het bij een controle kon worden getoond. Het voordeel van het losse plaatje op de jas was gelegen in het feit dat het plaatje voor meerdere fietsen kon worden gebruikt. Zo kon moeder op haar eigen damesfiets naar de winkel fietsen. De overige fietsen thuis mochten dan niet worden gebruikt. Toen mijn vader als achtjarig kind een bosje bloemen wilde brengen naar het graf van zijn vader ging hij per fiets naar het kerkhof. Op de Kerkweg werd het kind door een agent aangehouden die hem vroeg naar het fietsplaatje. Ondanks dat mijn vader aangaf dat zijn vader onlangs was overleden en dat hij bloemen bracht naar het graf kreeg hij van de onverbiddelijke dienstklopper een bekeuring van twee kwartjes. Destijds voor de achtergebleven weduwe een heel bedrag. Wanneer de fietsbelasting door de mensen niet opgebracht kon worden, bijvoorbeeld ingeval van werkloosheid, dan was het fietsplaatje gratis verkrijgbaar bij het gemeentehuis. Het verstrekte fietsplaatje was in het midden voorzien van een gat. Op deze stigmatiserende manier openbaarde de gemeente de financiële situatie van haar inwoners. Iedereen met een fietsplaatje voorzien van een gat had immers geen cent te makken. Een van de eerste maatregelen die de bevolking direct bemerkte na de Duitse inval was de afschaffing van deze gehate fietsbelasting. Het leven werd in eerste instantie niet slechter op Erica na de Duitse inval. Dat ging veranderen. De nieuwe overheid vertrouwde het volk niet. Het gezag op straat werd aangevuld met zo’n 15 Landwachters die hun hoofdkwartier hadden in café Fokkema. Het waren NSB’ers, collaborateurs van de Duitsers die iedereen in de gaten moesten houden. Ze fietsten dag en nacht in groepen door het dorp en droegen jachtgeweren op hun rug. De landwachters werden door de burgers al snel Jan Hagel genoemd. Hun taak was controleren en bewaken. Dat deden ze. Bruggen, sluizen, kruisingen, mensen, alles werd gecontroleerd en bewaakt. Alles was op de bon, volle fietstassen kon niet, ook daar lette Jan Hagel op. Mijn oom werkte als jongeman toentertijd op een boerderij en kon goed met de boer opschieten. Hij mocht paard met wagen meenemen om zakken rogge naar zijn aanstaande schoonouders te brengen. Zaterdagmorgen was op Erica de elektrische malerij speciaal open voor particulieren. De windmolen was allang buiten bedrijf. Een beetje extra meel was nooit weg. Mijn oom reed met paard en beladen wagen gewoon langs de landwachters en was daarbij zelfs niet eens vriendelijk. De landwachters waren dorpsgenoten die mijn oom kenden, Wanneer dezen mijn oom groetten kregen ze als antwoord, “Ach, knik toch dubbel”. Mijn oom had het niet zo op collaborateurs. Na acht uur was het ‘Sperrtijd’, iedereen moest binnen blijven. Samen met het fietsplaatje werd de vrijheid ingeleverd. Jan Hagel patrouilleerde over Erica. Soms gebeurde iets op Erica en dan kwamen Landwachters uit Emmen assisteren. Met motor en zijspan reden ze bulderend door de straten. Het waren ‘Vrumden’ die niet op Erica elk padje of nisje kenden. Ze werden door de jeugd geplaagd en uitgedaagd. De jongelui creëerden zogenaamde opstootjes. Wanneer Jan Hagel in de verte kwam aangereden losten de jongelingen op in het niets. Uit frustratie werd wel eens vanuit de verte op de jongelui geschoten. Het maakte het alleen maar spannender. Na acht uur ‘s avonds was het overigs een drukte van belang op Erica. Visites en verkeringen gingen gewoon door. Men moest alleen eerst even over de straat kijken of de kust veilig was. Vaak zat Jan Hagel bij de brug hun tijd uit te zitten. Erica was een dorp zoals anderen met mensen zoals anderen. Verraad en collaboratie was ook hier niet vreemd. Pee werd door de Duitser opgeroepen om in Duitsland te werken. Hij kon twee dingen doen. Onderduiken of gehoor geven. Pee was braaf zoals velen in die tijd en gaf gehoor. Hij werd te werk gesteld in Keulen. Voor een jongeman, van het platte land naar een wereldstad als Keulen, moest dat een heus avontuur zijn geweest. Vervelend bijkomstigheid was dat ook de geallieerden Keulen als een wereldstad zagen. Pee’s verblijf werd enige maanden later gebombardeerd. De Duitsers namen aan dat Pee met vele anderen dood in de puinwoestijn waren achtergebleven. Maar Pee overleefde de hel en zag een buitenkans. Hij ging terug naar Erica. Een voor de Duitsers dode Pee hoefde niet meer bang te zijn te worden opgeroepen. Zo kwam Pee terug uit een plat gebombardeerde Keulen en ging op Erica als knecht op de boerderij van zijn ouders werken. Pee’s ouders hadden het niet ruim, als bijverdienste verkocht moeder allerlei zelfgemaakte naaiwerk of naaide voor anderen. Om die reden verschenen vaak klanten op de boerderij. Daarbij werd Pee vaak gezien. De ouders van Pee werden door omwonenden vaak gewaarschuwd, Pee moest gaan onderduiken want hij werd te vaak gezien. Het ging niet door. De ouders van Pee waren oprechte Ericanen, verraad kwam niet voor in hun woordenboek. Pee bleef gewoon als knecht meehelpen op de boerderij. Tot de Duitsers kwamen. Ze vielen binnen bij de buren. Pee was verraden maar de Duitsers hadden zich vergist in de woning. Pee ontsprong de dans. Samen met mijn oom besloot Pee onder te duiken. Achter de boerderij in het woeste veld in een uitgegraven slootwal bedekt met laag aardappelrangen. Pee en mijn oom. Twee onbezorgde twintigers. Dat bleef niet zonder gevolgen. Het werd feest in het woeste veld. Het lawaai onder de aardappelrangen was tot op de Kerkweg te horen. Volgens mijn opa kon dit zo niet langer. Mijn oom moest weg van Erica. Hij werd naar familie in Hoensbroek (Limburg) gebracht, daar was mijn oom veilig. Toen mijn opa na twee dagen de weg terug nam naar Erica zat mijn oom naast hem. Heimwee, mijn oom ging weer terug naar Erica. Verraad nam in dit geval een gunstige wending. Kuper (geen familie van de huidige Kuper op Erica) was een rasechte NSB’er en woonde tegenover mijn vader in een boerderij aan de Kerkweg. Naast de boerderij werden exercities gehouden en Duitse krijgsliederen gezongen. Op het eind van de oorlog sloot Kuper zich aan bij de WaffenSS en vocht mee in het Ardennenoffensief in België. Van Kuper werd nooit meer iets vernomen. Zijn boerderij werd na de oorlog geconfisqueerd en geplunderd. Ondanks zijn kwalijke intenties en ideeën had hij op Erica niemand verraden. Hij had ruimschoots de kans gekregen. Dan wordt zijn rol in een breder perspectief toch anders. Het was in die tijd streng verboden een radio in huis te hebben. Bij huize Beukers was Smerige Hendrik (radio Oranje) tot op de straat te horen. Kuper zei er wel wat van maar ondernam geen actie. Tijdens zo’n gesprek ontschoot Kuper de opmerking hoe vaak hij briefjes onder zijn deur geschoven kreeg. Briefjes met teksten; ‘waarom wordt mijn zoon wel opgeroepen en die niet’, ‘kijk eens naar die…’. Briefjes van verraad. Vaak gebaseerd op het ontbreken van besef of afgunst en jaloezie. Het is overal en van alle tijd.

 

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, Duitse inval.

Erica in oorlogstijd, Duitse inval.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Ruim voor het begin van de Tweede Wereldoorlog konden de mensen op Erica horen hoe de Duitsers hun kanonnen in Meppen aan het inschieten waren. Oma Beukers zei toentertijd tegen haar omgeving dat er weer een oorlog aan zat te komen. Oma Beukers, ze overleed in 1943, had een vooruitziende blik. Al in 1942 wist ze te melden dat de joden werden vergast. Voor de meeste mensen was dit simpelweg te onvoorstelbaar. Soortelijke signalen bleven binnensijpelen op Erica. Oom Jans van mijn moeder kant was van beroep smokkelaar. Hij smokkelde koffie en roomboter naar Duitsland, op de terugweg smokkelde hij in een varkensblaas ‘Schnaps’ (jenever) naar Nederland. Bij zijn terugkomst op Erica sprak hij van kampen met mensen achter prikkeldraad die vochten om een korst brood. Eind jaren dertig bestonden de gevangenen in de kampen vlak over de grens voornamelijk uit Duitsers. Het waren Hitlers politieke tegenstanders die het tij hadden kunnen keren. Op 10 mei 1940 om 04.00 uur viel Duitsland Nederland binnen. Een Saksische broedermoord. Bewonderenswaardig was de moed van het Nederlandse leger die het machtige Duitse leger een tijdje wist op te houden. Het Nederlandse leger was simpelweg niet opgewassen tegen een oorlog. In Nederland bloeide de tijd van het ‘gebroken geweertje’. De verdediging van Nederland bestond deels uit vrijwilligers! Veel van het geschut stamde nog uit 1870. Onze luchtmacht bestond uit een allegaartje van vliegtuigen. Toen de Duitsers in zwaar bewapende ‘Schnellboten’ de Rijn kwamen afvoeren werd de Nederlandse grens verdedigd door roeiers in een houten sloep, voorin een officier met een pistool. De bunkers in Nederland werden eenvoudig weggeblazen door de enorme Duitse kanonnen. De onneembare waterlinie werd letterlijk overvlogen. De politici die verantwoordelijk waren voor het Nederlandse leger wachtten de gevolgen van hun beleid niet af. Ze vluchtten naar Engeland. Daar in Londen schoven de heren aan het buffet terwijl de Nederlanders hier een vorkje bloembol prikten. In de vroege morgen van 10 mei 1940 werden de Ericanen wakker van enorme doffe dreunen in de verte. De Nederlandse soldaten waren begonnen om alle bruggen in Zuidoost Drenthe op te blazen. Naast het geluid van de explosies was een laag brommend geluid hoorbaar, honderden Duitse vliegtuigen kwamen aangevlogen vanuit het oosten. Verwacht geen treurnis. Terwijl de Duitse vliegtuigen in formaties over Erica vlogen dansten de kinderen op straat. Ze waren opgetogen, blij dat de oorlog was begonnen, eindelijk gebeurde er iets. Deze kinderlijke visie werd jaren later door enkele volwassenen overgenomen. Die keken naar het luchtruim en vroegen zich hardop af wanneer er weer een spannende ‘luchtgeveggie’ ging plaatsvinden. Niet beseffend wat een verlies aan mensenlevens hiermee gepaard ging. Luchtgevechten vonden niet plaats boven Erica op de 10e mei 1940. De trage Duitse transportvliegtuigen konden boven Erica ongehinderd doorvliegen. In Friesland echter, nabij de afsluitdijk, werden deze vliegtuigen door onze luchtartillerie bij bosjes uit de lucht geschoten. Erica lag op de O-verdedigingslinie en werd verdedigd door een kazemat in het centrum van Erica. De Kazemat lag aan het kanaal naast de ophaalbrug over het havenkanaal. De drie schietgaten in de kazemat waren gericht op het oosten en zuidoosten, op de Verlengde Hoogeveense Vaart, en het zuiden, de Pannenkoekendijk. Ter hoogte van de kazemat, aan de overkant van de straat, voor de eerste twee woningen van Mensing, lag in de voortuin een loopgraaf met een gecamoufleerde mitrailleursnest. De houten draaibrug bij boerderij Lohues, in de bocht naar Klazienaveen, werd eveneens bewaakt door Nederlandse soldaten, die hadden hun kwartier in het lagerschoolgebouw aldaar. In totaal zo’n veertigtal Nederlandse soldaten droegen zorg voor de defensie van Erica. Het hoofdkwartier was café Fokkema waar ook de transportwagen stond. Toen de oorlogsdreiging toenam deed de 35 meter hoge toren van de Katholieke Kerk op Erica dienst als observatiepost. Aan de oostzijde op de punt van de toren zat een luik in het dak, van hieruit hadden de Nederlandse soldaten vrij zicht tot aan de Duitse grens. De Duitsers kwamen, twaalfduizend man sterk. Met slechts drieduizend Nederlandse soldaten als verdediging van Noord-Nederland was de strijd kansloos. De Nederlandse soldaten op Erica kregen het bevel de drie bruggen op te blazen. De houten draaibrug bij boerderij Lohues, de houten draaibrug over het hoofdkanaal in het centrum en de naastgelegen stalen ophaalbrug over het havenkanaal. Van tevoren was met de betrokken bevolking op Erica het evacuatieplan besproken. Alle woningen in de buurt van de bruggen moesten worden ontruimd. De evacués kregen allemaal een tijdelijk gastadres elders op Erica. Wat menig Ericaan vreesde ging die 10e mei 1940 dan echt gebeuren. Veldwachter Veld bulderde met luide stem door de straten om het pand te verlaten en deur en ramen open te laten. Wat zich toen afspeelde op die vroege morgen was nooit eerder op Erica vertoond. Erica kwam op drift. Honderden Ericanen, bepakt en gezakt, liepen die dag in mei, met fiets of handkar in noordelijk richting naar hun gastadressen. Na een periode van dreigende stilte vlogen de bruggen op Erica met een daverende knal de lucht in. In deze dreigende sfeer kwam het bericht binnen op Erica, de Duitsers waren gesignaleerd op de Dordsedijk in Klazienaveen. Vanuit het oosten trokken de Duitsers Drenthe binnen richting Emmen. Een volgend bericht sprak van felle gevechten in Nieuw Dordrecht tussen de daar gelegerde Nederlandse soldaten en de Duitse invallers. Duitse inval 4Een jongen van Harms uit Erica, die woonde op de kanaallinie, kon zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Hij sprong op zijn fiets om in Klazienaveen de Duitse invallers te bekijken. Hij werd door de Duitse colonne gezien en gewenkt om dichterbij te komen. Hij kon gelijk zijn fiets inleveren. De jonge Harms moest te voet naar huis. Hij kon zich troosten met de gedachte dat de eerste fiets die door de Duitsers in Nederland werd ingepikt een Ericase fiets was. Ondertussen bleven de Duitse vliegtuigen over Erica vliegen. Omdat de constructie van de ophaalbrug in het schootsveld lag van de mitrailleur konden de vliegtuigen niet worden beschoten. Een korporaal besloot met de mitrailleur op de ophaalbrug te klimmen. Vanuit deze hoge positie loste hij salvo’s met de mitrailleur op de Duitse vliegtuigen. Vanuit de vliegtuigen schoten de Duitsers terug. De kogels kwamen terecht in de woningbouw maar richtten geen schade aan. De oorlog op Erica was in volle gang. Bij de ‘slag om Erica’ sneuvelde een Nederlandse soldaat. Eigenlijk niet echt sneuvelen, de ongelukkige soldaat bezweek een week eerder aan een acute darmziekte. Opeens was de oorlog op Erica afgelopen. De Nederlandse soldaten kregen het bevel de stellingen op Erica te verlaten en zich terug te trekken via Emmen op de Q-linie in Sleen. De Ericanen zagen tot hun ontsteltenis dat de militaire transportwagen uit het dorp vertrok. In de bak zaten de Nederlandse soldaten luidkeels te zingen. Ze wisten echter niet dat de Duitsers Emmen inmiddels hadden ingenomen. Duitse inval 3Onze zingende krijgslieden werden daar prompt krijgsgevangenen gemaakt. De Duitse inval verliep voorspoedig, ze hadden landkaarten met alle Nederlandse stellingen. Wat niet door politici was verkwanseld, was door spionnen opgetekend, door collaborateurs verraden of een jaar tevoren door Duitse toeristen in kaart gebracht. Alle stellingen? Nee, bij Noord-Sleen stond een nieuwe bunker in het veld die op geen enkel Duits lijstje voorkwam. De bunker lag precies op de aanvalsroute van de Duitsers. Hier kregen ze hun eerste serieuze tegenstand. Volgens overlevering sneuvelden er tientallen Duitse soldaten bij de verovering van deze bunker. Getuigen in Klazienaveen verklaarden van terugkerende Duitse vrachtwagens geladen met gesneuvelde Duitse soldaten. Toen de wagens voor de opgeblazen Dordse brug halt hielden sijpelde bloed uit alle kieren en gaten. Voor de Nederlandse soldaten in de bunker van Noord-Sleen was de strijd na een paar uur voorbij. Het was niet de moed van de vier Nederlandse soldaten die parten speelde maar gebrek aan munitie.

Geschreven door Henk Beukers

4 of 17
12345678