Posts by: H. Beukers

Erica in oorlogstijd, opstand.

Erica in oorlogstijd, opstand.

Vijfde jaar alweer

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het begon op een septemberdag in 1944. Erica ging gebukt onder het vierde oorlogsjaar. Dagelijks voerden lange rijen volgeladen schepen door het kanaal richting Duitsland. Net als de overige door Duitsland veroverde landen werd Nederland leeg geplunderd. Mijn vader zat aan het kanaal te vissen toen weer een lange rij schepen voorbij voerde. Plotseling een daverende klap met een enorme waterfontein. De Duitse soldaten op de schepen besloten ook te gaan vissen. Maar dan op zijn Duits, met handgranaten. Dikke vissen kwamen door de drukgolf, veroorzaakt door de explosie van de handgranaat, boven drijven. Gretig werden de dikste vissen door de soldaten binnen gehaald, de rest lieten ze drijven. Dat vond mijn vader niet erg. Met iets minder dikke vissen was hij ook zeer tevreden. Toen mijn vader met zijn rijke oogst bij huis aankwam zag hij een opstootje schuin voor zijn huis op de Kerkweg. Zijn tante Sien was in een druk gebarende discussie met NSBer Kuper (geen familie van). Tante Sien woonde tegenover Kuper in een grote boerderij. Tante Sien was weduwe, haar man was zo’n dertig jaar eerder met nog een paar Ericanen gestorven aan de Spaanse griep. Kuper stond met een paar mede-NSBers met een verfpot in de hand naar overbuurvrouw tante Sien te luisteren. ‘Dat had ik nie van joe dacht Kuper’, hoorde mijn vader tante Sien zeggen. Kuper stond met een rood hoofd er verlegen bij te lachen. Ze hadden net met witgekalkte letters op de Kerkstraat geschreven: ‘V van Victory want Duitschland wint voor Europa op alle fronten’. Tante Sien liet haar schort los, deze had ze gevuld met zand. Het gestorte zand bedekte de tekst op de klinkers. Meerdere Ericanen bemoeiden zich met het opstootje. De groep NSBers onder leiding van Kuper maakten zich uit de voeten. Het duurde niet lang of het volgende opstootje diende zich aan. Pal voor de Katholieke kerk hadden Kupers groep wederom hun oorlogstaal op de klinkers gekalkt. Nu kwamen verschillende Ericanen aangerend met haastig gevulde zakken zand om de tekst direct weer te bedekken. De NSBers trokken over de Kerkweg richting de Verlengde Hoogeveense Vaart. Met veel kabaal en geschreeuw van de NSBers werd opnieuw hun spreuk op de Kerkweg gekalkt. De tegenstanders die daarop de tekst met zand bedekten was inmiddels tot een twintigtal gegroeid. Bij het kanaal sloeg Kuper met zijn groep rechtsaf richting het centrum van Erica. Aan het kanaal werd wederom met de witte kwast hitsige oorlogstaal op de straat geschreven. Hun geschreeuw en gebral was hierbij echter aanmerkelijk verstomd. Bezorgd keken enkele NSBers om zich heen. Ander geschreeuw overstemde de hunne. De groep boze Ericanen was inmiddels aangezweld tot zo’n zestig man en groeide nog steeds. Ze waren niet bang. Even leek het erop dat Kuper en consorten het slachtoffer gingen worden van een volksgericht. Ze werden bij het huis van de gebroeders R. in het nauw gedreven. Snel vluchtte de groep het huis van R. binnen. De gebroeders R. waren eveneens NSBers, maar dan van het ergste soort. Deze gaven lezingen om mensen binnenboord te trekken in hun donkere organisatie. Het lukte. Menig boer en menig burger liet zich ompraten en sloot zich aan bij de NSB. Een aantal waren echter voorzichtig, ze lieten zich niet inschrijven maar bleven liever sympathisant. Voor de overigen die zich wel officieel lieten inschrijven bij de NSB had deze misstap, na de oorlog, catastrofale gevolgen. Voor het huis van de gebroeders R. hadden zich inmiddels zo’n honderd boze Ericase mannen verzameld. Erica kwam in opstand. Geschreeuw, geduw, opgeheven vuisten en scheldpartijen, de jarenlange onderdrukking ontlaadde zich. Plotseling suisde een baksteen door de lucht en sloeg luid rinkelend door de voorruit van het huis van R. Degene die de steen wierp, zo bleek later, was een oom van mij. Een luide hoezee welde uit de groep boze Ericanen. Inmiddels was een telefoontje gepleegd naar het centrale gezag in Emmen. Mannen in zwarte kledij, bewapend met karabijnen en wapenstokken, reden op motoren met zijspan richting Erica. Toen de motoren voor het huis van R. stopten kwam een bange groep NSBers voorzichtig tevoorschijn. Van de groep boze Ericanen was niemand meer te zien. Ze bleken tijdig te zijn gewaarschuwd en hadden zich uit de voeten gemaakt. De spertijd werd ingekort naar 20.00 uur, nog dagenlang werd met motoren gepatrouilleerd door de straten van Erica. Hierbij werden de mannen van ‘Jan Hagel’ voortdurend uitgedaagd door opstootjes en zijn er daadwerkelijk schoten gevallen. Tot de rust uiteindelijk weer terugkeerde op het dorp. Maar Erica vergeet niet snel iets. Op het eind van de oorlog maakten de Duitsers er een gewoonte van om paarden van de boeren te vorderen. Die hadden geen keus. Op gezette tijden werd door de Duitsers voor de Katholieke kerk een tent opgezet, voor hun onmisbare administratie. De boeren kregen een oproep om met hun paarden voor de kerk te verschijnen. Weldra vulde het terrein zich met honderden Ericanen die schouder aan schouder de Duitsers zwijgend smerig aankeken. Zwijgend verzet. Terwijl de ene paard na het andere werd gevorderd voor het front ontstond langzamerhand een dreigende sfeer voor het kerkgebouw. De Duitsers trokken zich hiervan echter niets aan. De boeren mochten blij zijn, voor hun paarden kregen ze tenminste een frontpaard terug. Het bleken totaal afgeragde paarden. maar sommige boeren kregen niets terug, dus wees blij. Een kwartier voor eind van de vordering werd het plotseling onrustig. Mannen maakten zich snel uit de voeten, ze wisten wat er ging komen. De Duitsers stonden al rond te kijken om ‘vrijwilligers’ te zoeken die de gevorderde paarden naar Hoogeveen moesten brengen. Een reis van twee uur heen en twee uur terug. Op het eind van de paardenvordering was geen ‘vrijwilliger’ meer op het terrein te zien, hoogstens vrouwen, kinderen en bejaarden. Een razzia in het dorp volgde. Mijn vader, inmiddels achttien jaar, vluchtte naar zijn huis en later het veld in richting het huis van oude Poelman. Decennia later ons huis! De Duitsers gingen aan de Kerkweg alle huizen, ook mijn vaders huis, met veel kabaal bij langs. Mannen die te lang hadden getreuzeld of hun klompen niet snel genoeg konden vinden gingen als ‘vrijwilliger’ mee met de Duitsers. Die werden pas ‘s avonds weer terug gezien. Langzaam verdween het kabaal en werd het stil. Van achter mijn vaders huis ging de deur van het ‘huusie’ langzaam piepend open. Het was mijn oom Jurry, hij trok zijn broek op, klopte zijn pijp uit, hij had van al die drukte niets gemerkt.

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, bombardement.

Erica in oorlogstijd, bombardement.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het was een rustige winterdag in het najaar van 1944. Mijn opa was op dat moment op erica nabij de molen een turfschip aan het uitladen. Het turfschip lag vast in het bevroren kanaal. Het was zwaar werk waarbij mijn opa met een speciale kruiwagen de turf tegen de wal moest op rijden. Het was eentonig werk, niets leek die dag het ritme te kunnen verstoren. Mijn opa was de laatste lading aan het opstapelen achter een huis toen in de verte een geronk hoorbaar werd. Het was oorlog, voor mijn opa was het de zoveelste vliegtuig die over Erica vloog. Hij besloot gewoon door te gaan met zijn werkzaamheden. In 1944 waren de geallieerden heer en meester in het luchtruim. Hun snelle jagers schoten op alles wat verdacht leek. Bijvoorbeeld een turfschip. Terwijl mijn opa achter het huis aan het werk was dook een Engelse jager uit een wolk naar beneden. Het geronk nam toe, uit de vleugels schoten korte felle vlammen. Luide knallen overstemden het motorgeronk. Uit het ijs in het kanaal spoten geisers van water en ijsstof. Overal op Erica zochten mensen dekking, behalve mijn opa die werkte stug door. Na zijn eerste salvo maakte de jager een bocht boven Erica om zich voor te bereiden op zijn volgende salvo uit de mitrailleurs. Nu werd de molen getroffen, een wiek werd eraf geschoten en het dak beschadigd. Bij de derde duikvlucht werden een paar turfschepen getroffen waaronder die van mijn opa. Zo plotseling als de jachtvliegtuig was gekomen zo snel was het verdwenen. Voorzichtig kwamen de mensen uit hun schuilplaatsen. Aan het kanaal stond mijn opa verbaasd om zich heen te kijken met een lege kruiwagen in zijn handen. Hij keek naar het kanaal en krabde zich even onder de pet. Waar was zijn turfschip gebleven? De molen op Erica bleef tot in de jaren zeventig een bouwval. In Emmen hadden ze ook een molen, deze stond in het centrum. Maar zoals vele oude gebouwen in Emmen werd ook deze molen gesloopt. Ze dachten een nieuwe molen te kunnen realiseren door de molen uit Erica te confisqueren. Met de trambrug op Erica was het ook gelukt. Die staat nu in het veenmuseum in Barger-Compascuüm. Gelukkig werden de bewoners op Erica tijdig bewust van hun erfgoed. De molen werd gerestaureerd en is thans een monument in het dorp. Terug naar het laatste jaar van de oorlog. Wanneer mensen op Erica naar de horizon het zuidwesten keken zagen ze een witte streep die langzaam naar boven kroop en verdween in de wolken. Soms zagen de mensen op Erica elk uur zo’n geheimzinnige streep in de wolken verdwijnen. Het waren V2 raketten die de Duitsers vanuit de omgeving van Uelsen op hun vijand schoten. Dat kon zijn Londen of het front in Frankrijk of België. In het laatste oorlogsjaar was het druk in de lucht. Dagelijks tegen negen uur ‘s morgens werd uit het westen een diepe grondtoon hoorbaar die langzaam luider werd. Pas tegen tien uur zagen mensen de oorzaak van het geluid. Het waren honderden Amerikaanse bommenwerpers. Als wespen vlogen daar jachtvliegtuigen om heen. Wanneer de vliegtuigen eindelijk waren verdwenen naar het oosten was de zon achter een dikke nevel verdwenen. Uren later kwamen de Amerikaanse toestellen terug. ‘s Nachts namen de Engelsen het over. Het kon niet uitblijven dat het een keer misging. Zo hoorde mijn vader ‘s nachts een luide knal en zag in het noordoosten een enorme vuurbal naar beneden stortten. Later bleek dat een Engelse bommenwerper te zijn die was aangeschoten door een Duitse nachtjager. Het vliegtuig was neergestort op een woonhuis. De bemanningsleden werden in Nieuw Dordrecht begraven. Wie goed kijkt ziet tegenover de oorlogsgraven graven met dezelfde naam. Het zijn de bewoners van het woonhuis. Tijdens het werk op het land zag mijn vader een paar Amerikaanse bommenwerpers, zogenaamde ‘Vliegende Forten’, boven Schoonebeek vliegen. Plotseling zag mijn vader vanuit het noorden drie Duitse jagers naar de bommenwerpers toe vliegen. Ze openden de aanval op de bommenwerpers. Een moment later hoorde mijn vader explosies en zag vleugels en staarten door de lucht vliegen. Twee jagers waren door de Vliegende Forten te grazen genomen. Een vliegtuig van de Amerikanen vloog rokend verder. Mijn vader draaide zich om en schoffelde verder. Het veengebied ten zuiden van Erica werden door de geallieerde vliegers vaak als noodlandingsgebied gezien. Blijkbaar werd geredeneerd dat veen een zachte substantie is. In de praktijk bleek de enige kans op overleven een parachute te zijn. Van een neergestorte bommenwerper bleef in het veen door de regel alleen stukjes over. Dat gold doorgaans ook voor de bemanning. Er zijn getuigen die spreken van bemanningsleden die pas op het laatst uit het vliegtuig sprongen. Niemand overleefd zo’n impact in het veen met zo’n snelheid. De bemanningsleden stonden als poppetjes in het veen gepriemd. Tot op de dag van vandaag kunnen op bepaalde plekken in het veen nog onderdeeltjes van vliegtuigen te vinden zijn. Uiteraard worden hier de crashplekken niet bekend gemaakt. Soms ging het met de bommenwerpers anders. Zo verdwenen Amerikaanse bommenwerpers niet naar het oosten maar bleven ze cirkelen boven het oostelijk gelegen dorp Klazienaveen. Om daarna naar het westen te verdwijnen. Een evacué uit het westen van Nederland waarschuwde dat de vliegtuigen terug zouden komen. Hij had dit in het westen vaker gezien. Een week later werd de Puritfabriek in Klazienaveen gebombardeerd met een aantal doden tot gevolg. Dat niet de gehele fabriek niet in de as werd gelegd lag aan het feit, zo werd beweerd, dat aandeelhouders van de Puritfabriek Amerikanen waren. Op een ander minder bekende gebeurtenis maakten zo’n twaalf Amerikaanse bommenwerpers boven Erica zich los van de hoofdmacht. Via een omtrekkende beweging vlogen ze weer richting Engeland. Boven het gebied Tweede Zuiderraai gingen de bommenluiken open en lieten ze hun dodelijke lading vallen op de daar op het land werkende arbeiders. Voor Ericase begrippen waren de gevolgen gruwelijk: een dode tiener, een zestal zwaar gewonden en een aantal dode paarden. Het was een bombardement op Erica die geen geschiedenis heeft omdat niemand het zich herinnerd.

 

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, onderdrukking en verraad.

Erica in oorlogstijd, onderdrukking en verraad.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Voor de Duitse inval liepen op Erica vier agenten constant door de straten, o.a. om te controleren of elke fietser een fietsplaatje bij zich had. Met dit fietsplaatje werd aangetoond dat fietsbelasting was betaald. Het plaatje werd gewoonlijk op de fiets gemonteerd. Dit hoefde echter niet. Men kon het plaatje ook op de jas spelden. Belangrijk was dat het bij een controle kon worden getoond. Het voordeel van het losse plaatje op de jas was gelegen in het feit dat het plaatje voor meerdere fietsen kon worden gebruikt. Zo kon moeder op haar eigen damesfiets naar de winkel fietsen. De overige fietsen thuis mochten dan niet worden gebruikt. Toen mijn vader als achtjarig kind een bosje bloemen wilde brengen naar het graf van zijn vader ging hij per fiets naar het kerkhof. Op de Kerkweg werd het kind door een agent aangehouden die hem vroeg naar het fietsplaatje. Ondanks dat mijn vader aangaf dat zijn vader onlangs was overleden en dat hij bloemen bracht naar het graf kreeg hij van de onverbiddelijke dienstklopper een bekeuring van twee kwartjes. Destijds voor de achtergebleven weduwe een heel bedrag. Wanneer de fietsbelasting door de mensen niet opgebracht kon worden, bijvoorbeeld ingeval van werkloosheid, dan was het fietsplaatje gratis verkrijgbaar bij het gemeentehuis. Het verstrekte fietsplaatje was in het midden voorzien van een gat. Op deze stigmatiserende manier openbaarde de gemeente de financiële situatie van haar inwoners. Iedereen met een fietsplaatje voorzien van een gat had immers geen cent te makken. Een van de eerste maatregelen die de bevolking direct bemerkte na de Duitse inval was de afschaffing van deze gehate fietsbelasting. Het leven werd in eerste instantie niet slechter op Erica na de Duitse inval. Dat ging veranderen. De nieuwe overheid vertrouwde het volk niet. Het gezag op straat werd aangevuld met zo’n 15 Landwachters die hun hoofdkwartier hadden in café Fokkema. Het waren NSB’ers, collaborateurs van de Duitsers die iedereen in de gaten moesten houden. Ze fietsten dag en nacht in groepen door het dorp en droegen jachtgeweren op hun rug. De landwachters werden door de burgers al snel Jan Hagel genoemd. Hun taak was controleren en bewaken. Dat deden ze. Bruggen, sluizen, kruisingen, mensen, alles werd gecontroleerd en bewaakt. Alles was op de bon, volle fietstassen kon niet, ook daar lette Jan Hagel op. Mijn oom werkte als jongeman toentertijd op een boerderij en kon goed met de boer opschieten. Hij mocht paard met wagen meenemen om zakken rogge naar zijn aanstaande schoonouders te brengen. Zaterdagmorgen was op Erica de elektrische malerij speciaal open voor particulieren. De windmolen was allang buiten bedrijf. Een beetje extra meel was nooit weg. Mijn oom reed met paard en beladen wagen gewoon langs de landwachters en was daarbij zelfs niet eens vriendelijk. De landwachters waren dorpsgenoten die mijn oom kenden, Wanneer dezen mijn oom groetten kregen ze als antwoord, “Ach, knik toch dubbel”. Mijn oom had het niet zo op collaborateurs. Na acht uur was het ‘Sperrtijd’, iedereen moest binnen blijven. Samen met het fietsplaatje werd de vrijheid ingeleverd. Jan Hagel patrouilleerde over Erica. Soms gebeurde iets op Erica en dan kwamen Landwachters uit Emmen assisteren. Met motor en zijspan reden ze bulderend door de straten. Het waren ‘Vrumden’ die niet op Erica elk padje of nisje kenden. Ze werden door de jeugd geplaagd en uitgedaagd. De jongelui creëerden zogenaamde opstootjes. Wanneer Jan Hagel in de verte kwam aangereden losten de jongelingen op in het niets. Uit frustratie werd wel eens vanuit de verte op de jongelui geschoten. Het maakte het alleen maar spannender. Na acht uur ‘s avonds was het overigs een drukte van belang op Erica. Visites en verkeringen gingen gewoon door. Men moest alleen eerst even over de straat kijken of de kust veilig was. Vaak zat Jan Hagel bij de brug hun tijd uit te zitten. Erica was een dorp zoals anderen met mensen zoals anderen. Verraad en collaboratie was ook hier niet vreemd. Pee werd door de Duitser opgeroepen om in Duitsland te werken. Hij kon twee dingen doen. Onderduiken of gehoor geven. Pee was braaf zoals velen in die tijd en gaf gehoor. Hij werd te werk gesteld in Keulen. Voor een jongeman, van het platte land naar een wereldstad als Keulen, moest dat een heus avontuur zijn geweest. Vervelend bijkomstigheid was dat ook de geallieerden Keulen als een wereldstad zagen. Pee’s verblijf werd enige maanden later gebombardeerd. De Duitsers namen aan dat Pee met vele anderen dood in de puinwoestijn waren achtergebleven. Maar Pee overleefde de hel en zag een buitenkans. Hij ging terug naar Erica. Een voor de Duitsers dode Pee hoefde niet meer bang te zijn te worden opgeroepen. Zo kwam Pee terug uit een plat gebombardeerde Keulen en ging op Erica als knecht op de boerderij van zijn ouders werken. Pee’s ouders hadden het niet ruim, als bijverdienste verkocht moeder allerlei zelfgemaakte naaiwerk of naaide voor anderen. Om die reden verschenen vaak klanten op de boerderij. Daarbij werd Pee vaak gezien. De ouders van Pee werden door omwonenden vaak gewaarschuwd, Pee moest gaan onderduiken want hij werd te vaak gezien. Het ging niet door. De ouders van Pee waren oprechte Ericanen, verraad kwam niet voor in hun woordenboek. Pee bleef gewoon als knecht meehelpen op de boerderij. Tot de Duitsers kwamen. Ze vielen binnen bij de buren. Pee was verraden maar de Duitsers hadden zich vergist in de woning. Pee ontsprong de dans. Samen met mijn oom besloot Pee onder te duiken. Achter de boerderij in het woeste veld in een uitgegraven slootwal bedekt met laag aardappelrangen. Pee en mijn oom. Twee onbezorgde twintigers. Dat bleef niet zonder gevolgen. Het werd feest in het woeste veld. Het lawaai onder de aardappelrangen was tot op de Kerkweg te horen. Volgens mijn opa kon dit zo niet langer. Mijn oom moest weg van Erica. Hij werd naar familie in Hoensbroek (Limburg) gebracht, daar was mijn oom veilig. Toen mijn opa na twee dagen de weg terug nam naar Erica zat mijn oom naast hem. Heimwee, mijn oom ging weer terug naar Erica. Verraad nam in dit geval een gunstige wending. Kuper (geen familie van de huidige Kuper op Erica) was een rasechte NSB’er en woonde tegenover mijn vader in een boerderij aan de Kerkweg. Naast de boerderij werden exercities gehouden en Duitse krijgsliederen gezongen. Op het eind van de oorlog sloot Kuper zich aan bij de WaffenSS en vocht mee in het Ardennenoffensief in België. Van Kuper werd nooit meer iets vernomen. Zijn boerderij werd na de oorlog geconfisqueerd en geplunderd. Ondanks zijn kwalijke intenties en ideeën had hij op Erica niemand verraden. Hij had ruimschoots de kans gekregen. Dan wordt zijn rol in een breder perspectief toch anders. Het was in die tijd streng verboden een radio in huis te hebben. Bij huize Beukers was Smerige Hendrik (radio Oranje) tot op de straat te horen. Kuper zei er wel wat van maar ondernam geen actie. Tijdens zo’n gesprek ontschoot Kuper de opmerking hoe vaak hij briefjes onder zijn deur geschoven kreeg. Briefjes met teksten; ‘waarom wordt mijn zoon wel opgeroepen en die niet’, ‘kijk eens naar die…’. Briefjes van verraad. Vaak gebaseerd op het ontbreken van besef of afgunst en jaloezie. Het is overal en van alle tijd.

 

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, Duitse inval.

Erica in oorlogstijd, Duitse inval.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Ruim voor het begin van de Tweede Wereldoorlog konden de mensen op Erica horen hoe de Duitsers hun kanonnen in Meppen aan het inschieten waren. Oma Beukers zei toentertijd tegen haar omgeving dat er weer een oorlog aan zat te komen. Oma Beukers, ze overleed in 1943, had een vooruitziende blik. Al in 1942 wist ze te melden dat de joden werden vergast. Voor de meeste mensen was dit simpelweg te onvoorstelbaar. Soortelijke signalen bleven binnensijpelen op Erica. Oom Jans van mijn moeder kant was van beroep smokkelaar. Hij smokkelde koffie en roomboter naar Duitsland, op de terugweg smokkelde hij in een varkensblaas ‘Schnaps’ (jenever) naar Nederland. Bij zijn terugkomst op Erica sprak hij van kampen met mensen achter prikkeldraad die vochten om een korst brood. Eind jaren dertig bestonden de gevangenen in de kampen vlak over de grens voornamelijk uit Duitsers. Het waren Hitlers politieke tegenstanders die het tij hadden kunnen keren. Op 10 mei 1940 om 04.00 uur viel Duitsland Nederland binnen. Een Saksische broedermoord. Bewonderenswaardig was de moed van het Nederlandse leger die het machtige Duitse leger een tijdje wist op te houden. Het Nederlandse leger was simpelweg niet opgewassen tegen een oorlog. In Nederland bloeide de tijd van het ‘gebroken geweertje’. De verdediging van Nederland bestond deels uit vrijwilligers! Veel van het geschut stamde nog uit 1870. Onze luchtmacht bestond uit een allegaartje van vliegtuigen. Toen de Duitsers in zwaar bewapende ‘Schnellboten’ de Rijn kwamen afvoeren werd de Nederlandse grens verdedigd door roeiers in een houten sloep, voorin een officier met een pistool. De bunkers in Nederland werden eenvoudig weggeblazen door de enorme Duitse kanonnen. De onneembare waterlinie werd letterlijk overvlogen. De politici die verantwoordelijk waren voor het Nederlandse leger wachtten de gevolgen van hun beleid niet af. Ze vluchtten naar Engeland. Daar in Londen schoven de heren aan het buffet terwijl de Nederlanders hier een vorkje bloembol prikten. In de vroege morgen van 10 mei 1940 werden de Ericanen wakker van enorme doffe dreunen in de verte. De Nederlandse soldaten waren begonnen om alle bruggen in Zuidoost Drenthe op te blazen. Naast het geluid van de explosies was een laag brommend geluid hoorbaar, honderden Duitse vliegtuigen kwamen aangevlogen vanuit het oosten. Verwacht geen treurnis. Terwijl de Duitse vliegtuigen in formaties over Erica vlogen dansten de kinderen op straat. Ze waren opgetogen, blij dat de oorlog was begonnen, eindelijk gebeurde er iets. Deze kinderlijke visie werd jaren later door enkele volwassenen overgenomen. Die keken naar het luchtruim en vroegen zich hardop af wanneer er weer een spannende ‘luchtgeveggie’ ging plaatsvinden. Niet beseffend wat een verlies aan mensenlevens hiermee gepaard ging. Luchtgevechten vonden niet plaats boven Erica op de 10e mei 1940. De trage Duitse transportvliegtuigen konden boven Erica ongehinderd doorvliegen. In Friesland echter, nabij de afsluitdijk, werden deze vliegtuigen door onze luchtartillerie bij bosjes uit de lucht geschoten. Erica lag op de O-verdedigingslinie en werd verdedigd door een kazemat in het centrum van Erica. De Kazemat lag aan het kanaal naast de ophaalbrug over het havenkanaal. De drie schietgaten in de kazemat waren gericht op het oosten en zuidoosten, op de Verlengde Hoogeveense Vaart, en het zuiden, de Pannenkoekendijk. Ter hoogte van de kazemat, aan de overkant van de straat, voor de eerste twee woningen van Mensing, lag in de voortuin een loopgraaf met een gecamoufleerde mitrailleursnest. De houten draaibrug bij boerderij Lohues, in de bocht naar Klazienaveen, werd eveneens bewaakt door Nederlandse soldaten, die hadden hun kwartier in het lagerschoolgebouw aldaar. In totaal zo’n veertigtal Nederlandse soldaten droegen zorg voor de defensie van Erica. Het hoofdkwartier was café Fokkema waar ook de transportwagen stond. Toen de oorlogsdreiging toenam deed de 35 meter hoge toren van de Katholieke Kerk op Erica dienst als observatiepost. Aan de oostzijde op de punt van de toren zat een luik in het dak, van hieruit hadden de Nederlandse soldaten vrij zicht tot aan de Duitse grens. De Duitsers kwamen, twaalfduizend man sterk. Met slechts drieduizend Nederlandse soldaten als verdediging van Noord-Nederland was de strijd kansloos. De Nederlandse soldaten op Erica kregen het bevel de drie bruggen op te blazen. De houten draaibrug bij boerderij Lohues, de houten draaibrug over het hoofdkanaal in het centrum en de naastgelegen stalen ophaalbrug over het havenkanaal. Van tevoren was met de betrokken bevolking op Erica het evacuatieplan besproken. Alle woningen in de buurt van de bruggen moesten worden ontruimd. De evacués kregen allemaal een tijdelijk gastadres elders op Erica. Wat menig Ericaan vreesde ging die 10e mei 1940 dan echt gebeuren. Veldwachter Veld bulderde met luide stem door de straten om het pand te verlaten en deur en ramen open te laten. Wat zich toen afspeelde op die vroege morgen was nooit eerder op Erica vertoond. Erica kwam op drift. Honderden Ericanen, bepakt en gezakt, liepen die dag in mei, met fiets of handkar in noordelijk richting naar hun gastadressen. Na een periode van dreigende stilte vlogen de bruggen op Erica met een daverende knal de lucht in. In deze dreigende sfeer kwam het bericht binnen op Erica, de Duitsers waren gesignaleerd op de Dordsedijk in Klazienaveen. Vanuit het oosten trokken de Duitsers Drenthe binnen richting Emmen. Een volgend bericht sprak van felle gevechten in Nieuw Dordrecht tussen de daar gelegerde Nederlandse soldaten en de Duitse invallers. Duitse inval 4Een jongen van Harms uit Erica, die woonde op de kanaallinie, kon zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Hij sprong op zijn fiets om in Klazienaveen de Duitse invallers te bekijken. Hij werd door de Duitse colonne gezien en gewenkt om dichterbij te komen. Hij kon gelijk zijn fiets inleveren. De jonge Harms moest te voet naar huis. Hij kon zich troosten met de gedachte dat de eerste fiets die door de Duitsers in Nederland werd ingepikt een Ericase fiets was. Ondertussen bleven de Duitse vliegtuigen over Erica vliegen. Omdat de constructie van de ophaalbrug in het schootsveld lag van de mitrailleur konden de vliegtuigen niet worden beschoten. Een korporaal besloot met de mitrailleur op de ophaalbrug te klimmen. Vanuit deze hoge positie loste hij salvo’s met de mitrailleur op de Duitse vliegtuigen. Vanuit de vliegtuigen schoten de Duitsers terug. De kogels kwamen terecht in de woningbouw maar richtten geen schade aan. De oorlog op Erica was in volle gang. Bij de ‘slag om Erica’ sneuvelde een Nederlandse soldaat. Eigenlijk niet echt sneuvelen, de ongelukkige soldaat bezweek een week eerder aan een acute darmziekte. Opeens was de oorlog op Erica afgelopen. De Nederlandse soldaten kregen het bevel de stellingen op Erica te verlaten en zich terug te trekken via Emmen op de Q-linie in Sleen. De Ericanen zagen tot hun ontsteltenis dat de militaire transportwagen uit het dorp vertrok. In de bak zaten de Nederlandse soldaten luidkeels te zingen. Ze wisten echter niet dat de Duitsers Emmen inmiddels hadden ingenomen. Duitse inval 3Onze zingende krijgslieden werden daar prompt krijgsgevangenen gemaakt. De Duitse inval verliep voorspoedig, ze hadden landkaarten met alle Nederlandse stellingen. Wat niet door politici was verkwanseld, was door spionnen opgetekend, door collaborateurs verraden of een jaar tevoren door Duitse toeristen in kaart gebracht. Alle stellingen? Nee, bij Noord-Sleen stond een nieuwe bunker in het veld die op geen enkel Duits lijstje voorkwam. De bunker lag precies op de aanvalsroute van de Duitsers. Hier kregen ze hun eerste serieuze tegenstand. Volgens overlevering sneuvelden er tientallen Duitse soldaten bij de verovering van deze bunker. Getuigen in Klazienaveen verklaarden van terugkerende Duitse vrachtwagens geladen met gesneuvelde Duitse soldaten. Toen de wagens voor de opgeblazen Dordse brug halt hielden sijpelde bloed uit alle kieren en gaten. Voor de Nederlandse soldaten in de bunker van Noord-Sleen was de strijd na een paar uur voorbij. Het was niet de moed van de vier Nederlandse soldaten die parten speelde maar gebrek aan munitie.

Geschreven door Henk Beukers

Maart 2015

Maart 2015

Vrijdag 27 maart om 00.06 uur stond Batman bepakt en gezakt voor de deur van Vliegend Hert. De traditionele hike van 35 km naar Gross Dorgen (GD) was begonnen. Het was zwaar bewolkt waaruit elk moment een plens kon vallen. Maar Pluvius was ons die dag redelijk goed gezind. Vol goede moed vertrokken wij naar de Duitse grens. Achter de Sint Antoniuskerk in Zwartemeer namen we onze eerste pauze. DSCN2259 DSCN2268Met in de verte de witte rookpluimen van de Purit in Klazienaveen namen we afscheid van Drenthe. We trokken via een smokkelpad Duitsland in. Aan beide kanten van ons trok de hemel dicht, de wind nam aan kracht toe. Die hadden we gelukkig achter ons zodat we af en toe een speels duwtje in de rug kregen. Opnieuw was het landschap anders dan voorgaande jaren. In razend tempo werd het landschap over de grens vol geplempt met varkens- en kippenschuren. De lucht hing vol met die van de kiloknallers. In de verte wachtte een ree ongeduldig op ons, achteraf bleek dit de enige ree te zijn die we dit weekend te zien kregen. Op de voorheen abortusweg kwam Yeti met de ondersteuningswagen ons inhalen. Hier konden we uit de wind even genieten van een bak koffie. Yeti was nog niet weg of het begon te regenen. We naderden de autobahn A31. Toen trok Pluvius de sluizen open. Vertwijfeld zochten we naar een overkapping, op een gesloten boerenkar was niets te vinden. Met het hoofd diep in de nek trokken we de A31 over. Zo’n vierhonderd meter verderop wisten we nog een overdekte bushalte te staan. Toen we die eindelijk bereikten hield het op met regenen. De rest van de dag bleef het droog. In Gross Fullen namen we de middagpauze. Omdat we vroeger waren vertrokken kwamen we dit keer in het centrum van Meppen een geopende kroeg tegen. Voldaan namen we buiten onder de serre plaats. Na het nuttigen van een Duits biertje voelden we ons afkoelen. DSCN2270 DSCN2273Wegwezen uit die koude wind. Bij onze bekende Schnell Imbiss waar normaal gesproken de currywurst niet te vreten was namen we Pommes frite. We zaten warm binnen. Daarom bestelden we gauw een paar koude Krombachers. De tocht naar Bokeloh was een fluitje van een cent. De statieweg leek steeds korter te worden. Op het eind wachtte ons de bekende beloning, Gasthaus Giese. Vier bellen Koningsbier later maakten we ons op voor de laatste kilometers van de Hike. Traditiegetrouw werd een foto op de Hasebrucke gemaakt. In de warme Ketel kregen we geen kans om op adem te komen. Bambam, Oehoeboeroe en Yeti verwelkomden ons met bier.DSCN2275 Ach, we droegen het kruis, we namen ten moede aan wat ons gegund werd. Oei-oei lag gedurende het weekend in de lappenmand, was daardoor absent. Zoals de sluipschutter zei tegen zijn vrouw: we hebben je gemist. Naast het bier was dit weekend niet de Bratwurst ons basisvoedsel maar zijn Hollandse neef, de frikandel. Gewoon eens een keer wat anders. Ondanks de siepels en sauzen bleek dit geen succes. Het was uitzonderlijk, dan bedoel ik niet een doodgraver op vakantie. Volgende keer gewoon weer de oude vertrouwde Bratwurst. Ook de roomsoezen, olijven, bitterballen en andere ongein kunnen we maar beter gewoon in het rek laten. Maar zo goed en zo kwaad worstelden we ons hier doorheen, hard werken hoor zo’n weekend.

 

Zaterdag 28 maart 2015.

Het grachtengordelweerbericht uit die Niederlanden beloofde niet veel goeds, regen, hagel, windstoten en andere narigheid. We werden dus wakker van een vroeg voorjaarszonnetje in een strak blauwe hemel gelardeerd met een zacht zuidoostelijk briesje. DSCN2292DSCF3708 Het plan was vroeg te vertrekken zodat we zo lang mogelijk van het voorjaarszonnetje konden genieten. Het keutelde en keutelde maar aan in de Ketel zodat we alsnog laat vertrokken. SusScrofa’s laten zich nu eenmaal niet opjagen, behalve als er geen bier is. Dan willen die stramme benen wel lopen, en hard ook. We namen dit weekend de Grote Voetentocht. Met een prachtige voorjaarszon in de rug trokken we langs de Hase naar Bokeloh. Onderweg zagen we landschappen al zijn ze geschilderd door Monet. De kerk en de zondagsschool in Bokeloh lieten zich op deze mooie dag van hun beste kant zien. Vandaaruit namen we de weg naar de historische Romerlager. Hier hadden ooit een legioen Romeinen een fort gemaakt van aarde en houten stellingen. De aarde is blijven liggen en vormt nu een toeristische pleister. We kwamen in een gebied waar de Hase diverse keren van loop was veranderd. Hoge zandruggen met prachtige landhuizen zakten naar een glooiend landschap met sappige weiden met daarop grazende rode runderen.

Zuiguhh, niet blasuhh!!

Zuiguhh, niet blasuhh!!

We observeerden de beesten een tijdje en deden al spoedig onze eerste natuurobservaties. Tussen de runderen liepen kalfjes met een hoog knuffelgehalte. Maar je hebt altijd weer zo’n rotkind die zich buiten de omheining bevindt. DSCF3734Zo ook hier.

 

 

 

Een Remi-figuurtje stond aan de andere kant van de omheining klagelijk kalfje te wezen. We konden hier niets van maken behalve foto’s. Dat deden we. Dat kleingrut heeft ook zoveel te leren. Hangt daar tussen de achterpoten van mamma een aantal spenen, weten ze niet of ze moeten zuigen of blazen. In dit geval had het kalfje zeer goede longen en besloot te blazen. Hiervan werd een foto gemaakt. De Katholieke kerk in Bokeloh liet zich in het passende landschap gewillig poseren. Bij het Romerlager stond een houten picknick-bankje waar we ons gemoedelijk ten ruste gingen rusten. DSCF3754Tevens dronken we drinken en aten we eten. Bambam leek met een knal zijn rug te breken, net op tijd kon hij hoger op de wal een splinter uit zijn rug trekken. Nou, die kant liepen we maar niet meer op. We gingen nog een historisch feitje bewonderen. Nu geen 2000 jaar terug maar slechts 75 jaar. Een omhoog gevallen korporaaltje besloot de rivier Hase in te korten met een kanaal. Het kanaal zou naar hem worden vernoemd. Nou, het is niks met dat korporaaltje geworden en ook niks met zijn kanaal. Een lange droge kanaal in het bos, dat is alles wat rest. Niemand praat er over. DSCF3735 DSCF3750 DSCN2307 Op landkaarten worden geen namen genoemd. Een roemloos eind. Niet voor ons want wij liepen door. In een tak zagen we een kunstwerkje, een nestje prachtig gedrapeerd om een takje. 

Yeti, Batman en Oehoeboeroe liepen in het bos, ze kwamen een Wensgeest tegen. De geest zei : als je van de duikplank in het water springt , en tijdens het springen iets wenst, dan ligt het in het zwembad vol met dat! Ooh! zei Yeti, ik wil snoep! Dus hij springt en ja .. heel het zwembad vol snoep , dan komt Batman: Naakte Wijven! oke dan heel het zwembad vol naakte wijven. Dan Oehoeboeroe: de Uil neemt een flinke aanloop en hij struikelt! SHIT!

We passeerden een beukenbos en kwamen uit op een buitenbocht van de Hase. Hier passeerde een kano met een paar stoere meiden. Na een paar foto’s van de struisen gemaakt te hebben trokken we verder. Het landschap van lanen en vergezichten bleef mooi. Totdat we eindigden in Bokeloh met name Gasthof Giese. DSCF3750 DSCF3756 DSCF3748Maar zoals al die andere keren was Gasthaus Giese op zaterdagmiddag gesloten. Nu ook weer. Dan maar de hotel bovenaan de trap. Ook gesloten, toen ook al. Gelukkig maar, we hadden immers een traditie hoog te houden. Ondertussen was het steeds harder gaan regenen. We roken de stal. Met gezwinde pas liepen we die paar kilometer snel naar de Ketel. Het was fijn om op een droge warme plek te komen. Snel trokken we een treetje Nat open. Er volgde een gezellige avond waarbij de veiligheid van ons luchtruim werd geëvalueerd. Wat dan uiteindelijk eindigde in een recept voor knoflooksoep. We kropen is ons nest. De gebitsprotheses in het glas, de gehoorapparaten in de doosjes. Kortom, een avondje SusScrofa.

Vliegend Hert en Oehoeboeroe zitten in de kerk. Zegt de Uil ineens tegen Hert: “Ik heb een klein scheetje gelaten wat moet ik nu doen?” Zegt Hert: “Niks, ik maak thuis je gehoorapparaat wel”

Zondag 29 maart 2015.

Een regenachtige dag verhinderde alle geplande activiteiten. Mistroostig aten we de zure haringen, knakworsten en frikandellen. Een unieke combinatie van smaken waarbij het bezit van een sterke maag een vereiste was. Bambam en Oehoeboeroe maakten nog een wandelingetje naar de Hase.

DSCN2277 DSCN2349

Oehoeboeroe wil weer aan het werk. Komt de Wijze Vogel op het politie bureau: ‘Ik zie buiten een poster hangen dat u voor € 10.000 een moordenaar zoekt. Ik wou bij deze vragen, is dat baantje nog vrij?’

Het zat erop, het voorjaarsweekend 2015 van de SusScrofa’s. Geslaagd zoals altijd. Wel een beetje fris en af en toe een beetje nat. We pakten onze spullen en zwaaiden af. Toen de laatste Bumsbullie het terrein verliet werd het weer rustig aan het Qwinzelpfad nr 1.

Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert

Allemaal de schuld van de vrouw

Allemaal de schuld van de vrouw

Toen ik op 4 april 2015 de enorme paasbult zag achter boer Lubberman aan de Kerkweg dacht ik terug aan het idee om boven op de bult een heks van stro te plaatsen. Leek me wel leuk. Ik ben er maar gauw van afgestapt. Jaren geleden ben ik met mijn gezin in Winterbergen geweest. Voor het stadhuis stond een monument die ons er aan herinnerde dat op die plek zestig (!) heksen waren verbrand. Zelfs de originele route, van het gevang naar de executieplek, die de overwegend vrouwelijke slachtoffers moesten lopen, kan men als toerist nalopen. Het is van alle tijden, als het tegen zit zoekt men een schuldige. Waarom is allemaal de schuld van de vrouw?

Op internet is er genoeg over te lezen:

De Babylonische Samenleving:

Onder de Babylonische Wet werden de vrouwen werd verlaagd en alle rechten werd ze ontnomen. Als een man een vrouw vermoorde, kreeg hij hiervoor geen bestraffing, maar zijn vrouw had de doodstraf gekregen.

De Griekse Samenleving:

De Griekse samenleving werd beschouwd als de meest glorieuze van alle oude (vroegere) samenlevingen. In dit o zo ‘glorieuze’ systeem, werden de vrouwen alle rechten ontnomen en werd er op hun neer gekeken. In de Griekse mythologie, is een ‘denkbeeldige’ vrouw, genaamd ‘Pandora’, de hoofdoorzaak van alle ongeluk van de mensheid. De Grieken beschouwden vrouwen als onmenselijk (minder dan menselijk) en ondergeschikt aan de mannen. Desondanks was de kuisheid van vrouwen heel belangrijk en daar werd veel belang aan gehecht, maar later werden de Grieken overvallen door hun lusten en seksuele perversie. Prostitutie werd een normale praktijk onder alle klassen van de Griekse Samenleving.

De Romeinse Samenleving:

Toen de Romeinse samenleving op de piek van zijn ‘glorie’ was had een man zelfs het recht om het leven van zijn vrouw te nemen. Prostitutie en naaktheid waren een gewoonte onder de Romeinen.

De Egyptische Samenleving:

De Egyptische Samenleving beschouwde de vrouwen als het kwaad of als een teken van de duivel.

De Arabische Samenleving:

De Arabieren keken neer op vrouwen, en heel vaak als een meisjesbaby werd geboren, werd ze levend begraven. Kleine meisjes hielpen nietsvermoedend mee met het graven van hun eigen grafkuil en veegden het zweet van het voorhoofd van hun vaders.

Enkele uitspraken van beroemde filosofen.

Aristoteles (384-322 v.Chr.), die als vader der filosofen wordt beschouwd, heeft gezegd:

De vrouw voor een man is te vergelijken met slavin en haar meester, en is te vergelijken met handwerk en rationeel werk, en met een barbaar en een Griek. De vrouw is een minderwaardige man die is achtergebleven op de tree van ontwikkeling.”

Schopenhauer(1788-1860) heeft gezegd:

Zij (vrouwen) zijn geschikt voor het functioneren als verpleegsters en leraressen in onze vroege jeugd, gezien het feit dat zij zelf kinderachtig, onbeduidend en kortzichtig zijn; in één zin zijn ze zelf grote kinderen gedurende hun hele leven. Zij zijn een ondermaatse, smal geschouderd, breedheupig en kortbenig ras, zij hebben geen geschikte kennis en hebben geen genialiteit.”

Een andere bekende filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) heeft op zijn beurt gezegd:

“De vrouw heeft zoveel om zich voor te schamen; er steekt zoveel pedanterie, zoveel oppervlakkigheid, zoveel bedilzucht, kleinzielige aanmatiging, bandeloosheid en onbescheidenheid in de vrouw, die tot dusver nog het best in bedwang werd gehouden en werd beheerst door de vrees voor de man.”

 

“Die priesteressen moeten als heksen op de brandstapel worden verbrand. Als ik mijn zin kreeg, zou ik de fik in die rotwijven steken”. Geen uitspraak van een inquisiteur uit de middeleeuwen, maar van een anglicaanse pastoor uit 1994. Het begon allemaal met Eva en die appel. Door te eten van de verboden vrucht en de man ertoe verleiden dit ook te doen, werd de mens verstoten uit het paradijs. Het is dus allemaal de schuld van de vrouwen dat het zo`n zooitje is op aarde. Zie hier de hoogstaande gedachtegang van kerkvader Tertullianus. Zijn denken had grote invloed op het nog jonge christendom in het jaar 200. Een andere kerkvader kan er ook wat van: Albertus Magnus. Die schreef dat de vrouw een mislukte man is, die vergeleken met de man een gebrekkige en foutieve natuur bezit. Vrouwen waren eigenlijk mannen wier geslachtsorganen niet waren uitgezakt. Magnus: “De vrouw is ongeschikter voor de deugdzaamheid dan de man, omdat ze meer vloeistof bevat dan de man. Een eigenschap van vloeistof is nu: moeilijk vast te houden. Het is daarom dat de vrouwen wispelturig en nieuwsgierig zijn. De vrouw kent geen trouw.” Een invloedrijke kerkvader als Hieronymus noemde het huwelijk zelfs verderfelijk. Vanwaar die diepgewortelde vrouwenangst? Het latere Christendom, dus niet de oorspronkelijke leer van Jezus, had hierop ongetwijfeld een grote invloed. Seks was verwerpelijk, de mannen waren bang voor lustgevoelens en projecteerden hun angst op de vrouw. Castratieangst lijkt een trendy verklaring, in die tijd castreerde menig priester zichzelf. Om niet langer overvallen te worden door zondige fantasieën werd het mes er menigmaal ingezet. Vrouwenhaat is ouder dan het Christendom. Jezus was revolutionair met zijn opvatting: “Man en vrouw zijn gelijk” Augustinus, een latere invloedrijke denker binnen het christelijk geloof dacht daar anders over. “Niets haalt de mannelijke geest van zijn hoogten zo naar beneden dan het liefkozen van een vrouw.” Pas toen werd in steeds meer christelijke gemeentes het celibaat ingevoerd (!). “Priesters die met hun vrouw slapen, zijn als honden die naar hun eigen braaksel terugkeren.” Daar konden de vrouwen het mee doen. Toen kwam de heksenjacht. Onder extreme martelingen werden veel meisjes en oude vrouwen gedwongen te verklaren dat zij heksen waren. Het was voor vrouwen vrijwel onmogelijk onder de verdenking van de heksenjagers uit te komen. Zo`n negen miljoen (!) vrouwen in Europa werden als heks op de brandstapel gezet. Hoe dubbel de moraal was van de christelijke leiders blijkt wel uit het gegeven dat het aantal prostituees dat in 1414 naar Konstanz trok even groot was als het aantal deelnemers aan het daar te houden kerkelijke concilie van priesters. Pas in de laatste decennia heeft er in de christelijke samenleving gelukkig een cultuuromslag plaatsgevonden. Van alle huidige politieke partijen is de SGP de enige partij die de omslag heeft moeten ontberen. Hun moraal: het enige recht van de vrouw is het aanrecht.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Paasvuur op Erica 2015

Schaatsen op Erica

Schaatsen op Erica

Erica Zuid-west was vroeger een onderdeel van de landerijen van boer Gengler. Over de uitgestrektheid van de velden kon je de trein tussen Nieuw-Amsterdam en Emmen zien rijden. Scherp afgetekend tegen de horizon stond de toren van Sleen. De vele regenbuien in de herfst legden grote gedeelten van Genglers landerijen blank. Enorme meren van regenwater waren het gevolg. Niemand had daar iets te zoeken in de blubber, behalve fazanten en patrijzen. Tot de winter met strenge vorst kwam. Het vloeibare van het regenwater en het zachte van de modder werd hard en was te betreden. De natuur schonk ons een heuse ijsbaan van ongekende omvang. Daar lieten de Ericanen zich niet lang op wachten. Aangezien de ijsbaan pal achter ons huis lag, broer Gerard, Jos en ik, ook niet. Ondanks het gebrek aan regels was duidelijk de tendens waarneembaar dat iedereen met de wijzers van de klok mee schaatste. Verschil in schaatsen was ook gelijk duidelijk te zien. De jongens van Wijnands kwamen met heuse Hoge Noorden en hadden een prachtige slag van schaatsen. Tegenover dit spectrum van manier van schaatsen stonden wij, klunend en harkend, met onze Friese Doorlopers. Friese doorlopersMaar we kregen krediet, ik was nog geen tien jaar, en begonnen net met schaatsen. Schaatsen leren was toentertijd een kwestie van zelf uitzoeken. Dit in tegenstelling tot vandaag waar je, naast het ontzettend goede materiaal, op de ijsclub de basisregels van het schaatsen snel aangeleerd werden. In die tijd startte je als een soort van hordeloper die op elke horde hardhandig kennis maakte met de Wet van Newton. Helaas was zo’n enorme natuurlijke ijsbaan achter ons huis eenmalig. Hoewel het in de herfst gewoon door plenste bleven de enorme waterpartijen uit. Waarschijnlijk had boer Gengler drainagepijpen in het land laten leggen. Hoewel Erica toen al een ijsbaan had, naast de monumentale korenmolen, en entree vroeg, was dat aan ons, altijd blut, niet besteed. Wij zochten ons heil op andere ijsbanen die rijkelijk en gratis voor handen waren, de hoofd- en zijkanalen in het voorheen koloniale landschap. Er waren zo ontzettend veel kanalen dat we zelfs een eigen privé-kanaal voor het uitkiezen hadden. Die lag naar achteren bij huize Heller. We kenden het gebied als uit onze broekzak omdat we hier eigenlijk altijd struinden. Ons kanaal was een zijkanaal die met een dam van een groter zijkanaal was gescheiden. Dat maakte onze eigen territorium compleet. Het water in het kanaal lag zo’n drie meter lager dan het landoppervlak. Niemand die ons gestuntel kon zien en bovendien schaatsten we heerlijk uit de wind. Ik deed er een paar jaar over om van gestuntel achter een stoel tot enigszins beheersbaar schaatsen te komen. Nog langer duurde het om van een dronkenmanstijl tot een enigszins vloeiende stijl te komen. Ik kon zelfs heel sierlijk, alleen dan kwam ik niet vooruit. Terwijl we schaatsten keken we tegen de hoge wallen aan. Soms weelderig begroeid en voorzien van een dik pak sneeuw. Vaak joeg de wind stuifsneeuw over de rand. Op de ene of andere manier kwam dat altijd in je warme kraag terecht. Toch gaf het een behaaglijk gevoel zo diep in het veld buiten de gure windvlagen te blijven. Buiten het gesnerp van de ijzers was het om je heen oorverdovend stil. De wind joeg de sneeuw over de kanaalrand die steeds breder werd en sierlijk ging overhangen. Wij als schaatsers keken daar dan vanonder tegen aan. De natuur als kunstenaar die prachtige sculpturen maakte. Maar ook sporen in de sneeuw van dieren hadden onze volle aandacht. Van de vele sporen konden we zo de eigenaar bepalen. Totdat een pingelende, krakende aardbast onder onze schaatsen de beslommeringen doorbraken. In het begin reden we als reflex pardoen de wal in, een kwak sneeuw van bovenaf op de koop toenemend. We gingen maar langzaam wennen aan de harde knal voorafgaand aan het helse gekraak van het ijs. Zo’n barst kon in de lengterichting van het kanaal tientallen meters lang worden. Nog spannender werd het wanneer op sommige plekken van de barst kanaalwater op borrelde. Dan een wak. Om mysterieuze redenen weigerde het water op een plek te bevriezen. De wak werd vaak aangegeven met een tak, die lag er naast of stak gewoon in het gat. Vol ontzag keek je naar het zwarte gat, stil schaatste je er omheen. Dan werd in volle vaart op het kanaal door geschaatst. Door de vorm van het kanaal konden we op gegeven ogenblik alleen maar recht vooruit schaatsen. Die enkele keer dat we op de ijsbaan kwamen misten we de overstap in de bochten. Het gevolg liet zich raden, we vlogen in de bocht rechtdoor het veld in. Maar ook het overstappen kregen we onder de knie, al ging het niet zo vlot als bij de anderen. Het voordeel bij de ijsbaan was dat er koffie en soep verkrijgbaar was, dat bracht veel mensen bij elkaar. Hier leerden we bijvoorbeeld dat schaatsen af en toe geslepen dienden te worden. Het zijwaarts gezwabber van de schaats namen we niet langer op de koop toe. De Verlengde Hoogeveensevaart, het hoofdkanaal door Erica, bleef echter onze voorkeur houden. Niet dat we verre ritten maakten. Pa vertelde wel eens dat hij naar Klazienaveen schaatste tot aan de Duitse grens. We vonden de Hertenbaan al ver genoeg. Op de hoofdvaart kon het in de winter gewoon druk zijn. Honderden mensen bleven schaatsen tot het donker werd. Dan werd de baan verlicht door de straatlantaren en werd het gezellig druk. Voor het eerst zag ik een stelletje in klederdracht dat stijf naast elkaar, zwierend, achtjes op het ijs draaide. Het leek mooi maar het stel zwierde dwars door de schaatsgolf waarbij het vaak ternauwernood goed ging. Enkele Ericase krachttermen over het ijs waren het gevolg. Het liefst gingen we, Harry, Bennie, ik en nog een paar anderen terug naar onze stille zijkanaal. Hier gingen we een wedstrijdje ijshockey spelen of zochten we naar vissen die waren ingevroren in het ijs. Of we kluunden over de dam naar het hoofd-zijkanaal waar het iets ruimer was. Een leuke bezigheid was het zoeken naar grote witte bellen methaangas ingesloten in het ijs. Die prikten we lek en hielden er een vlammetje bij. Enkele seconden kwam uit het ijs een metershoge vlam. Van de gehele schaatsperiode in die tijd kon ik me vooral de steenkoude voeten herinneren, veroorzaakt door de beperkte bloeddoorstroming van de te strakke leren banden om de voeten van de Friese doorlopers. Het was bovendien een ontzettende frustratie wanneer, na een lange tocht door het besneeuwde landschap, onder in een zijkanaal, bij het aanbinden van een Friese doorloper, een enkelband kapot getrokken werd, dan kon je helemaal weer teruglopen.

 

Geschreven door Henk Beukers

Vuilnis verwerking

Vuilnis verwerking

Hoewel de vuilniswagens qua vorm hetzelfde uitzien als de vuilniswagens uit de jaren zestig waren er toch een paar belangrijke punten van verschil. Om te beginnen werd toentertijd de vuilnis opgehaald in blikken vuilnisemmers en niet in plastic containers vandaag de dag. De vuilnisemmers waren qua volume nog geen kwart van de huidige containers. Toch hadden de toen grote gezinnen van minstens vijf kinderen genoeg aan de wekelijkse gang van de vuilnisophaaldienst. Blijkbaar waren de verpakkingen van diverse producten minder complex of was zelfs geen sprake van verpakking. Melk werd soms met een pannetje opgehaald bij de melkboer aan de straat. Ieder week had een van ons de taak om de volle vuilnisemmer aan de Havenstraat te zetten. Een gang van zo´n honderd meter over de sintelpad. Het werd aan de weg gezet zoals vele mensen het deden. Overal zag je langs de straat vuilnisemmers staan. Je had toen de gezegde een vervelend kind aan de straat op een vuilnisemmer te zetten om hem mee te laten nemen. Alleen die waarschuwing hielp vaak al om minder vervelend te zijn. Daar kwam in de verte de vuilniswagen aan. Dan zag je een ander groot verschil met de huidige vuilniswagens. Toen werd de vuilniswagen bemant met drie mensen. Een achter het stuur en twee man achterop. Tenslotte de derde grote verschil met de huidige vuilniswagens, het hefmechanisme waarmee de vuilnisemmers leeg gekieperd werden. Dat ging toen puur op spierkracht. Wanneer de vuilniswagen halt hield sprongen de twee stoere mannen met opgestroopte mouwen van de tree achterop de wagen. Ze grepen in ieder hand een hengsel van de vuilnisemmer en zetten deze achterop de vuilnisauto. De vuilnisemmer stond in een kiepconstructie. De vuilnisman pakte een handvat aan de constructie en de emmer werd met een zwaai leeg gekieperd. Vaak in een wolk van stof omdat de as van de kolenkachel ook een onderdeel van het vuil uitmaakte. De lege emmer werd terug getrokken en weer aan de straat gezet. De vuilniswagen gromde, de twee mannen sprongen op de trede en hielden zich aan een hoger gelegen handvat vast. De wagen trok op om voor het volgend aantal vuilnisemmers te stoppen. Daar herhaalde zich de handelingen. Vooral dat optrekken en achterop de wagen hangen sprak ons tot de verbeelding. Dat leek ons wel leuk, genoeg om te wensen later vuilnisman te worden. Een slechte keuze aangezien de klassieke vuilnisman uit het straatbeeld is verdwenen. Thans gaat het hele kiep-gedoe hydraulisch vanuit de cabine van de vuilnisauto. Bij ons thuis hadden wij in de jaren zestig en zeventig absoluut niet genoeg aan dat kleine blikken vuilnisemmertje. Verwerking van het overschot aan vuilnis losten we op een geheel andere manier op. Achter het huis groef Pa een grote diepe gat. Drie bij drie meter en twee meter diep. Daar kon heel wat in. Voordat er vuilnis in kwam werd er tikkertje om de rand van het gat gespeeld. Totdat eentje, vaak de jongste, struikelde en in het twee meter diepe gat kukelde. Pas toen ma dreigde ons langs de Havenstraat op een vuilnisemmer te zetten staakten we ons wildemansspelletje. We hadden door het ravotten zoveel zand terug in het gat gestort dat Pa mopperend de schop weer ter hand nam om het gat wederom uit te diepen. Zoals gezegd kon op die manier veel vuilnis worden gestort. Omdat het vuilnis vaak in brand werd gestoken werd het gat brandgat genoemd. Wekenlang zat het vuilnis in het gat te smeulen en te stinken. Omdat we in het veld woonden had niemand er last van en wij wisten niet beter. Door het vuur slinkte het afval aanmerkelijk in het brandgat. Toch kwam een moment dat het gat vol was. Dan groef mijn vader simpelweg een nieuwe brandgat. Toen mijn broertje vele jaren later naast mijn ouders kwam wonen stootte hij, bij het uitgraven van de fundering, tot zijn verbazing op een driewieler. Op een oude brandgat gestoten. Toen moest hij een beetje meer uitgraven. Uiteindelijk kom je het hele spul vroeg of laat weer tegen. Niet verwonderlijk want het terrein om ons huis is vergeven van de brandgaten. Van milieuvervuiling waren we ons toentertijd niet of onvoldoende van bewust. Dat bestond toen nog niet. De jaarlijkse paasbelten waren toen een samenraapsel van tuinafval, binnen- en buitenbanden, tapijten en andersoortig brandbaar afval. Pa en Ma lieten een keer achterop het land een paasbult toe. Vlijtig toogden we aan het werk en hadden we naast het tuinafval bij de fietsenmaker, tapijtzaak en garage het overige brandbaar materiaal gehaald. In de paasbult hadden we gangen gegraven en hutten gemaakt. Natuurlijk ontbrak een kampvuurtje niet, vaak nog geen meter van de grote paasbult. Vooral van het groene ondertapijt kon je een leuk kampvuurtje maken, het brandde zo leuk met een kleurtje. Wekenlang hadden we met een landbouwkar oude coniferen, boomstammen en andersoortig brandbaar materiaal opgehaald. Het resultaat was een gigantische platte bult. De bult was door het vele afval voorzien van allerlei vrolijke kleurtjes. Vandaag de dag zou zo´n bult de paasbultcommissie een blijvende jeuk bezorgen. Maar wij hadden een prachtige tijd. ´s Avonds zaten we om de paasbult te klieren een vuurtjes te stoken. Dat ging alle avonden door tot het donker werd. De garage had ons een paar grote vaten verlopen olie meegegeven. Vriendelijke vent, hij hielp mee de vaten op de kar te zetten, zelfs de vaten mochten we houden. Eindelijk brak de tijd van Pasen aan. We moesten de bult scherp in de gaten houden. Er liepen namelijk van die misselijkmakende figuren rond die voortijdig de bult in brand wilden steken. Als Pitbulls liepen de om de bult. De laatste vrije dag voor Pasen werden de vaten met verlopen olie gekanteld en in emmers gegoten. De inhoud werd vervolgens in de paasbult gekwakt. Een nadeel was het verdwijnen van de vrolijke kleuren in de belt. Alles kreeg de kleur van zwarte verlopen olie. Op eerste Paasdag om 20.00 uur was het dan zover, het vuur werd aangestoken. Wat wij toen een prachtig vuur vonden zou vandaag de dag waarschijnlijk worden geclassificeerd als een chemische ramp. Maar fikken deed ie, gigantisch. De kring van mensen om het vuur werd steeds groter. De pikzwarte rookpluim reikte zowat tot de wolken. Vandaag de dag worden gelukkig dit soort Paasbulten niet meer gemaakt. Het heeft jaren geduurd voordat op de plek van de Paasbult überhaupt nog iets wilde groeien.

Geschreven door Henk Beukers

Kerststal

Kerststal

Vroeger hadden mensen met geld een kerststal. De overigen moesten het doen met een paar hulstakjes. Sowieso geen kerstboom, dat was protestants. Opa had een kerststal aangeschaft voor oom Herman toen hij nog een kind was. Bij oom Herman was kinderpolio geconstateerd en blijkbaar was de kerststal een soort van pleister op de wonde bij al die ellende. Het waren kleine beeldjes. Wat de kerstgroep zo bijzonder maakte was de herdershond bij de schapen. In die tijd ook iets bijzonders want menig kind kwam bij mijn opa en oma thuis om de kerststal te bewonderen. Ze mochten zelfs de beeldjes even aanraken. Het gevolg was dat de herdershond nog datzelfde jaar was verdwenen. Alleen een complete kerststal was waardevol, incompleet had het alleen een emotionele waarde. Het is net als bij serviesgoed, alleen volledig complete sets zijn waardevol. Na het overlijden van mijn grootouders ging de kerststal logischerwijs naar oom Herman. Toen die overleed ging het naar zijn zoon Louis in Bargeroosterveld. Die liet de kerststal restaureren, nog steeds zonder hond, die bleef weg. Helaas mocht Louis er maar kort van genieten, hij stierf jong. De kerststal van mijn ouders bestond uit kleine gipsen figuurtjes. Na lange jaren de behandeling van een jong gezin te hebben overleeft bestonden de meeste beeldjes uit losse onderdelen die met kaarsenvet aan elkaar waren gelijmd. Soms was die kaars rood of geel zodat Maria een rode halsketting droeg en de herder een gele. Wel makkelijk bij het spelletje ´ik zie, ik zie´. Maar zo opeens hadden mijn ouders een nieuwe kerststal. Grote beelden in een zwarte koffer. Onbeschadigd en compleet met een kamelendrijver. Had de broer van onze buurvrouw meegebracht. Die woonde in Enschede en was vertegenwoordiger. Toerde met een Daf 33 door Nederland. Hij was toevallig bij zijn zus op visite, hij was op weg naar Groningen. Of iemand belangstelling had in een oude kerststal want hij had een nieuwe gekocht. Daarbij dacht onze buurvrouw aan mijn ouders, zo is het gekomen. De Tukker bracht een fantastische kerststal mee. Ook hier een grillig afloop. De arme man verongelukte een paar jaar later met zijn Daffie op de snelweg. Wat is dat toch met die kerststallen? In elk geval werd het lot hier tot stilstand gebracht. Inmiddels zijn zo’n veertig jaren verstreken. Onze oorspronkelijke kerststal ging naar mijn oudste broer, een eufemisme voor binnenpikken. Mijn ouders hebben de kerststal uit Enschede nog, en ja, ze zijn allen nog heel. De kerststal werd zelfs uitgebreid met een hond. Een zwarte, met een rode kop. Gemaakt van klei door mijn toenmalig vijfjarig broertje. Het kon ook een schaap zijn, dat moet ik mijn broer nog eens navragen. Traditiegetrouw werd de hond of schaap er altijd bij gezet, tot op de dag van vandaag. Ook een gewild onderwerp bij ik-zie spelletjes. Het maken van het schuurtje waarin de beeldjes staan is traditiegetrouw een taak van de vader. Normaliter doet de vader dit 1 x in zijn leven. Hij timmert in de schuur iets in elkaar, dit gaat vervolgens tientallen jaren mee. De onze had zelfs een vliering waarin enkele veren vogeltjes waren toegevoegd. Later werd er zelfs een vogeltje toegevoegd die een liedje floot. Leuk voor de kleinkinderen. De ruimte onder de vliering was gereserveerd voor kindje Jezus met Maria en Josef. Als niemand keek sliep onze zwarte poes er in. Opgerold paste hij precies in het houten gebouwtje. Nadat ik was uitgevlogen en zelf kinderen kreeg was mijn vaderrol duidelijk. Kerstbeeldjes waren inmiddels aangeschaft, nu nog een kerststal maken. Ik pakte het serieus aan. Ik ging er van uit dat, wanneer Maria en Josef in Zuidoost Drenthe waren neergestreken, dit in een kapschuur zou zijn geweest. Ik reed met de auto door onze streek en observeerde de kapschuren. Vooral de verhoudingen moesten kloppen. Dat geen herder met zijn hoofd in de vliering stond. In de winkel vele meters aan dun profielhout, houtlijm en een verstekzaag aangeschaft. Ik toog aan het werk en een week later stond daar een heuse mini-kapschuur. Wel met vele openingen zodat je erin kon kijken. Met een vliering gevuld met hooi en een stal voor de ezel en koe. Het was zo goed gelukt dat mijn schoonzus vroeg ook eentje voor haar te maken. Dus toog ik weer aan het werk en een week later stond daar een tweede mini-kapschuur. Bij mij bleef het niet bij een kapschuur, de omgeving moest ook kloppen. Heide (mos) om de schuur met gele zandpaden. In het zand drukte ik met een schaap diverse pootafdrukken zodat het leek alsof ze daar echt hadden gelopen. Maar hoe serieus je ook bezig was, zoonlief ging met de engel er vandoor en gebruikte deze als een gevechtsvliegtuig. Gelukkig waren de beeldjes niet van het kwetsbare gips maar van kunststof. Voordeel, na vijfentwintig jaar geen enkel beschadigd beeldje. Toch heb ik dit jaar een belangrijk besluit genomen. Alle aanwezige schapen moesten verdwijnen. Die waren er later bijgekocht maar hadden niet de juiste verhouding. Met net boven de enkels leken het meer op forse witte konijnen. Ook een kameel moest verdwijnen. Die kwam waarschijnlijk uit een speelgoedwinkel en had de grootte van een pony. Dan had je nog het aangevreten schaap. Hoofdverdachte, Blackie onze hond. Die kon je dan zo onschuldig aankijken en je een lik over de neus geven. Van de tafelpoot kon ie ook niet afblijven. Altijd aan het hout knabbelen als ik niet keek. Pas toen ik het hout bestrooide met witte peper was het snel gebeurd. Zijn onschuldige snuit werd verontwaardigd, een lik over mijn neus kon ik voortaan vergeten. Bij de kerststal werden een twaalftal schapen gekocht met de juiste verhouding. Leve internet. Ook een kameel bepakt en gezakt werd aangekocht. Ik wilde graag een kameeldrijver erbij maar was alleen verkrijgbaar met een koning op kameel. Dus moest een koning uit de originele kerststal-cast verdwijnen. Toen zag ik op internet dat volgens de Catalaanse traditie een kakkertje moest worden aangeschaft. Dit is een kakkende mannetje die het symbool van vruchtbaarheid moest voorstellen. Het moest verborgen in het kerststal worden opgesteld zodat kinderen er naar moesten zoeken. Tja, nu heb ik ook zo’n poepende mannetje achter de stal staan. Een gniffelende moeder als resultaat, die vindt dit soort dingen prachtig. Nadat ik mijn creatie had bewonderd viel me iets op, zoonlief had het aangevreten schaapje toegevoegd, vond dat beestje zielig. Van alle kerststallen in Nederland ben ik waarschijnlijk de enige die ook voorzien is van een hunebed, van dikke kiezels, en een grafheuvel, van geel zand. Hier is het is Zuidoost Drenthe, Maria en Josef zullen het weten ook.

Geschreven door Henk Beukers

4 of 16
12345678