Archief

Vliegertijd

Vliegertijd

De zomer trekt langzaam voorbij. De lange avonden in licht zijn al lang een herinnering. De natuur maakt zich op voor de herfst. De jaargetijde van kleur en geur. Van paddenstoelen en vallende bladeren. We worden ons bewust van de betrekkelijkheid van het jaar. Herfst is de tijd van melancholie. Dichters gaan aan het werk en maken zich op voor een herfstschrift. Het Nederlandse woord met de meeste medeklinkers aaneen. Herfst is ook de jaargetijde van de oogst. Gigantische rooiers ploegen de piepers uit de grond evenals hun collega´s de suikerbieten. Een golvende zee van gouden korenaren maakt plaats voor een kale stoppelveld. De tijd is aangebroken dat de boer het niet erg vindt dat je op het veld komt. De stoppelvelden waren door de regel goed te betreden. Gek genoeg kreeg je vaak natte sokken op zo´n stoppelveld. De stoppels waren namelijk tot de rand gevuld met regenwater. Maar we hadden veel vlakke ruimte tot onze beschikking. De tijd van het vliegeren was aangebroken. Niet alleen op de stoppelvelden. Overal op Erica zag je dunne lijntjes die zich oprichten naar de hemel, op het eind van de lijn een vrolijk dansend vliegertje. Met westenwind kon je vanaf de Kerkweg een vlieger op laten. Tot aan de horizon, de Bladderwijk in Oranjedorp, had je alle ruimte door de lege velden. Dat had je ook nodig. Wanneer de winter aanbrak was op Erica menig boom getooid met een dooie vlieger die zich armzalig bewoog aan een stukje lijn. Soms bleef zo´n ding tot aan het voorjaar in een kale kruin bungelen. In tegenstelling tot vandaag waren er geen kant en klare vliegers. Wat vloog was een product van eigen nijverheid. Van een houten kist werd een zijplank verwijderd. Met een bijl werd het plankje in repen gekliefd. De repen werd vervolgens door een mes steeds dunner gesneden. De spanten van de vlieger moesten zo licht mogelijk zijn. Urenlang zat je zo´n reep hout met een mes te bewerken tot een dun stokje. Menig vloek hoorde je uit een schuur wanneer bleek dat het stokje te dun was gesneden en brak. Dan kon je weer opnieuw beginnen te houtsnijden. Had je eindelijk de beide spanten klaar dan werden zij met een kruissjorring aan elkaar geknoopt. Je had dan een kruisvorm. Op elke uiteinde werd een snede gemaakt. Over de uiteinden kwam een strak gespannen touwtje die de vlieger zijn ruitvorming gaf. Een centimeter van de uiteinden werd een uitsparing gesneden. Hier ging het alsnog vaak mis. De uitsparing werd te diep en de uiteinde brak af. De vlieger werd een centimeter kleiner. In de uitsparingen kwamen de touwtjes die de vlieger in balans moesten houden. De touwtjes kwamen bij elkaar en gingen over in de hoofdlijn. Over de latjes en de ruitvormig gespannen touw werd een krant gelegd. De vlappen van de krant werden voorzichtig over het gespannen touw gevouwen. Aan de achterkant werden de omgevouwen vlappen met behanglijm aan elkaar geplakt. De vlieger had nu zijn definitieve ruitvorm. De vlieger werd aan de touwtjes opgetild om zo het balans te bepalen. Hing de vlieger mooi horizontaal dan werden de touwtje aan elkaar geknoopt. Aan de knoop kwam de hoofdlijn, de vliegerlijn. Het was dun bindtouw die voor een paar cent per bol in de winkel te koop was. Aan de onderste uiteinde van de vlieger kwam een vijf meter lange lijn, de staart. Nu was de vlieger klaar, menigeen was daar een hele dag zoet mee geweest. En nu moest dat ding nog vliegen. Dat ging natuurlijk niet zomaar. Dat ding moest eerst ingereden worden. Wanneer de vlieger sterk afboog was de balans niet goed. Een van de ophangtouwtjes moest langer of korter worden gemaakt. Maakte de vlieger rare capriolen en scheef het ´achtjes´ in de lucht dan was de staart te licht. Een paar polletjes stro of gras zorgden voor de nodige balans. Ging de vlieger traag naar boven waarbij het nauwelijks bewoog, dan was de staart te zwaar. Een polletje werd uit de staart verwijderd. Was de vlieger in balans dan schoot het wiegelend de lucht in. Ondertussen liet je de lijn een stuk vieren. Wanneer je met het vieren ophield schoot de vlieger een stuk hoger de lucht in. Deze handelingen herhaalde je tot de vlieger ´bovenwinds´ stond. Je kon dan de lijn vastzetten aan een boom of paaltje. Die vlieger bleef in de lucht hangen zolang er wind was en de lijn niet brak. Nu kon je een boodschap naar de engeltjes sturen. Op een velletje papier werd dan een boodschap geschreven. Vervolgens werd het papiertje ingescheurd en om de vliegerlijn bevestigd. Wanneer het papiertje werd losgelaten blies de wind het papiertje tegen de lijn omhoog naar de vlieger. Soms kwam je bij het neerhalen van de vlieger een hele kwak papiertjes tegen. Natuurlijk was er onderlinge concurrentie tussen degene die een vlieger had. Wanneer je met de handen in de broekzak naar je vlieger stond te kijken keek je onbewust naar de andere vliegers. De grootte en hoogte van de vlieger was bepalend. Wanneer vroeger bakker Kolker met zijn enorme vlieger werd afgetroefd dan greep hij diep in zijn broekzak. Hij drukte een kind een paar centen in de handen met de boodschap om ´eem een bollechie touw´ op te halen. Ook schroomde hij niet om zijn dochtertje de lijn in handen te geven. De mensen keken een bloemetjesjurk na die door de lucht vloog om even later tussen de stoppels neer te kwakken en vervolgens nog zo´n tien meter mee gesleept te worden. Maar ze hield de lijn vast als een terriër. Jaren later maakte mijn vader een nog grotere vlieger. Het frame van de vlieger bestond uit vishengels van bamboehout. Het ding was meer dan drie meter hoog. De lijn was van speciaal extra dik nylon. Het papier was inpakpapier, zo van de rol. De lijn was gewikkeld om de velg van een fiets. Toen de vlieger werd opgelaten steeg het hoger en hoger tot het nauwelijks zichtbaar werd. Bij westenwind stond de vlieger boven de woning van mijn oom aan de Kerkweg. Menig Ericaan keek bewonderend naar boven en kon nauwelijks geloven dat een vlieger zo hoog kon. En tussen de mensen liepen wij dan weer trots te wezen. Mocht het nodig zijn dan wezen we naar boven naar ´onze´ vlieger. Het was een keer bij oostenwind toen Pa de lijn uit handen gaf aan zevenjarig broertje Chris. Die zat in een karretje en hield de lijn stevig vast. Vlak daarna was een sleepspoor tussen de sjalotjes, prei en aardbeiplantjes de stille getuige van de jonge aviateur. Het was een korte snelle sprint van Pa die Chris aan de vergetelheid onttrok.

 

Geschreven door Henk Beukers

Vakantie

Vakantie

In de zomer brak ook voor de Sint Gerardusschool op Erica eindelijk de vakantie aan. Zes weken helemaal voor onszelf. In de zeventiger jaren waren vakanties met witte stranden en wuivende palmen voor slecht weinigen weggelegd. Integendeel, in die tijd werd ook op zaterdag gewerkt. Toen eindelijk de vakbonden hadden geregeld dat ook de zaterdag bij het vrije weekend hoorde kwamen serieuze wetenschappers met bezwarende onderzoeken. De mensheid zou aan teveel vrije tijd ten onder gaan. Zelfs vandaag de dag komt het voor dat, bij een revolutionaire ontwikkeling, een Pratend Pak op de televisie verschijnt die, in naam van de wetenschap, een staaltje van doemdenken ten beste geeft. Maar zoals gezegd, in de jaren zestig werd nog gewoon op de zaterdagochtend gewerkt. Voor een weekendje aan het strand moest Pa een halve snipperdag opnemen. Inmiddels hadden we ook een auto, een DAF 33. Toen al bekend als Truttenschudder. Ondanks dat waren we erg trots op onze auto. Iedereen was opgewonden wanneer een weekend aan het strand zich aandiende. Vrijdagavond werd de imperiaal op het dak van het Dafje geschroefd. Voor het strand had Ma een windscherm gemaakt. De stangen van het scherm bestonden uit afgezaagde stangen terwijl het doek een lengte van zo´n 20 meter besloeg. Die werd op het strand in een U-vorm opgebouwd zodat we als gezin enigszins privacy genoten. Voor in het water hadden Pa en Ma een vijftal binnenbanden van een auto op de kop getikt. Die gingen in opgeblazen toestand mee omdat het een eeuwigheid duurde voordat je zo´n band met een handpomp op spanning had. Voor de inwendige mens ging brood mee, veel brood. En natuurlijk een pan soep, dat moest. Om te voorkomen dat tijdens de rit naar het strand de vermicelli van onze schouders droop werd de soep in een snelkookpan vervoert, uiteraard met de deksel dicht. Op vrijdagavond werd een start gemaakt om het autootje vakkundig vol te proppen met handdoeken, windschermen, binnenbanden en ander soort kampeerspullen. Om zaterdagochtend het autootje weer volledig te ontladen omdat in de verborgen snelkookpan nog soep moest. Wat niet in de koffer van het Dafje kon werd op de imperiaal gelegd. Per weekendje aan het strand groeide de hoogte van artikelen op het dak. Met binnenbanden van een fiets werd de bult op het dak vastgesjord. Op zaterdagmorgen was het dan eindelijk zover. De beesten om ons huis kregen voor het laatst voer en water. Vier kinderen namen plaats op de achterbank. Voorin de auto twee volwassenen met de jongste zus op schoot. Pa startte het karretje, daarmee startte tevens een onuitwisbare jeugdherinnering. Zeven mensen en een pan soep gingen richting Noord-Sleen. Naar de Kibbelkoele in het boswachterij Sleenerzand, daar was onze strand. We waren de sintelpad nog niet af of het eerste lied werd uit volle borst gezongen. Het topzware Dafje reed door Nieuw Amsterdam en reed maar door en reed maar door, naar het einde van de wereld. Onderweg kwamen we een ANWB-verkeersbord op vier poten tegen waarbij een poot was weggereden. Bij Achterste Erm keerden we weer huiswaarts naar Erica. Ma wist niet zeker of ze thuis het gas had uitgedaan. De Kibbelkoele werd per zomer diverse keren bezocht. Na diverse keren de rit naar de Kibbelkoele te hebben gemaakt konden we de rit er naar toe dromen. Bij het verkeersbord riepen we in koor: ‘Hinkepootie, hinkepootie’. Steevast riepen we bij Achterste Erm in koor: ‘Hier hebben we gekeerd, hier hebben we gekee-heerd’. Op de parkeerplaats bij de Kibbelkoele liep het Dafje als een rijpe puist leeg. Van airco had niemand nog gehoord en met zoveel koppen in de kist kon de temperatuur behoorlijk oplopen. Steevast werd altijd hetzelfde stukje strand in beslag genomen. Terwijl Pa en Ma de windschermen opbouwden en zich verder installeerden doken wij het water in en maakten alvast ruzie met de andere kinderen. De auto-binnenbanden waren van begin af aan een doorslaand succes. Menig kind zat jaloers naar ons te kijken. Wij bewaakten de banden alsof het onze kinderen waren. Toch zag een buurman kans om ons een binnenband af te pakken. Hij mompelde dat een gezin niet alles hoefde te hebben. Pa en Ma zeiden niets. Op het eind van de dag werd alles weer opgeruimd waarbij Ma aan de buurman onze binnenband terugvroeg. De arme man stamelde, ‘zijn die banden van jullie dan?’ Hij dacht dat ze bij de Kibbelkoele hoorden. Met een rood hoofd werd de band teruggegeven. Pa en Ma accepteerden zijn excuus en deden verder niet moeilijk. Wij als kinderen keken de man zowel boos als triomfantelijk aan, dat viel nog lang niet mee hoor. Later hadden we een heuse opblaasboot. Daar gebeurde iets vreemds mee. Wanneer we met de boot op het water dreven leek de luchtdruk in de boot te verslappen. Van afkoeling c.q. krimp van lucht hadden we nog nooit gehoord. Op het strand werd met een handpomp de boot weer op spanning gebracht. Nadat we op het water uit geklierd waren legden we de boot voor ons op het strand. Niemand kon erbij, de boot was van ons, lekker puh. Totdat we na een kwartier opkeken van een raar geluid. Wat was dat nu? Het kwam van de boot. Die lag daar als een gestrande walvis en leek stuiptrekkingen te maken. Weer zo´n rare geluid uit de boot. Door de ligging op het strand werd bijgepompt lucht in de boot niet meer door het water afgekoeld. De zon deed de rest. De luchtdrukspanning in de boot liep torenhoog op. Opeens deed de boot ‘PONG’. Alle binnennaden van de opblaasboot schoten spontaan los. Vijf verbaasde kinderen keken naar een wonderbaarlijke gedaanteverandering. De opblaasboot was spontaan veranderd in een grote sigaar. Het huilen stond ons nader dan het lachen. Om ons heen stille leedvermaak. Afijn, we besloten toch in het water met de sigaar te spelen. Nog nooit hadden we die middag zoveel lol beleeft. Wat bleek? We waren onze tijd ver vooruit! Een tiental jaren later zagen we op TV een speedboot met daarachter een grote gele banaan en daarbovenop vrolijke toeristen. Dat hadden ze van ons afgekeken! Het was onvermijdelijk dat op zo’n drukke plaats ook ongelukken gebeuren. In de Kibbelkoele kwam ik als vroege tiener helaas met zoiets akeligs in aanraking. Nazorg bestond toen nog niet. Ik zat op het gele zandstrand en zat naar de mensen in het water te kijken. Het gerucht ging dat een meisje was vermist. Opeens zag ik een man met een meisje in de armen uit het water rennen. De man liep pal in mijn richting en legde het kind nog geen tien meter voor mijn voeten in het zand. Ik zat daar als in de grond genageld en zag toen wat een tiener niet mocht zien. Andere volwassenen snelden toe waarbij het kind aan haar voeten werd opgetild. Modderwater gutste uit haar mond. In de verte hoorde ik gegil van een oudere vrouw die getroost werd door ondersteunende mensen. Het was de oma die die middag op het kind moest passen. Dat gegil is me altijd bijgebleven. Later zag ik de man het verdronken meisje onder een grote badlaken van het strand wegdragen. In de verte riepen Pa en Ma ons bij elkaar. Vanaf dat moment zag ik overal bezorgde ouders hun kroost bij elkaar grijpen en hun spullen inpakken. Het duurde niet lang of de Kibbelkoele was geheel verlaten.

Geschreven door Henk Beukers.

Archeologen in spe

Archeologen in spe

Nadat Willie en ik zo´n beetje alle bekende vogels hadden gezien gingen we ons toeleggen op de planten. Op de motoren scheurden we een eind Duitsland in om ergens langs het spoor in de berm te eindigen. Daar zetten we een vierkante meter af en determineerden we alle planten die zich hierin bevonden. Dat ging leuk. Totdat ik op het werk een doos met stenen van een collega kreeg. Die had gehoord dat we veel in de natuur waren en af en toe naar stenen pijlpunten zochten. In de doos zaten een aantal stenen die mij totaal niets zeiden. Die kregen voorzichtig een plekje achter de schuur bij de overige nietszeggende stenen. Maar de teerling was geworpen. We gingen voortaan naar stenen zoeken, geen gewone stenen maar vuistbijlen en dergelijke. We bezochten de vader van mijn zwager in Weiteveen. Een man van in de zeventig die al decennia lang door Zuid-Oost Drenthe zwierf en met name afgravingen bezocht. Afgravingen in geel zand zoals nieuwbouw van huizen of aanleg van wegen. Wat kon die man mooie verhalen vertellen! Een hele middag waren we bij hem op bezoek geweest en leerden veel van zijn ervaringen. Halverwege de middag kwakte hij een doos met stenen op tafel. Kleine stenen. Het bleken stenen schrapers en -pijlpunten te zijn. De man wees naar enkele kenmerken op het steen. Zo moet altijd sprake zijn van soort van bulb op de steen, een verdikking veroorzaakt door de slag om bijvoorbeeld een schilfer af te slaan. Uiteindelijk hield je een vuistbijl over, de schilfers konden dan weer als schrapers worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de huiden schoon te schrapen. Op zo’n plek waar vroeger een vuistbijl geslagen werd stikte het dan van de schrapers. Helaas had de man geen vuistbijl in de doos met stenen. Die werd toentertijd uiteraard meegenomen voor andere doeleinden. Bijvoorbeeld om een mammoet te pletten of een buurman te splijten. Van honger kan je namelijk behoorlijk chagrijnig worden. Ook zaten driehoekige stenen in de doos, het leken op kleine piramides. Die waren ervoor bedoeld om te dienen als soort van kraaienpoten. Voor als je de familie van de buurman achter je aan kreeg. Een zool of hoef kon op die manier flink beschadigd worden. Jodium kenden ze in die tijd niet, laat staan een winkel van Trekpleister. Je stierf aan de meest gruwelijke infecties. Daar tegenover stond dat je een mooi graf kreeg, van grote op elkaar gestapelde stenen. Wat stenen borden en bestek erbij en dan moet je niet verder zeuren. Die middag verlieten we Weiteveen als halve archeologen. Halverwege Nieuw-Schoonebeek waren ze in het land aan het graven. Hier doken we in. Enkele dagen zijn we daar aan het zoeken geweest. Dat viel toch niet mee, archeoloogje spelen. We vonden enkele schrapers en een boorvormige steen, zeker om knoopsgaten in het taaie leer te maken. De weken erop toogden we naar Emmen. Nabij het Oeverse Bos. Het landschap daar was heel oud met meerstallen en eeuwenoude landwegen. Daar zal vast wel zo’n neolithische gast een vuistbijltje voor ons achter gelaten hebben. We hadden geluk. Boeren in de omgeving kwamen bij het aardappelrooien ook diverse stenen tegen die opgerooid werden. Die stenen werden opgespaard en als wegverharding gebruikt bij de ingang van de kavel. Waarom een hele bunder afstruinen naar vuistbijlen als je het op een hoop kan vinden? Gretig zaten we op een vroege morgen bij een ingang van de aardappelveld in de wegverharding te wroeten. We hadden een soort van Gamma verwacht waarbij de vuistbijlen niet aan te slepen waren. Het resultaat was helaas anders. Na een morgen in de vrieskou in de stenen te hebben gewroet vonden we een stenen afdruk van een dier. Een egeltje ofzo. Dat is leuk, maar het was geen vuistbijl. Na een paar woensdagen onze vrije tijd vruchteloos in het veld te hebben besteed besloten de beide Tjerk Vermannings plan B uit te voeren. In Nederland was elk stukje veld door een archeoloog doorploegd en elke steen besnuffeld. Daar viel geen eer meer te behalen. Willie begon zelfs filosofisch te oreren. ‘De kans dat je hier een vuistbijl in het veld vindt is net zo groot als dat je daar een hamer vindt’. Nou, kom daar maar eens tussen. In Duitsland moesten we zijn. Veel en veel groter dan Nederland en veel en veel minder archeologen. Dat hoopten we tenminste. Belangrijker was dat we een gebied wisten waar niemand kwam. Dat had te maken met het feit dat het verboden gebied was, militair Sperrgebiet. Nabij Meppen lag namelijk een grote kazerne. Meppen staat in het militaire wereldje bekend als het inschietgebied voor artillerie. Zelfs Nederlandse tanks werden hier ‘ingeschoten’. Naast de kazerne lag een enorm waaiervormig gebied waarin zelfs enkele spookdorpen lagen. Een perfect gebied voor twee aankomende archeologische talenten. Op een woensdag in de vroegte reden twee motoren Duitsland in. Nabij Meppen werden de stalen paarden in het bos geparkeerd. We liepen naar het militair gebied. Dat werd spoedig aangegeven met grote witte borden met schreeuwerige teksten. Bovendien prijkte op elk bord een rode vlag. Wie denkt dat deze borden twee aanstormende archeologen kon tegenhouden had het volkomen mis. Op de borden stond Duitse tekst en wij waren Nederlanders, lekker puhh. We liepen een ongerepte natuur binnen. Bossen, struiken, heuvels en gele afgravingen die leken op trechters. We verbaasden ons over het feit dat hier niet meer archeologen in het veld aan het krabbelen waren. We stonden naar een grote gele wal van geel zand te kijken toen het in de verte begon te rommelen. Willie kwam tot een buitengewoon scherpe analyse, ‘ze begunn te schiet’ n’. Geruststellend voegde hij hieraan toe, ‘maar ze schiet’ n over ons henne’. Inderdaad, zoals verwacht dreunde het aan de andere kant van het gebied, de inslag. We begonnen de gele aarden wal te bestuderen, volgens ons moest hier wel een ‘voestbieligie’ te vinden zijn. We waren zo geconcentreerd bezig dat we pas laat opmerkten dat de inslagen per keer fors op ons toe kwamen. We bleven doorzoeken totdat Willie de vondst van zijn leven deed. Na wat gekrabbel in het rulle gele zand trok hij zijn vondst uit het zand en hield die verbaasd tussen ons omhoog. Het was een klauwhamer van Stanly. Met een knalgele handvat. Over knal gesproken, de volgende inslag kwam nu zo dicht bij dat zelfs geharnaste archeologen als wij enigszins begonnen te twijfelen. Eerst langzaam edoch wel enigszins versnellend maakten we aanstalten om te vertrekken. Toen we wederom in de verte gerommel hoorden wisten we dat de inslag niet lang op zich liet wachten. De heren archeologen verloren hun waardigheid en renden zo hard als mogelijk richting de borden met rode vlaggen. De inslag was vlak achter ons en gaf ons opeens vleugeltjes. Nog een beetje wit om de neus bereikten we onze motoren. Dit was gelijk het einde van onze archeologische droom. Voor Willie kreeg het lot wel een erg ironische wending. Het was notabene achter zijn huis waarbij zijn buurman uit een bult zwart zand een neolithische vuistbijl trok en daarbij de krant haalde.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Beesten om ons huis 2

Beesten om ons huis 2

Ik heb altijd van dieren gehouden, tot op de dag van vandaag. Dan bedoel ik niet een karbonaadje of een kippenboutje. Hoewel dat ook niet is te versmaden. Nee, ik bedoel houden van levende dieren met name huisdieren. Waarbij ik direct een paar uitzonderingen moet noemen. Aan muggen, wespen en vliegen heb ik de pest. Dan grijp ik direct naar de vliegenmepper. Zelfs hier toon ik een zekere mate van coulance naar die vreselijke zoemers. In de vliegenmepper zet een gat ter grootte van een euro. Ze hebben dus een zekere kans om het noodlot te ontwijken. Meer kan ik voor die rakkers niet doen. Houden van dieren houdt ook in dat je er verdriet van kan hebben. Veel verdriet. Als volwassen man kon ik het niet droog houden toen Blackie, onze Keeshond, in mijn armen door de dierenarts werd doodgespoten. Als puppie kwam hij bij ons, als hoogbejaarde ging ie weer. Ik droeg als het ware een hele hondenleven in mijn armen. Gelukkig heeft Blackie een waardig graf gekregen, achter in de tuin, samen met de eerder gesneefde cavia’s en hamsters van mijn dochter. Die had hij met zijn bijna zestien jaar maar mooi overleefd. Waar ik als kind ontroostbaar over geweest ben was een nest met jonge ganzen. Het was bijna het verhaal van de negen kleine negertjes. Mijn vader had een nest ganzen gekocht, hij zag hier winst in in de vorm van vlees en eieren. Als kinderen zagen we negen gele pluizige dotjes in een diepe doos waar we op staande voet verliefd op werden. De snaveltjes gingen zo koddig open en ze piepten zo leuk. Pa bracht de doos naar een hok in de schuur. De zelfde middag nog hadden we de zinken teil gevuld met water en zelfs met geel zand een strandje gemaakt. Niet veel later piepten negen gele donsjes aan het strand met aan het zwerk een viertal vertederende kinderhoofdjes. Het noodlot sloeg al na een dag toe. Er lag een vertrapt geel vlekje in de hoek. Daarbovenop acht piepende snaveltjes. Dat ging een week zo door. Telkens sneefde een ganzenkuikentje, soms twee. Mijn kinderhartje van elf jaar brak bij het laatste kuikentje. In was die dag ontroostbaar. De les in de vijfde klas bij frater Siardus ging volkomen aan mij voorbij. Zachtjes zat ik achter in de klas te snotteren en veegde het met mijn vieze handen af. Dat laatste kwam van het voetballen, dat moest er natuurlijk wel om doorgaan. Met de middagpauze liep ik snel naar huis. Ik had me zachtjesaan schraal en leeg geblèrd. Voorzichtig nam ik het dode ganzenkuikentje in mijn handen. Het was tijd om afscheid te nemen van het laatste kuikentje. Ik liep naar achter het huis en drapeerde het gele lijkje voorzichtig en respectvol in de vuilnisemmer. Ik had mijn rouw verwerkt en ging weer voetballen achter de school. Later zei mijn vader dat het nest waarschijnlijk het gevolg is geweest van inteelt. Begripvol knikten we al hadden we geen idee wat het betekende. Een jaar later hadden we vijfentwintig ganzen die het wel goed deden. Daar was een gans bij die enigszins mank liep. Die nam ik apart in een hok. Het dier liet alles toe en beet niet. Waar de poot knikte, ik noem het maar knie, zat een zwelling. Dagenlang heb ik een paar keer per dag het pootje zacht gemasseerd en voorzichtig gebogen. Het hielp want de gans kon steeds beter lopen. Na mijn fysiotherapie liet ik het dier voldaan los in de groep. Daar hield het spontaan op omdat de gans opging in de groep. Die ganzen leken allemaal op elkaar zodat ik mijn patiënt subiet kwijt was. Afijn, het liep tegen Kerst en ik verheugde mij op de sfeervolle dagen. Ganzen hebben geen eigen mening. Als die een mening hadden dan waren ze vast en zeker een andere mening toegedaan wat Kerst betreft. Hetzelfde lot was immers met onze kippen gebeurd een aantal jaren eerder. Een nest pluisjes kwam onze gezin versterken. Pa rekende op hennetjes, die legden tenminste eieren. Om die reden waren hennetjes duurder dan haantjes. Pa kon geen kuikentjes sexen. De verkoper des te meer. De kuikentjes waren zonder uitzondering allemaal haantjes. We gingen ons natuurlijk helemaal aan de pluizenbolletjes hechten. Ze kregen allemaal een naam. Zelfs een manke haan werd door ons liefdevol ´hinkepootje´ genoemd. Maar op een dag, het liep tegen Kerst, kregen we van Pa te horen dat we de kippen niet hoefden te voeren. Dat had toch geen zin aldus Pa. Even later in de kippenren vonden we toch dat de kippen iets hongerig uitkeken. Een beetje voer moest kunnen. Die middag mopperde Pa dat hij bij elke geslachte kip een volle krop met voer aantrof. Toen we die zaterdagmorgen terug kwamen van een welpenopkomst troffen we onze gevederde lievelingen in een andere hoedanigheid aan. Spiernaakt in emmers met water. Vandaag de dag zou een kinderpsycholoog hier een blijvende blafhik van oplopen. Die hadden we toen niet nodig, we stonden dichter bij het leven. We moesten die kippen nog opeten ook. Dat hebben we niet gedaan. Die eerste Kerstdag niet tenminste, later wel natuurlijk, we kregen honger. Het volgende dier waar ik erg viel van hield was een cavia. Koddige oogjes op een grote neusbrug waaronder een lacherig mondje met snijtandjes. Watervlug wegkruipend naar een donker plekje. Kortom, zeer geschikt voor in bed. Toen dokter Huisman, de huisarts, de deken van mijn bed optilde om mijn gezwollen knie te bekijken deed ie verschrikt een stap terug toen een cavia voor zijn neus onder de deken wegvluchtte. Ontkennen bij Ma hielp niet gezien de vele caviakeuteltjes in bed. Het was wel de huisarts die het laatst lachte toe hij de injectiespuit met penicilline in elkaar schroefde. Hoewel de cavia een eigen kooi had liep het diertje toch vaak vrijelijk rond in de kamer. Als je het diertje zocht hoefde je alleen maar zijn spoor van keuteltjes te volgen. Die ganzen waren ware strontfabrieken maar die cavia kon er ook wat van. Maar zo op een dag was het knaagdiertje verdwenen, wat wel vaker met dieren gebeurde in ons huis. Voor dat soort zaken keken we ons Pa nog wel eens met een scheef oog aan. Het was dit keer de kat die tevreden en voldaan aan zijn middagdutje begon na zwaar te hebben getafeld.

Geschreven door Henk Beukers

Mechanisatie

Mechanisatie

Als we opkomst hadden van de welpen in het bos achter de Katholieke kerk op Erica dan slopen we soms naar de schuur van de naastgelegen boer. Er rook daar naar leer en paarden. Die specifieke geur vergeet je nooit meer. Bij de baanderdeur hingen allerlei lederen leidsels en riemen, verder naar achteren in de schuur brieste een paard. Hoewel de tractor inmiddels zijn intrede bij de boeren had gedaan waren deze paarden blijkbaar de laatsten der Mohikanen. Het duurde dan ook niet lang voordat ook deze paarden waren verdwenen. De boer ging met de tijd mee. Zijn buren, ook boer, moesten van dat nieuwerwetse gedoe niets hebben. Die hielden het bij gedegen arbeid met paard en wagen, zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik zie nog de korenschoven en hooibelten op hun landerijen. Hun vracht vervoerden ze met een lichtblauwe houten wipkar. Uiteraard getrokken door een paard. De boer zat vaak zijdelings op de dissel en maakte klikkende geluiden. Op de dissel zitten was voor de boer niet zonder risico. Bij een bocht kwam de paardenkont gevaarlijk dicht bij het hoofd van de boer. Uit zo´n paardenkont kon zomaar een kwart mud bruine appels rollen. Je zal er maar net onder zitten. Stiekem hoopten we daar als kind natuurlijk wel op. De ouderwetse boer werkte onverstoorbaar door. Hij trok een hendel los en kiepte de bak van de wipkar leeg. Tot in de jaren tachtig werkten zij een slag in de rondte. Ze werden uiteindelijk een karikatuur van zichzelf en gingen als een nachtkaarsje uit. Wie niet aan de mechanisatie in de landbouw meedeed lag er vroeg of laat uit. Wij als kinderen maakten de ontwikkeling van dichtbij mee. Vooral de dorsmachine, voor zover ik me dat kan herinneren, was ontzagwekkend. Het gevaarte bestond uit meerdere wagens die meestal bordeauxrood van kleur waren. Wanneer de onderdelen aan elkaar waren gekoppeld werd er een tractor bijgezet. De tractor had iets bijzonders wat men vandaag de dag niet meer ziet. Vlak voor de zitplaats aan de zijkant van de tractor zat een grote aandrijfwiel. Hierop werd een lange platte riem gelegd die kruislings aan de dorsmachine werd gekoppeld. De tractor brulde, het aandrijfwiel begon te draaien, het monster kwam tot leven. Als kind zag je een ontzagwekkend hoge bordeauxrode wand vol met draaiende, kleppende, heen en weer draaiende hendels en wielen die enorm veel lawaai produceerden. Om het monster liepen boerenknechten die korenschoven met een hooivork naar boven gooiden. Op de bovenkant van de dorsmachine stond een knecht die vervolgens de korenschoven in de hongerige muil van het monster wierpen. Volgens de knechten werd er af en toe ook een kind in de dorsmachine gegooid. Gillend stormden we dan om de dorsmachine heen met een paar knechten achter ons aan. Indrukwekkend was de ‘Paardenkop’, een op en neer stampend gevaarte die van het losse stro stevige pakken maakte. Die werden vervolgens automatisch ingebonden met henneptouw. Schoksgewijs scheet zo het monster om de zoveel tijd een vierkante strodrol uit. Aan de zijkant liep een buis een stukje het veld in. Uit de buis kwam een wolk van stof en vliesjes, het kaf. Als je geluk had kon je hieruit een verwarde muis plukken. De dorsmachine hebben we maar een of twee keer gezien, toen was het gebeurd met dit soort apparaten. Het waren de jaren zestig van de vorige eeuw. We zagen een nieuw soort monster op de landerijen verschijnen, de Combine. De stilstaande dorsmachine kon alleen dorsen maar deze Combine kon ook tegelijkertijd maaien. Gecombineerd, vandaar Combine. In tegenstelling tot vandaag waarbij het graan in bulk wordt opgevangen was het in die tijd gebruikelijk dat het geoogste graan werd opgevangen in jutezakken. Net als bij de dorsmachine werd dus ook bij deze Combine het graan opgevangen in jutezakken. Aan de wand van de combine zat, net als bij de dorsmachine, een soort van naaimachine waarmee de knechten de volle jutezakken konden dichtnaaien. Die werden vervolgens opgestapeld op een volgkar die uiteraard door een tractor werd getrokken. We kwamen vaak bij boer Kuper op het erf. Boer Kuper was niet van Katholieke huize zoals we dat gewend waren maar hij was in onze jonge ogen wel de beste boer op Erica. Op zijn erf geen rotzooi, zijn materiaal was goed onderhouden en zat altijd goed in de verf. Het veenkoloniale landschap van Zuidoost Drenthe was toentertijd bezaaid met kanalen en zijkanalen. Ooit gebruikt ter ontsluiting van al dat veen. Nu het veen weg is lagen de meeste kanalen er onberoerd bij. Boer Kuper was de enige boer die de zijkanalen in zijn landerijen goed onderhield. De overige boeren leken de zijkanalen als verlies van bouwgrond te zien en kieperden er allerlei afval in. De gegoede burger op Erica volgde het voorbeeld en deed daar nog een flinke deel bij. Het gevolg was dat de meeste zijkanalen evolueerden tot ware dumpplaatsen. Zo vonden wij daar als kind een autowrak waarbij de tank nog vol met benzine zat. Na het autowrak in benzine te hebben gemarineerd moest Bennie het aansteken, hij was immers de kleinste. We schopten Bennie voorzichtig naar voren, hij boog zich naar binnen door de geopende zijruit en gebruikte zijn aansteker. Na een gigantische steekvlam stoven we het veld in. Wij zagen witjes, zonder benzine. Bennie zag zwart, zonder wenkbrauwen. Eigenlijk was alles wat haar betreft boven zijn kraag verdwenen. Daar zeiden we maar niets van. Het was slecht voor zijn zelfvertrouwen en we hadden altijd het beste met Bennie voor. Boer Kuper had bij droogte een beregeningsinstallatie die het water betrok uit een van zijn zijkanalen. Ook was hij de enige boer die drainagepijpen in het bouwland liet aanleggen. Alle nattigheid van het land liep zo de zijkanalen in. Bij een kletsnatte najaar was Kuper de enige boer die niet aan het geklaag van zijn collegaboeren meedeed, hij had het te druk met oogsten. En klagen konden de boeren in die tijd. Er was een volksspreuk die daar op zinspeelde. ‘Als de pastoor niet meer vraagt en de boer niet meer klaagt, dan is het einde der tijden nabij’. Boer Kuper had in die tijd al begrepen dat wie niet investeerde uiteindelijk ten onder ging. Hij had in die tijd al meer dan honderd bunder grond wat onvoorstelbaar veel was. Dat had zijn prijs. Door al dat investeren had hij zelf geen nagel om op de kont te krabben, zo liet hij dat tegen mijn oom weten. Voor ons als jonge knapen was hij een machtige boer. Als boer Kuper een nieuwe tractor had gekocht was ie geheid veel sterker dan de oude. 40 PK werd 60 PK en ze werden voorzien van een vaste cabine met rolbeugel. Bij elke sprong der PK’s werd de ploeg met een schaar uitgebreid, werden de karren, poot- en zaaimachines groter. Als kind hielden we dat allemaal bij. In die tijd konden we in het voorjaar bij de boeren een mooi zakcentje verdienen met het wieden van de bieten. Het bietenzaad werd veel te grof ingezaaid. De rijen bieten leken in het begin wel op snijmoes. In de vroegte moest je je melden bij de boer die je meenam naar de bietenvelden. Alles was koud en nat van de ochtenddauw. Daar moest je dan op de knieën door heen waden. Maar even en je was net zo nat als het bietenveld. Met een haksel sloeg je in de groene massa, je liet om de 10 centimeter een bietenplantje staan. Afhankelijk van de lengte van de rij bieten kon je een gulden of soms wel een daalder per rij verdienen. Per dag haalde je zo zo´n twaalf tot achttien gulden binnen. Als groep van tien tot vijftien wieders kropen we gezamenlijk op in het bietenveld, dan kon het zowaar gezellig worden op het land. Het was trouwens niet de nattigheid ‘s morgens wat het meeste parten speelde, die eer kwam toe aan de hete middagzon. Om af te koelen doken we soms, tot grote hilariteit van de vrouwelijk wieders, naakt in een van de zijkanalen. Van die tijd kan ik me herinneren dat het opeens gebeurd was met het wieden van bieten, de nieuwste zaaimachines konden nu per bietenzaadje inzaaien. Het is de mechanisatie, daar doe je niks aan.

Geschreven door Henk Beukers

Vogels observeren in het Kerkenbos op Erica

Vogels observeren in het Kerkenbos op Erica

Het was april 1969 toen twee jongens het bos in slopen achter de katholieke kerk op Erica. Het was vroeg. Tussen de nevels en mistflarden drong zich een dun voorjaarszonnetje op tussen de hangende beukentakken. Vlug en stil bewogen de jongens zich naar het centrum van het bos. De jongens hadden een missie. De jongens, Willie mijn kameraad en ikzelf, hadden die zaterdag besloten om vogels te gaan bestuderen in het bos. Het was eigenlijk begonnen met een boek die Willie kreeg op zijn verjaardag. Het was een boek waarin alle vogels benoemd werden die voorkwamen in Nederland. Na het boek vol bewondering doorgebladerd te hebben waren we uiteraard deskundigen. Temeer omdat we enkele vogels uit het boek herkenden, een kraaie en ´n doefe. We organiseerden voor ons die zaterdag een soort van vogelsafari in het kerkenbos. Een beetje vogelaar kwam vroeg uit de veren want de vogels bleven niet wachten. Het was acht uur in de morgen toen we het bos inslopen, voor ons vroeg. Voor de vogels was het inmiddels middagpauze. Om de mooiste vogels te kunnen zien moest je natuurlijk helemaal achter in het bos zijn. Nog achter het kerkhof. Daar lag een rand bos met een bospad langs de heg van het kerkhof. Toen we daar aan kwamen zagen we niets. Willie hield het boek op en bladerde naar de laatste bladzijde. Alsof hij de vogels eruit wilde schudden. Wanneer we om ons heen keken dan hoorden we allerlei vogelgeluiden. Die krengen zaten in de boomtoppen verscholen. We keken elkaar aan, de boomtoppen. Even later klommen twee jeugdpuistjes naar de toppen van enkele dikke sparren. Dit moest je juist als deskundige doen om vogels te bestuderen. Met veel kabaal de bomen inklimmen en dan denken dat de gevleugelde vrienden je daar op zitten te wachten. Wij dachten het in ieder geval van wel. Na een kwartier, zoveel geduld hebben dertienjarigen nu eenmaal niet, voor paal te hebben gezeten besloten we weer neder te dalen ter aarde. Dat viel nog niet mee, vogels observeren. We besloten naar het hokje te gaan schuin achter het kerkhof. Het was een rechthoekig klein gemetseld gebouwtje met een betonnen plaat als dak. Een mooi plateau om te gaan zitten en vogels te gaan bestuderen. Maar we voelden ons niet zo op ons gemak. Het gebouwtje deugde niet, tenminste dat was ons verteld. In het dorp stond het schuurtje bekend als het ‘liek’nhuusie’. In het schuurtje lag normaal gesproken wat gereedschap maar vroeger werden hier de overleden mensen naar toe gebracht. Dat was ons verteld. Omdat het gebouwtje zo klein was werden de stijve doden tijdelijk even tegen de wand gezet, zo werd verteld. Tja, wat moest je intussen, als je een gat aan het graven bent? Dan zet je de overledene even tegen de wand in een schuurtje. Hier op Erica zaten we op een zandkop van een uitloper van de Hondsrug, een heuvelketen in Drenthe. Hier werd je nog met droge voeten begraven. Uit Weiteveen hoorden we heel andere verhalen. Daar werd de kist afgezakt en begon opeens het te bewegen. O gruwel. Bleek de kist te dobberen op een laag water onder in het gat. Of iets gruwelijker, dat een gat werd gegraven naast een ander graf. Uit de wanden stroomde het grondwater het gat in, met sappen van de buurman. Gatver, reken maar dat het stonk. Dat werd ons allemaal verteld. Het huisje zat ons als dertienjarige niet lekker. Voordat we het dak opklommen wilden we eerst zeker weten of ze niet een overleden dorpsgenoot tegen de wand in het schuurtje hadden gezet. Meestal kwamen we op Erica het bericht van overleden dorpsgenoten nog eerder te weten dan de familie. Zover we wisten was niemand op het dorp overleden. Dat wil nog niet zeggen dat er niemand in het schuurtje stond. D’r kon afgelopen nacht wel een ongeluk zijn gebeurd. Voorzichtig naderden we de deur van het schuurtje. We waren ook wel een beetje nieuwsgierig. Het gebeurd niet vaak dat we als eersten op het dorp wisten wie er afgelopen nacht overleden was. ‘Ma, moe’j ‘ns weet’n wie d’r dood is, echt waor heur, hij stet teeg’n de muure in ‘t liek’nhuusie’. De deur ging krakend open. Twee blonde jongenskoppies keken in een duistere ruimte. Niets. Zelfs nog geen schoffel. Ietwat teleurgesteld maar vooral opgelucht togen we ons op het dak van het lijkenhuisje. We keken om ons heen, hier zagen we ook geen vogel. Het geduld van de tieners was op. Het vogelboek werd naar Willies huis gebracht. We gingen onze tijd besteden aan het serieuzere werk. Het bos veroveren op de vijand. Ik had thuis een revolver liggen die snel opgehaald werd. Bij Sanders, de speelgoedwinkel, had ik genoeg ammunitie ingekocht om een privé Boerenoorlog te beginnen. De revolver kon je openklappen en op de roterende trommel kon je een cirkelvormig rood plastic dingetje leggen. Goed voor zes schoten. Of voor één hele harde. Dan moest je zo’n rood gevalletje op de bankschroef leggen en met de hamer er keihard opslaan. Ik heb het geweten, die nacht erop kon ik niet slapen omdat mijn oren zo floten van de knal. Willie had geen revolver. Toch moesten de schurken uit ons bos worden verdreven. Gelukkig had hij wel een machinepistool. Op de loop zat een kegelvormige demper, onderaan zat een handvat en het geheel kon je zo tegen de schouder zetten. Een prachtig ding, wel een beetje zwaar. De vader van Willie mistte die dag zijn handboormachine. Stormenderhand veroverden we die ochtend het kerkenbos op de vijand. Op een gegeven ogenblik zaten we aan de rand van het bos in vuurdekking. Naast ons het bouwland van boer Jans Lubberman. Het bos lag zo’n meter hoger dan het bouwland van de boer. Bomen op de wal hadden dikke boomwortels die als enorme klauwen in de bodem grepen. Tussen de boomwortels ontstonden natuurlijke ruimtes. Het leken wel ingangen van kabouterhuisjes. Het waren prachtige plekken om schatten te begraven. Ik reikte mijn arm uit en stak het in zo’n hol. Tot mijn grote verbazing had ik iets in mijn handen. Het was een pakje tabak met een pijp. Ooit had Jans hier gezeten voor een rookpauze. Waarschijnlijk was het toen begonnen te regenen en had hij een schuilplaats voor zijn rookwaar gezocht. Met al die bomen en boomwortels had hij zijn rookwaar nooit meer terug gevonden. Het was dus een ongelooflijke toeval dat ik net in die ene spelonk mijn arm stak. Hoelang het daar had gelegen? Niemand die het weet, Jans was in die tijd al een oude man. Hij liep een beetje mank en wanneer hij op het land liep en geluiden in het bos hoorde keek ie door een verrekijker. Verscholen achter struiken en bomen lagen we hem te begluren. Het was de vijand, die mocht ons niet zien.

 

Geschreven door Henk Beukers

Wandeltocht, fietstocht De Elfbruggentocht om Erica

Wandeltocht, fietstocht De Elfbruggentocht om Erica

Een tocht om Erica door het prachtige veenkoloniaal gebied waarbij in totaal elf bruggen over diverse kanalen worden gepasseerd.

De tocht heet: De Elfbruggentocht om Erica.

Het is een tocht van 10, 20 kilometer of, met extra lussen 25, 30 kilometer.

Als bewijs van brugpassage kan een foto worden gemaakt van de deelnemer(s) met de brug als achtergrond. De foto kan worden geappt of gemaild naar elkaar. Alle deelnemers zien dan waar de andere deelnemers zich op de route bevinden en kunnen bijvoorbeeld voor elkaar opdrachten achterlaten.

De Elfbruggentocht om Erica: voor de wandelaar of fietser.
Start op het plein van het winkelcentrum op Erica.
Loop langs de Verlengde Vaart Noordzijde richting Klazienaveen.
Neem de 2e brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart = Brug 1.
Loop langs de Verlengde Vaart Zuidzijde naar Klazienaveen.
Neem de voetgangersbrug aan de Langestraat te Klazienaveen = Brug 2.
Loop langs de Bladderswijk Oostzijde richting Zuidbarge.
Neem de brug over het Bargermeerkanaal = Brug 3.
Na oversteken brug klinkerpad links aanhouden naar het Oranjekanaal.
Loop langs het Oranjekanaal Noordzijde richting centrum Zuidbarge.
Neem de brug over het Oranjekanaal in Zuidbarge richting Erica = Brug 4.
Loop via de Zuidbargerstraat later Ericasestraat naar de rotonde aan de Verlengde Herendijk.

Neem de tweede afslag richting Erica voor de 10 km route.

Voor 20 km route neem de eerste afslag, de Verlengde Herendijk richting Nw Amsterdam.
Op het eind (T-splitsing) ga rechts af, de Nieuw Amsterdamse straat richting Emmen.
Ga na 300 meter linksaf, de Erfscheidenweg richting Barger Erfscheidenveen, u passeert ter hoogte van de Verlengde Zijweg de Brug over de Bumawijk = Brug 5.
Via de Erfscheidenweg later Veilingweg, uitlopen richting het centrum Nw Amsterdam.
Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart bij het Van Gogh huis = Brug 6.
Loop langs de Verlengde Vaart Zuidzijde door het winkelcentrum van Nieuw Amsterdam.
Neem de (antieke)Trambrug over de Zijtak = Brug 7.

U kunt nu de normale route verlaten voor een extra lus van 10 km. Ga rechts langs de Zijtak Oostzijde richting Zandpol, neem de (antieke)hefbrug over het Dommerskanaal. Ga door en vervolg de Zijtak Oostzijde, neem de brug over het Stieltjeskanaal. Sla direct hierna links af en neem Stieltjeskanaal Oostzijde. Onder de viaduct van de Vierslagenweg gaat de straatnaam over in Dommerskanaal Oostzijde en nog later gaat de straatnaam over in Griendsveenstraat. Bij het Amsterdamscheveld kruist de Griendsveenstraat met de Peelstraat. Neem de brug over het Dommerskanaal en ga via de Peelstraat richting Erica. Voor een extra extra lus van 10 km neemt u niet de brug maar vervolgt u de Griendsveenstraat. U passeert het spoorwegmuseum en komt hierna in het dorp Weiteveen. Ga naar links richting Klazienaveen. Ga via de Dordsedijk naar Bargeroosterveen. Ga bij de kruising links af, neem de Veenhoeksweg, later Ensingwijk Zuidzijde. Via de Verlengde Vaart Zuidzijde komt u weer in het centrum van Erica. Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart, ga via de Havenstraat naar het beginpunt van de route. extra-lussen-11-bruggentocht-om-erica-klein

terug naar de normale route

Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart bij Zijtak Oostzijde = Brug 8.
Loop via Vaart Noordzijde richting Erica, neem de brug over de Marchienewijk = brug 9.
Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart bij viaduct Vierslagenweg = Brug 10.
Loop langs de Vaart Zuidzijde en Verlengde Vaart Zuidzijde richting Erica.
Neem de brug over Verlengde Hoogeveense Vaart in het centrum van Erica = Brug 11.
Eindig op het plein in het winkelcentrum van Erica.

Terug op Erica, huus suute huus.

Geschreven door Henk Beukers

Buurman Willem 1

Buurman Willem 1

Van alle buurmannen op de wereld, dat zijn er heel wat, hadden wij uitgerekend Willem als buurman. Een heel bijzonder mens waarbij je niet verveelde. Willem was een klein tenger mager mannetje. Met kleine pasjes kwam hij aan gedribbeld en met snelle bewegingen verduidelijkte hij zijn verhaal. Vooral als hij iets nieuws had te vertellen, dan verhief hij zijn stem tot piep. Willem´s wereld was klein, het werd begrenst door zijn blikveld. Voordeeltjes in het leven, daar had hij volkomen logisch en vanzelfsprekend recht op. Kwam het leven niet zo uit, had hij ergens een nadeel, dan was Leiden in last. Dan sprong Willem als een springveer uit het doosje. Nu zou je denken dat Willem een buurman was waar je altijd ruzie mee had. Dat was niet het geval. In eerste instantie hadden we dat te danken aan het rustige karakter van mijn vader. Maar wat ook erg meehielp was de afgelegen positie van Willems huis. Hij had te weinig mensen om zich heen om ruzie mee te maken. Gelukkig had hij een zoon, die woonde in Groningen. Toen Willem zijn zoon Henk vroeg om zijn tuin om te spitten was er aanvankelijk volop medewerking. Zijn tuintje was in een zaterdagmorgen immers zo om te spitten. Henk had inmiddels een rij omgespit, daar kwam Willem aangerend. Zijn zoon moest onmiddellijk stoppen. Zoonlief keek zijn vader verbaasd aan. Met driftige bewegingen en een hoge stem maakte Willem duidelijk dat zijn zoon in de verkeerde hoek van de tuin was begonnen. Henk begon te sputteren dat het toch werkelijk niet uitmaakte waar je begon met het omspitten van de tuin. Willem vond het echter nodig om er een harde punt van te maken, de structuur van zijn grond stond op het spel. Willem had het zeldzame talent om het zo hoog op te spelen dat zoonlief kwaad de schop op de grond wierp en zijn vader vriendelijk maar dringend verzocht voortaan zelf de tuin maar om te spitten. Dat was Willem ten voeten uit. Even later vertrok zijn zoon met de auto naar Groningen en stond Willem alleen te spitten in zijn tuin. Als Willem een voordeeltje kon halen zou hij het niet nalaten om stoute dingen te doen. Zo viel mijn vader op dat tussen de struiken in onze tuin vele hoopjes steen en puin lagen, af en toe zelfs een hoopje takken. Opvallend hierbij was dat de hoopjes over de gehele lengte van Willems belendende grond lagen, alles lag precies een arm diep in onze tuin. Willems arm. Hij was aan het schoffelen geweest en had alle steentjes en takjes op bultjes bij elkaar geharkt. Wat moest je het afval laten als je de kruiwagen schoon wilt houden en de buren niet aanwezig waren? Mijn ouders lachten vaak om deze stupiditeiten. Maar soms maakte Willem het ook bij deze geduldige mensen te bont. Willem had nog een jongere zoon Harry, die was een beetje handig met auto’s. Na een zaterdag knutselen aan een Volkswagen bleven een paar lege olieblikken naast Willems schuur liggen. De zondagmorgen erop liep Willem door zijn tuin en zag bij de ingang van zijn schuur de lege blikken liggen. Wat doe je dan volgens Willems logica als je van die blikken af wilt komen? Hij wist dat de buren naar de kerk waren. Juist, hij smeet ze met een boog over de struiken onze tuin in. Maar zelfs een genie als Willem maakte fouten. Mijn ouders waren namelijk de zaterdagavond tevoren naar de kerk geweest. Erger nog, mijn moeder lag op dat moment aan de andere kant van de struiken te zonnebaden. Die moest in vuurdekking. Verwacht nu geen heftig protesterende moeder. We hadden niet voor niets zo’n dertig jaar zonder ruzie naast Willem gewoond. Ma loste dat op haar eigen manier op. Zoon Gerard van tien jaar moest de blikken maar terug gooien. Op een andere tijd natuurlijk. Dus een dag later keek een verwonderende Willem naar zijn tuin en zag daar wederom een paar lege olieblikken liggen. Wel, geen gezeur om die blikken en gewoon die troep opruimen. Dus pakte Willem de blikken en smeet ze opnieuw bij ons over de struiken. Om even later ze met een boog terug te krijgen. Willem tuurde door de struiken en zag daar mijn broer Gerard staan. Bij Willem kwamen nu de nekharen recht overeind te staan. In zijn optiek stond hier een buurjongen die zomaar met lege olieblikken gooide en nog wel in zijn tuin! ‘A’j hier met deurgaot zeg ik het teeg’n joe moe’, schreeuwde de boze buurman. ‘Ik mus ‘t juust van mien moe doen’, riep een kinderstem terug. Zelfs Willem begon nu zijn eigen onredelijkheid in te zien en kwakte even later de lege olieblikken in zijn eigen vuilnisemmer. Gelukkig had hij nog een andere buurman. Die woonde iets naar voren. Willem keek als het ware op zijn achtererf. Daar zat een pad tussen waarover een boer zijn landbouwgrond achter Willems huis kon bereiken. Al dat gejakker met die dikke trekkerbanden naast zijn huis. Die boer moest maar een andere pad opzoeken, het was welletjes geweest vond Willem. De volgende keer dat de boer naar zijn grond wilde vond hij Willem op zijn pad. Het werd bijna slaande ruzie. Recht van overweg vond Willem maar gezeur. Even later sloeg hij langs zijn erf lange ijzeren pinnen met scherpe punten in de grond. De boer kon geen centimeter meer uitwijken of hij liep kans zijn kostbare banden lek te prikken. Nu kwam Willems echtgenote Dinie in het geweer. Die pinnen waren gevaarlijk, daar konden kinderen op vallen, die moesten eruit. Willem vloog voor Dinie. Hoewel de boer had gewonnen keek deze toch altijd verschrikt rond als hij het huis van Willem passeerde. Maar Willem had daar helemaal geen tijd voor, het was hem namelijk iets vreselijks opgevallen. Iemand zat bij zijn rode bessenstruiken. De struiken stonden keurig in lengterichting langs het pad naast zijn huis. Willem rook prooi. De komende tijd hield hij de struiken goed in de gaten. De sappige trosjes rode bessen waren erg aanlokkelijk. Het duurde niet lang of Willem had de dief betrapt. Nota bene zijn eigen buurman! Een ruzie was het gevolg. De buurman, een rustige oude vrijgezel, werd overrompeld door een drukke terriër. De arme man kreeg geen kans om in verweer te komen. Willem was helemaal van God los. Hij rende zijn schuur in en kwam even later terug met een jerrycan vol met benzine. Enkele momenten later had driftkikkertje Willem alle bessenstruiken besprenkeld met benzine. Voordat de buurman nog iets kon zeggen verdwenen de bessenstruiken in een wolk van rook en vuur. Van de rode bessenstruiken bleven alleen zwart geblakerde takken over. Het was Dinie die dezelfde middag nog vrede stichtte met de verschrikte buurman en later aan haar inmiddels afgekoelde man moest vertellen dat de bessenstruiken niet op zijn maar buurmans grond stonden.

 

Geschreven door Henk Beukers

Foto bespreking 1

Foto bespreking 1

De foto stamt uit 1939 en werd gemaakt door meester Engbers toen mijn vader in de zesde klas zat. De reden voor het maken van de foto was gelegen in het feit dat dit elftal iedereen op school met voetbal versloeg, ook al voetbalden ze slechts op klompen. De meester was zodanig trots op de voetbaltalenten dat hij achter de Sint Gerardusschool op Erica een kiek van de jongens maakte.

Schoolelftal 1939
Linksboven op de foto met op de achtergrond de toiletten staat Henk Veld, van links naar rechts de overige staande vier kinderen, Piet Capelle, Jo Eldering, Johan Peters en Piet Prins. De drie kinderen knielend van links naar rechts, Tony Prins, Rieks Roling en Rieks Jeurissen. De drie kinderen zittend van links naar rechts, Bernhard Lohues, Gerard Beukers en Piet van de Weide. Alleen Jo Eldering heeft later gebruik gemaakt van zijn voetbaltalent. Bij het schrijven van dit verhaal en 75 jaar na het maken van deze foto leven Jo Eldering, Rieks Roling, Piet van de Weide en Gerard Beukers nog. De foto is gemaakt aan de zuidzijde van de Katholieke basisschool Sint Gerardus op Erica. In die tijd waren de schoollokalen gelegen aan de noordzijde van de school. Men had in die tijd vanuit het lokaal zicht op de Kerklaan. Op de zuidzijde waren dus de gangen gelegen. Vandaar de minder grote ramen op de foto. Bij een verbouwing in de jaren vijftig verhuisden de lokalen naar de zuidzijde van het gebouw en de gangen naar de noordzijde. Op de foto zijn tegen de school de toiletten gesitueerd. In die tijd was er nog geen waterleiding zodat de vele ontluchtingspijpjes op het dak geen overbodige luxe was. De afvoerpijpen waren vaak verstopt met natte vloeren als gevolg. Dan kwam Jeurissen langs om het afvoer weer te repareren. De meester kon in die tijd het krijt van zijn handen wassen onder een los kraantje voorzien van kleine watertank. De kinderen moesten zich maar zien te redden als ze dorst kregen. Vaak gingen de kinderen bij Jeurissen, die naast de school woonde, om water vragen als ze dorst hadden. Die kwam met een emmer en soeplepel om de dorst van de kinderen te lessen. Direct achter de school was een plein voorzien van grind, het schoolplein. Deze was omheind met betonnen paaltjes die onderling waren verbonden met hoekstaal die het harmonicagaas op zijn plaats moest houden. De hek liep tussen Knecht en de school achter langs het schoolplein en kwam tussen de oude kleuterschool en Sint Gerardusschool terug op de Kerklaan. Menig kind kan zich het hoekstaal van de hek nog herinneren, het had vooral in de winter een beruchte imago. Menig keer moest een juf of meester met een keteltje warm water een kindertong losweken van het bevroren ijzer. Op de foto is het hekwerk nog intact. In mijn kleutertijd, begin jaren zestig, bestond het schoolplein nog steeds, nog steeds voorzien van grind. De omheining had de tand des tijds niet overleefd. Van de omheining was alleen verfrommeld gaas over met hier en daar een kapotte betonnen paal. Niet veel later werd alles opgeruimd en werd plaats gemaakt voor een schoolgebouw voor de eerste twee klassen van de Sint Gerardusschool. Later werd dit gebouw uitgebreid tot de huidige locatie van de Katholieke basisschool. Op de foto was het nog een lege ruimte, vanuit het schoolplein keek je over het lager gelegen voetbalveld naar een nat veld met russenpollen en had je in de volle breedte zicht op de Duikerstraat. De jongens op de foto stonden op het toenmalige voetbalveld. In die tijd had Erica twee voetbalclubs, ‘Erica’ en de Katholieke ‘Ericase Boys’. De scheidingslijn liep, zoals gebruikelijk in die tijd, over de gezindten. Het voetbalveld bij de Sint Gerhardusschool werd toentertijd gebruikt door de ‘Ericase Boys’. Wanneer er een voetbalwedstrijd was moesten de jongens zich eerst omkleden in het parochiehuis. Van daaruit staken ze de Kerklaan over en liepen ze langs het huis van Meyer (‘Klein Meyertie’) naar het voetbalveld. Het pad is nu de toegang van de huidige kleuterschool. Het voetbalveld werd in de jaren vijftig over de volledige zuidkant van populieren voorzien. Van deze misschien wel honderd bomen hebben een zevental populieren de strijd overleefd en staan daar nog als prachtige natuurmonumenten. Ooit dus een omheining geweest. Aan de westkant van het voetbalveld lag de moestuin van Knecht. Waar gevoetbald wordt wil nog wel eens een bal overvliegen. Vanwege de schade aan de worteltjes werd Knecht dan met een kleinigheid gecompenseerd. Dat gold niet voor de kinderen die doordeweeks op het voetbalveld speelden. De overgeschoten ballen werden door Knecht onverbiddelijk in beslag genomen. Ze verdwenen op de zolder van zijn schuur. Mijn vader kon dan genoegzaam vertellen hoe hij als kind de schuur binnensloop om de bal op zolder weer terug te veroveren. Even later speelden de kinderen weer voetbal. Rechts op de foto is op de achtergrond een vierkant gebouw te zien met een plat dak. Dat was de bewaarschool, later kleuterschool. Meerdere generaties kinderen liepen door elkaar in deze bewaarschool. De juffen waren dames die zichzelf hadden opgeleid. Houden van kinderen en ze bezighouden waren hun primaire taken. Ze werden later tegen hun wil afgelost door mensen met een diploma. Een keer per jaar kwam de hoofdmeester en riep namen af. Die konden over naar de eerste klas. Na de bouw van de huidige kleuterschool kreeg de oude kleuterschool nog functies als gymzaal, oefenzaal voor de drumband en bood het onderdak aan de Welpen. Met de sloop van de Sint Gerardusschool verdween ook de oude kleuterschool. Jammer genoeg heb ik van de sloop niets van meegekregen. In die tijd lag ik een aantal weken in het ziekenhuis. Uitgerekend in die weken werd alles gesloopt. Waar zijn de maquettes gebleven? Waar de wandplaten? Waar zijn de prachtige vondsten uit de vitrines van meester Lange gebleven? Toen ik terug kwam uit het ziekenhuis was mijn vertrouwde lagere school verdwenen. Waar de school ooit stond was een lege plek bedekt met opkomend gras. Verder op de achtergrond van de foto is een gedeelte van een schuin aflopend dak te zien. Dat is het dak van het Emaculata gebouwtje. Vroeger werd hier menig toneelvoorstelling gegeven. Naast het gebouwtje stond ooit een hok die dienst deed als toilet maar die was na een grote verbouwing niet meer nodig en is dus allang verdween. Als kind konden we door de kelderraam van het Emaculatagebouw naar binnen kruipen en kwamen we onder het toneel terecht. Via een trapje kon je zo in het, toen lege, gebouw komen. Reuze spannend was dat. Op het toneel heb ik vroeger als verkenner nog opkomsten gehad. Meerdere verenigingen maakten later gebruik van het multifunctioneel gebouwtje. In de gevel van het Emaculata-gebouw stond in een nis een heiligenbeeld. In de winter was de voornaamste taak van het beeld het vangen van sneeuwballen. Ook het Emaculate-gebouw ontkwam niet aan de sloophamer. Thans staan er particuliere huizen met bijbehorende tuinen. Nog verder op de achtergrond van de foto staan de bomen die aan weerszijden van de Kerklaan stonden. Op de foto waren de bomen zodanig groot dat ze elkaar niet konden raken. Helaas herhaalt zich de geschiedenis. De gesneuvelde bomen aan de Kerklaan werden niet vervangen door nieuwe eikenbomen maar de vrijgekomen plekken werden vervangen door parkeerplaatsen. Wederom raken de bomen elkaar niet, de resterende bomen aan de Kerklaan staan te ver uit elkaar. Voor de bewoners aan de Kerklaan komt hopelijk nog eens het besef. Het is niet de individuele schaduwrijke boom maar de collectieve aanwezigheid van alle eikenbomen die het lommerrijke karakter van de Kerklaan bepalen, daarmee ook de waarde van hun huizen.

Kerklaan kaal

 

Geschreven door Henk Beukers

De donkere dagen voor Kerstmis

De donkere dagen voor Kerstmis

Mijn honderdste bericht op deze site. De zomer is al lang voorbij en de herfst laat langzaam zijn tooi vallen. Schitterende kleuren geel, groen en bruin worden afgewisseld door het grauwe van kale kruinen. In de verte wordt alleen gekraai gehoord, voor de rest is het stil, doodstil. De donkere dagen voor Kerst zijn aangebroken. Vanaf 1 november ga ik in de tegenaanval wat donker betreft. Naast mijn voordeur staan een paar pompoenen van keramiek die in het donker, d.m.v. een lampje en een timer, stemmig licht afgeven. Op 11 november, met Sint Maarten, het 1e sfeerfeest van het jaar, doe ik bij de pompoenen nog een paar elektrische kaarsen. Echte kaarsen gaan zo uit, bovendien laat ik zien dat ik met de tijd mee ga. Je ziet niet het verschil met de echte kaarsen en zijn ze veel goedkoper. Met Sint Maarten kopen we altijd een paar zakken snoep voor de kinderen die met een elektrische lampion aan de deur komen. We wonen echter op Erica aan de hoofdstraat. Daar staan de voordeuren ver van elkaar. Dat vinden kinderen op 11 november niet leuk. Want op deze avond valt bij elke deur iets te halen. Die willen die avond liefst alle deuren op een bult. Kortom, op 11 november krijgen we maar zo´n zestal kinderen aan de deur waarvan een paar zelfs niet de moeite doen om een liedje te zingen. Die raffelen wat onverstaanbaars en draaien je de open rugzak toe. Van hun hebberige ouders hebben ze geleerd dat ze de ´targets´ moeten halen. Een rukje aan de rugzak en tegelijk alsjeblieft zeggen is de enige remedie. Het schattig kind dat wel verlegen een liedje zingt krijgt van mij handenvol snoep. Mijn kinderen houden me wel eens tegen. Met de mond vol met snoep zeggen ze dat ik ook aan het laatste kind aan de deur moet denken. Ondanks de sfeerverlichting op de oprit bleef de teller dus maar op zes kinderen staan. December begon altijd met de 1e adventszondag. In de adventskrans op tafel ging dan een kaars branden. Iets wat we trouwens nog steeds doen. Een lichtje in de duisternis die gedurende december met in totaal vier kaarsen toenam. Toenemende licht die het lichtfeest Kerstmis aankondigde. Maar eerst kregen we nog Sinterklaas. Daar deden we juist het licht uit, om de pakjesavond spannend te maken. Tegenwoordig gaat het anders. Buiten slaat de regen tegen de ramen, binnen zitten kinderen tv te kijken of houden zich bezig met andere elektronische speeltjes. De allerjongsten die nog niet zijn besmet met de Ipod verheugen zich op pakjesavond van Sinterklaas. Totdat die ook door de vertederende ouders worden bedolven met extravagante cadeaus. De jonge rekruten kunnen zich aansluiten in de rij van verdoofde kinderen. Kinderen staken tegenwoordig hun wild geraas niet meer, ze kijken hoogstens geïrriteerd op van hun Ipod. Maar hoe de wereld ook veranderd, de donkere dagen blijven. Sommige mensen grijpen dit moment aan en worden van harte depressief. Ze kiezen voor de ontkenning en zitten weer dagenlang met hun mombakkes onder een felle lamp. Volle portemonnees nemen een vliegtuig en strijken elders neer waar het warmer is. Op enkele trieste uitzonderingen na die uit wanhoop aan het langste eind van het touw trekken of nog net de trein halen. De meeste mensen zijn echter berustend. Je kunt je pas op de lente verheugen als er een winter vooraf is gegaan. Die winter begint altijd met de donkeren dagen. Lichtjes worden aangestoken zoals olielampjes op tafel. Ik ben er gek op. Vroeger had je oliebrandertjes van keramiek gevormd op organische basis. Een soort van Barbapappa huisjes. Soms een platte huis, als een dikke pad op pootjes, met schoorstenen op de rug die je kon aansteken. Soms hadden de oliebranders een hoge voet met daarbovenop een bol buikje met vier of vijf, soms meer, omhoog stekende tuitjes, de brandertjes. Sommigen waren zo groot dat je er zo een hele fles kandelaar olie in kon kwakken. Die gingen lekker lang mee, als de lonten begonnen te gloeien was het te laat. Daar had allang weer olie in gemoeten. De tegenwoordige olielampjes zijn functioneel, recht toe recht aan, vaak van glas. Soms zelfs doorzichtig zodat je door de transparante olie het blote lontje kan zien hangen. Niks aan. Je reinste harde olieporno. Oliebrandertjes geven echter wel een mooi zachte licht, daar kunnen waxinelampjes niet tegen op. Makkelijke lampjes hoor die waxine, ze zijn snel in een rij op te zetten, gaan vanzelf uit in een aluminium bakje. Maar nee, ze geven een net iets te harde licht. Makkelijk en te weinig stijl, het is de MacDonalds onder de sfeerverlichting. Voor en in de oorlog gingen de mensen in de winter helemaal door een donkere tunnel. Elektriciteit was er nog niet of was door de Duitsers afgesloten. Werkweken van zes dagen en werkdagen van 12 uur waren heel gewoon. Licht zag je op je werk, die had je thuis niet nodig. Bovendien hadden de mensen geen geld voor keramieken oliebranders. Op tafel stond een glas half gevuld met water en daarbovenop een laag koolzaadolie. In de olie dobberde een kurk met een laagje zilverpapier. Door de kurk en zilverpapier was  een draadje gestoken. Dat draadje werd vervolgens als lont aangestoken. Een piepklein lichtje was het resultaat. De hele familie zat ´s avonds om het olielampje. Ma zag kans om nog sokken te breien, de overige familieleden legden een kaartje. Af en toe werden de kaarten neergelegd, dan moest er even iemand naar de klerenkast. Die nam dan het olielampje mee. Het olielampje diende tevens als aansteker. In dat geval werd een stukje pijpenstro aan het vlammetje gehouden en werd vervolgens de pijp of sigaar aangestoken. Soms werd een maatje gelapt en werd het iets later. Maar altijd was het vroeg op bed. De volgende dag om vijf uur was het voor de meesten weer opstaan. Mensen van toen, mijn oma in het bijzonder, gruwden van deze donkere tijd. Dan was Kerstmis een baken in de midwinter. Een door de Kerk overgenomen baken want duizenden jaren geleden hunkerden de mensen ook naar licht. Toen waren er ook genoeg oma´s die in het voorjaar het bos inkeken, of al iets groen werd. In mijn tijd werd de kerstboom versierd met gekleurde lampjes. Een bonte kakofonie aan aan lampjes die we als kinderen prachtig vonden. Een enkeling die elektriek te nieuwerwets vond had nog echte kaarsjes in de boom. Vaak moest die tegendraadse eigenwijze dan wel een beroep doen op de moderne brandweer omdat de kerstboom en huis ook mee brandde, wat we als kinderen ook prachtig vonden. Het gaf meer licht dan tien Gradje Hindriksen en je bleef er tenminste warm bij.

Geschreven door Henk Beukers

4 of 9
123456789