Archief

Mijn tijd bij de verkenners Sint Pancratius Erica.

Verkennersvereniging St. Pancratius Erica.

In 1945 werd de vereniging opgericht, bekende namen uit die tijd waren kapelaan de Lange en meester Huurdeman. Een jaar later werd Piet Riemslag de 1e gediplomeerde leider van de verkenners. Katrien Hofstede werd akela (hoofdleidster) van de welpen. In hetzelfde jaar werd de vereniging aangemeld bij de landelijke bond. In 1954 werd de leidersvaan bij de verkenners voor een periode van 20 jaar overgenomen door Toon Prinsen. Katrien Hofstede werd in 1965, na 20 jaar Akela, afgelost door Miep Prinsen-Beukers, de echtgenote van Toon Prinsen. In die tijd werden de leiders met de fiets erop uitgestuurd om een locatie voor het zomerkamp te vinden. Op deze manier ontdekte men het terrein bij Groß Dörgen in Duitsland. In deze bosrijke omgeving met heuvels en rivieren hebben zich spectaculaire zomerkampen afgespeeld en werd menig avontuur beleeft. Het terrein in de omgeving van Groß Dörgen is thans nog steeds populair bij de Ericaase verkenners. Spel en uniform werden aangepast aan de normen van deze tijd. De hoed verdween, de baret kwam. De landelijke bond is opgegaan in Scouting Nederland, thans met meer dan 25000 leden de grootste jeugdvereniging van Nederland.

Mijn tijd bij de verkenners Sint Pancratius in Erica.
Na drie jaar bij de welpen te zijn geweest kwam ik in 1968 op twaalfjarig leeftijd bij de verkenners, samen met Willie van Dooren en Bennie Heller. We moesten ons als jonge broekies aanpassen en op tijd onze mond houden. Zo niet, dan moest je uit het bereik van een voet blijven want je had zo een schop onder je kont te pakken. Zo ging dat toen.
De leiding bestond uit Toon Prins als Hopman, Eric Driehuis, Herman Kolker en Stef Heinen als Vaandrigs. De blokhut van de verkenners stond op de huidige plek en was voorzien van een rieten dak en glasramen. Een paar jaar later was het rieten dak geheel verdwenen en waren alle vensters eruit gesloopt. De blokhut was een bouwval. Ook het moreel ging hard achteruit. Tijdens het opstellen in carré draaide Willie van der Kolk zich om en begon zomaar door het open raamkozijn naar buiten te plassen. En niemand die er vreemd van op keek, hoogstens een stapje opzij. Door het ontbreken van dak ontbrak ook het verband in de muren. Die begonnen gevaarlijk uit te wijken. Gelukkig liet de verbouwing niet lang op zich wachten. Met trekstangen werd het verband in de muren teruggebracht, ook kreeg de blokhut een nieuw dak. De opkomst was op vrijdagavond en de contributie was 40 cent. Nu wil het feit dat bij Keuter, een kroegje tegenover de kerk, een patatje-zonder ook 40 cent kostte. Keuter zou zich wel eens afgevraagd hebben waarom de jeugd op vrijdagavond geen mayonaise of mosterd bij de patat nam. De kassa bij de verkenners, een blikken sigarendoos, bleef die avond weer leeg. De verleiding bij Keuter was te groot. Verkenners uit die tijd waren buiten mezelf o.a. de Johan Heynen, de gebroeders Jos en Bennie Lohues, Bennie Reuvers, Henk Savenije, Jan Peters, Cor van de Cappelle, Henny Görtz, Gerard Vinke, Willie van der Kolk, de gebroeders Gerard en Bennie Wijnands, Gerard Beukers en natuurlijk mijn maatjes Bennie Heller en Willie van Dooren. Mijn eerste zomerkamp was in het Duitse Uelsen. Op een camping, die met ijzeren hand werd geregeerd door een oude Duitse frontsoldaat. Hij ging gebukt onder de gevolgen van diverse schotwonden en had op het slagveld zijn been vergeten mee te nemen. Met zijn houten been verplaatste de ijzervreter zich in een rolstoel over de camping. Niets ontging zijn haviksogen. Om zijn mannelijkheid tegenover de jeugd te bewijzen sloeg hij zich met een handbijl in zijn been. Wij wisten niet dat het zijn houten variant betrof en keken hem vol ontzag aan. Johan Heynen had zijn territorium voor de tent afgezet door middel van een volle 25 liter Jerrycan met water. Deze hing aan een touw voor de tent. Menig verkenner werd door Johan van zijn terrein omgekegeld, af en toe ook een onschuldige campinggast. Gerard Vinke was die week jarig. In de vlaggenmast hing die dag zijn pyjama opgestopt met stro, uit de gulp stak prontig een rol drop. Bennie, Willie en ik werden die zomerkamp geïnstalleerd tot verkenner, vol trots liepen we over de camping met onze nieuwe clubdassen. Het jaar erop werden de hoeden afgeschaft (te duur) en kwamen baretten er voor terug. Die hoofddeksels bleken in de praktijk veel praktischer. De Hike tijdens het zomerkamp bestond uit een 100 km lange voettocht. Die moesten we in 2 dagen lopen. Op het eind van de eerste dag arriveerden we bij de boer waar we zouden overnachten. Maar we bleken niet welkom. Niet dat we niet netjes vroegen, dat deden we perfect. Het lag meer aan Gerard Vinke. Die hing als een reuzenspreeuw hoog in een appelboom op zijn erf en zat gulzig van de vruchten te vreten. Dat maakte de boer kanz böse. Noodgedwongen namen we weer de terugweg naar Uelsen. Die avond meldden we ons op het kamp. Hadden we die dag 100 km gelopen! Nou ja, ook een beetje gelift. Onze vroege aanmelding kwam de leiding slecht uit. Ze schopten ons gewoon van de camping! “Kom morgen maar weer”, riepen ze ons na. Verontwaardigd sjokten we de duisternis in. We vonden een stuk woeste grond en sliepen die nacht in de open lucht, we hadden niets! `s Morgens werden we wakker van het geluid van een steenfabriek. We keken om ons heen, het was een stuk bos met zandverstuivingen en zandgaten met helder blauw water. Het gebied stond vol met gedumpte autowrakken. Jaren later hoorden we dat ze van het gebied een camping hadden gemaakt, ‘Wilsumer Berge’. We sliepen er als eersten, maar dan wel als verschoppelingen. De volgende dag waren we gelukkig weer welkom op de camping. Het openbare zwembad van Uelsen, het zgn. ‘Waldbad’, stond op het programma. Een onderaards rivier kwam aan de oppervlak en dook gelijk de diepte weer in, op die open plek van stromend water was een zwembad gebouwd. Daar toog de Troep naar toe. In de grote kleedhok kleedden we ons om. De kleren werden door een meisje achter een schuifluik aangenomen. Je hoefde maar op een belletje te drukken en het schuifje ging open waarna een blozende meisjeshoofd verscheen. Henk Savenije bedacht zich geen moment en drukte op het belletje. Iedereen zat afwachtend te grinniken. Heupwiegend stond Henk in zijn blote toges het meisje op te wachten. Het luikje ging halverwege open en ging het met een KLATS weer dicht. Tegen de tijd dat de boze badmeester verscheen zaten we allang met zijn allen in het zwembad onschuldig te zijn. Naast het zwembad bevond zich een grote vijver. Tientallen joekels van goudkarpers zwommen er in rond. We vergaapten ons aan die beesten. Toen plofte een stukje roze spekkie, verkrijgbaar in het winkeltje aldaar, in het water. Daar bleken die beesten verzot op te zijn! Even later plofte nog een stukje spekkie in de vijver. Toen nog een stukje, toen een hele. Even later regende het spekkies in de vijver. Wij waren niet te beroerd om die beesten een leuke dag te bezorgen. Later die dag zagen we een bezorgde badmeester bij de vijver staan. Terug op Erica stortte een uit de hand gelopen grap de verkennersclub Sint Pancratius in een diepe crisis. In de blokhut bevond zich de leiding en iemand vond het nodig om de deur van de blokhut met een dwarsbalk te barricaderen. Vonden we leuk. De leiding niet. Toen die na veel moeite de dwarsbalk verwijderde stormden ze woest naar buiten. Alle verkenners hadden zich inmiddels op een rennen gezet. Behalve Willie van der Kolk. Die kon niet rennen. Die had onlangs zijn been gebroken en liep met zijn poot in het gips. Desondanks kreeg hij van Vaandrig Herman Kolker een trap onder zijn kont en Willie kwam hierbij te vallen. De verontwaardiging was groot en een massale uittocht van leden was het gevolg. Slechts een handjevol verkenners, waaronder ikzelf, bleef over. Met deze kleine club werd de beroemde ‘Trektocht door Nederland’ gemaakt. Van blokhut naar blokhut trokken we over de Veluwe. Alle scoutingverenigingen werkten spontaan mee. Soms stonden we op een camping. Zo ook die camping met de pruimenboom. Deze vruchtboom stond in de tuin van de beheerder. De overrijpe pruimen hingen gewoon naar ons te lonken. Even later lagen onze tenten vol met pruimen. Op gegeven ogenblik ging de tent open en stak een mannenhoofd naar binnen. De beheerder. We verslikten ons zowat in de pruimen en wilden net beginnen met ontkennen. Doch de man had goed nieuw, we mochten net zoveel pruimen eten als we wilden. Gevolg: de volgende dag was iedereen aan de zoefpoep. We trokken verder de Veluwe in. Elke verkenner had op zijn rugzak een toiletrol, zo voor het grijpen. Bij tijd en wijle rende een verkenner in het bos, in de ene hand de toiletrol, de andere hand voor de kont. Op het Veluwemeer voerden we met kajaks naar de overkant waarbij Gerard Wijnands bijna verzoop. Die was met de kajak omgeslagen en door ons niet opgemerkt. D´r was ook zoveel te zien. Gerard overleefde het gelukkig. Gerard was een kampioen in snelwandelen. Met die typische koddige snelwandel-wiebelkont liet hij ieder achter zich. Nooit vergeet ik de opmerking van Eric Driehuis toen we vanaf een hoge heuvelkam beneden Nijverdal zagen liggen. We hadden de ganse dag al gelopen, vermoeid vroeg ik de vaandrig of we die hele weg naar beneden nog moesten lopen. Nee hoor, antwoordde hij met een serieuze gezicht, je kunt ook je benen opklappen en op je ballen van de helling afrollen. Verbluft gaapten we hem een poosje aan, dit waren we van Vaandrig Eric niet gewend. Dagelijks liepen we 25 tot 30 kilometer, ondanks het afzien was het mijn mooiste zomerkamp bij de verkenners. Hierna hadden we nog een paar zomerkampen in Gross Dorgen in Duitsland. Een prachtig gebied waar een zomerkamp gewoon niet kan mislukken. Een Duitse boer, Alwies Rolfes, had ons een stuk bos toegewezen. Een gebied waar de rivieren Mittelradde en Hase bij elkaar kwamen. We hadden daar een prachtige tijd. Overdag zwommen we in de rivier en ´s avonds roosterden we op de oever een kippetje boven het kampvuur. Ons kamp bestond uit een zestal tenten. Een van die zes tenten stond een beetje uit de koers, de tent stond gedeeltelijk buiten de grens van Alwies zijn grond. Dit gebied was van boer Wolff. Geloof het of niet maar boer Wolff stond ´s morgens vroeg voor de tent. De eerste verkenner die zijn hoofd buiten de tent stak keek in een dubbelloops ‘Schrotflinte’. Of we de tent wilden verplaatsen, hij duldde de tent niet op zijn grond. Dat wilden we wel, en snel ook! Terug op Erica ging de verkennerij een donkere tijd tegemoet. Hopman Toon Prins en Vaandrig Eric Driehuis lieten zich met steeds grotere tussenpozen zien om later voorgoed te verdwijnen. Ook de Vaandrigs Herman Kolker en Stef Heynen lieten zich steeds minder vaak zien. Een tijd lang had de verkennerij geen leiding. Toch hadden we elke vrijdagavond om 19.00 uur opkomst. We zorgden zelf voor de spellen. Van die periode kan ik me nog een leuk avondspel herinneren. Tijdens een donkere herfstavond besloten we de jongere verkenners eens flink de schrik aan te jagen. We wisten dat als iemand in het donker een deuntje voor zich uit floot hij eigenlijk bang was. Het was een vrolijke bende bij die jonge verkennertjes. Zowat iedereen floot zich in het donker de longen uit zijn lijf. Tijd voor een spookspel. Waar kon dat beter dan op het kerkhof. Op het dak van het kapelletje zaten Harry Beukers en ik verkneukeld de slachtoffers op te wachten. Van een wit babymaillot (mijn moeder heeft er nog lang naar lopen zoeken) had ik de pijpjes opgevuld met kranten en had die omgekeerd op mijn hoofd gezet. De beentjes staken als twee grote witte horens in de lucht. Een zaklantaarn schijnend in het gezicht moest het schrikbeeld vervolmaken. Klaas Kolker was op zoek naar ons en kwam in het donker op een oud bromfietsje het kerkhof opgereden. We wachten rustig tot ie dichterbij kwam. Plots scheen ik met de zaklantaarn in mijn gezicht en we begonnen te loeien als tochtige koeien. Klaas reed met een luide schreeuw van schrik pardoes de struiken in. Harry en ik sprongen van het kapelletje af om hulp te verlenen. “Aaahh!!”, riep deze toen hij in het donker twee bezorgde witte horens op zich af zag komen. Als een haas ging hij er vandoor. Grinnikend stonden we bij zijn bromfiets. “Die scheet peul`n”, knorden we tevreden. Na de prachtige jaren bij de verkenners diende zich de bromfietstijd aan. Ik liet de verkenners achter me en ging achter de wijven aan. Verkennersvereniging Sint Pancratius overleefde de tijden van voor- en tegenspoed. Harry Platzer en Wim Beukers kwamen als leiders erbij, Stef Heynen kwam weer terug, de toekomst lag open.

Geschreven door H. Beukers.

Robert Baden-Powell

Robert Baden-Powell

Robert Baden-Powell.

Hij begon met het stropen van konijnen en eindigde met het geven van complete survivaltrainingen aan militairen en jongens. Robert Baden-Powell, die in 1907 de alleen voor jongens toegankelijke padvindersbeweging oprichtte en jarenlang leidde (In 1910 ontstond de soortgelijke organisatie Girl Guides voor meisjes (padvindsters) onder leiding van zijn vrouw Olave), was een kleurrijke natuurliefhebber en ex-militair, die vooral in Groot Brittanië mateloos populair was. Padvinders klagen tegenwoordig wel eens dat ze een imagoprobleem hebben. Knapen in een korte broek die een hutje bouwen en boompje klimmen. Tegenwoordig is dat imago wellicht niet meer juist, ten tijde van de oprichting van de boy scouts begin vorige eeuw was dat het wel enigszins. ‘Ze kwamen van school, goed onderlegd in lezen, schrijven en rekenen, maar zonder mannelijkheid, zelfvertrouwen en vindingrijkheid.’ Baden-Powell werd geboren in Londen in 1857. Hij was de zesde van acht zonen en pas drie toen zijn vader, een wiskundeprofessor, overleed. Tijdens zijn middelbare schooltijd ontstond de liefde voor de natuur. Baden-Powell maakte lange wandeltochten, ging vissen, kanovaren, leerde navigeren, bespiedde zijn docenten en stroopte konijnen rond de school. Leren had niet zijn interesse, soms viel hij tijdens de lessen zelfs in slaap. In 1876 ging hij bij het leger, bij de huzaren en diende onder meer in Afrika en India. Onsterfelijk beroemd werd Baden-Powell in zijn vaderland door zijn rol bij het beleg van het Zuid-Afrikaanse grensplaatsje Mafeking in 1899 / 1900. Een klein Brits garnizoen wist het 217 dagen uit te houden tegen een overmacht van achtduizend opstandige Boeren. Baden-Powell kon volop gebruikmaken van zijn ervaring als survivalexpert en organiseerde de verkenningen voor de belegerde Britten. Hij werd gepromoveerd tot generaal-majoor, met 43 jaar toen de jongste ooit in het Britse leger. Een paar jaar later keerde hij terug in Engeland en werd inspecteur-generaal van de cavalerie. In 1910 brak hij zijn glanzende militaire carrière af op advies van de Britse koning Edward, om zich helemaal aan de razendsnel groeiende padvindersbeweging te wijden. Een jaar daarvoor (1899) door hem geschreven boekje, Aids to Scouting, bleek een bestseller. Geïnspireerd door beschrijvingen van het leven van Indianen en van woudlopers in Canada, zette hij de militaire veldoefeningen om in sterk individuele spoorzoekoefeningen. Het werkje, het eerste van zijn 32 boeken, bevatte allerlei slimme overlevingstips en was eigenlijk bedoeld voor een militair publiek. Speciaal voor jongeren herschreef hij het. De nieuwe uitgave leidde overal tot de oprichting van activiteitenclubs voor jongeren. In 1907 organiseerde hij een kamp met 22 jongens met een gemengde achtergrond uit Londen op Brownsee Island, Pool Harbour, Dorset om zijn ideeën voor de oprichting van een internationale jongerenorganisatie uit te werken. Dit kan gezien worden als het begin van de Boy Scout-beweging. Als handleiding hiervoor schreef hij Scouting for boys (= Verkennen voor jongens, 1908), dat verwantschap vertoonde met het door E.T. Seton ontworpen handboek voor de Noord-Amerikaanse jeugdbeweging van de ‘Woodcraft Indians’. Seton ging uit van een hard en primitief leven in de natuur, met als hoogtepunt een mystiek beleefd kampvuur. Dit geromantiseerde Indianenleven was vol van symbolen, ontleend aan de dierenwereld. Er was een vorm van zelfbestuur, waarbij de hulp van ouderen echter niet ontbrak. In tegenstelling tot de jeugdorganisatie van Seton kenmerkte die van Baden-Powell zich door een strak leidersbeginsel en een sterk chauvinisme en militarisme. De methodiek vormde een compromis tussen lichamelijke vorming, kamperen, handvaardigheid en een voorbereiding tot de opleiding voor veldsoldaat. De padvinderij vond vooral aanhang onder jongeren uit gegoede maatschappelijke kringen, voor wie de vrije tijd en de benodigde uitrusting geen probleem vormden.Hij was zo tevreden over de resultaten dat hij het jaar daarop de padvindersbeweging officieel in het leven riep. Een jaar later telde de beweging in Engeland al meer dan 11.000 leden. Al spoedig verbreidde de padvinderij zich buiten Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Een paar jaar voor zijn dood in 1941 waren er in zijn geboorteland al meer dan een miljoen scouts. In 1920 werd te Olympia (Londen) de eerste internationale bijeenkomst (world-jamboree) gehouden, waar Baden-Powell de titel chief-scout of the world kreeg. Op de jamboree in Bloemendaal in 1936 waren er 28.000 scouts aanwezig. De scouts van Baden-Powell speelden overigens ook een bescheiden militaire rol, en dan vooral in de Eerste Wereldoorlog. Duizenden scouts waren gestationeerd bij de Engels kustwacht en vervingen volwassenen die elders dienst deden. Anderen bewaakten spoorwegenknooppunten en bruggen tegen mogelijke saboteurs. Weer anderen dienden als koerier. In Nederland spanden reeds in 1910 hoge militairen zich in om de spontane kampeerbeweging te organiseren. In jan. 1911 kwam het zowel tot de oprichting van de katholieke bond De Jonge Verkenners als tot die van de protestante Nederlandsche Padvinders Organisatie. In 1973 fuseerden vier scoutingorganisaties tot één landelijke vereniging met de naam Scouting Nederland. Doelstelling is een plezierige vrijetijdsbesteding te geven aan de jeugd met een bijdrage aan de persoonlijkheidsvorming. De groepsindeling is aldus: Bevers (jongens en meisjes 5–7 jaar), Welpen (jongens 7–11 jaar), Kabouters (meisjes 7– jaar), Esta’s (jongens en meisjes 7–11 jaar), Scouts (jongens en meisjes 11–14 jaar), Explorers (jongens en meisjes 14–17 jaar), jongerentak (jongens en meisjes 16–21 jaar). De meeste Scoutinggroepen zijn landgroepen. Een kleiner deel van de groepen houdt zich specifiek bezig met waterwerk: zeilen, roeien, vlotten bouwen enz.
Voor Nederland werd in 1995 weer de Wereldjamboree (18e) gehouden. Het waren ruim 30.000 scouts uit 167 landen die bijeen kwamen op een enorme kampement nabij Dronten. Uiteraard kwam ik daar ook even kijken.

Geschreven door H. Beukers.

Dagje meewerken in de tuinbouwkas

De gouden tip kregen we van Jan Keuter. In de kassen was het goed geld te verdienen bij het snoeien van komkommerplanten. Jan had tevens de naam van de tuinder die om een paar snoeiers verlegen zat. Een afspraak was snel gemaakt met tuinder. `s Morgens in de vroegte zaten we met grote ogen de instructies aan te luisteren. Met opgeheven vingertje gaf hij de instructies, alleen de onderste gele bladeren bij de stam wegsnijden en NIET ROKEN in de kas. De man draaide zich om en liet zich de rest van de dag niet meer zien. We besloten zijn vertrouwen in ons niet te schenden. We zochten ons allen een rij komkommerplanten op, na het roken van een sjekkie togen we aan de arbeid. Tjonge, het leek wel een oerwoud zo`n kas vol met komkommerplanten. Met het uur steeg de temperatuur in de kas en omgekeerd evenredig onze stemming. Hoorde een halfgroene blad tot de blijvers of moest die ook worden gesnoeid? Een blik op de buurman leerde dat het blad onverbiddelijk gesnoeid diende te worden, plus het blad erboven. Voor de zekerheid. Een kringetje rook verried de plaats van Jan Keuter. Jan opzoeken voor een sjekkiepauze. Stuk of vijf kringetjes rook lieten zien dat het na hard werken een sjekkie moest kunnen! Jan liet tevens zien waar de WC was, hij wees om zich heen. ‘ Ik strul gewoon teeg`n zo`n plaante an en ze bliem gruun’. oreerde Jan. De gehele morgen zwoegden we in de hete kas, we kregen de slag steeds beter te pakken. De gele bladeren moesten worden gesnoeid en ook de vier bladeren erboven. Voor de zekerheid. We deden zelfs een wedstrijdje wie het snelst een rij komkommerplanten kon snoeien. Natuurlijk speelden we vals door bij de buurman de stam door te snijden. ‘Kapotte stammen, dat bent strafpunt`n’. Omkijkend naar mijn rij komkommerplanten keek ik verbaasd op. ‘Krieg nou wat’, in mijn eigen rij stonden zo`n stuk of vijf strafpunten. Ik zag Jan grinnikend wegduiken in het groene woud. Wraak. Een tijdje later stonden in zijn rij tien komkommerplanten met de bladeren op vijf voor half zeven. Jan grinnikte bij `t sjekkie roken en wees naar de bladeren op standje: “Dat bint geen komkommerplaant´n maar kwamkwammerplaant`n’. `s Middags bij de pauze trakteerde Jan ons op ijs, hij scheurde met zijn auto weg om terug te komen met een doos Cornetto`s. In die tropische warmte was een ijsje een welkome verfrissing. Met de ijsjes nog in de hand togen we weer aan de arbeid, het geld was per slot van rekening niet van nikkel. Dat hoorden we de arbeiders zeggen en die praatten we stoer na. Waar de gezegde op sloeg is nog steeds onduidelijk. Het snoeien ging ons steeds beter af, tjak, tjak, tjak. Voor de zekerheid nog maar tjak, tjak, tjak. Aan de rijen konden we precies zien welke door ons gesnoeid waren. Hier lagen de verpakkingen van Cornetto`s en staken peuken in het steenwol. De stelen waren geheel ontdaan van bladeren, voor de zekerheid, …dus. Toen deed Jan een grote ontdekking. ‘Moei kiek`n’, riep hij en hij maakte met zijn mes vier incisies in de lengte van de komkommer. Na een tijdje gingen de kwarten uit elkaar en leek de komkommer op een klok. ‘Hoe doe`j daat?’, riepen we in koor. Een uur later leek het wel kerstmis in de kas, overal bungelden klokjes aan blote stelen in het voorheen groene woud. Om vijf uur zat de werkdag erop. Voor in de kas wachten we op de tuinder die ons die morgen instrueerde. Eindelijk verscheen de man. Bij het zicht op de kas, met al zijn decoratieve klokjes, verstokte hij zijn pas. Zijn ogen werden groot en zijn onderlip begon te trillen. Het ging niet goed met de man vonden wij. ‘Moe`j `n pillichie hebb`n?, riepen we bezorgd. Bezorgd liepen we om de man heen en vroegen, ‘kunn`n wie eem geld beur`n? Ja, dáár konden we dus naar fluiten. Voor mij nooit meer in een kas werken. Het betaald slecht.

Geschreven door H. Beukers.

Grensovergang

Grensovergang

Het weekendje in December stond weer helemaal in het teken van mooi weer. Dus trokken mijn ouders erop los, richting hun zomerhuisje in Gross Hesepe. Het vorig weekend was een beetje fris geweest dus namen ze een gasfles mee voor de gaskachel. In die tijd had je bij Nieuw Schoonebeek nog een grensovergang. Hoewel mijn ouders zo langzamerhand goede bekenden waren bij de Douaniers hadden ze toch geen vrijkaartje. Een volle gasfles meenemen naar Duitsland was verboden, bloemen en planten ook. Pa wist dat het verboden was maar besloot erop te wagen. En zo tufte die zaterdagmorgen een wit Dafje vrolijk richting Nieuw Schoonebeek. Zoals altijd stopten ze niet bij de grensovergang maar reden ze langzaam door. Grensovergang2Die morgen had een echte Streber dienst en zag blijkbaar in het Dafje een mogelijke gelegenheid om indruk te maken op zijn collega`s. Die hadden in het belendende grenskantoor door grote vensters zicht op zijn werkzaamheden. Bij dit Dafje met twee grijze mensjes kon de douanier zijn gezag eens goed laten gelden. Hij lette erop dat hij goed in het zicht stond bij zijn collega`s, trok zijn jas recht en hief fier zijn hand op. Juist toen hij halt wilde roepen zoefde het Dafje met een vaartje aan hem voorbij. Hij riep luidkeels, ´Haaalt´. Tot zijn genoegen, en opluchting, stopte het autootje. Zijn trots verbood hem om naar de auto toe te lopen. De Douanier wees slechts naar een denkbeeldige plek op het asfalt, vlak voor zijn voeten. In het autootje gingen twee grijze koppies met elkaar in overleg. In het autootje knarste en klutste wat. Langzaam tufte het Dafje achteruit tot het stond op de plek waarnaar de priemende vinger wees. Hanig liep de Douanier naar de portier en tikte op de zijruit. Door het glas zag hij op de achterbank een doos met plantjes staan. Iets te hard brulde hij door het inmiddels geopende raam dat die plantjes toch echt de grens niet over konden, Krankheiten enzo. Opnieuw gingen in het Dafje de grijze koppies in overleg. Een portier ging knarsend open. Even later toog Pa de straat over met een doos plantjes en zette deze neer in de berm. Pa nam weer plaats achter het stuur en wilde zijn weg vervolgen. Daar stond echter een Douanier die even loenste naar zijn collega`s. Als een pauw liep hij lang het Dafje en bleef staan bij de portier. ´Pasport bitte´. Hij vouwde zijn armen over elkaar en stond wijdbeens met zijn kin omhoog. In het autootje koortsachtig overleg. Pa: ‘Wat wul hij, de gaspot?’ Pa voelde zich betrapt. ‘Hoe wet ie nouw dat wij `n gaspot hebt met neum’. De douanier bukte zich voorover. ‘Pasport bitte’, net iets te vriendelijk. Ma begon opgelucht te lachen, ‘hij zee paspoort, hij wul `n paspoort, gien gaspot’. In het Dafje begonnen twee grijze koppies opgelucht hard te lachen. Voordat de douanier zijn gezag kon laten gelden kreeg hij een hand voor zijn neus. Met twee paspoorten. Met een tevreden knor bladerde de Streber door de documenten. Achter het venster stonden zijn collega`s tevreden toe te kijken. Hier liet een wetsdienaar zien dat met het Gezag niet viel te spotten. De Douanier rook zijn promotie. Hij gaf de documenten terug en liep vervolgens keurend om de auto heen. Alles bleek in Ordnung. Hij tikte met zijn vinger nonchalant op de kofferdeksel en maakte een wegwezen-beweging. ‘Weiter bitte’, blafte hij. Opgelucht dat Pa niet was betrapt op het smokkelen van een gaspot trapte hij stevig op het gaspedaal om rap te verdwijnen. Weg van die Commies. Maar Pa zag iets over het hoofd. De Douanier had het Dafje, met een dwingende vinger, naar zich toe laten komen, het Pientere Pookje van het Dafje stond dus nog in zijn achteruit. Als een schichtige veulen sprong het Dafje een paar meter achteruit. Een pet vloog door de lucht. Het Gezag maakte een sprong. Opnieuw koortsachtig overleg in het Dafje. Langzaam borrelde in het Dafje een schaterlach op. Er knarste en klutste iets in het autootje, even later spoot het Dafje Duitsland in. Achter het vensterglas van het Duitse grenskantoor zag Pa diverse Douaniers zich op de knieën slaan van het lachen, wijzend naar hun onfortuinlijke collega. Deze schudde zijn hoofd, klopte zijn broek af en viste zijn pet uit de bak met plantjes. In de verte zag hij een Dafje verdwijnen, gelijk zijn promotie. Het werd weer stil aan de grensovergang bij Nieuw Schoonebeek.

Het was december, volgens een diepgewortelde familietraditie moest een kerstboompje gescoord worden, in Duitsland. Pa en Ma wisten dat het verboden was om planten- en bomenspul de grens mee over te nemen. Maar ja, traditie hè, daar doe je niets tegen. Zo togen even later mijn ouders het bronsgroene Wald van Gross Hesepe in. Na een kwartiertje te hebben gezocht zagen Pa en Ma in de verte twee figuren wegrennen. Nieuwsgierig gingen ze kijken wat die twee daar op die plek hadden uitspookt. Ze vonden daar een Blauwe Spar, de stam keurig ingepakt in jute. ‘Nou zeg, wie gooit nou in deze tied een kerstboom weg’. Zij hoefden nu niet meer verder te zoeken en namen hun boompje mee en propten het in de kofferbak. Ook in Gross Hesepe werd het weer stil. Twee figuren bewogen zich in de verte. Zuchtend namen ze de schop ter hand om een nieuwe Weinachtsbaum uit te graven. Waren ze toch bijna betrapt! Bij de grensovergang te Nieuw Schoonebeek stopte een uur later een wit Dafje. Bij één Douanier begonnen enige aderen langs het voorhoofd te zwellen en zette hij zijn pet recht. Hij nam de taak van zijn Nederlandse collega over om maar zo snel mogelijk van dit autootje af te zijn. Het verduveld vehikeltje had zijn promotie gekost. De Douanier naderde het Dafje. ‘Weiter, weiter’. Hij zwaaide driftig met zijn handen om zijn bevel kracht bij te zetten. Plotseling stokte zijn geschreeuw, langzaam viel zijn mond open. Het verwenste Dafje stopte. Een portier ging knarsend open. Even later had Pa de doos plantjes in handen en plaatste deze op de schoot van Ma. Het werd even stil. Het Dafje vulde zich wederom met schaterlach. Twee grijze koppies scheurden langs de verblufte Douanier. Deze krabde zich onder de pet en keek het Dafje na. Plotseling fronsten zijn wenkbrauwen. Uit de kofferbak van het Dafje stak een een stuk Blauwe Spar. Als een hand met groene vingers leek deze de douanier Fröhliche Weihnachten toe te zwaaien. Vele jaren is de grensovergang in Nieuw Schoonebeek al verdwenen. Het grensgebouw is nog nauwelijks herkenbaar achter struiken en bomen, de stilte is gebleven.

Geschreven door H. Beukers.

Midlife

Midlife

Als begin veertiger zat ik me af te vragen, waarom hadden veel leeftijdsgenoten een midlifecrisis en waarom ontbrak die bij mij. Ik vond dat ik ook recht had op zo´n crisis. Ik deed navraag bij ervaringsdeskundigen. Verplichte ingrediënten bij een midlifecrisis waren: een tuinvijver, een serre, een motor en een jong wiebelkontje. Mijn vrouw vond dat laatste een minder goed idee dus dat viel snel af. Een motor, dat leek me wel wat. Ik meldde mij bij Mooibroek motorrijlessen. Bleek ik een van de jongste deelnemers te zijn! De eerste rit was een sensatie. Ik kreeg een “oortje”, een luidsprekertje verbonden aan een apparaatje, waarmee ik de stem van de instructeur kon horen. Die reed in een auto achter de motor. Elke commando van de instructeur beantwoordde ik met, “Jow”. Op de rondweg werd het pas echt spannend, ik mocht boven de vijftig km/uur. Een ruk aan mijn oor deed mij omkijken. Ik zag een apparaatje inclusief oortje door de lucht vliegen. Oeps, ik had het blijkbaar niet goed aan mijn jas bevestigd. Ik stopte de motor keurig langs de weg en keek in de spiegel hoe mijn instructeur naar het apparaatje inclusief oortje rende. Deze lag midden op de Rondweg waarbij links en rechts de auto’s voorbij raasden. Een laatste sprint. Hij was slechts een paar meter verwijderd van het kostbaar apparaatje. Toen ging het Krak. Een truttenschudder bestuurd door een bloemetjesjurk reed het ding in gort. De tot wanhoop opgeheven armen van de instructeur had ze niet gezien. Alle overige lessen verliepen zonder problemen. Niet lang daarna stond ik voor het rijexamen. Daar kreeg ik de opdracht: stilstaan en optrekken. Ik was door de instructeur gewaarschuwd, laten zien dat je in de spiegels kijkt en vlot optrekken. Ik deed de Jules de Corte-act, dat wil zeggen, ik keek niet in de spiegels, ik besnuffelde ze. Ik gaf gas en trok pijlsnel op. Zat ik bijna onder een Ford Transit. Nooit gezien. In mijn oortje hoorde ik iemand naar lucht happen. Ik kreeg direct opdracht te stoppen. De examinator stapte haastig uit en vroeg aan mij of alles in orde was, of ik de auto wel gezien had. Ik opende de klep van de helm. Schaamteloos loog ik hem voor dat ik de auto ruimschoots had gezien en dat er, gezien mijn vlotte rijstijl, niets aan het handje was. Hij accepteerde mijn uitleg, instructeurs houden van een vlotte rijstijl. Wat de instructeur niet zag waren mijn geknepen billen. Ik zat bijna vacuüm op het leer van de zitting. Ik slaagde zowaar die ochtend voor mijn motorrijexamen. Van een midlifecrisis heb ik nooit last gehad. Het wou bij mij klaarblijkelijk niet aanslaan, ik heb er wel een motor aan over gehouden.

Geschreven door H. Beukers.

Spuugbeest

Spuugbeestjes zijn de larven van een klein insekt, genaamd schuimcicade. Deze is, zoals alle overige cicadensoorten en hun kroost, een echte sapzuiger. Hij boort zijn snuitwerk in een plant en doet zich tegoed aan de gestaag vloeiende sap stroom. Omdat deze voor het grootste gedeelte uit suiker bestaat- het is een soort suikerwater dat door de planten stroomt- bevatten ook de verteringsresten van zowel spuug beestjes als hun ouders bijzonder veel suiker. Daarom heeft cicadepoep een wel ongepast poëtische naam: honingdauw. Dit goedje druipt bij voortduring uit des cicades achterste, zodat zowel het incontinente lichaam als de plek waarop het gezeteld was kletsnat is geworden. De vloeistof die door de larve- het eigenlijke spuugbeestje- wordt afgescheiden bevat echter nog een stof (die een soort was oplost) die uit de enige klieren in het achterlijf wordt geproduceerd. Het mengsel van was en poep vormt een uniek dierlijk produkt: vloeibare zeep. Wanneer hiervan een flink portie tot stand is gebracht, doopt het spuugbeestje er zijn achterlijf in en begint daaruit te puffen en te blazen. Zo verandert het zeepsop in het compacte en sterke schuim, dat we als witte vlokken aan planten zien hangen en `koekoeksspog` noemen. Over oorsprong en betekenis van deze naam wordt nog altijd geredetwist. Sommigen beweren dat ze afkomstig is uit het volksgeloof, waarin de koekoek wordt voorgesteld als een eieren-uitzuiger, die telkens de drabbige smaak probeert weg te spugen, alsmede het schuimige eiwit dat in zijn snavel blijft kleven. Anderen wijten haar aan de vermeende reputatie van de vogel als zou hij over bijzonder zwakke ingewanden beschikken- reden waarom de buik niet gebruikt kan worden voor het broeden- en voortdurend oprispingen moet wegfluimen. Er zijn mensen die ervan overtuigd zijn dat de oorsprong moet worden gezocht in de legende van Walda de Pelgrim. Wat we wel precies weten is de funktie van het `koekoeksspog`. Ze is tweeledig. Allereerst beschermt het het spuugbeestje tegen uitdroging. En verder verschaft het hem enige beveiliging tegen vijanden, hoewel er wantsen zijn die de cicadelarven door het schuim heen uitzuigen, terwijl sommige graafwespen hen er eenvoudigweg uitsleuren. Tot zover het spuugbeestje. Zijn vader of moeder, de volwassen cicade, is een onaanzienlijk bruin insektje. Veel mooier en dus veel bekender is de fraai rood getekende bloed cicade. Beide zijn, zoals al hun familieleden, in zekere mate schadelijk. Ze verzwakken immers planten door er sap aan te onttrekken. Vele soorten brengen bovendien een gif binnen de plant, dat het bladgroen ten gronde richt. Er worden tevens gifstoffen geproduceerd die het voedselsysteem van de plant blokkeren, zodat de plantendelen verwelken en afsterven. Het meest schadelijk zijn de cicaden, die graag aardappelplanten uitzuigen. Dikwijls zijn deze besmet met door bladluizen overgebrachte virussen. Via de zuigsnuit komt het virus van de cicade in de planten, die vervolgens onherroepelijk naar de knoppen gaan. Overigens, cicaden en bladluizen zijn aan elkaar verwant. Beide soorten behoren tot de familie Homoptera. Deze verwantschap manifesteert zich bijvoorbeeld in het feit dat ook bladluizen sapzuigen en honingdauw produceren. Het wordt in mooie zomers dermate overvloedig uitgescheiden dat het als het ware regent. Mieren, wespen en vliegen doen zich er tot barstensvol aan tegoed, aangezien er, zoals gezegd, een boel suiker in zit. Zo vinden er ook schimmels een optimale voedingsbodem in, met als gevolg dat nazomers struikgewas geheel beschimmeld kan zijn. In de natuur wordt niet graag iets verspild. Een ernstige vorm van verspilling kenmerkt echter wel het leven van de zeventienjaar-cicade. Die leidt als larve een ondergronds bestaan en doet dit zeventien lange jaren lang. Geen ander insekt leeft zolang en is zolang jong. Wanneer hij groot is en zich bovengronds waagt, is hij een stokoud kereltje. Voor het beestje staat het lot vast, na een paar weken van volwassenheid in ouderdom geeft hij dan ook alweer de geest. Het is een verspilling van tijd.

Geschreven door H. Beukers.
Bron: Theo Schildkamp

 

Lelijke Eend

Lelijke Eend

Mijn eerste auto was een Daf 33, een truttenschudder met jarretel-aandrijving. Na een jaar kreeg ik een automobiel die beter bij me paste. Een vierdeurs cabriolet met hydro-pneumatische vering. Een Deux-chevaux. Een Citroën CV. Een lelijke Eend dus. De draagbalken onder de motor waren kapot, maar een gegeven Eend moet je niet in het strotje kijken. De draagbalken waren snel gerepareerd. Eindelijk de weg op! Na een week rijden blies ik de moter op. In die tijd ging je gewoon naar het woonwagenkamp en werd een moter uit een dooie Eend gesloopt. Bij de eerste proefrit kwam een sliertje rook uit de verwarmingsgleuf, deze zwolg spoedig aan tot een dichte mist. Gelukkig konden de raampjes van de Eend open. Mijn inmiddels bezwete hoofd stak ik proestend door het raampje naar buiten. Het sturen lukte zo ook wel. Wat bleek, ik had olie bijgevuld en vergeten de dop erop te draaien. Olie op de hete uitlaat kwam je dan als rook tegemoet. Jaren later brak tijdens het rijden de stuurstang af. Doorgeroest. Vervelend. Vooral onder het rijden. Ik wilde net tanken. Ik stapte uit de Eend en schopte de voorwielen in de juiste stand en reed richting het tankstation. Bij elke stuurcorrectie herhaalde ik de handeling, ik stapte uit de auto en trapte de voorwielen in de juiste richting. Je moet toch wat. Een fietser stapte af en keek verbaasd toe, vooral toen ik ook nog ging tanken. Een nieuwe stuurstang van het woonwagenkamp bracht uitkomst. Het sturen ging nadien wel zwaar, maar alles went. Je kon trouwens met de Eend ook leuke dingen doen. Een grote draaiknop bediende de klep van de ventilatiegleuf, deze zat in de volle breedte onder de voorruit. De voorbank kon gemakelijk uit de auto worden verwijderd. Kijkend door de geopende ventilatiegleuf, zittend op de vloer, had je dan volledig uitzicht op straat. Zo bovenhands sturend zag een voorbijganger de auto wegrijden zonder een bestuurder te zien. Geinig. Mijn Eend werd verrijkt met een radiocassettespeler. Op het bandje had ik een rinkelende telefoon opgenomen. Van een oude telefoon sloopte ik de hoorn inclusief gekrulde lijn. Het leek me wel leuk, een Eend met een autotelefoon. Voor de stoplicht deed ik de portierraam open en liet ik het bandje met telefoongerinkel afspelen. Verveeld nam ik dan de hoorn op en leuterde wat in dat ding. Voorbijgangers keken verbaast op, een autotelefoon was in die dagen een unicum. En dat in een Eend. Nog leuker werd het als je al leuterend tegen een stilstaande voorbijganger zei: ‘ja, die staat hier’. Je legde dan de hoorn op de schouder en riep naar de argeloze voorbijganger: ‘telefoon, ´t is veur joe’. Je moest dan zijn gezicht zien terwijl hij vragend naar zichzelf wees. Geinig. Na enkele jaren in een Eend gereden te hebben was ik toe aan een nieuwe auto. Ik ruilde de Eend in voor een.. Eend. Een retromodel. Van dashboard was nauwelijks sprake, de snelheidsmeter was simpel en klein. Een prachtig karretje. Echt basic, zo had je na een stevige onweersbui de hagelstenen op de schouders liggen. Met de wind in de rug en plat op het stuur kon een snelheid van 125 km/uur worden behaald. Dat ging niet altijd zonder risico, die ene keer had ik bijna een vastloper. Door tijdig te stoppen voorkwam ik erger. Sindsdien had ik een tik in de moter. Een ernstig mankement volgens mijn broer, dat getik kwam van de hoofdlager, die kon je maar beter niet horen. Gelukkig kon ik het probleem snel oplossen, ik zette de volume van autoradio hoger. Ook dit karretje werd oud en kreeg steeds meer gebreken. Op gegeven ogenblik werkte de benzinemeter niet meer, de wijzer bleef tegen het paaltje leunen. Benzine tanken werd zo een gok. Volgens mijn broer had ik een groot probleem. Gelukkig kon ik het probleem snel oplossen. Ik plakte een losse kilometerteller op het kleine dashboard. Die zette ik 250 km vooruit op de kilometerteller van de auto. Wanneer de laatste drie getallen van beide tellers overeen kwamen werd het tijd om te tanken. Één keer moest mijn vader de Eend aan te trekken. Na een rit door Erica wou de eend maar niet aanslaan. Plotseling schoot me iets te binnen: ik had de losse kilometerteller niet door gedraaid. In mijn tank zat niet meer dan een neusvolle vleug benzinedamp. Geinig. Een tijd later liet de dashboardverlichting het afweten. Vervelend, vooral als je in het donker rijdt. Je kon niet zien hoe hard je reed. Volgens mijn broer was dit een ernstig mankement waarbij de hele dashbord uit elkaar moest worden gehaald. Gelukkig kon ik het probleem snel oplossen. Ik kocht een zaklantaarn. Een knijpkat want batterijen waren me te duur. Zo zat ik menig keer de kat in het donker te knijpen. Ik creëerde mijn eigen ´Paradise by the dashboardlight´. Een maand later ging de dynamo stuk tijdens een nachtelijke rit naar Almelo. Ik was bij de Witte Paal afgeslagen en reed op de grote weg richting Tukkersland. De stroomtoevoer uit de accu droogde langzaam op. Eerst doofde de koplampen, het dashboardlicht was al uit, toen langzaam de ruitenwissers, toen de radio, toen ik. Pal voor de bestemming sloeg het karretje af, dood. Ik had de handen verkrampt aan het stuur en het zweet stond me voor de kop. Wat een rit! Wel geinig natuurlijk. Een half jaar later ging de oliedrukgroep stuk. Ik wist niet eens dat de Eend dat had. Bij een defecte oliedrukgroep sloeg telkens de motor af bij het remmen. Bij elke stoplicht bijvoorbeeld. Volgens mijn broer een ernstig mankement waarbij de auto nog maar één stap was verwijderd van categorie: wrak. Gelukkig kon ik het probleem snel oplossen. Ik gebruikte drie voeten. Tijdens het remmen vroeg ik de bijrijder het gaspedaal in te trappen. Ik had nog genoeg voeten om de koppeling en rempedaal te bedienen. Het remmen werd zo een collectief gebeuren. Je kon natuurlijk ook de auto laten afslaan en bij stilstand herstarten. Maar met drie voeten was het toch gezelliger. De Eend had vooraan een dwarsstang die aan de uiteinden omhoog boog. Daarop zaten, als een soort van bolletjes op steeltjes, de koplampen. Deze waren van plastic en hadden aan de achterzijde de vorm van een ei. Bij het parkeren vergat ik een keer de handrem te gebruiken. De eend rolde een eindje door waarbij de neus diep in de coniferenhaag dook. Op zich geen probleem. Ware het niet dat in de coniferenhaag een draad liep. Deze draad haakte zich onzichtbaar achter de twee koplampen. Later bij het wegrijden bemerkte ik een probleem. Twee bolletjes rolden zachtjes de parkeerplaats op. Waar eerst de lampen zaten staken nu allerlei gekleurde draadjes protsig omhoog. Ik keek snel om me heen en haalde de koplampen op. Precies op het moment kwam een collega van achter de coniferenhaag de parkeerplaats oplopen. Ik bleef hem strak aankijken, met onder elke arm een koplamp. Voor mij een ongemakkelijke moment, temeer omdat ik iemand voor me zag die niet meer bijkwam van het lachen. De Eend moest weg, zijn tijdperk was voorbij. Een Renault 5 werd de opvolger. Renault stond in die tijd bekend om het snelle roesten. Ze roesten zogezegd al in de folder. Veel plezier had ik er niet van, na een jaar ruilde ik de auto weer in, hij steunde alleen nog op de laklaag. Het Eendje, een mooi karretje, de herinneringen zijn gebleven.

Geschreven door H. Beukers.

De verloren bronzen klok in Emmen

In 1672 hield Groningen stand tegen aanvallen van de bisschop van Munster Cristoph Bernhard von Galen alias `Bommen Berend`. Hij gaf de strijd op en ging maar weer eens op huus an. Een deel van zijn troepen trok zich terug via Emmen naar Coevorden. Ten zuiden van Emmen lag het Emmer meer, een moerassig gebied. Het huidige Oeverse Bos lag aan de oever van dit meer. Hier lag strategisch gelegen een versterkte schans, de Emmer schans. Bom had toch kans gezien een paar leuke souvenirs uit Groningen mee te nemen. BommenBerend met stad Groningen als horizon.  Zijn oorlogsbuit bestond uit twee enorme bronzen klokken. Om het Emmer meer over te steken werden deze klokken elk op een vlot geplaatst. Bij de overgang over het Emmer meer kantelde een vlot onder de topzware last. De enorme bronzen klok werd verzwolgen door het moeras. Het ligt tot op de dag van vandaag op ongeveer 20 meter diepte ergens in de buurt van het Oeverse bos. Van de andere klok zijn meer gegevens bekend. Die hangt thans in een kerk in Munster. De registratienummer kwam overeen met het geregistreerde nummer in het Gronings archief. Volgens overlevering had de bisschop weinig plezier aan zijn uitstapje naar het hoge noorden. Hij verloor de helft van zijn troepen. Toch had hij de aardigheid van oorlogje spelen nog niet af. Op oktober 1673 stoeide hij bij Coevorden nog even met Carl von Rabenhaupt. Die zat hem in Groningen ook al zo dwars. Bom kreeg flink klop. Von Rabenhaupt wist de `Munsterschen en Keulschen` terug te drijven tot ver achter Bentheim. Het was me het bisschopje wel, zo zie je ze niet meer.

Geschreven door H. Beukers.

Gerrit de Kraai

Gerrit de Kraai

Bennie lukte een kraai op te voeden van kuiken tot een volwassen kraai. Wat we ook probeerden, ons lukte het niet. Wanneer we in het voorjaar een kuiken van een kraai in handen kregen werd een doos ingericht als nest. Daar ging de kuiken in. Zo`n kuiken had een hoog knuffelgehalte. Het bolletje ging door vele handen en werd telkens weer geaaid. Elke dag togen we naar de schuur om de noeste resultaten van onze opvoeding te aanschouwen. Voorzichtig werd tussen duim en wijsvinger een bolletje brood gekneed. Wanneer het bolletje klein genoeg was werd het voorzichtig in het open snaveltje gepropt. Na twee of drie bolletje was het genoeg, de kraai zou anders maar veel te dik worden. In de wanden van de doos werd, met een broodmes, ramen uitgesneden zodat de kuiken gewag kon maken van de boze buitenwereld. Onze droom van kuiken tot een volwaardige kraai verdampte toen we op een morgen een dode kuiken in de doos aantroffen. Na enkele krachttermen als ‘stinkkuuk`n’ werd hoofdstuk kraai afgesloten. Het verscheiden van de vogel had geen invloed op onze psychische gesteldheid. Het nam niet weg dat we wel degelijk met de dood werden geconfronteerd. Het beestje werd plechtig begraven. Mijn broer huilde zacht. Niet om de kraai, om zijn blauwe duim. Een kruis maken met een voorhamer was zo gemakkelijk nog niet. Het beestje werd met de pootjes boven de grond begraven. Dat was om het graf terug te vinden. We hadden daar kort geleden nog een konijn begraven. Die hadden we eerst nog geprobeerd in de schuur te cremeren, met benzine. Was iets nieuws hadden we gehoord. Het konijn in de hens steken lukte ons niet, met de schuur kwamen we een eind in de richting. Het konijn werd begraven. Dat vond mijn vader tijdens het nablussen toch maar beter, de buurt ook. Ons jonge leven ging door, de Kraai werd snel vergeten. Enkele dagen later kwam Loekie, onze hond, kwispelend het kadavertje bij moeder afleveren. Mijn moeder had daar natuurlijk behoorlijk de smoor over in, temeer omdat ze de broodmes ook al dagen kwijt was. Harry, mijn neef, had ook een kuiken van een kraai. Ook hier hetzelfde liedje, op een morgen vond hij de kuiken dood in de doos. Vol verwachting togen we naar onze vriend Bennie. Die had de laatste kuiken uit het kraaiennest. Bennie stond zogezegd dicht bij de natuur. Vol bewondering keken we in een ouwe doos, zonder uitgesneden raampjes, zonder een warm dekentje en zelfs zonder speelgoed naar een bolletje zwarte veren. We zagen een sprankelende kuiken vol levenslust. We keken toe hoe Bennie de kuiken voerde. Hij greep de kuiken vast met één hand en pakte met de andere hand een klodder nat brood. Niks bolletje kneden of verlokkelijk voor zijn snaveltje houden, niks roepen ‘happie veur pappe, happie veur mamme’. Met een behendige zwier kwakte Bennie de klodder recht in het opengesperde snaveltje. Alsof dat niet genoeg was werd met de pink de klodder tot ver achter in het strotje gepropt waarbij de oogjes van de kuiken teder uitpuilden. Met een gloepbeweging slikte de kuiken de kwak door en schudde een keer met het kopje. Op naar de volgende klodder. Ondertussen wij maar roepen, ‘ie maakt hum dood manne’. Allesbehalve dat, de kuiken groeide als kool en werd een heuse tamme Kraai. Bennie noemde de Kraai vol trots Gerrit. Je kon de naam zo lekker snauwerig uitschreeuwen. KAA KAA, even later had je de vogel op de schouder zitten. Je moest de Kraai dan nooit aankijken werd er gezegd, hij pikte dan direct naar je glimmende oogbol. Apetrots liepen we om het huis van Bennie, de vogel op de schouder. Het was ons toch maar weer gelukt zo`n vogel tam te krijgen. Even later ging Harry met een betraande oog naar huis, had ie de Kraai toch aangekeken. De Kraai werd groot. Wanneer Bennie Gerrit`s naam schreeuwde was het antwoord KAA KAA, dan kwam een grote zwarte vogel uit de boomkruin aangevlogen. De jeugd van Gerrit was snel voorbij, spoedig werd ook zijn wereld groter. Het beest vloog steeds verder Erica in. Na elke uitstapje keerde de kraai weer terug naar Bennies huis. Gerrit mocht graag op de waslijn van overbuurvrouw Mina zitten. Daar scheet Gerrit vol liefde een dikke kwak over de lakens. KAA KAA ging het dan en vloog naar Bennies erf. Bennie mocht niet op Mina´s erf komen omdat hij ooit had gezegd dat Mina foeilelijk was van dichtbij. In het begin kwam Mina verhaal halen over die schijtkraai. Bij Bennies huis zag ze alleen maar opgetrokken schouders. Een Kraai?, werd er dan in koor gezegd. Tja, daar doe je niks tegen. Gerrit scheen er alleen maar meer schik in te krijgen. Steeds verder gingen zijn rondjes door Erica en steeds groter werd de kwak. Niemand keek vreemd op wanneer bij het aardappelrooien een grote zwarte Kraai op armafstand landde. KAA ging het dan en Gerrit vloog even later weer verder. Hoe groot zijn rondes ook werden door Erica, elke keer werd het plichtsgetrouw afgerond op de waslijn van Mina. Om daar eens grondig het wasgoed te bederven. Tot grote hilariteit van Bennie. ‘Gèèrrriit’, riep hij dan, na een KAA KAA kwam het beest vanaf de waslijn op Bennie aangevlogen. Dit ging lang goed. Tot op een mooie herfstdag. Die middag liep Bennie om zijn huis heen Gerrit te zoeken. Hij zocht in de boomkruinen en op Mina´s waslijn. Om deze tijd had Gerrit toch zijn ronde door Erica erop zitten. Bennie bleef bezorgd uitkijken, zijn zwarte gevederde vriend bleef weg. Net op het moment dat zijn onderlip dreigde te gaan trillen hoorde hij het bekende roep van Gerrit. Tot grote opluchting van Bennie nam de grote zwarte vogel plaats op de waslijn van de overbuurvrouw. Deze hing vol met grote witte lakens. Trots verhief Gerrit zijn staart om aanstalten te maken Mina`s wasgoed te bestrepen. Wederom stond Bennie onbeschaamd grinnikend het geschijt van de vogel te aanschouwen. Hij pinkte een traantje weg, het blijft toch je kind nietwaar? ‘Gèèrriit’, riep Bennie, de voorstelling had lang genoeg geduurd. KAA KAA, riep de kraai. KAA KAA…. BOEM!! Tot ontzetting van Bennie spatte Gerrit uiteen in een grote wolk van zwarte veren. De lakens bewogen, een hoedje verscheen. En een rokende jachtgeweer. Gerrit landde zacht op straat en verderop in de tuinen van de buren. Mina had haar zwager gesproken. Deze was jager. Hij had haar verhaal eens goed aangehoord. De jager nam een stoel en plaatste deze onder de waslijn tussen de lakens. Zittend met het jachtgeweer tussen de benen wachtte hij rustig af op de onverlaat die altijd op dezelfde tijd verscheen. Gerrit was namelijk een gewoontedier, altijd stipt op tijd en altijd op dezelfde plek op de waslijn. Mina wist dat. En de zwager nu ook. Toen Gerrit op de waslijn landde keek hij nog even trots rond en bracht vervolgens zijn staart in positie. Zachtjes verrees de loop van het jachtgeweer tussen zijn pootjes. De rest is geschiedenis. Volgens Bennie eindigde het leven van Gerrit zoals het begon, met uitpuilende oogjes. Het is tussen Bennie en Mina nooit meer goed gekomen.

Geschreven door H. Beukers.

´Erica lekker water´ oorsprong van een gezegde.

´Erica lekker water´ oorsprong van een gezegde.

Wanneer iemand zegt van Erica te komen is de kans groot dat hij ´Erica lekker water´ te horen krijgt. Voor het ontstaan van deze gezegde moeten we terug naar het begin van de vorige eeuw. In die tijd had Erica nog geen voetbalclub, waterleiding of zwembad. Ook bij de aprilgrap van waterkeuring in 1930 was de kreet ‘Erica lekker water’ al decennia bekend. Voor het ontstaan van een gezegde is een bron nodig, plus dragers die de gezegde ‘aan de praat houden’ en als derde een publiek. Deze drie onderdelen waren rond het jaar 1910 in Erica aanwezig. In die tijd had Erica grote verveners als Veldkamp, van der Sluis en Hofhuis. Sommigen kwamen uit Amsterdam, de streek Amsterdamse Veld doet nog aan die tijd herinneren. Hofhuis stond als sociaal mens bekend maar ging omstreeks 1920 failliet. Voor Erica bleef hij zodoende een relatief onbekende vervener. Zijn onderkomen bestond uit een grote villa, later hotel, noordwaarts schuin tegenover de katholieke kerk. De villa stond naar achteren en had een grote tuin. Om een indruk te geven: drie huizen op de hoek Kerklaan-Kerkweg staan nu allemaal in de voormalige tuin van de vervener. Als twaalfjarig kind had mijn oma als dienstmeisje in het huis, toen hotel, gewerkt. Mijn oma sprak van een groot huis met een lange opgang en vele kamers. Hofhuis zijn villa annex hotel raakte later in verval en werd opgekocht door Geraets. Geraets sloopte de villa en van de stenen konden maar liefst 3 volledige woningen worden gebouwd. Deze woningen worden nog steeds bewoond. Aanvankelijk witgepleisterd staat er een aan de Kerklaan, dan de smidse tegenover de kerk, nog voor de helft in oorspronkelijk wit, en een dubbele woning aan de kerkweg, ook voorzien van wit pleisterwerk. De gehele villa annex hotel werd afgebroken, behalve de waterput. Met deze waterput was iets bijzonders aan de hand. In die tijd had ieder een waterput. Per put kon het water, binnen een afstand van 25 meter, geheel van kleur en smaak van elkaar verschillen. De waterput van het ouderlijk huis van mijn vader gaf sterk ijzerhoudend (oer) bruin water. Thee hiervan zag letterlijk blauw. Zijn tante woonde een paar huizen verderop, die had een waterput met redelijk helder water. Mijn vader moest zodoende als kind vaak water halen bij zijn tante. Maar tantes waterput kon niet op tegen die van Hofhuis, deze waterput gaf kraakhelder water. Deze in Erica steeds bekender wordende waterput werd een publiek bezit. Naburige vrouwen kwamen daar water halen en maakten vaak onderling een praatje. De waterput werd een ontmoetingsplaats waar de laatste nieuwtjes uit Erica werden uitgewisseld. Het water uit de put van Hofhuis was niet alleen helder, het was ook ongewoon lekker. Met andere woorden, het water had geen bijsmaak. Om Erica werd het veen afgegraven door seizoenarbeiders. Het nieuwtje van de waterput van Hofhuis werd ook bekend bij de arbeiders die vroeger voor hem hadden gewerkt. Verscheidene seizoenen konden die Erica niet betreden zonder aan te moeten horen hoe lekker het water van Hofhuis waterput wel niet was. De gezegde ‘Erica lekker water’ kreeg zodoende bekendheid onder de veenarbeiders, die droegen het door naar de omliggende dorpen. Erica lekker water werd op die manier een bekend streekgebonden gezegde. Ook Erica ging mee in de vaart der volkeren. Met de komst van de waterleiding verdwenen de waterputten. Veel inwoners van Zuid-Oost Drenthe kennen de gezegde ‘Erica lekker water’, het verwijst naar de tikkeltje eigenzinnige Ericanen die vooral trots zijn op hun mooie dorp. Het is al lang geleden dat de waterput van Hofhuis werd gedempt, de gezegde ‘Erica lekker water’ is gebleven.

Geschreven door H. Beukers.

8 of 9
123456789