Geschiedenis van Erica

Zwembad Erica

Zwembad Erica

Het was 1957 toen twee personen in een kapsalon bij elkaar kwamen. Het waren Rieks Reuvers, de toenmalige wethouder van Volkshuisvesting, en Gerard van Os, de lokale bouwondernemer. Het gesprek ging over de faciliteiten op het dorp. Naast een fatsoenlijke voetbalveld ontbrak op het dorp een openlucht zwembad. Daar gingen de heren iets aan doen. Gerard beloofde het graafwerk van het zwembad voor zijn rekening te nemen. Rieks met zijn enorme netwerk in de gemeente deed de rest. Een paar jaar later werd het zwembad op Erica door vele vrijwilligers eigenhandig uit het veen getrokken. Eigenlijk had toentertijd het zwembad naar Rieks Reuvers genoemd moeten worden. Of tenminste één van de sportvelden, want die verschenen ook door toedoen van Rieks. De eerste badgast van het zwembad op Erica was mijn broer Gerard. Die zat daar als 3 jarig kind in het afgegraven gat in een plas water te spelen. Als schoolkind kwam ik zomers vaak in het zwembad, temeer omdat we er redelijk dicht bij woonden. Maar als we in het veld liepen gingen we gewoonlijk zwemmen in de eerste- of tweede Boerwijk. Een viertal spiernaakte jongens zwom langs een groep vrouwen die daar de bieten aan het wieden waren. Plagend bleven ze staan wachten op het moment dat we boven het water kwamen. Als de zomer toenam met zijn hete dagen waren we toch steeds vaker in het zwembad te vinden. De wanden en bodem van het eerste en tweede bad waren lichtblauw gekleurd. Van het derde bad was de bodem donker zodat het veel dieper leek. Zonder zwemdiploma mocht je daar niet komen. De baden werden gescheiden door koorden met oranje drijvers. Als kind zwom ik met een zwemband naar het derde bad. Ik durfde alles, wist ik veel. Tot een golf chloorwater achter in mijn strot mijn adem deed stokken. Knap benauwd heb ik het daar gehad in mijn zwembandje. Toen kregen we zwemles. ‘s Morgens in de vroegte voor de aanvang van de school. In onverwarmd water stonden we in het eerste bad te blauwbekken. Badmeester Vos drilde ons het water in. Soms moest broer Wim huilend in het midden van de kring staan en werd hij nat gespetterd door de rest van de groep. Hoewel badmeester Vos half Erica aan een zwemdiploma hielp, lukte hem dat bij ons niet. Na een aantal keer blauw van de kou te zijn thuisgekomen vonden we het genoeg. Geert moest het maar zonder ons redden. Helaas is badmeester Vos niet oud geworden, na zijn overlijden werd het zwembad naar hem vernoemd. Op de lagere School kregen we vlak voor de middag zwemles. We moesten dan de drukke Havenstraat oversteken zoals we dat in de les hadden geleerd. Daar was me iets van bij gebleven. Het midden van de straat was neutraal. Toen ik bij het oversteken op de drukke Havenstraat zorgeloos op het midden van de straat bleef staan, het verkeer voor en achter mij voorbij zoevend, zag ik meester Lange langzaam naar zijn borst grijpen en twee tinten bleker worden. Voor straf moest ik terug naar de klas. Moederziel alleen zat ik daar in een grote lege lokaal. Daar stond ook de traporgel van meester Lange. Aanvankelijk was het nog een bescheiden deuntje. Zachtjes begon ik erbij te zingen. Na vijftien minuten had ik mijn bescheidenheid overwonnen. Verrek wat was ik goed. Ik gooide al mijn creativiteit, al mijn talent in het traporgeltje. Dat was voetenwerk in combinatie met gevoel. Mijn partituur eindigde in een flinke oorvijg. Zo’n gevoel in combinatie met handenwerk. Door al het lawaai had ik meester Jansen niet horen aankomen. Ik besloot dat mijn talent verborgen moest blijven, dat zou de wereld leren. Uiteindelijk haalden we onze zwemdiploma’s in het overdekte, maar vooral verwarmde, bad in Emmen. Daar toogden we met een heuse bus naar toe en zongen het hoogste lied, de zilvervloot enzo. Met onze diploma’s op zak mochten we dan eindelijk in het donkere derde bad zwemmen. We dachten dat we heel wat konden. Totdat Tonny Grol, zo van de kant, met een volledige salto het water in dook. Dat hebben we nooit na kunnen doen. Wat me wel lukte was achterover duiken. Broer Jos kon dat niet, hij kon zelfs niet gewoon duiken. Hij stond op de rand van het zwembad, maakte van zijn handen een puntdakje en wees daarmee naar het water. Iedereen dacht dat hij ging duiken maar sprong op het laatste ogenblik. Na het zwemmen zochten we de Zonneweide op, om ons in de zon op te warmen. Het zwemwater op Erica werd pas veel later verwarmd. In de Zonneweide waren twee diepe gaten in het gazon uitgegraven. Daarop waren trampolines geplaatst. Menig jong moest zijn overmoedige bui op de trampoline bezuren met een duik in de rubberen strengen of tegen het hek die erom toe was geplaatst. Eigenlijk stonden we daar alleen maar op te wachtten. Op het grasveld aan de noordzijde van het zwembad gingen we vaak voetballen. Totdat de dikke teen bijna haaks op de voet stond. Pinkelend zocht je dan maar weer het koude zwemwater op. Dan had je de cirkelvormige Pierenbadjes voor de kleintjes. Drie stuks die steeds iets dieper werden. De diepste was zo’n twintig a dertig centimeter. Na een hete middag was het water daarin gewoon warm. Daarin lagen we dan te koesteren als robben aan het strand. Dan kwam Tonny. Tonny was het hulpje van de badmeester. Hij was gemachtigd om de Pierenbadjes met een trekzeem schoon te vegen. Hij stuitte steevast op een aantal Robben die niet weg wilden uit het warme water. Tonny kon heel boos kijken en riep dan altijd: ‘Dat za’k zegg’n teeg’n de badmeester’. Hij hief zijn wijsvinger: ‘Ik waarschuw jullie nog twee keer’. Als Tonny dan daadwerkelijk naar de badmeester liep maakten wij ons snel uit de voeten. Tonny en de badmeester stonden dan even later bij de lege Pierenbadjes te kijken. Als kind kregen we nooit een cent mee naar het zwembad. We hielden de mensen in de gaten die bij het winkeltje iets kochten. Vooral een gekochte zak chips trok onze aandacht. In die tijd zat chips zoutloos in de zak. Wie van hartigheid hield kon in de chipszak een blauw gevouwen papiertje openen. Daarin zat een beetje zout die je dan over de chips kon strooien. Maar dat deed toen bijna niemand. Het was ons dus om die blauwe gevouwen papiertjes te doen. Als we iemand zagen die zo’n lege chipszak in een afvalbak gooide dan doken we daar snel op af. We openden het blauwe papiertje uit de lege chipszak en likten het zout erin op. Och, wat was dat heerlijk! Er was genoeg voor iedereen. Daarna gingen we tevreden knorrend in de zon liggen. We hadden nauwelijks last van de wind. Het zwembad was volledig omringd door gigantische populieren. Totdat een ambtenaartje in al zijn wijsheid besloot om de bomen te kappen. De bomen waren weer eens ziek. Op het eind van de hete middag konden we een ijsje verdienen. Je moest dan alle papiertjes en ijscostokjes van het terrein opruimen. Zo’n ijsje smaakte veel beter dan een gekregen ijsje. Wanneer wij in de zomer bij een van onze kameraden thuis kwamen moest één van ons de zwemkaart aan hun moeder afgeven. Het boek van de Wehkamp werd opengeslagen, er werd gezocht naar een kleur die overeenkwam met die van de zwemkaart. Henk en Rieks moesten dan bij het zwembad een punt van die kleur uit de vingers laten steken, alsof ze een zwemkaart in handen hadden. Bij de ingang van het zwembad was het een drukte van belang. Een file aan lawaaiige kinderen stond voor de kassa te dringen, wachtend op het sein om naar binnen te mogen. Voordat deze kwam nam badmeester Vos plaats op een dranghekje en legde een telapparaat op zijn schoot. Met een luide klik kon hij die met zijn duim bedienen. Een stormloop volgde waarbij elk kind met een luide klik werd geregistreerd. Badmeester Vos riep met luide stem dat iedereen de zwemkaart hoog moest houden. Met een stalen gezicht lukte het die twee telkens weer om, met een stukje gekleurd papier tussen de vingers, de machtige badmeester Vos te bedotten. Met de zwemtas gingen we naar de kleedruimte. Omkleden kon in de kleedhokjes waar je door een noestgaatje je buurman kon bekijken. Of je ging naar de gezamenlijke kleedruimte, het Schapenhok. Daar zagen we een jongen zijn zwembroek over zijn onderbroek trekken. Met zijn lenige beentjes wurgde hij zich de onderbroek onder zijn zwembroek vandaan. Verbluft hebben we daarnaar staan te kijken. Dat wilden wij ook kunnen. Die jongen had het schapenhok helemaal niet nodig. Wij trouwens ook niet, we hadden onze zwembroek al aan. De zwemtas was door onze moeder gemaakt. In feite was het een soort van grote tabakszak die met een lange veter dicht gesnoerd kon worden. Zo’n lang touw met op het eind een tas met natte handdoek was natuurlijk een geducht wapen. Menig meningsverschil werd hiermee uitgevochten. Als winnaars liepen we dan trots met die tassen naar huis. We zwierden en zwaaiden met die tassen hoog in de lucht. Ma heeft menigmaal met een lange paal onze zwemtassen uit de takken van de eikenbomen langs de Havenstraat moeten vissen. Voor het zwembad, naast de oprit, lag een fietsenstalling. Deze bestond uit betonnen palen verbonden met een roestig stalen hoekbalkje. Daar kon je de fiets tegen aan zetten. O wee wanneer je vergat de fiets op slot te doen. In die tijd werd een fiets vrijwel nooit gestolen maar hadden de grapjassen een andere verrassing in petto. De fiets werd op slot gezet en het sleuteltje weggesmeten. Wietse ‘Fietse’ Moorman had weer werk. Van alle herinneringen rondom het zwembad op Erica is me één ding goed bijgebleven. Het was toen altijd errugg mooi weer.

Geschreven door Henk Beukers

Kölkerbuurt

Kölkerbuurt

Herman Josef Kölker was de eerste Kölker op Erica, in feite de stamvader. Iedereen op Erica met deze naam in de stamboom is familie van elkaar. Herman Josef Kölker werd in 1847 geboren te Slagharen en stierf in januari 1928 te Erica. Hij kwam als eerste op het nieuwe kerkhof in het bos te liggen. Daarvoor lag het kerkhof naast (noordkant) de kerk. Alleen de grafzerken op het oude kerkhof werden vlak na WOII gedumpt in de kerkvijver achter de heuvel in het bos. De graven werden niet geruimd. Na aan de Kerklaan te hebben gewoond verhuisde Herman Josef Kölker naar een locatie aan de ‘warme kant’ (ten zuiden van de kerk) van de Kerkweg, thans gelegen aan de zuidkant van de T-splitsing Kerkweg/Duikerstraat. Herman Josef Kölker was van beroep horlogemaker en had aan huis een klokkenwinkeltje. Later werd dit kamertje tot een huiskamer uitgebreid en kwam de voordeur in het midden van het huis. Achter de voordeur zat een klein portiekje met toegang tot het winkeltje c.q. werkplaats. In de deur naar de woonkamer zat een schuifje. Van hieruit kon Herman Josef zien of er klandizie was. Zelfs vanuit Friesland kwamen klanten om hun klok te laten repareren, of in te ruilen voor een nieuwe. In die tijd verdwenen de oude klokken doorgaans in de kachel. Jaren later werd bij een verbouwing van het huis op de vliering nog een een klein aambeeldje gevonden. En een doosje horlogeglazen. Na de dood van Herman Josef Kölker werd zijn land verdeeld onder de drie zonen, Bernard, Jans (mijn opa) en Hendrik. Hendrik werd politieagent in Almelo en trok weg uit Erica. Zijn stuk grond werd verdeeld onder de overige broers. Jans woonde nog in het ouderlijk huis, hij bleef na het overlijden van zijn vader daar wonen. Bernard kwam ten zuiden van het ouderlijk huis te wonen. Hij was net als zijn vader horlogemaker. Bernard leefde hier echter niet van, zijn ‘echte’ werk was voorman bij de Fijnfabriek. Bernard had vier zonen, ‘Huurbaas’ Herman ,‘Bakker’ Gerard, Johan en ‘Zwarte’ (haarkleur) Bennie. Bernard kocht later nog een flink stuk grond ten noorden van inmiddels Jans zijn woning. Zijn grond liep destijds door tot pal naast Jans zijn huis. Toen werd de Duikerstraat aangelegd. Dwars door de nieuwe kavel van Bernard. Toch was het geen pech voor Bernard. Langs de Duikerstraat leverde dat voor elk zijn zoon een bouwkavel op. Alleen zoon Herman ging er daadwerkelijk wonen. De overigen niet, die hadden al een woning of hadden een andere reden. De snippers grond ten zuiden van de Duikerstraat werden later tussen Bernard en Jans zodanig verruild dat het bouwkavels opleverde voor hun zonen Zwarte Bennie en oom Willie. Op de hoek Kerkweg/Duikerstraat werd een dichte beukenhaag aangelegd met daarachter de groentetuin van Jans. Ten zuiden van Jans woning kreeg mijn oom Bennie een kavel, hij werd zodoende de buurman van zijn neef Johan. In de buurt van de Kerkweg – Duikerstraat stonden op een gegeven ogenblik zeven huizen van Kölker. Dit werd op Erica de Kölkerbuurt genoemd. Als kleinkind kwam ik vaak in de Kölkerbuurt. Met name op de verjaardagen van Opoe en Opa was het een drukte van belang in en om het huis. Het stikte daar dan van de neven en nichten. Dan heb ik het alleen nog maar over mijn leeftijdsgenoten. De oudere neven en nichten van wel over de 20 jaar kwamen vaak later op de dag. De jongere lagen nog in de luier of moesten nog geboren worden. Zo’n verjaardag van Opoe of Opa was in feite een echte familiedag. We speelden in en om het huis en leerden elkaar als familie kennen. Het was de tijd van het echte familiegevoel. In het huis zag je, naast mijn ouders, alleen maar ooms, tantes, en de oudere neven en nichten. Het gesprek ging vaak over een rijksdaalder die vroeger door een kier onder de vloer was gerold. Onze oren groeiden. Opoe en Opa hadden dus een heuse schat onder de vloer (Vele jaren later kwam bij de sloop van de woning inderdaad een zilveren rijksdaalder tevoorschijn). Aan de muur hingen trouwfoto’s. Je moest wel goed kijken wie wie was want degenen aan tafel waren inmiddels een stuk ouder geworden. Prominent aanwezig in de kamer was de kachel. Soms pakte Opa de pook en wipte de deksel van de kachel plus een paar ringen. Je keek in het gapende gat zo het vuur in. Opa pakte dan een paar turven die in de kachel verdwenen. Met de pook werden de ringen en deksel weer op hun plaats gebracht. Waar we helemaal verbaasd over waren was de ketel die op de kachel stond. Daar zat een soort van ijzeren zak aan die in de kachel verdween. Dat hadden we nog nooit gezien. Als kind vonden we alles interessant in het huis. Aan de wand hing een verkennertje die een groet bracht, op de vensterbank stond een koperen pot met leeuwenkoppen. In elke leeuwenneus zat een ring. Boven de ingebouwde kast in de kamer zat een tweede kast met op de deur gewoon behang. Aan de kieren kon je zien dat het open kon. Dat moest wel een geheime kast zijn. Opoe trakteerde ons altijd op een glaasje vruchtenbowl uit de weckfles. Dat was heeeerlijk. We lepelden het glaasje leeg en vingen met het lepeltje de laatste kruisbes uit het glas. Vervolgens gingen we als jonge hondjes onder de tafel zitten. Tussen al die volwassen benen en tafelpoten zaten we dan vervelend te zijn. Dat ging net zo lang goed tot Opoe ons naar buiten stuurde. Opa was met zijn 75 jaar in onze ogen een stokoude man. Zijn noeste arbeid in het veen had zijn sporen achter gelaten in de vorm van een gekromde rug. Opa droeg altijd een blauwe boezeroen, in de mond had hij een gigantische kromme pijp die vervaarlijk rookte. Opa zat in de stoel en genoot van al die drukte om hem heen. Vroeger stond achter het huisje een houten barak. Hierin stonden een paar geiten die dagelijks achter Savenije in het ‘roege’ veld aan de stik kwamen. `s Avonds moest mijn moeder de geiten weer ophalen en terug in het schuurtje brengen. Later werd de barak vervangen door een stenen schuur. Voor oom Herman, hij was melkboer, werd in de schuur een paardenstal gebouwd. Plus een melkhok. Als kind kan ik me herinneren dat een ruimte in de schuur nog steeds melkhok werd genoemd. De paardenstal was inmiddels een kippenhok geworden. Naast de schuur was een grote kippenren waar een tiental kippen rondscharrelden. In de schuur was verder nog een zwijnenhok en een looppad. Vlak naast de deur bevond zich een toilet. Als kind was het een heuse avontuur om daarop te zitten. Het was een plank met een ronde gat erin zonder waterspoeling. Spannend, maar er stonk daar wel een beetje. Achter het huis was een waterput met een stalen deksel. Je keek in een afgrond en zag in de diepte het water glinsteren. Als kinderen konden we heerlijk rond het huis spelen wat de verjaardagen van Opoe en Opa echt tot een feest maakte. Naast het huis aan de kant van oom Bennie stond een perenboom. Voor het huis aan de Kerkweg stond een dichte heg van meidoorn die de gure oostenwind uit het vrije veld moest tegenhouden. Vanaf de Kerkweg liep een looppad langs het huis naar achteren. Een paar meter van het huis stonden een paar gigantische eikenbomen. Ik zie nog achter het huis Opoe aan het werk, de was schrobben op een wasbord. Je kwam het huis binnen via een lage achterdeur, je stond dan direct in het keukentje. Het leven speelde zich voornamelijk af in de huiskamer. De voorkamer werd alleen gebruikt als de pastoor op visite kwam. Als kind kwam ik daar zelden. Met de jaarwisseling mocht ik, met mijn broers Gerard en Jos, een paar keer bij Opoe en Opa overnachten. Om in de slaapkamer te komen moesten we door de voorkamer waar het geurde als een kamer waar nooit iemand kwam. Als kind zijnde was dat natuurlijk extra spannend, die sfeer, die geur, we keken onze ogen uit. De jaren trokken voorbij in de Kölkersbuurt, de ene generatie werd groot, de andere oud. Toen Opa overleed kwam buurman ‘huurbaas’ Herman Kölker langs. Hij zat aan tafel en mompelde dat hij nu de oudste Kölker was. Dat hij nu ‘aan de beurt’ was. Gelukkig voor hem duurde dat nog heel lang, hij is oud geworden. Elke woensdag fietste Opoe naar onze huis aan de Havenstraat. In die tijd konden we haar op de opoefiets al zien aankomen vanaf de Duikerstraat. Traditiegetrouw pakte ze dan een emmer met aardappelen en begon te schillen. Als ze dat niet deed zat ze te duimdraaien in de stoel. Op haar 85e verjaardag zei Opoe dat ze nog graag onze aanstaande bruiloft mee zou willen maken. Dat mocht niet zo zijn. Vlak voor onze bruiloft overleed Opoe. Het was onze eerste actie als pas getrouwd stel; de begrafenis van Opoe op een mistige trieste dag in Oktober 1981.

Geschreven door Henk Beukers

Kerklaan

Kerklaan

De mooiste laan van Erica is ongetwijfeld de Kerklaan, ook wel Spekweggie genoemd. De bijnaam Spekweg vindt zijn oorsprong in de negentiende eeuw. Het verhaal gaat dat arbeiders van de werkverschaffing die de Kerklaan hebben aangelegd, naast loon ook in natura werden uitbetaald. Natura bestond toen uit zoveel pond spek. De Kerklaan werd voortaan Spekweggie genoemd. Het is het meest lommerrijke laan op Erica. Helaas is het beleid dat op de plek van een gesneuvelde boom geen nieuwe boom wordt geplant. Binnen enkele decennia zal de Pauw der Lanen een kaal geplukte kip zijn, wat ongetwijfeld gevolgen heeft op de waarde van het belendend ontroerend goed. Maar nu het verhaal van de Kerklaan. Tegenover de Katholieke kerk stond in mijn jeugd een kroeg. Keuter genaamd. De kroeg is niet altijd een kroeg geweest. Een van de vorige bewoners was Jan Prins, die had daar een winkeltje. Later nam zijn zoon Piet de zaak over. Deze breidde de winkel uit en noemde het Victoria. Achter de zaak stond een enorme boom met om de stam een dikke ketting. Aan de ketting lagen zo’n dertig volle gaspotten.

Smid Töller

Smid Töller

In die tijd stookten de mensen nog op gas uit gaspotten. Wanneer een lege gaspot werd ingeleverd kon je, tegen betaling uiteraard, een volle meenemen. Het slot aan de ketting werd geopend, met veel ratelend kabaal werd de ketting van de gaspot getrokken. Zo kreeg de buurt ook mee dat het gas bij huize Beukers op was. Voor dat Prins het pand bewoonde was het pand een smidse. In die tijd hield Smid Töller de ijzers in het vuur. Töller had op de Kerklaan geen naaste buren. Het huis van Hermans werd pas vlak voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd, de huizen van Moorman en melkboer Be Hoppe kwamen veel later. Van Hermans kan ik me nog herinneren dat ze een aparte auto hadden. Een DKW, een tweetakt, het autootje is nu een verzamelobject. In de tijd van smid Töller was Klein Meyertie zijn eerste buurman. Het huisje stond dwars op de Kerklaan, thans de T-kruising Eendrachtstraat/Kerklaan. De erfafscheiding van Klein Meyertie bestond uit eikenbomen. Enkelen daarvan staan er nog steeds. Zoals de naam reeds zegt was Klein Meyertie niet groot. Hij was getrouwd met een vrouw die mogelijk nog kleiner dan hem was. Het kleine vrouwtje was de zus van Oude Piet Geraets. Wanneer ze in de kerk liep kwam haar pothoedje net boven de kerkbanken uit. Ze was een duveltje. Voor hun huisje stonden grote Rododendronstruiken. Wanneer schoolkinderen takjes afbraken van de struik stond ze scheldend in de deur en bonkte met haar stok op de grond. De kinderen wisten feilloos haar tot razernij te krijgen. Dan moest je zaadjes (kannegies) van de Meidoornstruik plukken. Dan kwam het mensje achter de kinderen aan. Het oude vrouwtje was echter geen partij voor de watervlugge kinderen. Het paar is kinderloos gebleven. In mijn tijd was het huisje afgebroken maar de Eendrachtstraat lag er nog niet. Als kwajongen heb ik nog wel samen met Willie in de half gedempte waterput kikkers zitten te vangen. Klein Meyertie was niet de eerste bewoner van het huisje. Kolker heeft er ook nog een tijdje in gewoond. Een zoon van deze Kolker was mijn opa. Daarvoor was het huisje een snoepwinkeltje. Naast Klein Meyertie stond een huis met een rieten dak. Hier woonde Assen die later naar Limburg vertrok om te gaan werken in de kolenmijnen. Het huisje werd later door brand verwoest. Oude Anton van Dooren, werkzaam in Duitsland, kocht de kavel en zette er de huidige woning op. Zolang Oude Anton in Duitsland verbleef werd het huis verhuurd. In of vlak na de oorlog kwam Oude Anton op Erica wonen. Zijn kinderen hadden het in begin niet gemakkelijk. Ze werden een beetje gepest om hun zware Duitse accent. Nog steeds wordt het huis bewoond door van Dooren. Inmiddels de derde generatie. Naast van Dooren woonde toen Gradus Roewe. Zijn huisje was opgetrokken uit Ericaase steen. Hiervan stond het steenfabriekje schuin achter het huidige openbare kerkhof. De klei voor deze stenen betrokken ze uit een diepe put aan de overkant (oostkant) van de Kerkweg. Het was trouwens waardeloze steen, bij vorst knapten er zo stukken uit. In het huis van Gradus Roewe woonde later Gradus Prins, die was zelfs naar hem vernoemd. Gradus Prins had een veld dennenbomen achter zijn huis. Hierin hebben we als kind menig avontuur beleeft. (zie: Achter Gradus Prins). Naast Gradus Roewe, voor de huidige kleuterschool, stond het huis van Jan Prins die daar een winkeltje had. Jan Prins verhuisde naar de stee van Töller. Hendrik Meyer betrok toen het huisje, hij had daar een fietsenzaakje. Meyer werkte als monteur bij het Griendsveen en als machinist op een veentreintje. Meyers dochter, Lena, had het syndroom van Down. Met zwemles kon ze als de beste zwemmen. Iedereen keek door de vingers dat Lena tijdens het zwemmen over de bodem liep. Naast Meyer kwam het schoolmeestershuis. Hier woonde toen meester ter Hofstede. Later kwam meester Lange daar te wonen en nog later meester Jansen. Naast het schoolmeestershuis kwam het huisje van Jeurissen. Een zoon van deze was Hendrik de Fluiter. Hendrik was een vrolijke man, zo kwam hij fluitend aanlopen om te zeggen dat zijn vader was overleden. Vader was tachtig jaar geworden, dat vond Hendrik genoeg. Hendrik had bovendien een dramatisch gevoel voor humor. Als soldaat had hij in de 1e Divisie 7 December in Indonesië gediend. Tijdens het schrijven van een brief aan zijn ouders bleek het inkt op te zijn. Hendrik vervolgde zijn brief met een potlood en schreef: ‘ze hebben zojuist de pen uit mijn handen geschoten, ik schrijf nu met de potlood verder’. Na het overlijden van Oude Jeurissen werd het huisje afgebroken. Naast Jeurissen stond het Emaculata-gebouwtje. Het was een gemeenschapshuisje waar menig toneelspel werd opgevoerd en waar menig club een onderkomen had. Dan had je mijn school, de Katholieke lagere school Sint Gerardus. Toen ik naar school ging was meester Lange de hoofdmeester. Meester Lange was een heuse autoriteit op het dorp. En hij was kaal. Een populair liedje onder de leerlingen was: Op de kop van Kale Kees, hebben de vlooien motorrace. Naast de lagere school stond het huisje van Knecht. Later zette daar Vinke een nieuw huis neer. Het laatste huis aan de zuidkant van de Kerklaan was bakkerij Schnieders, een van de vele bakkers op Erica. Tegenover Schnieders woonde Piet Geraets. Oude Piet bezat zo’n zevental huizen aan de Kerklaan en Kerkweg. Zijn zoon Piet had later een grote tapijtzaak in Emmen maar kwam vroeg te overlijden, zijn zaak verdween. In de tijd van Oude Piet stond er aan de noordkant van de Kerklaan maar een paar huizen. Aannemer van Os was de eerste die naast oude Piet kwam te wonen en daar zijn zaak begon. In het midden van de Kerklaan, naast het huidige (ex)Parochiehuis, stond het huis van veldwachter Veld (Dikke Veld). De ruimte tussen Oude Piet Geraets en veldwachter Veld werd opgevuld door beider tuinen. Oude Piet had daar een prachtige siertuin. Later zijn daar allemaal huizen opgekomen. Naast Veld stonden twee koetshuizen van de Katholieke- en Protestante begrafenisvereniging. Prachtige koetsen met zwarte kleden voor elk gezindte een. Daarnaast werd het parochiehuis gebouwd. Menig feest werd daar gevierd, ook al dachten de omwonenden daar misschien anders over. Helaas werd dit prachtige gemeenschapshuis opgedoekt. Naast het Gebouw had Bernhard Moorman een bakkerij met aan de voorgevel een automaat waaruit voor 10 cent een taartje kon worden getrokken. Ook gedurende de oorlog was de automaat steevast vol. Blijkbaar had Bernhard zo zijn adresjes. Later kwam Wietze Moorman (Wietze fietse) te wonen. Wietze had daar een fietsenzaak. Voor het huis van Wietze hadden wij een hangplek die we elke avond trouw opzochten. Dan kwam de woning van Hendrik van Os, dit huis werd nog opgebouwd uit de stenen van de villa van de vervener Hofhuis. Op de hoek Kerklaan/Kerkweg stond de villa van vervener Hofhuis, later werd dat een hotel. Toen de villa werd afgebroken kon van het vrijgekomen bouwmateriaal drie woningen worden gebouwd. Van de villa is lange tijd alleen de waterput overgebleven. Die was toen bekend om het lekkere putwater. Daarnaast stond het huis van Jans van Ommen.De Kerklaan tussen Jans van Ommen en de hoek met de Kerkweg was toen onbebouwd. Dan kwam het huis van Jans van Ommen, de begrafenisondernemer. Dan kwam het huis van Tinus Schnieders. Daarnaast bouwde meester Sibon een woning waar later Bontjer in woonde. Inmiddels zijn alle lege plekken opgevuld met woningen. De laatste woning aan de Kerklaan is de hoekwoning Kerklaan/Kerkweg. Deze woning staat in de voormalige tuin van Hofhuis. De hoekwoning bestond uit drie aparte woningen. De eigenaar was Oude Piet Geraets. Piet verhuurde alle delen van de woning. Arends woonde aan de kant van de Kerkweg, die had daar een smidse. Later kwam daar smid Klingenberg te wonen, nog later smid Berndt. De andere helft van de woning aan de Kerklaan-kant bestond uit twee woningen. Bies had daar nog een tijdje gewoond, Hemel, Johan Kolker en later zijn broer Bennie. In mijn tijd was de hoekwoning een dubbele woning. Aan de ene kant woonde daar Hendrik Jeurissen (Hendrik de Fluiter), aan de andere kant smit Berndt. Vlak naast de hoekwoning aan de Kerkweg staat nog zijn smederij. Het is het laatste stukje nostalgie uit een ver verleden.

Geschreven door Henk Beukers

De verloren bronzen klok in Emmen

In 1672 hield Groningen stand tegen aanvallen van de bisschop van Munster Cristoph Bernhard von Galen alias `Bommen Berend`. Hij gaf de strijd op en ging maar weer eens op huus an. Een deel van zijn troepen trok zich terug via Emmen naar Coevorden. Ten zuiden van Emmen lag het Emmer meer, een moerassig gebied. Het huidige Oeverse Bos lag aan de oever van dit meer. Hier lag strategisch gelegen een versterkte schans, de Emmer schans. Bom had toch kans gezien een paar leuke souvenirs uit Groningen mee te nemen. BommenBerend met stad Groningen als horizon.  Zijn oorlogsbuit bestond uit twee enorme bronzen klokken. Om het Emmer meer over te steken werden deze klokken elk op een vlot geplaatst. Bij de overgang over het Emmer meer kantelde een vlot onder de topzware last. De enorme bronzen klok werd verzwolgen door het moeras. Het ligt tot op de dag van vandaag op ongeveer 20 meter diepte ergens in de buurt van het Oeverse bos. Van de andere klok zijn meer gegevens bekend. Die hangt thans in een kerk in Munster. De registratienummer kwam overeen met het geregistreerde nummer in het Gronings archief. Volgens overlevering had de bisschop weinig plezier aan zijn uitstapje naar het hoge noorden. Hij verloor de helft van zijn troepen. Toch had hij de aardigheid van oorlogje spelen nog niet af. Op oktober 1673 stoeide hij bij Coevorden nog even met Carl von Rabenhaupt. Die zat hem in Groningen ook al zo dwars. Bom kreeg flink klop. Von Rabenhaupt wist de `Munsterschen en Keulschen` terug te drijven tot ver achter Bentheim. Het was me het bisschopje wel, zo zie je ze niet meer.

Geschreven door H. Beukers.

´Erica lekker water´ oorsprong van een gezegde.

´Erica lekker water´ oorsprong van een gezegde.

Wanneer iemand zegt van Erica te komen is de kans groot dat hij ´Erica lekker water´ te horen krijgt. Voor het ontstaan van deze gezegde moeten we terug naar het begin van de vorige eeuw. In die tijd had Erica nog geen voetbalclub, waterleiding of zwembad. Ook bij de aprilgrap van waterkeuring in 1930 was de kreet ‘Erica lekker water’ al decennia bekend. Voor het ontstaan van een gezegde is een bron nodig, plus dragers die de gezegde ‘aan de praat houden’ en als derde een publiek. Deze drie onderdelen waren rond het jaar 1910 in Erica aanwezig. In die tijd had Erica grote verveners als Veldkamp, van der Sluis en Hofhuis. Sommigen kwamen uit Amsterdam, de streek Amsterdamse Veld doet nog aan die tijd herinneren. Hofhuis stond als sociaal mens bekend maar ging omstreeks 1920 failliet. Voor Erica bleef hij zodoende een relatief onbekende vervener. Zijn onderkomen bestond uit een grote villa, later hotel, noordwaarts schuin tegenover de katholieke kerk. De villa stond naar achteren en had een grote tuin. Om een indruk te geven: drie huizen op de hoek Kerklaan-Kerkweg staan nu allemaal in de voormalige tuin van de vervener. Als twaalfjarig kind had mijn oma als dienstmeisje in het huis, toen hotel, gewerkt. Mijn oma sprak van een groot huis met een lange opgang en vele kamers. Hofhuis zijn villa annex hotel raakte later in verval en werd opgekocht door Geraets. Geraets sloopte de villa en van de stenen konden maar liefst 3 volledige woningen worden gebouwd. Deze woningen worden nog steeds bewoond. Aanvankelijk witgepleisterd staat er een aan de Kerklaan, dan de smidse tegenover de kerk, nog voor de helft in oorspronkelijk wit, en een dubbele woning aan de kerkweg, ook voorzien van wit pleisterwerk. De gehele villa annex hotel werd afgebroken, behalve de waterput. Met deze waterput was iets bijzonders aan de hand. In die tijd had ieder een waterput. Per put kon het water, binnen een afstand van 25 meter, geheel van kleur en smaak van elkaar verschillen. De waterput van het ouderlijk huis van mijn vader gaf sterk ijzerhoudend (oer) bruin water. Thee hiervan zag letterlijk blauw. Zijn tante woonde een paar huizen verderop, die had een waterput met redelijk helder water. Mijn vader moest zodoende als kind vaak water halen bij zijn tante. Maar tantes waterput kon niet op tegen die van Hofhuis, deze waterput gaf kraakhelder water. Deze in Erica steeds bekender wordende waterput werd een publiek bezit. Naburige vrouwen kwamen daar water halen en maakten vaak onderling een praatje. De waterput werd een ontmoetingsplaats waar de laatste nieuwtjes uit Erica werden uitgewisseld. Het water uit de put van Hofhuis was niet alleen helder, het was ook ongewoon lekker. Met andere woorden, het water had geen bijsmaak. Om Erica werd het veen afgegraven door seizoenarbeiders. Het nieuwtje van de waterput van Hofhuis werd ook bekend bij de arbeiders die vroeger voor hem hadden gewerkt. Verscheidene seizoenen konden die Erica niet betreden zonder aan te moeten horen hoe lekker het water van Hofhuis waterput wel niet was. De gezegde ‘Erica lekker water’ kreeg zodoende bekendheid onder de veenarbeiders, die droegen het door naar de omliggende dorpen. Erica lekker water werd op die manier een bekend streekgebonden gezegde. Ook Erica ging mee in de vaart der volkeren. Met de komst van de waterleiding verdwenen de waterputten. Veel inwoners van Zuid-Oost Drenthe kennen de gezegde ‘Erica lekker water’, het verwijst naar de tikkeltje eigenzinnige Ericanen die vooral trots zijn op hun mooie dorp. Het is al lang geleden dat de waterput van Hofhuis werd gedempt, de gezegde ‘Erica lekker water’ is gebleven.

Geschreven door H. Beukers.

De geschiedenis van Erica

De geschiedenis van Erica

Voor het ontstaan van Erica moeten we terug naar de negentiende eeuw. In 1860 werd begonnen met het graven van de Hoogeveensche vaart ten zuiden van Emmen (Dr). In de tijd dat de Amerikaanse burgers elkaar te lijf gingen betraden de eerste verveners Noord- en Zuidbargerveen, de streek van toekomstig Erica. We schrijven 1863. Van het gezin Veltrop is bekend dat zij de eerste nacht op Erica doorbrachten aan de toenmalige weg Schoonebeek-Emmen. Deze zandwal lag 200 meter oostelijk van de huidige Ericasestraat. Deze plek wordt nu nog steeds bewoond. Het werd niet zomaar door Veltrop gekozen. Uit overlevering is bekend dat hier zandwallen lagen die met hun blonde kruinen bakens vormden in een zee van veen. Het waren de meest zuidelijke uitlopers van de Hondsrug. Opzij van Ericase straat ligt een uitloper, deze is als een verhoogde glooiing in het landschap te zien. Was dit de oorspronkelijke weg naar het noorden? Het was gebruikelijk dat op strategische plekken langs wegen schansen werden gebouwd. Zo loopt de oorspronkelijke weg van Erica via het Schoolpad naar oostelijk Emmen. Hier ligt een schans, de Emmer Schans. Het is mogelijk dat de Ericase zandwallen, waar de familie Veltrop een heenkomen zocht, onderdeel waren van een versterking. De zgn. ‘Bargerschans’ lag immers niet ver uit de buurt. Zo’n honderd meter het veld in aan de kerkweg werd een oude voorladerpistool gevonden. Omstreeks 1670 trok hier een gedeelte van de 24.000 man sterke leger van Bommen Berend langs. Bé ging shoppen in Groningen en met zo`n groot leger wil je wel eens een pistooltje verliezen. De eerste plaggenhut bouwde het gezin Veltrop aan de huidige Kerkweg. Later heeft Rieks Berendsen hier nog gewoond. De woonplaats is allang verdwenen, het is nu landbouwgrond. Door de definitieve vestiging waren de Veltrops feitelijk de eerste bewoners van Erica. Korterik werd ook genoemd als eerste bewoner, deze trok echter snel verder. Een dochter uit het gezin Veltrop was Anna Gezina Veltrop (1856 Slagharen-1919 Erica), die huwde met Herman Josef Kölker (1847 Slagharen-1928 Erica). Herman Josef Kölker en Anne Gezina Veltrop zijn in feite de stamouders van de huidige familie Kölker (of Kolker) te Erica. De eerste bewoners van Erica kwamen uit Slagharen en de voorouders van deze mensen kwamen uit het Duitse katholieke Bentheim. In Zuidoost Drenthe zijn vele familienamen van Duitse oorsprong. Sommigen zijn vernederlandst door de umlaut weg te laten of de klank letterlijk te noteren. Kölker werd Kolker, Bökers werd Beukers. Op het kerkhof in Wietmarchen zijn veel oorspronkelijke namen terug te vinden. De eerste bewoners hadden de nieuwe nederzetting graag “Nieuw Slagharen” willen noemen. Er was immers ook Nieuw Amsterdam, Nieuw Dordrecht en Nieuw Schoonebeek? Gelukkig was er iemand met iets meer fantasie, of hij kon geen lange plank vinden. Feit is dat iemand aan zijn huis een plank had geplaatst met de letters “Erica”, verwijzend naar alom aanwezige dopheide. Erica werd het en is zo gebleven. Erica ligt zoals gezegd op de meest zuidelijke uitloper van de Hondsrug, deze liep vanaf het noordelijke gelegen Zuidbarge dwars door Erica. Overleveringen spreken van gele zandheuvels op de huidige Kerklaan. Vroeger werd op Erica gezegd dat de Hondsrug eindigde in de mestbult van van Dooren. Ze hadden bijna gelijk. De zandrug liep echter verder richting kerk, boog naar het zuiden, volgde een stuk kerkweg en boog in zuidoostelijke richting af. Ter hoogte van de Duikerstraat lagen in het veld zandheuvels met verstuivingen die overgingen in hoogveen. Kinderen speelden op deze zandheuvels en kwamen thuis met broze vazen die ze in het zand vonden. De plaatselijke boer heeft later nog veel stenen werktuigen gevonden, waaronder een prachtige zwarte vuistbijl. Niet de arbeiders die het zand moesten afgraven waren debet was aan de vernieling van grafheuvels. Die twijfelachtige eer kwam toe aan de toenmalige Archeologische Dienst uit Groningen. Bij archeologische vondsten werd het werk stilgelegd. De heren archeologen hadden alleen oog voor de historische vondsten, zonder zich te bekommeren om de sociale omstandigheden van de arbeiders. Stilleggen van het werk betekende voor de arbeiders geen inkomsten. De gevolgen lieten zich raden. Elke glooiing of heuveltje werd snel geëgaliseerd zodat het werk door kon gaan. Verrassend genoeg lieten de arbeiders een stukje grond onbewerkt liggen. Het plekje blijft geheim, daar valt ongetwijfeld nog iets te vinden.

Geschreven door H. Beukers.

3 of 3
123