Schön ist die Jugendzeit

Novemberstorm 1972

Novemberstorm 1972

Maandag 13 november 1972 werd het gezin Beukers op Erica wakker door een bulderend lawaai, Het stormde buiten. Ons huis stond op de vlakte, we waren dus wat gewend. Maar dit keer ging het toch wel erg hard met de wind. De avond ervoor het de weerman op het NTS-journaal ons gewaarschuwd voor een zware storm. Het zal wel. Maar die morgen erop bleef de TV uit omdat de antenne vervaarlijk op het dak stond te zwaaien. Hoewel mijn moeder bezorgd naar buiten keek was het voor ons tieners een sensatie. Opgewonden keken we naar buiten en zagen stukken hout, dakleer en platen wegwaaien over het pad voor ons huis. Het huis van de buren was druk bezig te defragmenteren. Hoewel het al vanaf 4 uur ‘s nachts hard waaide, de storm leek alleen maar aan kracht toe te nemen. Natuurlijk moesten we naar buiten. De hevige protesten van Ma hoorden we niet meer, teveel lawaai. Buiten aangekomen werden we bijkans door de wind meegenomen, we zetten ons schrap en hielden ons vast aan alles wat er te grijpen viel. Achter de schuur aangekomen hadden we het volle zicht op de horizon. Donker lag daar Nieuw Amsterdam met daarboven blauw-grijze wolken die met een gigantische vaart op ons af dreven. We kregen we de volle toorn van de storm over ons heen, we gilden van plezier. Er was echter een toorn die vele malen groter was dan deze storm. Ma´s toorn. Ma stond naast de schuur en haar stem kwam boven de storm uit. Of we als de sodemieter weer naar binnen wilden gaan. Binnen in het huis was het een stuk rustiger. Alhoewel het huis op de vlakte menig storm had overwonnen, dit keer kreunde en steunde ons huis in de harde storm. Af en toe trok een windvlaag een rij pannen onder de windveer omhoog, de rest van alle pannen op het dak volgde als een soort van wave. Een gigantisch geratel van dakpannen was het gevolg. Ma kromp ineen, wij juichten. Wij wisten niet beter, we hadden een rotsvast vertrouwen in ons huis. Per uur nam de storm aan kracht toe. Opeens zagen we een grote massieve baanderdeur het pad op lopen. Een wonderlijk gezicht. De deur werd overeind gehouden door de stormvlagen. Telkens als het dreigde om te vallen blies een windvlaag het weer overeind. De deur rolde het het pad op. De deur leek  op een grote man met gespreide armen en benen die zich met radslag voortbewoog. Het was onze schuurdeur. Pa had ooit geprobeerd de deur in te hangen. De (voor niets gekregen) deur paste gewoon niet. Die maandag zat Pa thuis omdat hij op het werk een ongeluk met een lier had gehad. Zijn hand zat in dik verband. ‘Bliede da’k hum kwiet ben’, mompelde Pa terwijl hij de deur nakeek. Voor ons huis was een weiland omheind met stevig prikkeldraad. Tot onze verbazing rolde de deur zo over het draad. Het leek alsof de houten man over het draad stapte. Een paar flinke stormvlagen later was het gebeurd met de muitende deur en plofte het eindelijk neer in het gras. We moesten toch even weer naar buiten kijken. De plantenkas van Pa stond daar in de storm stoïcijns kas te wezen. Ik vroeg Pa of de kas dit wel zou overleven. ‘Ik kan d’r moeilijk met de pet veur gaon staon’, was het berustende antwoord. Natuurlijk overleefde de plantenkas dit natuurgeweld niet. Het was een wonderlijk gezicht. Het ene moment stond daar een kas met planten, een seconde later stond daar alleen nog de fundering met een verwrongen aluminium geraamte. Werkelijk in een oogwenk! In de storm zag je een wolk glassplinters en stukken plastic golfplaten langs het huis razen. Rakelings langs broer Wim. Die was voor het huis de boel aan het ‘verkennen’. Hoewel nog in pyjamabroek had hij zich met een valhelm gewapend tegen rondvliegend puin. Later hoorden we dat mensen aan de Kerkweg aan Be Hoppe, de melkboer, gevraagd hadden waar al die witte plastic golfplaten vandaan kwamen. ‘O, die komen bij Beukers weg’, antwoordde Be en ging vrolijk door met melkventen. Die dag gingen we niet naar school, dat vonden we vreselijk niet erg. Schade op ons dorp Erica kon door zo’n zware storm natuurlijk niet uitblijven. Het begon met een grote eikenboom op het openbare kerkhof aan de Havenstraat waar we direct zicht op hadden. De reus zeeg langzaam opzij en leunde nog even tegen zijn collega. Toen verdween ie gewoon. Achter de beukenhaag. Even later riep Ma, ‘Kiek, d’r get weer iene’. We keken richting het kerkhof en zagen wederom een reus verdwijnen. Dat deed pijn, ook toen al hadden we een zwak voor bomen. Uiteindelijk zijn toen op het kerkhof zo’n stuk of zes eikenbomen gesneuveld. We wisten toen nog niet wat voor ramp zich had afgespeeld in het bos achter de Katholieke Kerk. Jarenlang ons speelterrein, ons bos. Daar kwamen we later op de dag achter. Het bos met zijn enorme beuken en eiken, met al zijn karakteristieke binnenpaadjes waarop we als welp spellen deden, het binnenpleintje waar we nadien bij elkaar kwamen, het bos zoals we die kenden uit onze jeugd, dit bos was verwoest. Gigantische bomen waren omgewaaid en hadden in hun val diverse reuzen meegenomen, gelijk een dominospel. Het bos was onherkenbaar vernield en is er nooit meer opgekomen. Tot op de dag van vandaag is het bos nog bezaaid met stronken waar ooit een boom stond. Het pleintje met de binnenpaden zijn verdwenen. Ooit heeft huurbaas Herman Kölker (neef van Ma) nog geprobeerd om met nieuwe aanplant het bos nieuw leven in te blazen. Het leek goed te gaan. Totdat de Kerk het bos overdeed aan Staatsbosbeheer. Gelijk Afdeling Groen deed het hovenierschap zijn intrede. Een belerende visie werd aangehouden, ondersteund door de kettingzaag. Kortom, op de dikke bomen na werd alles in het bos omgezaagd. Het bos werd een park waar je dwars door heen kon kijken. De ‘hovenier’ was tevreden, als enige. Dit leed is echter niet te vergelijken met wat op 13 november 1972 in en buiten Nederland was gebeurd. De storm ontwortelde in Noord-Europa 5 miljoen bomen en doodde 54 mensen, waarvan 9 Nederlanders. In Duitsland werden er windstoten van 42 m/s gemeten. In Nederland werd een top van 40 m/s behaald. De weergoden waren het gezin Beukers in 1972 goed gezind. Voor ons huis was het de zoveelste storm die het moest doorstaan, geen dakpan stuk of zelfs van de plek. Enkele jaren later was dat anders. Een veel zwakkere storm joeg de stenen gevel uit de schuur. Deze viel op onze auto die daar toevallig stond. Pa had de auto de avond ervoor daar neergezet toen ie op TV hoorde van de naderende storm. De schuur was tegen storm verzekerd, de auto niet. Voor wat betreft de Novemberstorm in 1972 kunnen we zeggen, we hebben het beleefd, we hebben het meegemaakt, we kunnen er over meepraten. Het was echter een natuurverschijnsel die ik nooit meer hoef mee te maken.

Geschreven door Henk Beukers

Rijbewijs

Rijbewijs

Rijbewijs halen was en is geen sinecure. Mijn vader presteerde om destijds ruzie te maken met de examinator. Niet verstandig concludeerde Pa nadien. Veertien keer deed Pa er over om het fel begeerde roze papiertje te halen. Dat hij bij de laatste keer een andere examinator kreeg scheelde aanzienlijk. Hij had een certificaat voor doorzetter erbij moeten krijgen. Bij Henk, mijn toenmalige kameraad, lukte het ook maar niet om te slagen voor het rijbewijs. Aan kennis en kunde lag het niet, het waren bij hem de zenuwen. Maar Henk had wel een enorme gevoel voor humor. Toen hij voor de vijftiende keer zakte voor het rijexamen gaf hij een feestje bij Telkamp, onze stamkroeg. Het leuke was dat hij hierna, bij de zestiende keer, eindelijk slaagde. Mijn buurman had niet zoveel doorzettingsvermogen, hoewel hij wel optimistisch was. Hij kocht zich al een auto toen de rijlessen nog moesten aanvangen. Een koopje, slechts 25 gulden. Alleen het achterlichtje deed het niet. Een zaklampje met rode plastic folie, dit vastgemaakt met plakband op de bumper en zie, het probleem was opgelost. Het was een rustige man, mijn buurman, maar als hij plaatsnam in de auto van de examinator begon zijn rechterbeen onbeheersbaar te trillen. Gas geven werd zelfs in die tijd een avontuur waarop de Efteling jaloers kon wezen. Na tien keer betaald te mogen trillen gaf mijn buurman het op. Het autootje stond nog jaren achter zijn huis en werd door ons vakkundig uitgewoond. Later, veel later, schafte mijn buurman zich, in een overmoedige bui, een 45 km autootje aan. Daar had hij tenminste geen rijbewijs voor nodig. Het ging bij de eerste keer al gelijk helemaal mis. Mijn buurman, een forse man, nam plaats in het DinkyToy autootje, reed een stukje achteruit en trapte gelijk op de rem. Tenminste dat dacht ie. Zijn enorme voet besloeg zo´n beetje alle pedalen en het bijrijdergedeelte. Het gevolg was een spurt gas waarbij de onfortuinlijke buurman eindigde voor de deur van mijn kameraad die drie tuintjes en twee voordeuren verderop woonde. Sindsdien zag je de buurman alleen nog op de fiets. Mijn moeder had de zenuwen aanmerkelijk beter onder controle. Na slechts een paar keer afrijden was haar rijbewijs binnen. In huis was Ma gewend om het laatste woord te voeren, dat lukte tijdens het examen ook wel. Toen de examinator tegen haar zei links af te slaan reed ze prompt naar links een oprit op. Toen ze bij de garagedeur stopte riep de examinator verschrikt, ´wat doe je nu´? Waarbij mijn moeder de man spontaan van repliek diende door te zeggen, ‘Ach, ik heb wel zin in ‘n bakkie koffie’. Waarbij de examinator verbluft vroeg, ‘Kent u deze mensen dan’? Mijn moeder, en even later ook de examinator, barstte uit in een geweldige lachbui. In een ander geval bracht mijn moeder de examinator wederom in verlegenheid. Na de snelweg op te zijn gereden gaf de examinator aan de snelheid op te kunnen hogen naar 80 km/uur. Mijn moeder weigerde spontaan. ‘Moe’j eem goed luustr’n, ik vind vieftig hard zat’. Dat mijn moeder hard rijden kon bewees ze een half jaar later toen ze de rijbewijs allang had. Pa en Ma mochten de straat op en daarvoor hadden ze zich een autootje aangeschaft, een DAF. De auto stond toentertijd bekend als Truttenschudder. Het was een automaat met het pientere pookje. Nou ja, pienter. Het kon net zo snel voor- als achteruit. Toen mijn moeder uit de garage reed en daarbij een beetje haast had, kon het gebeuren dat het gaspedaal te diep werd ingetrapt. Wij, als kinderen, zaten in de huiskamer en zagen opeens een witte vlek voor het raam voorbij flitsen. Pa rende direct naar buiten. Als overburen hadden we een wei met kalveren. Die keken vreemd op van de nieuwe soortgenoot die tussen hen had plaatsgenomen. Terwijl Ma naar de winkel reed nam Pa de moeite om de omheining weer te repareren. Ikzelf ben twee keer voor het rijexamen geweest. Ik had les van Dries. Dries had half Erica aan de rijbewijs gekregen en was een droogkloot van de eerste orde. Na twee keer over de Smit-banden-kruizing te zijn gereden vroeg Dries aan mij of hij mocht rijden. Verbluft vroeg ik hem naar het waarom. Omdat ie graag levend thuis wou komen. Kijk, dat is pas inspireren. Of die keer dat hij me vroeg om de volgende keer een paar spaden mee te nemen. Dan konden we de verkeersborden verplaatsen want ik deed er toch niets op. Bij mijn eerste examen, vlak voordat ik opgeroepen werd om af te rijden, wenkte Dries nog even naar mij. Ik liep naar hem toe en was benieuwd wat hij te zeggen had. ‘A’j slaagt dan eet ik mien hoed op’ merkte de optimist op. Met deze opsteker ging ik mijn eerst examen in. En zakte prompt. De zelfgenoegzame blik nadien van die arrogante Dries zal ik niet snel vergeten. Maar ik zou hem eens wat laten zien, wat denkt ie wel (precies wat Dries beoogde maar dat wist ik niet). Bij de tweede keer was ik degene die een genoegzame blik op kon zetten. Dit keer had Dries het mis. Ik was geslaagd! Ik kreeg een vette knipoog van Dries. Mijn vreugde was echter van korte duur. Het examen was in het restaurant van het spoorwegstation. Ik was met mijn bromfiets naar het restaurant gekomen. Bij gebrek aan een parkeerplek had ik mijn bromfiets tegen een der vele eikenbomen gezet. Het was een bromfiets met vele gebruiksaanwijzingen dus een slot hoefde niet. Dat ding stelen ze nooit. Dacht ik. Ik stond even later bij een lege Eik versteld te kijken. Hadden ze dat wrak toch gejat. Het is nooit leuk wanneer ze je bromfiets afstelen maar dit keer had ik toch enig leedvermaak. De dief zal er niet veel plezier aan beleven. Zo moest je met de linkervoet het versnellingspook constant opdrukken anders vloog ie uit de versnelling. Na een rit van Erica naar Emmen was ik de enige bromfietser met een vermoeide linkerbeen. Ik versleet van mij linkerschoen de bovenkant in plaats van de zool. Dat zal die dief leren. Voor het spoorwegstation stond ik nog even wat verloren rond te kijken. Het was een groene Ford Escort die redding kwam brengen, met Eric reed ik die middag terug naar Erica.

 

Geschreven door Henk Beukers

Sint Gerardusschool te Erica

Sint Gerardusschool te Erica

Van 6 tot 12 jaar zat ik op de Gerardusschool op Erica. Mijn vader zei altijd dat slaan een teken van onmacht was. In mijn lagere schooltijd was het bij de meeste meesters en juffen een dagelijkse gewoonte om onmachtig te zijn.  Ze verborgen het zelfs niet eens. Alleen zouden zij stil moeten staan bij het feit dat, als ze kinderen mentaal of fysiek mishandelen,  ze deze kinderen door de vernedering blijvend konden beschadigen. Eigen initiatief of spontaniteit werd toen als een vorm van brutaliteit gezien. Ze vonden het niet passen in een degelijke Katholieke opvoeding. Hun credo was ´Orde en Tucht dragen goede Vrucht´, het was ´zwieg´n en jaknikk´n´. Juffrouw Hofstede was mijn juf in de eerste klas van de lagere school. Ik was zes jaar. Juf was de zus van Akela van de welpen. Het was een lieve juf. In die tijd schreven we nog met een kroontjespen die we moesten dompelen in inkt. Daarvoor hadden alle schoolbankjes een ingebouwde inktpotje. Als je heel mooi schreef mocht je van juffrouw Hofstede met rode inkt schrijven. Dat is me één keer gelukt. Alleen ´s morgens. De middag erop was ik de slag alweer kwijt. Evenals de rode inkt. De tweede klas was de tijd van de Beatles (she loves you yeh yeh yeh) die wij zongen als ´slafjoe yeh yeh yeh´. We hadden meester K., zo’n meester die een jaar aan school verbleef en dan met onbekende bestemming vertrok. Hij vond het leuk om met een heuse ganzenpen te schrijven. Bij hem moest ik een getal opnoemen die hij op het bord had geschreven. Onder grote hilariteit van de klas kon ik het getal niet vinden. Had de meester het getal niet met krijt maar met de borstel op het bord gezet. Dat had ik niet gezien. Wanneer de meester naar een getal vroeg op het bord dan zocht je naar een met krijt geschreven getal. Je wou zo je best doen. Als volwassen man voel ik nog de vernedering. Af en toe hadden we een vervanger voor de meester. Dan hadden we les van juffrouw van der Pluim. Zij was toen een jonge vrouw die getrouwd was met het werk. Ze is oud geworden en vrijgezel gebleven. Zij ging, zoals gezegd, ongebruikt retour. Als juf was ze soms een kreng. Ze gooide met een borstel die hard kon aankomen. Als dank moest je de borstel terug brengen, juf had geen zin in lopen. De vernedering hield niet op. Bij haar bureau stootte ze de stapel dicteeschriftjes op de grond, die moest je dan oppakken. Bij het netjes opstapelen van de dicteeschriftjes sloeg juffrouw van der Pluim toe, letterlijk. Met een liniaal sloeg ze je over de handen. Pas toen was haar wrok gestild. In de derde klas hadden we weer een meester voor een jaar. Hij was pas uit militaire dienst. Een snotaap eigenlijk, zo realiseerde je achteraf. Hij stond recht voor de klas en gaf als een commandant commando’s. Onder zijn arm klemde hij een admiraalsstokje. Had ie gekregen bij het afzwaaien. In de derde klas kregen we als laatste een sinterklaascadeautje. Die mochten we vooraf uitkiezen. Ik koos een vrachtauto beladen met houten balken. Vlak voor Sint kreeg ik te horen dat het cadeautje niet meer in voorraad was. Ik kreeg een tankauto, die was lang niet zo leuk. Het zoontje van een bekende middenstander zag ik met een vrachtauto weglopen, beladen met houten balken. Afijn, zo opeens was de generaal weg. Toen kregen we een meester die mij nog lang heugde. Daar was niks geestigs bij. Hij stond erop dat kinderen op de deur moesten kloppen als ze naar binnen wilden. Menig kind, die door de hoofdmeester voor een boodschapje werd gestuurd, werd bij het betreden van de klas door meneer de pedagoog, ten overstaan van de gehele klas, op een grove manier afgepoeierd. Als je iets verkeerds deed stopte hij je voor straf in de kast. Pas als je als kind bang begon te roepen mocht je eruit. Onze klas was op de eerste verdieping. Deze meester introduceerde het gescheiden traplopen, eerst de meisjes en dan de jongens. Van hem kregen we te horen dat we bij het traplopen absoluut niet naar boven mochten kijken. Toen ik bij het traplopen naar boven keek zag ik niets. Ik snapte gewoon niet wat de meester bedoelde. Opeens vloog ik door de lucht. De meester, een volwassen man, gaf mij een achtjarig kind, met volle kracht, een trap onder mijn achterste. Ik verging zo van de pijn dat ik de rest van de trap heb gekropen. Ik snapte het nog niet en de meester zweeg. Veel later begreep ik dat de meester niet wilde dat we bij de meisjes onder de rokken konden kijken. Het was de dezelfde meester die een naaktfoto van zijn dochter door de klas liet ronddelen. Hij hield je daarbij scherp in de gaten dat je niet lachte. De viespeuk vertrok een jaar later. Hij werd leraar in het voorgezet onderwijs in Emmen. Zijn erfenis bestond uit het feit dat hij me liet zitten. De roedel moeten verlaten is zo ongeveer het ergste wat je als schoolkind kon overkomen. De volgende derde klas kregen we een dikbuikige kettingrokende meester. Hij werd door ons Wammes Waggel genoemd omdat hij een aparte manier van lopen had. Hoewel hij niet vaak mepte was hij niet te beroerd om af en toe een flinke oorvijg uit te delen. Zo kwam Frans Suelmann met carnaval als cowboy de klas binnen lopen. Niet veel later vlogen een holster en hoed door de klas, en Frans had een paar rode oren. De meester hield niet van carnaval. In de vierde klas hadden we weer een meester met losse handjes. Bij een brand in de Tappelse bosjes beschuldigde hij mijn buurjongen Herman van brandstichting. Meester woonde in de bocht naar Klazienaveen en hij had Herman die dag op de fiets de Ensingwijk op zien rijden. De meester speelde voor rechter en had zijn oordeel klaar. Schoolbanken en stoeltjes vielen om. Alle kinderen zochten verschrikt een veilig heenkomen. De meester velde zijn vonnis. In het midden van de klas werd tienjarig Herman door de meester ‘pedagogisch bijgespijkerd´. In de vierde klas speelden we een spel die op honkbal leek, kasteplankje genaamd. Met een breed plankje, inclusief handvat, werd bij het spel een bal het veld ingemept. Dit plankje werd voor de meester een geliefd speeltje. Het betreffende kind, die volgens de meester enig ´opvoeding´ behoefde, werd over de knie van de meester gelegd. Met het kasteplankje sloeg hij dan op het zitvlak. Als je het helemaal te bont had gemaakt maakte de meester voor de ‘opvoeding’ eerst het kasteplankje nat. Dan knijpt het beter door grijnde hij dan sadistisch. Soms werd de meester door een vader aangesproken. Het betroffen kind werd dan plots niet meer geslagen. Maar de laffe meester had een klas vol, snel had hij een nieuwe 10-jarige slachtoffer gevonden. In de vijfde klas hadden we Frater Siardus als meester. De frater kwam dagelijks op zijn Batavus-bromfiets uit Emmen aangereden. De oorvijgen van de frater hadden venijn. Hij sloeg niet hard, maar in zijn hand had hij altijd een sleutelbos. Die kwam alsnog hard aan. Frater Siardus maakte gebruik van een beloningssysteem. Goed gedrag leverde punten op. Op het eind van de week werd een heuse veiling gehouden met punten als betaalmiddel. De frater liet zien dat goed Katholiek onderwijs wel degelijk mogelijk was, het lag aan de uitvoerders. In dat jaar is mij de beroepskeuze bijgebleven. Op een middag moest we opschrijven welke school ons leuk leek. Alle papiertjes werden vervolgens bij de frater ingeleverd. De kinderen hadden er geen notie van dat hun toekomst toen definitief werd bepaald. In die tijd hadden we een sportdag waar de hele school aan meedeed. Mijn prestaties waren die dag ver  bovengemiddeld. Toch ging het zoontje van (reeds genoemde) middenstander met de eerste prijs er vandoor. Zijn prestaties waren toevallig precies gelijk aan die van mij maar met balgooien had ie een centimeter verder gegooid. Eigenaardig hè? In de zesde klas hadden we de hoofdmeester. Bij aanvang van de schooltijd luidde de meester altijd de bronzen handbel. Na het luiden hield hij de bel bij de klepel vast. Ondeugende kinderen konden rekenen op een tikje tegen het hoofd met het handvat van die bel. Hij sloeg niet hard, maar die handvat kwam wel hard aan. Een stuk bonter maakte de meester van de andere zesde klas. Op zich een keurige meester, ware het niet dat hij zijn zelfbeheersing helemaal kon verliezen. Naast het schoolplein hadden we een fietsenstalling. De wanden bestonden uit planken waartussen dikke spleten zaten. Herman Hermans, een negenjarig joch, ratelde met een stok langs de planken. Totdat hem de stok uit handen werd gerukt. De meester sleepte het kind naar het midden van de schoolplein. Alle kinderen op het schoolplein weken verschrikt uit en vormden spontaan een grote cirkel. Tot afgrijzen van elk kind werd Herman Hermans door de meester met de stok ´gecorrigeerd´. De meester had ook geprobeerd mij te vangen, ik was echter sneller. Jaren later won ik medailles op de 100 meter sprint. Van deze meester geleerd. Het was misschien wel de wijze van onderwijs dat hier debet aan was, leuke tijd maar soms leek het op een Spartaanse opvoeding.

Geschreven door Henk Beukers

Bromfietstijd

Bromfietstijd

16 tot 18 jaar is een belangrijk jaar voor een opgroeiende puber. Voor het eerst in zijn leven mag hij op een bromfiets. Ik heb gezien hoe een brave zoon voor de ogen van zijn trotse moeder plaatsneemt op een glimmende maar hopeloos verouderde Batavus bromfiets. Hoogstwaarschijnlijk was het haar oudste zoon die nog niet beter wist. Zoonlief trapte de bromfiets aan en liet het even ronken. Moeder keek vertederend toe. Zoonlief reed weg. Op het eind van de oprit vond hij nodig om nog een ererondje te maken. Prachtig zwierde hij rond in het gezichtsveld van moeder. Om vervolgens tegen een boom op te knallen. Snel pakte hij de bromfiets op en reed weg. Het windscherm een beetje scheef,een kras op het spatbord en een deuk in zijn ego. Zelfs een groepje grijnzende tieners zag hij niet. Mijn maidentrip met de bromfiets was die vanuit Emmen. Ik had kans gezien om uit de vele tweedehands bromfietsen hete ergste wrak te kiezen. Maar dat wist ik toen nog niet. Trots als een pauw reed ik naar Erica. Een wereld lag voor ons open. We konden gaan en staan waar we wilden. In die tijd kon je nog voor 6 gulden de tank volledig vol gooien. Met een beetje geluk bij fietsenmaker Wietze Moorman voor een gulden. De tankautomaat begon bij een enkel ingeworpen gulden al te pompen, daarbij moest je de hendel iets naar beneden duwen. En je kreeg dan een volle tank voor slechts een gulden. D´r moest nog wel olie in. Maar zie, FietseWietze had ook een winkeltje, laat hij nu precies die olie verkopen! Bij elk verkochte blikje olie belde Wietse de onderhoudsmonteur om naar die verrekte automaat te kijken. Ja ja, Wietse was niet gek. Steevast verzamelden we ons zaterdagavond in het gebouw. We dronken daar een pilsje of wat en keken rond of de groep compleet was. Dan trokken we er op uit. We hadden al snel onze vaste ronde. Eerst naar Weiteveen, naar de Anjo bar. We stonden langs de dansvloer om de meisjes te bekijken. Of om met een meisje te dansen. Ze werden echter al weer snel afgekeurd. Reden? De meisjes waren al twintig jaar! In onze ogen bejaarden. Het was altijd erg druk in Anjo. Soms werd er gevochten. Al snel beseften wij dat het altijd dezelfde figuren waren. De gebroeders Imming zochten vaak bonje, maar ook een groepje jongens uit Klazienaveen. De laatsten hadden altijd ruzie met hunzelf. Bij zo’n vechtpartij was het ritueel ook altijd hetzelfde. De obers pakten het zooitje met kop en kont op en smeten ze subiet naar buiten. Soms mochten ze maanden niet meer de bar bezoeken. Terecht, het waren toch een paar verknipte figuren die vechtersbazen. Na een uurtje in Anjo reden we door naar Nieuw-Schoonebeek. Daar hadden ze een jeugdsoos in een oude school. De soos heette Ruhma Permuda. Indonesisch voor Ons Huis had ik me laten vertellen. Je kwam in een donker hok met knalharde muziek en bovenal goedkoop bier. Kortom, we voelden ons daar snel thuis. De katholieke Nieuw-Schoonebekers waren ons slag volk. Bovendien waren de meisjes leuk. Mede door ons bezoek draaide de jeugdsoos als een tierelier. Na een jaar moest de voorraadschuur met kratten bier uitgebreid worden. Die werd tegen de toiletten gebouwd. We hadden al snel door dat je door het kantelraampje een flesje bier uit een krat kon vissen. Wat moesten we toch vaak naar het toilet! Natuurlijk duurde dat niet lang. De omzet daalde in Ruhma Permuda, dat viel op. Net als de toiletgang van de Ericanen, waren die lui lek ofzo? Wat de Nieuw-Schoonebekers ook opviel waren de lege bierflesjes in de voorraadschuur, precies een arm lang om het raam. Toen was onze feest afgelopen, de bierkratten werden aan de andere kant opgestapeld. Natuurlijk dronken we wel eens teveel. We hadden dan zoveel medelijden met onszelf dat een kleine reden genoeg was om ons te doen laten huilen. Zo ook die keer met Kerstmis. Frans en ik hadden al een flink aantal van die goudgele rakkers op. Komt de barman met een paar enorme kerstballen binnenlopen. Vlak bij ons gleed een kerstbal uit zijn handen. We keken verschrikt toe. Tot onze verbazing brak de kerstbal niet in duizend stukjes maar stuiterde terug in de handen van de barman. We hadden zoiets nog nooit gezien. Frans en ik keken naar onze flesjes bier en toen naar elkaar, we begonnen spontaan te huilen. Wisten wij veel dat ze die ballen van hard plastic maakten. Toen raakte Frans in paniek. Huilend zakte hij over de barkruk en keek naar de vloer. ‘Bloed’, schreeuwde hij, ‘ik geef bloed op’. Pas na lang aandringen van toegestroomde Nieuw-Schoonebeekers werd Frans zich langzaam ervan bewust dat de bloedvlekken op de vloer eigenlijk verfspatten waren van de laatste opknapbeurt van de bar. Na Ruhma Permuda trokken we naar ‘Oud’ Schoonebeek. Ook daar hadden ze een jeugdsoos. In een oude melkfabriek. Het heette Goeroe en het was er best wel gezellig. Natuurlijk super socialistisch en een beetje veel idealistisch, maar daar hielden we wel van. Een bezoek aan Goeroe duurde nooit lang, dat lag niet aan Goeroe maar meer aan het feit dat we onderhand behoorlijk kachel waren. We moesten terug naar Erica. Dat was nog een hele toer. Tussen Erica en Schoonebeek werd een weg aangelegd die toen alleen nog uit een enorme baan van geel zand bestond. Daar doken we letterlijk met de kop in. Zo’n vijf kilometer door het rulle gele zand, in het donker, op de bromfiets, werd een rit om nooit meer te vergeten. Toen we dan eindelijk op Erica aankwamen waren we niet alleen dodelijk vermoeid maar ook wandelende zandzakken. Noem maar een plek op ons lichaam, geheid dat het vol zat met geel zand. De volgende dag werd je steevast wakker met een flinke kater. Dan had je soms ook nog een klus die je niet voorbij kon laten gaan. Zo had ik Loewe beloofd om de morgen erop mee te gaan om een veulentje te bekijken in Schoonebeek. Komt daar Loewe aanrijden met een LanzBulldog tractor met een kar er achter. Zo’n oude eencilinder tractor bonkte als een schichtige ezel en je werd constant door elkaar geschud. Tegen de tijd dat we bij de boer in Schoonebeek waren had ik inmiddels de kleur aangenomen van de tractor, die was blauwgroen. Even later stonden we daar gedrieën in de wei naar het veulentje te staren. Ondertussen hield de boer een verkooppraatje. Loewe knikte af en toe tevreden. Ik knikte omdat ik misselijk was. Terwijl de boer keuvelde en Loewe knikte draaide ik me om en braakte de gehele maaginhoud in het groene gras. Om mij daarna weer in het gelid te voegen en vrolijk met Loewe mee te knikken. Na het praatje van de boer deed geen van drieën een stap achteruit maar liepen in een kringetje om Tat-Ort. Dat wel natuurlijk. Van de Bromfietsjaren hebben we allemaal mooie herinneringen aan overgehouden. Het viel niet altijd mee om de dag erna het hoofd erbij te houden.

Geschreven door Henk Beukers

Winkelweek op Erica

Winkelweek op Erica

Wat waren we in September opgewonden als op Erica de winkelweek begon. We waren bijna niet meer stil te krijgen. Eindelijk verlieten we ons huis. Inmiddels was het pikdonker. Heel in de verte kon je het geluid horen van de kermis. Jawel, Erica had een heuse kermis. Met een draaimolen, oliebollenkraam, haringtent en natuurlijk de botsautootjes en een zweefmolen. We werden gek. Pa en Ma zochten voorzichtig een weg op het sintelpad naar de Havenstraat. In het donker kon je makkelijk je voet verzwikken op een onwillige sintel. Ondertussen renden we als jonge honden om hen heen en genoten we van de heldere sterren aan het firmament. In die tijd was er nog geen lichtvervuiling. Eindelijk bereikten we de Havenstraat. Op een seintje van Pa mochten we de straat oversteken. Een kilometer verderop zagen we de brug van Erica. Met grote ogen keken we in de verte. Als je goed keek zag je gekleurde lampen. Om vervolgens bij de kraag gegrepen te worden door Pa. We zouden zomaar als dolle honden vooruit rennen. We bereikten de Kerklaan. In de winkel van Geraets brandde geen licht meer. De gekleurde lampen kwamen echter steeds dichterbij. Met de lampen ook het geluid van de kermis. Bij de Aral benzinepomp van Heyne op de hoek van de Duikerstraat werd de kermis al bijna oorverdovend. Wauw, wat een licht. Overal stonden palen met gekleurde lampen, het leek wel kerstmis. Bij kapper Görtz kregen we de eerste schrik te pakken. Op een kar stond een levensgrote olifant in een nis geparkeerd. We kropen bijna in de broekzak van Pa. Grote goedheid, waar kwam zo´n groot beest zo snel vandaan? Snel liepen we door. Bij de Boerenleenbank kon je de drukte van al die mensen goed zien. De meesten liepen naar de brug. Daar was de Ericaase markt, links en rechts van de straat aan de zuidzijde van het kanaal. Er was er zo druk, je kon over de koppen heen lopen. Overal mensen, overal licht, overal lawaai, we keken onze ogen uit. Pa en Ma hadden moeite het gezin bij elkaar te houden in de krioelende drukte. In Joop Huizing zijn kraam stond een grote pan heet water. In het dampende water dreven tientallen rookworsten. Joop viste af en toe een rookworst uit de pan, deze werd op een snijplank gelegd. Een scherpe mes en een vaardige hand deed de rest. Even later belandde een halve rookworst in een puntzak. Mosterd erbij? Joop verkocht ze aan de lopende band. Pa vroeg aan mij of ik een halve rookworst lustte. De hemel brak open en het engelengeschal overtrof het lawaai van al die mensen. Ik was gek op rookworst. Even later liep een tienjarig glunderende ik met een puntzak rookworst. Geen mosterd erbij, alleen de rookworst proeven. Wat heb ik genoten. Langzaam schuifelden we langs de diverse kramen. Bij garage Luth stond een motor met een zijspan. Harly Davidson stond op de tank. Het was een rode motor met veel chroom. Eigenaardig, de versnellingspook zat rechts van de benzinetank. Nog eigenaardiger, er zat een achteruitversnelling op. Te koop voor 500 gulden. Die Luth kon zijn verstand wel niet hebben. Die motor werd die avond natuurlijk niet verkocht. Naast de motor stonden een paar reusachtige honden. Gooi er een zadel op en je kon ermee wegrijden. Het bleken Sint-bernardshonden. Met grote ogen hebben we die beesten een tijd bekeken. Dat was wel wat anders dan onze Lexie. We liepen terug naar de brug, staken de Pannenkoekendijk over en liepen richting de trambrug. Ook hier stonden langs het kanaal allerlei kramen. Het eindigde in een oliebollenkraam waar enkele lieden met luide stem hun waar aan de man brachten. Terug naar de brug, het centrum van al die drukte. Joop stond daar nog steeds worst te snijden. We gingen naar de kermis gelegen naast de Raiffeisenbank. Daar stonden toen nog geen huizen. Voor de ingang van de kermis stond een viskar. Van Pa en Ma mochten we een vissie eten. Tjongejonge, dat was wel iets anders dan een eetlepel levertraan, we konden onze geluk niet op. Wat was dat toch een mooie tijd, de winkelweek van Erica. Ik koos een zure haring. Op een stuk wit papier werd me een zure haring aangereikt. Een joekel. Leek wel een walvis. De haring smaakte verrekte goed. We liepen het kermisterrein op. Een kakofonie aan geluiden. De ene kraam overtrof de andere in volume van muziek. Af en toe schreeuwde een kraameigenaar enthousiast in de microfoon. Iemand had een prijs gewonnen. Even later zag je een glunderende man met een geel pluchen beer in de hand. We liepen verder het kermisterrein op. Overal flitsende lichten en overal harde muziek. Vol ontzag keken we naar de zweefmolen. Je zag allemaal draaiende schilderijen en rijen lampen. Aan kabels hingen stoeltjes met mensen. Daartussen liep een man die af en toe een stoel tegen hield, vaak met een leuk meisje. Wanneer de man de stoel losliet lanceerde de stoel met het meisje de duisternis in. Een wegstervende gil naar boven begeleidde deze. Gelukkig kwam achter de draaimolen het meisje weer terug uit de duisternis en zoefde het stoeltje terug in mans handen. De handeling herhaalde zich. Als schotels zulke grote ogen keken we naar het schouwspel. Voor geen goud kregen ze ons in die stoelen. We naderden de botsautootjes. Dat leek ons wel leuk. Zomaar met een autootje rondrijden. We begonnen tegen Pa en Ma aan te zeuren. Daar moest je op tijd mee beginnen anders duurde het alleen maar langer. Na lang genoeg te hebben gejengeld mochten we van Pa en Ma een keertje in de autootjes. Ella, mijn jongste zus, mocht ook mee. Ma riep naar Jos, “houl heur maar ‘n bietie vast”. Ella zat trots naast Jos. Jos hield Ella een beetje vast. Muntje in het gleufje, de pedaal ingetrapt. We wachten op het moment dat de autootjes in beweging kwamen. We stonden er niet bij stil dat het botsautootjes waren. Met nadruk op bots. Jos was nog geen drie meter weg of hij werd frontaal geraakt door een tegenligger. Het lachende vrolijke blonde meisjesgezicht van Ella kwakte hierbij vol op de dashboard van de botsauto. Tussen de botsautootjes beende een moeder naar de plek des onheils. Ella had een fikse snijwond aan de kin en bloedde vol overgave. Ella loeide boven het kermismuziek uit. Daar toog de familie Beukers van de kermis. In hun midden  een meisje met een zakdoek tegen haar kin. Hup, naar dokter Huisman. Ma plukte de overige kroost weg van de oliebollenkraam. Aan het gezicht van Ma hadden we door dat jengelen op dit moment geen zin had. Allemaal de schuld van Ella. De familie Beukers werd bij dokter Huisman ontvangen. Niet veel later liep de familie Beukers terug langs de Havenstraat naar huis. Langzaam doofden de lampjes in de verte, langzaam stierf het geluid weg. De sterren aan de hemel kregen weer de overhand. Voor ons liep Ella, haar kin versiert met een grote pleister. Het was weer een jaar wachten op de mooiste winkelweek van de wereld.

Geschreven door Henk Beukers

‘t Keldertje Erica

‘t Keldertje Erica

In de jaren zeventig en tachtig hadden we op Erica een heuse discotheek. In het parochiehuis van de Katholieke Kerk, het Gebouw genaamd. Joop, een achterneef, was de beheerder van het Gebouw. Joop vond het goed om achter het toneel een dansgelegenheid te creëren. Het werd Koitiana. Gerund door vrijwilligers die waarschijnlijk een leuk zakcentje eraan over hielden. Natuurlijk deed Joop het ook niet voor niets. Het werd een heuse dancing met snoeiharde popmuziek in een donkere omgeving. Het werd een groot succes. D’r waren momenten dat je over de koppen kon lopen. Bier kwam niet uit de tap maar werd per flesje verkocht. Roken was in die tijd heel normaal. Iedereen pafte erop los, op gegeven ogenblik was het in het zaaltje mistig van de rook. Zo´n gelegenheid trok veel volk aan. Vanaf het toneel kon je zo de grote zaal inlopen. Daar stond de bar van Joop. Niet alleen tapbier was daar verkrijgbaar, Joop runde ook een snackbar. Sinds Koitiana deed Joop daar goede zaken. Soms moest je lang op je beurt wachten voor een frikandel, zo stervensdruk was het daar. Alsof Joop het nog niet druk genoeg had, bestelde mijn toenmalige kameraad Herman 5 frikandellen. Alleen niet in 1 keer. Telkens wanneer Joop hem een frikandel voorzette bromde Herman, ´Wo´j d´r nog iene in gooi´n Joop’? Bij de vijfde frikandel hief Joop radeloos zijn armen in de lucht, ‘Blief ie zo deurgaon’? Joop had namelijk nog veel meer te doen, vooral biertappen voor zo’n dertig dorstige kelen. Joop’s prijzenlijst was zo’n zwart plastic bord met gleuven met daarin witte schuifletters. Trots hing het aan de muur bij de ingang. Je kon de cijfers en letters zo uit de gleuven schuiven. Traditiegetrouw werd de prijzenlijst door de gasten aangepast op eigen budgettair niveau. Bovendien werd van ½ KIP altijd een ½ PIK gemaakt. Vonden we leuk. Elk daaropvolgend weekend had Joop zijn bord weer keurig herstelt zodat wij weer ‘origineel’ konden doen. In de discotheek werd geheimzinnig gepraat over iets nieuws. Marihuana , een verdovend goedje. Marihuana was al gemeengoed bij Tim Pan Ally in Emmen of bij Paralaxis in Coevorden. Daar werd je van de lucht bij de ingang al high. Ja hoor, op Erica hadden we `ervaren´ marihuanarokers. Tot ik tegen een paar vriendinnen zei dat ik aan marihuana kon komen. Als je hierbij geheimzinnig keek en met je ogen loenste werd je subiet geloofd. Volgende week zou ik genoeg meebrengen. De prijs? Het was voor niets. Die week erop ging ik naar het kerkenbos. Ik verzamelde een zak droge eikenbladeren. De bladeren werden verkruimeld. Het volgende weekend klampten de ‘deskundige’ vriendinnen aan me vast. Met gretige ogen keken ze in mijn geheimzinnige gezicht. Ze fluisterden vragend of ik marihuana bij me had. Natuurlijk had ik dat. Ik zei erbij dat ze de marihuana door de tabak moesten draaien en daar een torpedovormige sjekkie van moesten draaien. Ze trokken hun neus op, dat wisten zij als ervaren gebruikers immers al lang. Niet veel later stamelde een vriendin dat ze al iets voelde terwijl ze de rook diep inhaleerde en vervolgens uitblies. De ruimte vulde zich met de geur van openhaard. Tegen de tijd dat ik lachend uitlegde dat ze eikenbladeren zaten te roken had ik twee vriendinnen minder. Wat ook leuk was in de discotheek was een pijp roken. Nou ja roken, je stak een pijp met tabak aan en blies dan krachtig in de kop van de pijp. Uit het mondstuk spoot een dikke walm rook. Binnen een paar minuten zette je de dansvloer in een dikke mist. Degenen die verkering hadden zaten mekaar ongegeneerd af te lebberen langs de dansvloer. Degenen die geen verkering hadden keken toe. Zoals gezegd liep Joops tent als een tiet. Dat trok verkeerde volk aan. Toen had je ook mensen die niet voor het plezier uit gingen maar om herrie te schoppen. Daar moest Joop niets van hebben. Joop was een zachtaardige man en niet groot gebouwd. Om indruk te maken liet hij zijn baard groeien. Het mocht niet baten. De ruziemakers kwamen in die tijd uit Weiteveen, een dorp verderop. In hun uppie waren het prima lui, in een grotere groep werd het geheid ruzie. Menigmaal moest de politie er aan te pas komen om de gemoederen tot bedaren te brengen. Het waren voor Joop tropenjaren, zijn baard werd wit. Natuurlijk waren het niet alleen de Weiteveners die herrie zaten te schoppen. De Ericanen deden enthousiast mee. In de discotheek verschenen periodiek volwassen mannen om de zaak in de gaten te houden. De rust keerde enigszins terug. Voor mij en mijn vriendenclub was het te laat. We trokken steeds vaker met de bromfiets erop uit naar andere dorpen. De wens om een eigen honk te hebben werd sterker. Samen met Herman Roling en nog een paar anderen kwamen we op het idee om een discotheek te openen in het Emaculata-gebouwtje, schuin tegenover het Gebouw. We schrijven pakweg 1975. Bier voor de helft van de prijs wat Koitiana berekende. Reactionair als we waren, dat zal ze leren. We werden opstandig op Erica, pikten bij de Lagere School het voetbalveld in. Werden er even vlot weer af gestuurd. We trokken aandacht. De jeugd, wij dus, wilden een eigen onderkomen op Erica. We bleven recalcitrant en dreven de lui van discotheek Koitiana vaak tot wanhoop. Op een avond belden we aan de deur van de pastoor, of het Emaculatagebouw vrij was. De goede man kon ons niet verder helpen. We kregen hulp van onverwachtse hoek. Een van de lui van Koitiana, Paul Ahlers, had een oudere broer. Een alternatief type met een baard en geitenwollen sokken. Het was deze man die ons in contact bracht met Cees van der Stel. Cees was jongerenwerker in het Schienvat. In ieder geval had ie ook een baard. Cees begreep iedereen, hij zocht naar een oplossing toen we samen op een avond met lieden van Koitiana naar een oplossing zochten. ‘t Schienvat had nog een ruimte, een kelder onder het toneel. De ruimte werd toen door een kleuterclub gebruikt. Volgens Cees was inschikken mogelijk. Dezelfde avond werd gezamenlijk de ruimte bekeken. Ahlers, de baard, reageerde enthousiast. Eigenlijk alle lui van Koitiana. Waarschijnlijk blij van ons af te zijn. Belangrijk was dat wij, de reactionairen, het ook zagen zitten. Vanaf dat moment hadden wij, een hele club inmiddels, een nieuw onderkomen. ‘t Keldertje’, bedacht door Baard Ahlers. Cees van der Stel nam ons mee in zijn linkse wereld. We werden het linkse geweten van Erica en verbeterden en passant ook nog de wereld. Door Cees werden we politiek bewust, lees links. Links was goed, rechts was helemaal verkeerd. Natuurlijk moest alles democratisch geregeld worden. Cees verdeelde ons in werkgroepen, werkgroep muziek, werkgroep inrichting, werkgroep krant, werkgroep bar enz. Al die werkgroepen moesten natuurlijk vergaderen. Om tenslotte te eindigen in een gezamenlijke vergadering. Cees leerde ons vergaderen tot de vonken eraf sprongen. Ondertussen hield ie ons van de straat, zijn kerntaak. Cees vergaderde ons zogezegd van de straat, maar we hadden het naar onze zin. Cees liet soms de touwtjes wat lossser, we mochten onze centjes zelf ergens aan besteden. De kelder was inmiddels omgebouwd tot een bar. Ik had op de zwarte wand allemaal gekleurde ballen geschilderd. Sommigen beweerden er sneller ‘high’ van te worden. Bij de lokale tweedehands meubelzaak hadden we luie bankstellen gekocht en daarmee de kelder gevuld. Op het gebied van brandveiligheid werden zo’n beetje alle regels overtreden. De eerste avond was een regelrechte succes. Een prachtige tijd brak aan. Eens per jaar mochten we een feest organiseren. Dan kwam in het Schienvat een band live spelen. De winst van zo’n avond werd gedeeld. Wij verdienden zo een aardig centje. Van Cees kregen we een boekwerk met muziekbandjes en telefoonnummers. De muziekband die we kozen was een uit de Achterhoek en heette ‘Normaal’. Ze speelden zoals zovelen Rock and Roll. Deze speelde in onze eigen taal, het werd boerenrock genoemd. Volgens contract kwamen ze 6 weken later bij ons spelen. In tussentijd werden ze Nummer 1 op Toppop! Met het liedje ‘Oerend Hard’. Te gek, menig Ericaan kwam die avond niet opdagen omdat ze dachten dat wij de boel voor de gek hielden. Het werd een geweldige avond, we mochten nadien met Bennie Joling en consorten een pilsje drinken. In het Schienvat werden we volwassen. Vooral onze (linkse) politieke bewustwording deed ons wereldbeeld milder stemmen. Het was Cees die ons daarvan bewust had gemaakt, waarvoor hulde!

Geschreven door Henk Beukers.

Welpen

Welpen

Mijn eerste welpenopkomst was achter het parochiehuis aan de Kerklaan. Het parochiehuis werd ook wel Het Gebouw genoemd. Aan de achterkant liep een stenen trap omhoog naar de bovenverdieping. Daar hadden we de opkomsten. Mij was verteld dat elke welpengroep uit een nest bestond. Ik was dan ook een beetje teleurgesteld dat ik daar geen grote vogelnesten vond. Een nest was een groep en had een kleur. Zo had je het rode nest of witte. Ik kwam in het witte nest. Eerst als gewone lid, later als helper, nog later als gids. De helper had een witte streep om de mouw, de gids twee. Achter Het Gebouw was een stukje ‘roege’ veld. Hier stond wekelijks de Akela yip yip yip te roepen. De hoofdwolf riep zijn jonge wolven, de welpen. We gingen er helemaal voor en ik vond het fantastisch. Mijn eerste welpenkamp was tevens de spannendste. We gingen naar Geeste in Duitsland. Ik was nog nooit in Duitsland geweest en ik verwachtte dat daar alles anders was dan hier. We verzamelden voor de kerk. De leidsters zaten rustig een sigaret te roken en af en toe telden ze de welpen. Wij als welpen daarentegen waren opgewonden en hadden als taak  de leidsters zoveel mogelijk voor de voeten te lopen. Eindelijk werden de fietsen in een dubbele rij gezet en togen we op pad. Ouders? Die waren er niet. Afscheid was thuis al genomen, je kon niet aan de gang blijven. Hetzelfde zag je in die tijd bij de kleuter- en lagere school. Daar waren geen ouders die hun kroost opwachtten of afscheid van hen namen. De kinderen kwamen lopend van huis. Of met de fiets. Zoals de kinderen van de kanaallinie, de Strengdijk, Ensingwijk of Kommerhoek. Die gingen alleen. Zo ook de welpen. We werden niet uitgezwaaid ofzo. We reden Erica uit en fietsten richting Schoonebeek. Nou dat was voor ons al zo’n beetje het einde van de wereld. Na Schoonebeek kwam de grensovergang. Vol ontzag stonden we naar de douaniers te kijken. Sommigen spraken Nederlands, anderen hadden een ander uniform en spraken Duits. Mijn vriend Bennie kon ook Duits. Vol overgave riep hij,  ’Du hast ein vogel im kopf’. Wauw. We leerden het zinnetje net zo lang tot we het uit onze hoofden konden. Het gevolg ried zich raden. Bij elke Duitser die we zagen klonk het in koor dat hij niet goed bij zijn hoofd was. Want dat is wat we in werkelijkheid riepen. Wisten wij veel. Gelukkig was ons Duits onverstaanbaar voor de Duitsers. In Duitsland keken we met grote ogen om ons heen. We waren in het buitenland, wauw. We zochten naar de verschillen met Nederland en wezen daar met oeoeoe en aaaa naar. Eigenlijk waren er niet zoveel verschillen. Wat me vooral bijgebleven is waren de elektriciteitsgebouwtjes. Dat waren vierkante torentjes, vaak wit van kleur. Dat zagen we in Nederland niet. De Duitse huizen waren vaak rood van kleur, ook de dakpannen. Ze zagen er een beetje armoedig uit. De mensen waren ook een beetje anders gekleed. De kleding was hoofdzakelijk zwart. En zondags hadden ze een kerkboek onder de arm. Maar de Duitsers waren bovenal erg vriendelijk en behulpzaam. In Geeste kwamen we in een grote boerderij. De stal was leeg en er lag vers stro op de bodem. Daar rolden we onze slaapzakken uit. Nou ja slaapzakken, het waren dekens die met grote spelden aan elkaar zaten. Dat werkte goed. De echte slaapzakken kwamen pas later. We gingen direct op verkenningstocht. Al bij de eerste deur kregen we de schrik van ons leven. Een van ons sloeg de deur open en alle welpengezichtjes gingen langzaam omhoog en trokken wit weg. Voor ons keek een gigantische stier op ons neer. In de neus zat een ijzeren ring die met kettingen aan de zijmuren waren bevestigd. De stier krabde een keer met zijn voorpoot en brieste door de neus. Deze korte indruk etste diep in onze geheugen. De deur ging met een klap weer dicht. Allen hadden een paar minuten tijd nodig om bij te komen van de schrik. Gelukkig hielden we het allen droog, hoewel het niet veel scheelde. Met knikkende knieën gingen we verder op verkenning. Schaamteloos adviseerden tegemoetkomende welpjes om vooral een keer achter die deur te kijken. Die week was er een druk programma, naast de dagelijkse spellen hadden we een krant die dagelijks uitkwam. We hadden een natuurhistorisch museum die dagelijks werd aangevuld met vondsten. Achter de boerderij lagen woeste gronden met heuvels en struiken. Aan de achterzijde werden deze begrensd door een rivier. Het was de perfecte plek voor de leidsters om het junglespel van Mowgli te spelen. We moesten dan een bepaalde route door het veld lopen en daar allerlei opdrachtjes uitvoeren voor Akela, Bagheera en Baloe. De vindingrijkheid van de leidsters was geniaal. Zo kregen we ranja uit de bek van een gemene slang. De stroom ranja leek wel onbeperkt. Hoe deden ze dat toch? De slang was in feite een lange tuinslang. Die liep verborgen in het hoge gras de heuvel op. Helemaal bovenop de heuvel stond een grote jerrycan. Door het hoogteverschil ontstond een drukverschil, we hadden beneden een dikke straal ranja. D’r moest natuurlijk ook gegeten worden. Voor zo’n dertigtal jongens van acht tot twaalf jaar. We hadden daarvoor een eigen kok meegenomen, ze heette Kokkie. Kokkie was tante Dinie, onze buurvrouw. De nieuwe aardappels mochten we rooien uit de tuin van de boer en werden verzameld in stalen manden. Op de terugweg werd flink geschud met de manden waardoor de velletjes van de nieuwe aardappels afgingen. Vindingrijk nietwaar? Kokkie hoefde de aardappels bijna niet te krabben. Dezelfde vindingrijkheid werd toegepast bij de toiletgang. De leidsters lieten ons ‘s nachts heus niet naar buiten gaan. Het grote voordeel was dat in die tijd de welpen uit jongens bestonden. In de stal werd een zinken wasteil geplaatst en ieder welp kon daar ‘s nachts naar hartenlust in plassen. Verdere zomerkampen van de welpen hebben we gehad in Mariënberg. Daar is me het volgende bijgebleven. Bij het treinstation stond een gebouw met daar boven op het dak nog een klein gebouwtje. Ik heb me altijd afgevraagd wat dat gebouwtje daar bovenop doet. In Geesteren kampeerden we in de stal bij boer Stoeten (zo’n naam blijft je bij). In Gross Dörgen lagen we niet op stro in een stal maar sliepen we in tenten. Ook spannend. Het stramien op zo’n zomerkamp was altijd hetzelfde, het junglespel van Mowgli. Maar ook het gezamenlijk eten was fantastisch. Het klieren in de stro en wroeten in de slaapzakken voor het slapengaan, het verkennen om de boerderij of tent. Alles was spannend. De welpen verhuisden later vanuit Het Gebouw naar de oude bibliotheek bij de lagere school, ook aan de Kerklaan. Toen werd die ook verlaten en kwamen we in de grote kippenhok van de pastoor achter de kerk. Persoonlijk vond ik dat het mooiste onderkomen. Iemand had op de achterwand een scene van Mowgli geschilderd. Prachtig. 1 x in het jaar werd Sint Joris dag gevierd. Dan mochten we de gehele dag in het gebouw blijven. Van alle welpenherinneringen is me het volgende het beste bijgebleven, we kregen ‘s middags stamppot andijvie, met stukje spek en een stuk rookworst. Het is tot op de dag van vandaag mijn lievelingskostje gebleven.

Geschreven door Henk Beukers

Kreidler Florett

Kreidler Florett

Mijn allereerste bromfiets was een NSU Quickly. Daar had mijn vader jarenlang mee naar de AKU in Emmen gereden. Hij droeg hierbij een grote leren jas waarbij je de flappen om de benen kon wikkelen. Daarbij droeg hij grote leren handschoenen die een stuk over de mouw heen schoven. Als slotstuk had Pa een pothelm en een grote rijbril op. Op de NSU zat tevens een grote windscherm die pa tegen de elementen moest beschermen. NSU QuicklyAlles was praktisch gericht op het voorkomen van bevriezing c.q. verkleuming. Pa was zodanig ingepakt dat je hem ook zo in een vliegtuigje kon zetten. In die tijd werd vooral naar de praktijk gekeken en stond allure op een lager plan. Alhoewel, er zijn nu weer snorfietsclubjes die dezelfde outfit hanteren. Ik was in die tijd vijftien en reed zaterdags altijd zonder valhelm met de NSU door het veld naar mijn werk. Al het genoemde outfit was zorgvuldig van de bromfiets gesloopt of in een kast opgeborgen. Met andere woorden, ik reed redelijk onveilig, blauw van de kou, maar wel hip. De NSU Quickly had zijn uiterlijk niet mee maar was verder een geweldige bromfiets. Een kittig ding die zo maar de vijftig km per uur kon halen. In mijn tijd waren een paar bromfietsmerken helemaal in. Hoe kwalitatief goed een bromfiets ook was, als het niet tot de coole merken behoorde werd de neus ervoor opgehaald. Mijn kameraad Eric kreeg op zijn zestiende van zijn vader een prachtige glanzende groene Batavus, met beenkappen. Kwalitatief stond het bromfietsje misschien wel met kop en schouders boven de populaire merken uit. Maar het behoorde er niet tot toe. Schamperend werd het Erics bromfiets ‘kanon’ genoemd. Ook mijn toenmalige kameraad en buurjongen werd zestien en kreeg van zijn vader een bromfiets. Vaders kunnen wel bromfietsen geven maar kunnen op dat moment niet weten wat cool is onder de jeugd. Mijn buurjongen kreeg een Berini. Kwalitatief top, maar niet cool. De populaire merken in die tijd waren Kreidler, Zundapp, Puch en Yamaha. Laatst genoemde kwam net in opgang. Het was vooral Kreidler en Zundapp wat de klok sloeg. Toen ik zestien werd kwam mijn oudste broer net uit de bromfietstijd. Ik kon zijn Zundapp voor een prikkie overnemen. Had ik het maar gedaan. Een fluisterstille flitssnelle Zundapp. Ik nam de Zundapp niet. Mijn broers bromfiets had namelijk een handgeschakelde versnelling. Dat was niet cool. Mijn lot stond vast. Met mijn zuurverdiende centjes moest ik een dure voetgeschakelde Kreidler-Florett kopen in Emmen. Het werd er een met geforceerde koeling. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik met de nieuwe (tweedehands) Kreidler naar huis reed. Trots als een pauw. Wanneer je als tiener per se een coole bromfietsmerk wou ging dat toch ten koste van een kritische blik. Ik zag de bijgewerkte deukjes niet en de bijgespoten bezinetank. Mijn voorganger had het ding naar hartenlust afgeragd. Eigenlijk was het een regelrechte barrel. Cool dat wel. Mijn broer Jos had meer geluk, hij was kritischer op die leeftijd. Zijn Kreidler reed soepeler en zag er veel beter uit. Willie mijn kameraad had op zijn zestiende een splinternieuwe Yamaha gekregen. Yamaha was een Japans merk die piano’s maakte.  Met zijn logo van gekruiste stemvorkjes. Dat kon toch niets wezen, dat ging nu bromfietsen maken. Geen wonder dat de bromfiets kritisch werd bekeken. Een labiel bromfietsje was het harde oordeel van mijn vader. Inderdaad, Willie’s Yamaha leek totaal niet op die lompe NSU Quickly. Maar in de jaren die volgden liet Yamaha zien wel degelijk hoog kwalitatieve  bromfietsen te kunnen maken. En verrekte rappe ook. Ondertussen zat ik vast aan mijn coole Kreidler Floret. Loewe, een van mijn toenmalige kameraden, wees me een keer op de mogelijkheid om de Kreidler op te voeren. Er waren speciale setjes op de markt, zo’n 5.2 set heette dat. Helemaal niet duur. Loewe wist zelfs nog wel een tweede hands set. Het bestond uit een Cilinder, een carburateur, een uitlaat en een tandwiel. Een koopje. Een week later had ik zo’n set op mijn Kreidler gemonteerd. Dat bleek helemaal niet moeilijk. Bij het weg rijden kwam ik er achter dat de Kreidler geen bromfiets van vijftig km per uur meer was. Bij een stoot gas had ik de tong achter mijn huig hangen. Mijn Kreidler reed met gemak tegen de honderd km per uur. Dat liet ik Erica natuurlijk wel even zien en scheurde hierbij door de straten en lanen. Wat ik niet wist, eigenlijk ook niet wou weten, maar wat ik wel had kunnen weten, het bromfietsje was tegen deze krachten niet bestand. Gelukkig wist Loewe dat ook niet. Die vond mijn Kreidler supercool. Hij was een beetje trots dat hij mij op de 5.2 set had gewezen. Daarom vond Loewe dat hij mijn toestemming niet nodig had, om te gaan Joyridden op mijn Kreidler. Foei Loewe. Een paar weken later reed ik weer op een ‘normale’ Kreidler. Op kosten van Loewe. Hij had het motorblok tijdens het joyriden opgeblazen en hij had me plechtig verzekerd voor een nieuwe motorblok te zorgen. Het duurde niet lang of ik had het volgende probleem aan de Kreidler. In die tijd kwam voetversnelling in de mode, de bromfietsen werden door de fabrikanten vliegensvlug omgebouwd. Dat ging niet altijd zorgvuldig. De voetversnelling van de Kreidler was een beetje houtje-touwtje met hefboompjes en zat onder het motorblok. De bromfiets lag laag op de wielen dus de gevolgen lieten zich raden. Tijdens een ritje door het bos raakte de motorblok een boomstronk. Gevolg, het complete versnellingsmechanisme werd onder het blok weggerukt. Erger nog, er zat een scheur in het motorblok. Het leek het definitieve eind van mijn Kreidler. Dan komen de vaders in het geweer. Mijn vader sloopte het blok uit elkaar en Willie’s vader laste de scheur weer dicht. Zo geschiedde. Een maand later reed ik weer op de Kreidler. Ik kon weer scheuren, elk weekend met de boys op stap. Met zo’n tien bromfietsen de kroegen bij langs in Weiteveen, Nieuw-Schoonebeek en Schoonebeek. Een geweldige tijd die een eigen verhaal krijgt. Na de grote reparatie was de Kreidler toch anders geworden. Zo schoot de Kreidler steeds uit de derde versnelling. Geen probleem zou je denken, je drukt met de voet tegen de versnellingspook zodat hij in de derde versnelling bleef zitten. Dat deed ik. Het probleem was dat ik nu ontzettend moe werd in mijn linker voet na een tijdje rijden. Na een kroegentocht over de buurdorpen op zaterdagavond had ik een lamme linker poot. Bovendien sleet mijn linkerschoen, aan de bovenkant. De aardigheid voor de Kreidler ging er in rap tempo af. Gelukkig duurde de bromfietstijd maar twee jaar. Mijn laatste rit op de Kreidler was die van naar de spoorwegrestaurant in Emmen. Hier moest ik mijn rijexamen doen. Na weken met Dries Timmerman door Emmen te hebben gereden vond die het wel genoeg. Ik moest maar gauw voor mijn rijexamen. Tot mijn grote verbazing, Dries viel bijna van de stoel, slaagde ik. Trots als een pauw verliet ik het pand. De boom waartegen ik mijn Kreidler had geparkeerd, stond daar alleen boom te wezen. Mijn bromfiets was gejat. Veel tijd om daarover in te zitten had ik niet, Eric kwam in zijn groene Ford Escort toevallig voorbij rijden. Het was vooral de opluchting die me is bijgebleven toen we richting Erica reden, niet van het behalen van de rijbewijs, maar dat ik van die verrekte Kreidler af was.

Geschreven door Henk Beukers

Pakjes avond

Pakjes avond

Voorafgaande aan de jaren zestig van de vorige eeuw was het in Erica een gewoonte om in November de kinderen verkleed als Sinterklaas langs de deuren te laten gaan. Overal zag je kinderen richting brug lopen, verkleed als Sinterklaas of Zwarte Piet. Na het zingen van een liedje kregen de kinderen een paar centen. De traditie van verkleed langs de deuren te gaan liep toen al op zijn eind. Wat begin jaren zestig in opgang kwam was Sint Maarten. Op 11 november gingen de kinderen langs de deuren, hierbij werd een liedje gezongen en een lampion gedragen. We woonden nog maar een paar jaar op de Eendrachtstraat en hadden de nieuwe gewoonte om met Sint Maarten langs de deuren te gaan blijkbaar gemist. Wij als kinderen waren ontroostbaar. Daar ging zomaar een zak snoep aan ons voorbij. Ma besloot het met ons goed te maken. Met Sinterklaas mochten wij alsnog verkleed langs de deuren. Het was dus de familie Beukers die uiteindelijk de lange traditie van verkleden als Sinterklaas in Erica definitief afsloot. Broer Gerard ging als Sinterklaas, broer Jos en ik als Zwarte Piet. Gerard had een heuse staf terwijl Jos en ik werden voorzien van een zak pepernoten en een roe. Wat ik me van deze gang nog goed kan herinneren was het bezoek aan Zwarte Bennie. We belden aan onder etenstijd. De deur werd geopend, wij werden aandoenlijk bekeken. We mochten zelfs even binnenkomen. Daar zat zoon Jonnie achter een bordje hutspot. Jonnie was nog maar een kind. Hij was met zijn 4 jaar een jaar jonger dan ik. Jonnie keek met grote ogen ons aan. Hij herkende ons niet want we waren immers vermomd en verkleed. Terwijl de ouders nog aandoenlijk naar ons stonden te lachen gaf ik Jonnie een flinke mep met de roe. Je bent Piet, je moest toch wat. Toen Jos ook dreigde Jonnie met de roe te betrekken besloten de ouders hun oogappeltje te ontzetten. Met een boerenkiespijnlachje werden we met zachte hand de deur uitgewerkt. Jonnie zat nog steeds achter zijn bordje hutspot. Langzaam boog hij zijn hoofd naar beneden en keek verbaasd naar zijn warme prakje. In de hutspot waren diverse pepernoten gedrukt. Vanaf die tijd werd bij de familie Beukers op 5 december Sinterklaas gevierd. Bij gebrek een Sinterklaas en Zwarte Pieten werd een beetje inventief gehandeld. Terwijl wij als kinderen liedjes zaten te zingen gingen Pa en Ma de spanning een beetje op te voeren. ‘Ik heur wat’, stilte, we luisterden met gespitste oren. Nee, loos alarm. Pa moest even naar de WC. Even later schrokken we ons bijna een rolberoerte. We gilden hard, Ma voorop. Op de achterdeur werd namelijk zo hard geklopt dat het glas in de sponningen rammelde. Een arm gehuld in een lange zwarte dameshandschoen stak door het raam. De hand opende zich en een zwerm van pepernoten vloog ons om de oren. Even snel dat het kwam verdween de zwarte arm ook weer. De arm bonkte nog een keer tegen het raamkozijn en een zachte vloek weerklonk in de duisternis. Dat hoorden we niet. Op de vloer zag je alleen verrukte kinderen die luid roepend de pepernoten bij elkaar zaten te graaien. Even later kwam Pa van de WC. ‘Sinterklaos is d’r west’, gilden we enthousiast hem tegemoet. Pa ging zitten en genoot van al die drukte om hem heen, ondertussen masseerde hij stilletjes zijn elleboog. Ma vond een briefje. Met een logo van de A.K.U. Waar toevallig Pa ook werkte. Op het briefje stond dat de zak met cadeautjes in het achterhuis stond. Een stampede van wilde kinderen stormde naar het achterhuis. Hier vond Gerard een briefje, hij gaf het aan Pa. Op het briefje stond dat de zak in de voorkamer stond. Opnieuw een stampede, nu naar de voorkamer. Dit ging zo nog een paar keer door waarbij we het gehele huis te zien kregen. Dan was daar toch de zak. Een jute zak waar de cadeautjes uitpuilden. Aan elke cadeau zat weer zo’n briefje van de A.K.U. Hierop stond een gedichtje en voor wie het cadeautje bestemd was. Mijn naam werd genoemd. Ma las het gedichtje voor. Ik hoorde niets maar zat strak naar het cadeautje te kijken. Eindelijk mocht ik het uitpakken. Het was een gele raceauto van plastic, met blauwe wielen. Verrukt heb ik het een poosje bekeken. Ik ging er direct mee spelen. Latere Sinterklaasavonden verliepen zo ongeveer in dezelfde orde. We hadden een jaar waarbij Ma dacht ook praktische dingen aan de sinterklaascadeautjes te moeten toevoegen. Zo kregen we dat jaar ook sokken. Of nieuw ondergoed. Een stel boze kinderen als gevolg. Toen dan even later toch de cadeautjes kwamen was de kamer gevuld met blijde kinderen. Middenin zat een huilende moeder die de sokken bij elkaar raapte. Wat me ook bijbleef was een roze marsepeinen pispotje, elk op onze kussensloop. In het potje zat een klein marsepeinen bruin keuteltje. Achteraf denk ik wel eens, wie verzint zoiets. Toch een indrukwekkend cadeautje want het is me bijgebleven. Ooit vroeg ik aan Sint om een auto aan een touwtje. Kreeg ik dat jaar zowaar een elektrische Volkswagenbusje. Uit de uitlaat liep een snoer met een lengte van een meter. Op het eind van de snoer zat een handvat. Op het handvat zat een kleine wiel en een paar drukknopjes. Al naar gelang welke knop je indrukte schoot het Volkswagenbusje naar voren of naar achteren. Met het kleine wiel kon je de auto besturen. En wat ook zo mooi was, van het Volkswagenbusje brandden de beide koplampen. Geweldig, wat een leuk cadeau. Helaas was het niet Beukersbestendig. Dat gold ook voor de opwindtrein die cirkeltjes draaide op een zelf aan te leggen spoor. Vaak vloog de rails door de kamer wanneer het weer eens niet goed paste. Of eindigde het buiten door een geopende raam. Het locomotief sneuvelde uiteindelijk omdat in een kwade bui werd vergeten hoe vaak je de opwindsleutel omgedraaid moest worden. KRAK is wat dat ding het laatst zei. Het was best wel een opgave voor Pa en ma om voor elk kind een leuke cadeau te bezorgen. Als tieners deden we onze namen in een potje en zorgden we voor elkaars cadeautje. Maar altijd kon je de specifieke handschrift van Ma of Pa direct herkennen wanneer je een gedicht moest voorlezen. Trouw werd elk jaar op pakjesavond de lichten gedimd en het hele repertoire aan Sinterklaasliedjes gezongen. Vele jaren en vele Sinterklaasavonden later is de traditie van pakjesavond bij Pa en Ma thuis inmiddels gestopt. Het is niet anders, alles veranderd, dat is met alles in het leven, de herinneringen blijven.

Geschreven door Henk Beukers

De Kerk

De Kerk

Mijn eerste herinneringen aan de kerk had te maken met de doop van mijn zus. In die tijd werd dat tussen de missen gedaan. Met die grote gezinnen was er ook geen andere keus, het wijwater in de doopvont bleef maar stromen. In de lege kerk was het dan donker en stil. Het geluid galmde weg in de enorme ruimte met kerkbanken. Rechtsvoor in de kerk stond het doopvont. Na een korte plechtigheid was er weer een zieltje veilig gesteld. Dat was in die tijd heel belangrijk. Zo belangrijk zelfs dat ongedoopte stervelingen op een plekje buiten het kerkhof werden begraven. Later kwam de Kerk hier gelukkig op terug en werd dit afgeschaft. Hoewel de kerk biechtstoelen bevat ben ik hierin nooit geweest. Mijn eerste (en enige) persoonlijke biecht was in het parochiehuis i.v.m. een verbouwing van de kerk. De school had dit georganiseerd. Ik werd volledig overrompeld door de biecht. Voordat ik het goed en wel doorhad stond ik voor de pastoor. Ik was een kind en had zo geen zonde voorhanden. Ik kon ook niet zo een herinneren. Tegelijkertijd kon ik die goede man daar niet voor niets laten zitten. Toen heb ik maar een verzonnen. Voor het goede doel zeg maar. Ik verzon dan maar dat ik een man een stiene voor z’n harsens had gegooid. Toen ik devoot mijn ogen opende zag ik een pastoor die zich verslikte en mij verschrikt aankeek. Hoezo? Had ik te dik ingezet? Gelukkig werden mijn zonden vergeven. Met een brandschone ziel verliet ik het gebouw. Voordat we de Kerklaan hadden bereikt had ik Jonnie-met-de-mooie-kleren laten strompelen. Onder zacht gegniffel ging hij volledig plat. Gelijk Jonnies kleren was het brandschone van mijn ziel er na pakweg 10 minuten alweer af. In die tijd hadden we schoolmissen. Vooraf aan de school. Om 8 uur. In de kerk zaten de kinderen in de banken keurig in klassen gerangschikt. In de gangpaden liepen de meesters en juffen. Nooit te beroerd om een oorvijg uit te delen aan een kind die te luidruchtig werd. ‘s Morgens had de kerk sfeer. Wanneer op zondagmorgen de zon scheen werd de kerk verlicht door prachtige gekleurde ramen. Het kerkinterieur werd in een gelig diffuus licht gezet en maakte de H. Mis nog plechtiger. Nog plechtiger werd het wanneer de pastoor zich volledig hulde in de wierooknevelen. Langzaam trok die geur door de rest van de kerk. Het was een oude vertrouwde geur. Wanneer de pastoor met het wijwatervat en -kwast door de kerk liep om zijn schaapjes te zegenen had ik soms het vermoeden dat de goede herder dit met veel enthousiasme deed. Een niets vermoedende gelovige werd plots weer recht in de leer gezet door een volle kwak wijwater. Zo van de kwast. In die tijd, we spreken van de jaren zestig en zeventig, was het een vreemde gewoonte dat menig vrouw met kinderen voorin de kerk zat en hun mannen achterin. Ik vond dit vreemd omdat mijn ouders dit nooit gedaan hebben. Maar iedereen zong de kerkliederen mee. Bij het zingen van de liederen zong Pa zodanig luid mee dat voor menig gelovige een dutje er niet in zat. De communie duurde een eeuwigheid met al die mensen. Het bood tegelijkertijd een unieke gelegenheid om de medeschaapjes van de kudde eens goed te inspecteren. Je leerde Erica zo wel kennen. Althans het katholieke gedeelte ervan. Erg mooi waren de tradities en gebruiken in de kerk. Met de 1e H. Communie waren de meisjes kleine bruidjes en de jongens kleine heertjes met hun colbertjes en korte broek. Van tantes kreeg je dan een wijwatersvatje of een rozenkrans. Bij het H. Vormsel zat de Bisschop in vol ornaat plechtig in een stoel naast het altaar. Degenen die het H. Vormsel ondergingen werden met naam genoemd en moesten voor de Bisschop knielen. Met een handoplegging en kruisteken op het voorhoofd werden we gezegend. Het altaar stond op een verhoging en was bereikbaar door middel van twee zwarte marmeren treden. Ik dacht toen dat het maar een trede was. Mijn onhandige benen zochten het plateau maar kwamen nog een trede tegen. Ik verloor het evenwicht en lag even later volledig gestrekt voor de bisschop. Behalve mijn trots was er verder niets gekrenkt. Alles is verder goed gekomen hoor. Achter het altaar zat in de vloer een grote rooster waardoor de verwarmingsketel warme lucht blies in de kerk. Dat gaf soms hilarische momenten. Met de jongerenmis stonden we vaak in een halve cirkel om het altaar opgesteld. Degenen die boven het rooster stonden hadden geluk. Als je het misboekje openvouwde kon je het even laten zweven op de warme luchtstroom. Het toppunt was wanneer de pastoor even niet genoeg oplette. Niets vermoedend betrad de herder het verwarmingsrooster. Om even later volledig te verdwijnen in een opgeklapte pij. Hierbij werd zijn gezichtsvermogen ernstig belemmerd. Een op richtingsgevoel zoekende pastoor ging natuurlijk ten koste van de plechtigheid. Tijdens de H. Mis werden dan ook op de rooster kinderen gezet als soort van afbakening. De mis duurde een uur. Voor een puber een eeuwigheid. Als verveelde pubers zaten we met onze nagels in de houten kerkbanken te krassen. Als volwassene herkende ik veertig jaar later de krassen terug van menige puber. Soms was zelfs een naam zichtbaar. De mooiste plek voor een puber was die van bij de trap naar het koor. Daar lagen de verloren voorwerpen. Dan zag je ineens je maat naast je met een dameshoed op, of met lange dameshandschoenen aan. Dat mocht niet, ik weet het, maar we waren jong. Je beet in je handen om de lach te onderdrukken. Met Kerstmis was de kerk werkelijk tjokvol. Menig katholieke Ericaan kwam zijn geweten sussen wegens de absentie van een jaar. Of om het ‘Kerstgevoel’ te krijgen. Zelfs dan had je een paar onverlaten achter in de kerk die geen respect op konden brengen. Met hun onbehouwen gedrag dreigden ze de kerkgang van anderen te verstoren. Gelukkig hadden we Pee. Geen geitenwollen praatje of kopje thee. Pee was onze engel Gabriël. Hij kegelde zo’n figuur subiet te kerk uit. Dan was het weer stil achter in de kerk. Wanneer de misdienaar eindelijk de eind-bel luidde zette het kerkvolk zich massaal in beweging. Een schuifelend stampede bereikte langzaam een van de zware eikenhouten achterdeuren van de kerk. Een vlotte doorgang werd belemmerd omdat iedereen op het kerkplein stil bleef staan om familie of kennissen aan te klampen. Zelfs daar was sprake van traditie. Ieder had daar zijn eigen plekje. Zo zag ik BierJoop steevast naast de dikke eikenboom staan, omringt door kennissen. De tijd van ontkerkelijking brak aan. Het werd definitief stil op de achterbanken. Door de jaren heen rukte de stilte steeds verder op richting de voorbanken. Van volle kerken is geen sprake meer, dat is voorlopig geweest. Het zijn de herinneringen van onze kerk die we in ons collectief geheugen meedragen, vaak leuke, soms minder leuke.

Geschreven door Henk Beukers

 

3 of 5
12345