Schön ist die Jugendzeit

Televisie

Televisie

Ik was zo´n zeven jaar toen we een televisie in huis kregen. Hoe we voor die tijd de avonden doorgekomen zijn weet ik niet meer. Na het avondeten bleven we waarschijnlijk nog even op, dan hup naar bed. We hadden toen wel een radio. Nou ja, alleen een luidspreker van de PTT. Het was een gemeenschappelijke radio van de Gemeente. Draad aan palen bracht toentertijd het geluid bij de mensen thuis. Door middel van een wit bakelieten schakelaar kon je luid klakkend kiezen tussen een paar zenders. Bij ons was het vaak ‘s morgens het bekende deuntje van de ochtendgymnastiek, waar trouwens niemand aan meedeed. Spoedig werd de gemeenteradio opgedoekt. Pa kocht een aantal van die palen om er een schommel van te maken. Ook hebben een paar palen later als fundering gediend bij ons zomerhuisje. Herman en Dorus (Meta) waren een van de eersten die een televisie hadden. Het was een kinderloos paar die woonde in een oud huisje in de bocht Havenstraat Ericasestraat. Helaas vond iemand het nodig om na het overlijden van die twee het karakteristieke huisje af te breken. Thans is het een paardenbak. Herman nodigde zaterdag in de namiddag kinderen uit om naar het kinderprogramma te kijken. Hij had bankjes klaar gezet. Herman genoot zelf misschien nog wel het meest. Steeds meer mensen op Erica kregen een televisie. De bankjes bij Herman bleven leeg. Onze buren Wessel kregen in de buurt als eerste een televisie. Tante Diny zette op zaterdag en woensdag in de namiddag de bankjes klaar. Wanneer wij de kinderen van Roling zagen aanlopen toogden wij ook naar tante Diny. Van alle kijkers genoot zij misschien wel het meest. Gezamenlijk werd naar de kinderprogramma’s gekeken waarbij broer Wim steevast in slaap viel. We keken bijvoorbeeld naar de serie Pipo de Clown en en de Waterlanders. Pipo en Mamaloe zagen we toen lopen op de bodem van de zee. Gevolgd door de zware jongens Snuf en Snuitje. Snuf, gespeeld door de onverbeterlijke Rudi Falkenhagen, stotterde m m mooie p p parels f f fijne p p parels. Bij ons als kinderen ging de serie er met peper en zout in. Iets wat je later als volwassene met moeite kon voorstellen. Het water bestond uit hangende repen plasticfolie en de bodem van de zee leek verdacht veel op die van een toneelvloer. Verder genoten we van de poppen Rikkie en Slingertje, later van de serie Daktari met Clarence de schele leeuw en Judy de chimpansee. Net als in de rest van Nederland ging ook op Erica de ontwikkeling door. Eerst kregen de Rolings een televisie, niet veel later ook wij. De bankjes bij tante Diny bleven leeg. Onze eerste televisie was een donker houtkleurige kist met een zenderzoeker aan de zijkant. De televisie kwam op stoom door middel van lampen waarvan om de drie maand er een sneuvelde. Duitse zenders kon je ook krijgen, dan keken we naar Don Camillo met Fernandel als dorpspastoor die altijd ruzie had met de communistische burgemeester. Om de Duitse zender te krijgen moesten we eerst naar buiten om de antenne te verdraaien. Het raam moest open blijven voor communicatie. ‘Nog een tikkie bijdraai’n, nog ‘n bietie, joow’. Het beeld stond er, zwart-wit uiteraard. Als jongens leerden we het Ridderschap van Ivanhoo, Thierie de Slingeraar en Floris. Tranen in de ogen kregen we van Belle en Sabastiaan met dat leuke liedje en lachen deden we bij Swiebertje met Bromsnor en Saartje. De serie Ivanhoe startte met een jongen die hard om de ridder riep. Vervolgens kwam Ivanhoo te paard aangalopperen en verzamelde steeds meer mensen achter zich. Dit uiteraard onder begeleiding van dwepende zang en muziek. Met name de roep om Ivanhoo bleef bij ons hangen. We gingen helemaal op in het ridderschap. Low-budget uiteraard. Harnassen, schilden en zwaarden waren te duur, die maakten we zelf. Naar Be Hoppe de melkboer, daar vroegen we om dozen. Van Be kregen we dozen waar pakjes boter van Leeuwenzegel in hadden gezeten. Daar sneden we aan de zijkanten en bovenkant gaten in voor armen en hoofd. De onderkant was open. Zo´n doos trok je als ware aan. Vol trots bekeek je jezelf. Een heuse harnas, je waande je onkwetsbaar. Even later renden een zestal Leeuwenzegeldozen de Kerklaan op onder luid gejoel van ´Ivanhooooo´!! We hadden heuse zwaarden. Nou ja, Pa mistte een paar panlatten. Als koene ridders gingen we achter het Kwaad aan. Bij gebrek aan het Kwaad gingen we, Ivanhoo gillend, achter Marietje Peters aan die toevallig voorbij fietste. Met die dozen om je lijf rende je voor geen meter. Klasgenoot Marietje fietste ons er allemaal uit. De zes Leeuwenzegel-ridders hadden hijgend het nakijken. Toen gingen we elkaar maar te lijf. Anderen mochten gerust met een zwaard tegen je aan slaan, door de harnas je voelde toch niets. Door de vermeende onkwetsbaarheid werden we weer eens overmoedig. Ik brak een vuistdikke ijspegel af en sloeg neef Harry er mee op zijn kop. Haha, onkwetsbaar, het ijs spatte uiteen, dat kon toch niet zeer doen. Even later zat een boze leeuwenzegeldoos achter mij aan te vangen. We renden Ivanhoo gillend het Kerkenbos in. Kiek’n of daor nog wat Kwaod zat. Als volwassene zag je op televisie die toenmalige series terug. Dat we dat als kinderen hebben geslikt. We zagen niet dat de acteurs houten zwaarden hadden en dat het metalig gekletter later is toegevoegd. We zagen niet dat kledij per scene veranderde. Bij gevechtshandelingen tussen de ridders zagen we niet de condensstrepen aan de horizon. We zagen niet de witte polsen aan bruine armen, daar waar voor kort nog een polshorloge zat. Bij de serie Floris zat ergens een scene waar op de achtergrond een Morris bestelwagen reed. Dat zagen we niet. Het kon ons ook niets schelen. De series met hun gebrekkige regie hielp ons alleen maar op weg, onze fantasie deed de rest. Toen al was het een glijdende schaal. Hoe perfecter de televisie werd hoe minder fantasie er voor nodig was om het na te spelen. We konden onze ogen niet geloven toen de eerste kleurentelevisie op de markt kwam. Hoe kregen ze die kleuren toch door die draadjes? Maar ook dat wende snel. Niet veel later zagen we in huize Vinke de eerste afstandsbediening. Ongelofelijk, je drukte op een knopje in je hand en ergens anders veranderde iets. Een paar jaar later zaten we thuis verveeld de afstandsbediening te zoeken die ergens in een plooi van het bankstel was gezonken. Ondertussen kwamen en gingen Mies Bouwman, Kees Schilperoord, Kick Stokhuizen, de zender Veronica, Mannetjes op de maan enz. Voor het vastleggen van al die beelden kwam de videorecorder, later HDdisk en nu Blue Ray. Het is nog lang niet afgelopen met de televisie en aanverwante artikelen, gelukkig niet.

Geschreven door Henk Beukers

Ons Huus 3

Ons Huus 3

In tegenstelling tot vandaag de dag stond ons huis echt op een vlakte. Erica-noordwest bestond nog niet. Nadat Pa achter het huis een schuur had gebouwd, deze met een tussenmuur met het huis had verbonden, waaide het niet meer zo hard bij de achterdeur. Want dat is me vooral bijgebleven. D’r stond vaak een harde wind uit het westen. Door de enorme lange leegte kon deze flink in kracht toenemen. Achter de schuur zag je de skyline van Nieuw-Amsterdam. Richting noord-westen priemde de toren van Sleen boven de horizon uit. Daartussen lag een boomloze woestijn van bouwland met in de verte de boerderij van Lohues als oase. Het landschap werd doorkruist door de Veenschapswijk die toentertijd eindigde in Zuidbarge. Vandaag de dag wordt de Veenschapswijk in tweeën gesneden door de A37. In de winter als de harde westenwind de stuifsneeuw om het huis joeg, vermaakten we ons als kind met speelgoed die we van Sinterklaas hadden gekregen. We speelden ermee omdat het speelgoed nog heel was. Het meeste speelgoed haalde de zomer namelijk niet. Het was niet Beukersbestendig. Wanneer de rails van het opwindtreintje niet snel genoeg in elkaar paste vlogen niet veel later een bos rails, een paar wagons en een locomotief het raam uit. Of Jos ging nieuwsgierig een elektrisch tractor uit elkaar peuteren om te kijken hoe het in elkaar zat. Het tractortje reed daarna nooit meer. Altijd kwam dan een tijd dat de winterboeken uit de kast werden getrokken. Elk jaar werden ze, iets meer beschadigd dan ze al waren, terug in de kast gezet. In de winterboeken stonden verhalen, puzzels maar vooral moppen. We lazen ze tot we alle moppen uit ons hoofd kenden. Ik heb de boeken nog jaren lang bewaard. Uiteindelijk zijn ze bij oud papier beland. Pa maakte voor ons een kippenhok. Een week later stonden 4 jongensgezichten vertederd boven een kartonnen doos te kijken. Een zestal donzen propjes piepten terug. Pa wist niet of het hennetjes of haantjes waren. Hij hoopte natuurlijk op hennetjes, daar kreeg je nog eitjes van. Helaas bleken het allemaal haantjes te zijn. Niettemin waren we dol op de krielkippetjes. We gaven ze allemaal een naam. Het meest vertederde kuiken was die met maar een pootje. Die kreeg de toepasselijke naam: ‘Hinkepootje’. Als kip was Hinkepootje zeker niet de langzaamste. Bij onraad hinkte die alle overige haantjes voorbij en was als eerste in het hok. We gingen met de kippen om alsof het onze kinderen waren. We maakten de hok schoon, voerden ze en aaiden ze als we de kans kregen. Toen kwam Kerstmis. Beteuterd stonden we naar de emmers in de keuken te kijken. Die stonden halfvol water. In elke emmer dreven gebroedelijk naast elkaar twee spiernaakte krielkippen met de rug naar boven. Behalve Hinkepootje, die ontliep echter zijn lot niet, hij kreeg een graf achter de schuur. De Kerstdis gaf kip. Prompt weigerden we onze kinderen op te eten. Dit hielden we vier-en-halve uur vol. Precies tot het avondeten. Vergeten en vergeven, bovendien hadden we honger. Later begon Pa opnieuw een schuur te bouwen. Deze was veel groter dan het kippenhok. Pa ging konijnen fokken. Honderden konijnen hadden we op het laatst. Tot een konijnenziekte alles wegvaagde. Ik heb menig zaterdag konijnenhokken moeten uitmesten en menig konijn in de tuin moeten begraven. Gek genoeg heb ik tot op de dag van vandaag nog nooit een konijn gegeten. Een keer stond de braadpan met konijn op het gas te sudderen. Het water liep ons in de mond. Totdat het gas werd uitgezet en de braadpan werd verpakt in een theedoek. Die ging naar Oma, die hield zo van konijn. Normaliter werd het vlees altijd bij de slager gehaald. Ik werd dan wel eens met een boodschap naar slager van der Zee gestuurd. De boodschap vergat ik prompt en kwam dan standaard terug met een rookworst. Ik was dol op rookworst. Je kreeg bij slager van der Zee altijd een plakje leverworst. Die nam je dan mee naar buiten om op te eten. Daar stond een verrekte hond, een Jack Russel, met ontblote tanden je op te wachten. Snel wierp je de hond het plakje leverworst toe. HAP deed Jack. Achteraf bleek het helemaal geen kwade hond te zijn. Hij had op Pavloviaanse manier geleerd om zijn tanden te ontbloten, dan kreeg hij een stukje worst. Maar als je de leverworst in eigen mond stak ging ie kwispelen. Tja, dat moet je dan net weten. Broer Wim werd door Ma voor een boodschapje naar slager van der Zee gestuurd. Wim moest een pakje zuurkool halen. Zuurkool was in de aanbieding en lag bij van der Zee als een piramide opgestapeld op de toonbank. Wim rekende af en kreeg een hoofdknik van de winkelbediende naar de zuurkoolpiramide. Hij kon het zo pakken. De volgende klant drong aan. ‘Wie kan ik helpen’?, vervolgde de bediende. Een kwartier later kwam Wim het huis binnen gestrompeld. De tas striemde diep in zijn nek. ‘Mense, wat is die zuurkool zwaor’, steunde hij. De Leperd had de gehele zuurkoolpiramide in de tas gestopt en meegenomen. Hij dacht dat ze de hele piramide voor hem had klaargezet. Nadat Ma bijgekomen was van het lachen moest Wim al het overige zuurkool weer terugbrengen naar de slager. Zachtjes begon zijn onderlip te trillen. Maar Wim had karakter, hij bracht al het teveel gehaalde zuurkool weer netjes terug. Daar keken ze heel verwonderd, ze hadden de piramide geeneens gemist! Iedereen lachte, behalve Wim. Hij stond daar klein te zijn voor de toonbank terwijl zijn onderlip opnieuw zachtjes begon te trillen. Vertederd bekeken door het personeel kreeg Wim een extra dikke plak leverworst. Glunderend ging Wim met het heerlijk stukje vleeswaren naar buiten. Daar stond Jack. SCHRIK deed Wim, HAP deed Jack. Wim keek naar zijn lege handjes. Wederom met een trillende onderlip toog hij naar huis. De tas om zijn nek, leeg, dat wel. Wim heeft volgens mij nooit meer zuurkool gelust. Met de fiets gingen we overal naar toe. Als er echter iets te vallen viel was ik het wel. Ik heb in totaal 6 x het sleutelbeen gebroken bij allerlei valpartijen. Dokter Huisman, onze huisarts, waarschuwde mij dat als ik nog 1 keer het sleutelbeen brak daar een pin in kwam. Nooit meer een sleutelbeen gebroken. Bij het steigeren met de fiets speelde ik het klaar om met het stuur mijn wenkbrauw te klieven. Toen dit begon te ontsteken zat er weer een gang naar dokter Huisman op. Met een rustig gebaar schroefde hij een injectienaald in elkaar. Brr. Dokter Huisman kwam eens op huisbezoek toen ik ziek in bed lag. Bij het oplichten van de dekens zoefde een cavia naar hem toe. Hij schrok er even van. Om daarna langzaam een injectienaald in elkaar te schroeven. Brr. Ik kwam een keer bij dokter Huisman in verband met een oorontsteking. Hij keek met zo’n kijker in mijn oren en zei de befaamde woorden: ‘Ik zie het al, een puistje’. Vervolgens pakte hij een soort van toeter, stak het in mijn oor en kneep flink in de blaasbalg. Wat een rotstreek. Mijn oor floot ervan. Als er nog rommel uit mijn oor kwam moest ik maar terugkomen. Nou, mooi niet. Een arm in de mitella had ook zijn voordelen. Mits je er zielig bij keek. Dat kon ik. Tot afgrijzen van Broer Jos kreeg ik een prijs bij Haantie op stokkie en een prijs als leukst gekleed bij carnaval. Vooral toen hij ontdekte dat ik hetzelfde Haantie op stokkie en hetzelfde carnavalspak droeg als die hij het jaar ervoor had gedragen. Het was een kwestie van sleutelbeen breken, dan ben je zielig, lekker puhh.

Geschreven door Henk Beukers

Gunderland

Gunderland

In tegenstelling tot vandaag de dag stond ons huis echt op een vlakte. Erica-noordwest bestond nog niet. Nadat Pa achter het huis een schuur had gebouwd, deze met een tussenmuur met het huis had verbonden, waaide het niet meer zo hard bij de achterdeur. Want dat is me vooral bijgebleven. D’r stond vaak een harde wind uit het westen. Door de enorme lange leegte kon deze flink in kracht toenemen. Achter de schuur zag je de skyline van Nieuw-Amsterdam. Richting noord-westen priemde de toren van Sleen boven de horizon uit. Daartussen lag een boomloze woestijn van bouwland met in de verte de boerderij van Lohues als oase. Het landschap werd doorkruist door de Veenschapswijk die toentertijd eindigde in Zuidbarge. Vandaag de dag wordt de Veenschapswijk in tweeën gesneden door de A37. In de winter als de harde westenwind de stuifsneeuw om het huis joeg, vermaakten we ons als kind met speelgoed die we van Sinterklaas hadden gekregen. We speelden ermee omdat het speelgoed nog heel was. Het meeste speelgoed haalde de zomer namelijk niet. Het was niet Beukersbestendig. Wanneer de rails van het opwindtreintje niet snel genoeg in elkaar paste vlogen niet veel later een bos rails, een paar wagons en een locomotief het raam uit. Of Jos ging nieuwsgierig een elektrisch tractor uit elkaar peuteren om te kijken hoe het in elkaar zat. Het tractortje reed daarna nooit meer. Altijd kwam dan een tijd dat de winterboeken uit de kast werden getrokken. Elk jaar werden ze, iets meer beschadigd dan ze al waren, terug in de kast gezet. In de winterboeken stonden verhalen, puzzels maar vooral moppen. We lazen ze tot we alle moppen uit ons hoofd kenden. Ik heb de boeken nog jaren lang bewaard. Uiteindelijk zijn ze bij oud papier beland. Pa maakte voor ons een kippenhok. Een week later stonden 4 jongensgezichten vertederd boven een kartonnen doos te kijken. Een zestal donzen propjes piepten terug. Pa wist niet of het hennetjes of haantjes waren. Hij hoopte natuurlijk op hennetjes, daar kreeg je nog eitjes van. Helaas bleken het allemaal haantjes te zijn. Niettemin waren we dol op de krielkippetjes. We gaven ze allemaal een naam. Het meest vertederde kuiken was die met maar een pootje. Die kreeg de toepasselijke naam: ‘Hinkepootje’. Als kip was Hinkepootje zeker niet de langzaamste. Bij onraad hinkte die alle overige haantjes voorbij en was als eerste in het hok. We gingen met de kippen om alsof het onze kinderen waren. We maakten de hok schoon, voerden ze en aaiden ze als we de kans kregen. Toen kwam Kerstmis. Beteuterd stonden we naar de emmers in de keuken te kijken. Die stonden halfvol water. In elke emmer dreven gebroedelijk naast elkaar twee spiernaakte krielkippen met de rug naar boven. Behalve Hinkepootje, die ontliep echter zijn lot niet, hij kreeg een graf achter de schuur. De Kerstdis gaf kip. Prompt weigerden we onze kinderen op te eten. Dit hielden we vier-en-halve uur vol. Precies tot het avondeten. Vergeten en vergeven, bovendien hadden we honger. Later begon Pa opnieuw een schuur te bouwen. Deze was veel groter dan het kippenhok. Pa ging konijnen fokken. Honderden konijnen hadden we op het laatst. Tot een konijnenziekte alles wegvaagde. Ik heb menig zaterdag konijnenhokken moeten uitmesten en menig konijn in de tuin moeten begraven. Gek genoeg heb ik tot op de dag van vandaag nog nooit een konijn gegeten. Een keer stond de braadpan met konijn op het gas te sudderen. Het water liep ons in de mond. Totdat het gas werd uitgezet en de braadpan werd verpakt in een theedoek. Die ging naar Oma, die hield zo van konijn. Normaliter werd het vlees altijd bij de slager gehaald. Ik werd dan wel eens met een boodschap naar slager van der Zee gestuurd. De boodschap vergat ik prompt en kwam dan standaard terug met een rookworst. Ik was dol op rookworst. Je kreeg bij slager van der Zee altijd een plakje leverworst. Die nam je dan mee naar buiten om op te eten. Daar stond een verrekte hond, een Jack Russel, met ontblote tanden je op te wachten. Snel wierp je de hond het plakje leverworst toe. HAP deed Jack. Achteraf bleek het helemaal geen kwade hond te zijn. Hij had op Pavloviaanse manier geleerd om zijn tanden te ontbloten, dan kreeg hij een stukje worst. Maar als je de leverworst in eigen mond stak ging ie kwispelen. Tja, dat moet je dan net weten. Broer Wim werd door Ma voor een boodschapje naar slager van der Zee gestuurd. Wim moest een pakje zuurkool halen. Zuurkool was in de aanbieding en lag bij van der Zee als een piramide opgestapeld op de toonbank. Wim rekende af en kreeg een hoofdknik van de winkelbediende naar de zuurkoolpiramide. Hij kon het zo pakken. De volgende klant drong aan. ‘Wie kan ik helpen’?, vervolgde de bediende. Een kwartier later kwam Wim het huis binnen gestrompeld. De tas striemde diep in zijn nek. ‘Mense, wat is die zuurkool zwaor’, steunde hij. De Leperd had de gehele zuurkoolpiramide in de tas gestopt en meegenomen. Hij dacht dat ze de hele piramide voor hem had klaargezet. Nadat Ma bijgekomen was van het lachen moest Wim al het overige zuurkool weer terugbrengen naar de slager. Zachtjes begon zijn onderlip te trillen. Maar Wim had karakter, hij bracht al het teveel gehaalde zuurkool weer netjes terug. Daar keken ze heel verwonderd, ze hadden de piramide geeneens gemist! Iedereen lachte, behalve Wim. Hij stond daar klein te zijn voor de toonbank terwijl zijn onderlip opnieuw zachtjes begon te trillen. Vertederd bekeken door het personeel kreeg Wim een extra dikke plak leverworst. Glunderend ging Wim met het heerlijk stukje vleeswaren naar buiten. Daar stond Jack. SCHRIK deed Wim, HAP deed Jack. Wim keek naar zijn lege handjes. Wederom met een trillende onderlip toog hij naar huis. De tas om zijn nek, leeg, dat wel. Wim heeft volgens mij nooit meer zuurkool gelust. Met de fiets gingen we overal naar toe. Als er echter iets te vallen viel was ik het wel. Ik heb in totaal 6 x het sleutelbeen gebroken bij allerlei valpartijen. Dokter Huisman, onze huisarts, waarschuwde mij dat als ik nog 1 keer het sleutelbeen brak daar een pin in kwam. Nooit meer een sleutelbeen gebroken. Bij het steigeren met de fiets speelde ik het klaar om met het stuur mijn wenkbrauw te klieven. Toen dit begon te ontsteken zat er weer een gang naar dokter Huisman op. Met een rustig gebaar schroefde hij een injectienaald in elkaar. Brr. Dokter Huisman kwam eens op huisbezoek toen ik ziek in bed lag. Bij het oplichten van de dekens zoefde een cavia naar hem toe. Hij schrok er even van. Om daarna langzaam een injectienaald in elkaar te schroeven. Brr. Ik kwam een keer bij dokter Huisman in verband met een oorontsteking. Hij keek met zo’n kijker in mijn oren en zei de befaamde woorden: ‘Ik zie het al, een puistje’. Vervolgens pakte hij een soort van toeter, stak het in mijn oor en kneep flink in de blaasbalg. Wat een rotstreek. Mijn oor floot ervan. Als er nog rommel uit mijn oor kwam moest ik maar terugkomen. Nou, mooi niet. Een arm in de mitella had ook zijn voordelen. Mits je er zielig bij keek. Dat kon ik. Tot afgrijzen van Broer Jos kreeg ik een prijs bij Haantie op stokkie en een prijs als leukst gekleed bij carnaval. Vooral toen hij ontdekte dat ik hetzelfde Haantie op stokkie en hetzelfde carnavalspak droeg als die hij het jaar ervoor had gedragen. Het was een kwestie van sleutelbeen breken, dan ben je zielig, lekker puhh.

Geschreven door Henk Beukers

Ons Huus 2

Ons Huus 2

Ik schrijf de jaren zestig. De tijd van na het avondeten op tijd naar bed. We sliepen niet direct, we maakten in bed van een deken een soort van berg. Die zetten we vol met plastic dieren. We speelden Daktari tot we moe werden, of ruzie kregen. In het laatste geval vloog schele Clarence door de lucht gevolgd door een giraf of twee. Een vermaning van Ma bracht weer rust in de Afrikaanse dierenkliniek. Door een kier in de deur konden we meekijken wat zich op TV afspeelde. Af en toe hoorden we Pa hard lachen om die gekke André van Duin. Soms werd het stil en ernstig. Het was de tijd van de Koude Oorlog. De Russen dreigden te komen. Dat kregen we als kind wel degelijk mee. Op een avond in het najaar van 1966 schrok ik wakker. In het donker gluurde ik naar buiten. Op het bouwland achter ons huis was een vliegtuig geland. De landingslichten van het vliegtuig draaiden langzaam over het veld. Ogottegottegot, de Russen. Ik raakte lichtelijk in paniek. Moest ik mijn broer Wim wakker maken? Moest ik mijn ouders waarschuwen? Ik besloot nog even te wachten. Met bonkend hart zag ik wederom de landingslichten voorbij dwalen. Die Russische vliegtuig zat zeker een parkeerplek te zoeken. Plotseling zag ik de landingslichten van een tweede vliegtuig. Mijn hart sloeg over. Ik had het klamme zweet in de handen. Ik moest de familie waarschuwen. De Russen waren geland. Ogottegotttegot, uitgerekend achter ons huis. Ik besloot te gaan liggen. Even tot rust komen. Twee tellen later sliep ik. De volgende dag hoorde ik vreemd genoeg niemand Russisch spreken. Ik wist trouwens ook niet hoe dat klonk. Ik rende achter ons huis het bouwland op. Geen vliegtuig te zien. Slechts sporen van tractoren. Het aardappelveld was leeg gerooid. Ik keek verbaast om me heen. Had ik me daar gisteravond toch vreselijk sappel gemaakt om niks. Het Russisch vliegtuig bleek een aardappelrooier! De angst kenmerkte die tijd. De dreiging van de Russen voelden we als kind. Het had invloed op onze spel. Steevast was bij het soldaatje spelen de Rus onze tegenstander. Terwijl Pa in de tuin tussen de aardbeiplanten stond te schoffelen bestormden wij schreeuwend de Russische stellingen. Iemand moest het doen. We zorgden er uiteraard wel voor dat we niet de aardbeiplantjes vertrapten. De Russen mochten dan wel onze vijand zijn, van Pa kregen we zakgeld. Laten die verrekte Russen nu uitgerekend bij ons achter in de tuin stelling hebben genomen. We stormden Pa schreeuwend voorbij. Een steelpan en een vergiet waren onze helmen. De Russen vluchten het bouwland op. Met onze geladen berkentakken joegen we ze na. Pa keek ons even na en ging hoofdschuddend verder met schoffelen. Ai, de Russen schoten terug. We lieten ons vallen in het rulle zwarte zand. We hoorden vaag een geluid. We keken op, iemand scheen iets te roepen. Versterking? Was het de Koningin met een nieuw bevel? Oei, het was Ma. Die stond met haar handen in de zij heel boos te kijken. Even later stapten een paar ongelofelijke smerige moe gestreden frontsoldaten voor haar langs. De helmen scheef op het hoofd, het zand diep in de oren. We moesten de geweren in een hoek zetten en ons buiten uitkleden. Het viel nog niet mee om de wereld te redden. Maar na dit te hebben gedaan was het heerlijk douchen. Na het avondeten kregen we de gewoonlijke corveedienst. Standaard moesten broer Jos en ik de afwas doen, broer Wim moest stofzuigen. Bij de afwas was het altijd een strijd over wie mocht afdrogen. Jos wilde alleen maar afdrogen. Toeval of niet, ik wilde ook alleen maar afdrogen. Om de strijdbijl maar te begraven had Jos een systeem bedacht om beurtelings af te drogen. Met een potlood had hij onze namen op het behang geschreven. Met streepjes hield hij de tel bij. Wij konden nu nauwkeurig bepalen wie aan de beurt was om af te drogen. Verrekte slim bedacht van Jos. Ik had die avond afgedroogd en zou ,gatver, morgen weer afwassen. Ik kneep mijn ogen toe en begon geheimzinnig te loensen. Ik loenste geheimzinnig naar links, ik loenste geheimzinnig naar rechts. Niemand in de buurt. Ik sloop naar de keuken. Ik pakte de potlood en zette snel een streepje achter Jos zijn naam. De volgende avond brandde de strijd los om het afdrogen. Jos wist zeker dat hij gisteren de afwas had gedaan. Het was zijn beurt om af te drogen. Hevig verontwaardigd wees ik naar de streepjes achter onze namen. Uiteindelijk werden de streepjes dan maar geteld. Nu brak het moment van de waarheid aan. Huuh? Moest ik toch afwassen? Ik keek Jos smerig aan maar kon niks zeggen. Had die Smiecht ook een streepje achter mijn naam gezet. Gruwel, je kon werkelijk niemand meer vertrouwen. Even later zongen we het hoogste lied tijdens het afwassen. Jungen, komm bald wieder nach Haus. Tweestemmig en zo hard mogelijk. Eindelijk mochten we ‘s avonds na het eten de straat op. Voor het donker thuis zijn en geen kattenkwaad uithalen kregen we als instructie mee. Met grote blauwe ogen gaven we Ma de verzekering dat we ons keurig zouden gaan gedragen. Even later zaten we belletje te drukken. Hier had ik een leuke variant op bedacht. De familie Reuvers aan de Kerklaan had een tamelijk lange oprit. Ik liep snel de oprit op en drukte op de deurbel. Ongemerkt vervoegde ik me weer bij de groep. Frans was aan de beurt om belletje te drukken. De argeloze Frans liep de oprit van Reuvers op. Zijn wijsvinger zou net het knopje van de deurbel indrukken toen pardoes de voordeur open ging. Twee gezichten keken elkaar aan. De ene gaf een gil, de andere liet iets vallen. Hinnikend deden we het op straat bijna in de broek van het lachen. Daar hadden we die Frans toch gigantisch beet genomen. Bij een bepaalde huis was belletje drukken extra spannend. De heer des Huizes kwam ons altijd scheldend achterna. Zodoende promoveerde hij zichzelf tot trofee. We bewaarden hem altijd voor het laatst. We hadden de leeftijd bereikt om onze eerste sigaret te roken. Willie, mijn kameraad, keek die dag geheimzinnig. In de schuur haalde hij een verfrommeld pakje uit zijn broekzak. Daar zaten een paar sigaretten in. We slopen heimelijk op (jawel) de hooizolder en staken ons daar een paar sigaretten aan. Wauw, onze eerste sigaret. 5 minuten later verlieten twee jongens stilletjes de hooizolder. Het hooi lag tot aan de nok op zolder, deze geurde sterk en was zelfs iets groen. Maar niet zo groen als de twee jongensgezichten. Die hadden inmiddels het niveau van grijsgroen bereikt met een vleugje geel. ‘Verd…,wat ben ik ben misselijk’, boerden we tegelijkertijd. Het was onze eerste stap in de volwassenheid.

Geschreven door Henk Beukers

Loewe

Loewe

Wanneer ik terug kijk op mijn jeugd komen vele bijzondere mensen voorbij. Eentje die me bijzonder is bijgebleven is Louis, ook wel Loewe genoemd. Loewe was een typ van eerst doen en dan nadenken. Dat leverde een paar bijzondere situaties op. Loewe woonde aan de Kerkweg in een boerderij. Pal naast de boerderij stond een opslagschuur. Het bestond uit vier palen met een golfplaten dak. Het stro was opgeladen tot aan de nok. Helemaal bovenin onder het puntdak bevond zich een ruimte waar vaak kinderen speelden. Zo ook die keer. Zoals kinderen vaak doen maakten ze ruzie met elkaar. Deze keer met Loewe. Met een boos gezicht rende hij zijn huis in. Om na enige tijd met lucifer in de hand weer naar buiten te komen. Loewe loste de ruzie op zijn eigen manier op, hij stak het zooitje gewoon in de fik. Probleem opgelost, toch? Alle overige kinderen waren naar beneden gekomen en stonden verbaast naar Loewe te kijken. Op hetzelfde moment speelde ik op de Kerklaan met Willie, Harry en de Vinken. Op het eind van de Kerklaan zagen we voor de kerk een gillende rode brandweerwagen langssnellen. We renden naar de Kerkweg en zagen verderop een opstootje van mensen. Daar moest iets loos zijn. We renden er naar toe en bleven verstokt staan. Voor ons openbaarde zich een gigantische vuurzee onder een golfplaten dak. Pal naast de vuurzee stond de boerderij van Loewe. De brandweer deed vooral moeite om het dak nat te houden. Uiteindelijk werd de boerderij gered maar het stro heeft nog dagenlang nagesmeuld. Jaren later, als zestienjarige, werd Loewe op zijn bromfiets, een witte Puch, in Emmen aangehouden door een agent. Loewe reed op het voetpad en kreeg daar een bekeuring voor. Een half uur later stond hij voor café Keuter, een van onze hangplekken, te snoeven dat hij een agent voor de gek had gehouden. Hij had een valse naam en adres opgegeven. Hij had de agent verteld dat hij een zoon was van Gert en Hermien Timmerman. Als hangjongeren stonden we allemaal met Loewe mee te lachen. Totdat iemand vroeg of de agent ook zijn nummerplaatje op het achterspatbord genoteerd had. ‘Ja, dat wel, maar dat maakt ja nie uut’, lachte Loewe. Iedereen werd stil. Alleen Loewe had nog steeds groot plezier. Hij werd pas stil toen een politieauto langzaam voorbij reed die een adres leek te zoeken. Verbaast keek hij de auto na en zag hoe deze het oprit van zijn huis opreed. Tegelijkertijd barsten alle overige hangjongeren in lachen uit. ‘Nee Loewe, dat noteren maakte niks uut’. Met een boerenkiespijngezicht nam Loewe plaats op zijn bromfiets. ‘Dat wordt een bloedvlekkie op het behang’, mompelde hij nog en reed naar huis. Zoals gezegd had Loewe een witte Puch als bromfiets. Wij noemden zijn bromfiets ‘Het Witte Spook’. Loewe had zijn eigen rijstijl die vooral te danken was aan zijn ad hoc gedrag. Zo reed hij die keer vanuit Nieuw Amsterdam langs het Verlengde Hoogeveense Kanaal richting Erica. Loewe zag een mooi meisje aan de overkant van de straat en begon als een bronstige beer te loeien. Hij ging rechtop de pedalen van zijn Puch staan om maar indruk te maken op het meisje. Die keek wijselijk niet op. Loewe begon te gillen en keek over zijn schouders het meisje na. Met zijn kin nog op de linker schouder reed hij pardoes het donkere kanaal in. Drijfnat kroop hij even later de wal op, zijn linkerhand hield hij het Natte Spook vast. Loewe was eindelijk afgekoeld. De week erop zat hij elke avond bij Wietse Moorman, de fietsenmaker, zijn bromfiets schoon te maken. Voor Wietse zijn huis hadden wij ook een hangplek. We waren daar al een tijdje aan het hangen tot Loewe voorbij kwam. Loewe drukte zijn dode Witte Spook aan op de Kerklaan. Hij had de bromfiets in de werkplaats helemaal schoon gemaakt, nu moest dat kreng rijden. Er gebeurde echter niets. Na een paar keer de Kerklaan op en neer te zijn geweest kwam hij hijgend bij ons staan. ‘Hij wul nie’, concludeerde de genie. Wij zagen snel waarom. Het vliegwiel ontbrak. Die zat er niet voor niets op maar Loewe vond dat ding blijkbaar maar onzin. Hij vroeg ons advies. Kijk, daar zijn we nooit te beroerd voor. We besnuffelden het Witte Spook en zagen dat er een BING-carburateur op zat. Dasniegoe. Die carburateur moest eraf. Daar moest een BANG-carburateur op, die was bij Corry Capelle verkrijgbaar. ‘Echt?’, vroeg Loewe. ‘Jahaa’, riepen wij met een serieus gezicht, ‘anders doet de bromfiets BINGBANG, dakannie’. Zo toog Loewe met het defecte Spook in de hand naar Corry. Een Bang-carburateur is er nooit opgekomen, die bestond niet eens. Een half jaar later kwamen we bij de Vinken thuis. Daar hadden ze iets bijzonders, een kleurentelevisie. Het bijzonder aan deze kleurentelevisie was dat het op afstand bedienbaar was, snoerloos. Een nieuwigheidje, daar gingen we een poosje mee experimenteren. Na wat gerommel in het achterhuis kwam Loewe binnenvallen. ‘Wat’n mooie kleurn teluvisie ja’, riep Loewe. Ik had de afstandsbediening onzichtbaar naast me neer gelegd. Wij wisten niet van het bestaan van een snoerloze afstandsbediening, Loewe zeker niet. ‘Loewe, a’j in de haand’n klapt giet ‘t geluud harder’, riep eentje. Loewe keek naar de televisie, ‘gao toch hin’. Hij klapte in zijn hand. Tot zijn grote verbazing nam het geluid toe. Wij kwamen op dreef. ‘A’j twei keer klapt giet ie zachter’. Loewe klapte twee keer en het geluid nam af. ‘Krieg nou wat’, mompelde hij verbaast. Na een aantal keren het geluid harder en zachter te hebben geklapt bekwam hij een beetje van verbazing. ‘Loewe, a’j blaost dan gaon de kleur’n van ‘t scherm af’. Loewe begon een beetje verkrampt te lachen. Hij blies voorzichtig naar de televisie. ‘Harder’, riepen we. Loewe nam een ademteug en blies naar de televisie waar de kleuren langzaam wegsmolten. Loewe hield prompt op met blazen en keek ongelovig naar de televisie. ‘A’j zoegt komen de kleuren weer trugge’, adviseerden de deskundigen op de bank. We stapten op en lieten Loewe vol verbazing al handenklappend, blazend en zuigend achter. Tja, dat is de moderne tijd. Toen we achttien jaar waren gingen we een keer in de winter met de auto van Frans Vinke naar Nieuw Amsterdam. Frans had zo’n Simca waar de snuit en kont van de auto even lang en vierkant waren. Zoals een kind een auto tekent. Het was zaterdagavond en we gingen naar de disco. Op het eind van de avond kwamen we Loewe tegen. Loewe was gekleed in een hippe paars glanzende zijden discoblouse. Hij vroeg ons of hij mee kon rijden naar Erica. Net als wij wilde hij naar café Telkamp, de huidige Koperbar. De auto was echter vol. Geen nood, Loewe ging achterop de auto zitten, hij hield zich wel vast aan de dakgoot. Frans beloofde niet harder te rijden dan vijftig km/uur. Halverwege Erica zagen we door de achterruit een wapperende hippe paars glanzende zijden discoblouse. Op het dashboard ging de snelheidsmeter richting tachtig km/uur. Toen we de auto voor café Telkamp parkeerden en uitstapten bleef Loewe zitten. Zijn gezicht had dezelfde kleur zijn blouse, namelijk paars. We moesten hem bijna van de Simca afbikken. ‘K, k, koud’, mompelde het standbeeld. In het café had hij echter snel zijn praatjes weer terug. De zomer erop ging Loewe met ons mee op vakantie naar Oostenrijk. Niemand van ons had ooit bergen gezien, we maakten daar flinke bergwandelingen. Tijdens zo’n wandeling gaf Loewe aan ‘uut de broek’ te moeten. Poepen dus. Hij klom een stuk de berg op en keek om of we wel uit het zicht waren. Loewe wilde bij deze discrete handeling absoluut geen pottenkijkers. We hadden daar begrip voor en liepen alvast vooruit. We volgden het pad dat spiraalsgewijs de berg op liep. Na een tijdje waren we terug op de plek alleen iets hoger op de berg. Daar had Loewe geen rekening mee gehouden. Tussen de struiken zagen we zijn witte togus uit het bladerdek steken. We gingen vlak achter hem staan en fluisterden in zijn oortje, ‘Moi Loewe, giet ‘n bietie’? Als door een wesp gestoken schoot de blanke derrière dieper de struiken in. We bleven dit keer staan en draaiden ons om, we wachten geduldig tot het gevloek in de struiken eindigde. Onze jeugd trok voorbij, Loewe ging zijn eigen weg en verdween uit Erica. Vele jaren later, wel meer dan twintig, stopte voor mijn huis een Volvo stationwagon, de bestuurder vloekte eerst en vroeg toen de weg. Het was Loewe.

Geschreven door Henk Beukers

Silvester

Silvester

In de zestiger jaren zag oudejaarsavond er geheel anders uit dan tegenwoordig. Van siervuurwerk en geknal was vrijwel geen sprake. Onze eerste aanraking met vuurwerk betrof een, in onze ogen, wat oudere jongen die schichtig om zich heen keek en zachtjes met zijn kameraad sprak. Even later haalde hij twee rode staafjes uit zijn broekzak waaraan een kort zwart lontje zat. ‘Voetzoekers’, hoorden we ze tegen elkaar zeggen. We keken mekaar met grote ogen aan. ‘Wauw’, echte voetzoekers. Uhh, wat zijn dat? We keken naar onze schoenen waarin onze voeten zorgvuldig waren ingepakt. Hoe zoekt zo’n ding nu voeten? Zit daar een snuffelneus in zo´n rotje die voeten opspoort? Nieuwgierig kwamen we dichterbij. Bennie drukten we voorop, die had met zijn meurende voeten weinig te vrezen. De oudere jongen haalde een doosje Zwaluw lucifer uit zijn broekzak. Even later snisterde een rotje op straat. Aanvankelijk gebeurde er niets maar ineens zoefte een rotje her en der tussen ons door. We verdwenen in een grote wolk rook. Zo snel het kwam verdween het ook weer. Het rotje lag verderop nog even na te stuiptrekken, uit zijn achterste kwam nog een sliertje rook. Het ding had geen voet gevonden. Nieuwsgierig naderden we het dode rotje. De grote jongens liepen grinnikend verder. ‘Misschien had ie ‘n snutneuse en kon ie gien voet’n roek’n’ fluisterden we. Henk Vinke had ook altijd twee bokkepootjes onder de neus hangen, die rook ook niets. Het was onze eerste kennismaking met vuurwerk, het ergste moest nog komen. We kregen die avond te horen dat we gingen logeren bij opa en opoe. Die woonden op de hoek van de Kerkweg en Duikerstraat. Pa en Ma gingen de oudejaarsavond daar uitzitten. Toen we ‘s avonds daar aankwamen moesten we al vroeg naar bed. Vanuit de woonkamer kwamen we via een klein portaaltje in de voorkamer. Dat was indrukwekkend, we keken onze ogen uit. De voorkamer werd in die tijd alleen gebruikt als de pastoor op visite kwam. Het rook er een beetje muf. We gingen in de sjieke stoelen zitten en zaten overal met onze handjes aan, ondanks de vermaningen van opoe. Op de ramen waren bovenaan witte bloemmotiefjes geschilderd, indrukwekkend. Voor de gevelmuur stond een koude glimmende kolenkachel met een schouw. Op de schouw stonden allerlei dingetjes waaronder een hondje. Die had opa ooit uit de puinhopen in Duitsland gevist toen hij daar tijdens de oorlog moest werken. Gerard kreeg het hondje te pakken. Nieuwsgierig werd het hondje van alle kanten bekeken en besnuffeld. Onder de staart zat een wit parelmoeren knoopje. ‘Een hontie met ‘n glaaz’n kontie’ concludeerde Gerard. Gek dat zo’n uitspraak na al die jaren je zo kan bijblijven. Oma bracht ons naar het slaapkamertje waar Ma als kind ook had geslapen. Het was een bed met hoge zijschotten. Wanneer deze hindernis was genomen belanden we in een bed met een enorm dekbed gevuld met ganzendons. Het bed leek wel op een grote nest, wij waren de kuikens. Ma kwam nog even truste zeggen en zei dat we vannacht niet moesten gaan schrikken. Buurjongen Herman, aan de overkant van de Duikerstraat, ging om twaalf uur een Gillende Keukenmeid afsteken. Ma deed het licht uit, het werd stil. ‘Zul dat nie zeer doen, as ze zo´n wief afsteek´n’ vroeg Jos zich af. ‘Hoe hoog get zo’n wief wel nie’ zei Gerard. We vroegen ons totaal niet af of de Keukenmeid er wel mee eens zou zijn om afgestoken te worden. We gingen slapen, om twaalf uur werden we wakker van een ijzingwekkend gegil. ‘Daor giet ze’ concludeerde Henk. We kropen toch wel een beetje bang tegen elkaar aan. De volgende morgen waren Pa en Ma al vertrokken. We kregen van opoe boterhammen met roomboter. Het smeerde voor geen meter maar het was wel lekker. Na het eten trokken we onze nieuwe winterjassen aan. We hadden elk dezelfde jas, we waren net een drieling. Van opoe kregen we een ei mee, voor onderweg naar ons huis aan de Havenstraat. Voor de kerk liep de struif ons uit de jaszakken. Opoe had ons zachtgekookte eieren meegegeven. Enkele jaren later gingen we vuurwerk halen in Schoonebeek. Iemand had ons verteld dat daar vuurwerk te koop was. We togen op onze fietsen richting de Peel. We namen de brug over het Dommerskanaal, dan direct rechtsaf en dan direct weer linksaf. Hobbelend over het landelijke klinkerweggetje, de enige weg naar Schoonebeek, kwamen we langs een eenzame lantaarnpaal. Het was een eikpunt in een totaal onbekende wereld. Daar doemde het NAM-kantoor rechts van ons op, we schoten op. Nog een paar kilometer hobbelen, dan waren we in Schoonebeek. Hier kochten we voor zes gulden aan astronautjes en mitrailleurbanden. Thuis trokken we de mitrailleurband uit elkaar. We hadden dan honderden kippenscheten. Om het huis hoopte de rode papiertroep zich steeds meer op. Af en toe spiekten we naar binnen en zochten Ma. Als Ma van de knal schrok liet ze soms pardoes iets vallen. We snurkten dan als verkouden varkens. Later was er veel zwaarder vuurwerk te koop. Geen astronautjes maar atoombommen. Die knalden tien keer zo hard dan een astronaut. Met die atoombommen gingen we leuke dingen doen. In de schuur vonden we een oude zadel met de zadelpen er nog aan. De zadelpen was aan de bovenkant dicht. Hiermee toogden we naar het grasveldje aan de Eendrachtstraat naast de opslag van de Heidemei. Tegenwoordig zit daar het Wildhofje. We legden de zadel op de grond, staken een atoombom aan en lieten die in de open zadelpen vallen. Met een baksteen werd een tapse schoffelkruk in de buis geramd. Na de explosie vloog de kruk zo hoog de lucht in dat we het niet meer konden zien. Als we na een tiental seconden een doffe PLOF hoorden hadden we de schoffelkruk terug. Soms plofte de kruk pal naast iemand in het gras. Wij zagen echter geen gevaar, de volgende atoombom rookte al. We deden helaas ook minder nette dingen. Zo’n atoombom in een groene plastic brievenbus liet van de bus geen flar heel. Nog minder netjes was het om eerst bij de eigenaar van de brievenbus op het raam te kloppen. Wanneer die het gordijn open deed kon hij nog net zien hoe zijn brievenbus uit elkaar spatte. We deden dit overigs maar twee keer. Als volwassene werd bij mij twee keer de brievenbus opgeblazen, eigen schuld, het lot zegevierde. Zie het als een soort van WiederGutMachung. Geef een tiener een zware rotje en hij blaast er iets mee op. Zoals Harry die, zodra hij thuiskwam van rotjes kopen uit Schoonebeek, een rotje in de brievenbus van zijn buurman gooide. Het was notabene overdag en iedereen kon het zien. Gevolg, Harry kon gelijk naar binnen en mocht die avond en nacht niet met ons mee. Als vijftien- zestienjarigen struinden we op de oudejaarsavond naar spullen die we voor de kerk zetten. Slepen noemden we dat. Een honderden jaren oude traditie. Toen we merkten dat de mensen blij waren van de troep af te zijn stopten we subiet. We zochten andere jongensgroepen op om mekaar te bekogelen met astronauten. Complete veldslagen werden zo uitgevochten. Tegen tienen gingen we naar huis, deels omdat we trek hadden in iets lekkers, deels omdat we tot op het bot verkleumd waren. Na twaalf uur zochtten we mekaar weer op en trokken we Erica in. Overal waar licht brandden denderden we populair naar binnen en riepen we ‘Gelukkig neijaor’. We kwamen in lege huizen waar alle deuren open stonden en de lichten volop brandden. De bewoners waren bij de buren. Geen nood, we liepen de kamer rond en togen weer naar buiten. Niet zonder de visschotels op de salontafel volledig leeg te hebben gevreten. Van alle belevenissen rond de jaarwisselingen bleef mij toch een ding in het bijzonder bij. Het was de Gillende Keukenmeid die zich zo gewillig liet afsteken.

Geschreven door Henk Beukers

De windbuks

De windbuks

Wanneer Pa en Ma even afwezig waren moest huis en haard verdedigd worden tegen de vijand. Wapens werden verzameld. De paraplu, een hark en een steelpan. De deksel van de waspot diende als schild, de vijand was namelijk niet gek. Op de keukentafel werden alle wapens uitgestald. Veruit het belangrijkste wapen was de windbuks. Zolang de ouders van huis waren ijsbeerde ik door de kamer met de buks op de schouder. Alle ramen werden door de broers verdedigd. Geduldig zaten we op de vijand te wachten. Toen die na een half uur nog niet verscheen begon de verveling toe te slaan. Even later slopen we om het huis. Misschien was de vijand een beetje in de war. In de moestuin bleven onze ogen gericht op de hoge zaadkoppen van de uien. Deze stonden wel erg uitnodigend te priemen in de lucht. De buks werd aangelegd, even later knikte de eerste steel en boog de zaadkop als een lakei. De tweede, derde en vierde volgden al snel. Telkens wanneer een vijand neer ging welde een gejuich op in de frambozenstruiken. Toen de laatste zaadkop het loodje legde gingen we op zoek naar meer vijanden. Die waren er niet. Wim, de jongste aanwezige broer, moest de kruiwagen rechtop zetten achter in de tuin, daarachter nam hij plaats. We wachten tot hij zijn blonde kop over de rand stak en schoten met de windbuks. Na een harde PING op de kruiwagen verdween de blonde lok en hoorden we vaag een vloek mompelen. Deze vijand viel om de drommel niet mee, het was trouwens al een kunst om de kruiwagen te raken. We merkten niet dat Pa en Ma inmiddels weer in huis waren. Het verlaten huis stond wagenwijd open. Verbaasd keken ze naar de hark op tafel. Die lag naast de paraplu en een bak met ontbijtmessen. In de verte hoorden ze gejuich. Achter het huis vonden Pa en Ma hun lieve zonen. Wat moeten jullie met de windbuks en waar schieten jullie op? vroeg ma. Het gezicht van Ma werd een beetje wit toen Wim vrolijk zwaaiend achter de kruiwagen wegstapte. We moesten de windbuks direct inleveren. Met een sip gezicht sloften we voor een boze moeder uit het huis in. Pa stond met de windbuks in de hand naar zijn uien te kijken. Alle opgeschoten zaadkoppen lagen plat terwijl geen voetstap in het zachte zand te zien was. Even keek hij naar de windbuks. Hij schudde zijn hoofd, nee, dat kan niet. Het zal de wind wel zijn. De windbuks bleef zo een aantal weken buiten ons bereik. Toen mochten we weer. Ma waarschuwde ons vooral niet aan de zuidkant van het huis te komen. Vrouw Brink, onze bejaarde buurvrouw, was als de dood voor geweren en dat soort spul. Met onze trouwe blauwe ogen keken we Ma aan en beloofden niet aan de zuidkant van het huis te komen. Achter het huis keken we rond waarop we konden schieten. We wilden niet onze neef Herry nadoen. Die zette zijn hok met kanaries op een stronk en doorzeefde het met loden kogeltjes uit de windbuks. Menig kanarie sneefde die middag. Je kunt trouwens wat beleven met die kanaries. Mijn kameraad had een kanariekooi en wilde die schoonmaken. Hij zette het deurtje wagenwijd open want hij had gehoord dat je een kanarie gewoon kon laten vliegen in huis. Nadat hij de kooi had schoongemaakt zocht hij in de kamer naar de kanarie. Die hing aan een gordijn in de voorkamer. Met wat handgeklap werd het beestje opgejaagd. Het gele bolletje vloog van de voorkamer naar de keuken en verdween pardoes in het gat van de geiser. Die brandde op dat moment naar hartenlust omdat iemand stond te douchen. Door het gat zag je nog net een paar verkoolde vleugeltjes nawapperen boven de blauwe gasvlammen. Afijn, de kooi was schoon. Met de windbuks in de hand stonden we heel even naar de kippen te loensen. ‘Waog ‘t niet om op de kipp’n te schiet’n’, riep moeder nog. We vonden een glazen jampotje en zette die op de paal van de kippenren. We namen afstand en begonnen te schieten. Elke keer als we een PING hoorden had degene die schoot een punt verdiend. Soms hoorden we een harde PING waarbij het jampotje van de paal kukelde, soms een zachte PING waarbij het jampotje niet bewoog. Maar PING is PING, dus een punt. Tot een zeer boze moeder verscheen. ‘Wat he’k jullie nou zegt, niet op het zuud’n van ‘t huus’. Verschrikt keken we Ma aan, We waren niet op het zuiden van het huis. Toch moesten we van Ma in huis komen. Daar zat een doodsbange oud vrouwtje nog na te zeveren van een benauwd avontuur. Het was buurvrouw Brink. Schokkend vertelde ze dat tijdens het middagdutje haar de kogels om de oren vlogen. Ze moest in vuurdekking en had in tijgersluipgang haar slaapkamer moeten verlaten. Verbaasd stonden we even later bij haar slaapkamerraam. In het glas zat een gat. Wanneer je daar doorheen keek zag je in de achterwand naast de deur diverse gaatjes. Coool. We draaiden ons om en zagen precies in het verlengde van het schootsveld ons jampotje op de paal van de kippenren staan. We kregen ruzie, de zachte PINGEN die we hoorden na een schot met de windbuks telden niet mee. Toen werd niet het jampotje geraakt maar buurvrouw Brink. Dat is toch anders. De windbuks ging weer voor een tijdje de kast in. Toen we weer mochten schieten gingen we oefenen op ons huisnummerbordje. We woonden op 107 waarbij de nul een roos vormde. We schoten op de nul tot het blik was verfrommeld. Alles ging goed, we waren braaf bezig met de windbuks. Tot Frans Vinke kwam. Frans droeg een legerjas, daarmee was hij een militair. Hij noemde onze windbuks smalend een proppenschieter en daagde ons uit op hem te schieten als hij weg fietste. Ach, dat wilden we wel. We wachten geduldig tot Frans halverwege het sintelpad fietste richting de Havenstraat. Ik legde aan, stelde het vizier een beetje bij en schoot. Frans gaf een gil en viel van zijn fiets. Tevreden knorrend keken we elkaar aan. Naar Frans toe gelopen zat hij grinnekend tussen een paar zonnebloemen. Precies midden op zijn legerjas zat een donker drukplekje. Nog steeds een proppenschieter Frans? Ma had tot afgrijzen het hele schouwspel aangezien. Dit keer was het afgelopen, we moesten alle kogeltjes inleveren en mochten ook geen nieuwe meer kopen. Een week later zat Ma met een pincet bij mij een kersenpit uit de bil te pulken. Vaag grinnikend zei Jos dat een kleine kersenpit prima in de windbuks paste. Het was de laatste keer dat we als tiener de windbuks zagen.

Geschreven door Henk beukers

Beesten om ons huis

Beesten om ons huis

Onze eerste huisdier die we aan de Havenstraat mochten begroeten was hond Lexie, een Jack Russel. Lexie kwam van mijn oom Minne. Mijn oom stond toentertijd op Erica bekend als ‘Minne met de iene niere’. Bij oom Minne hadden de kinderen de gewoonte om Lexie te pesten. Onder luid gelach werden steentjes naar zijn kop gegooid. Dan kon ie zo lekker grommen. Lexie was naar hartenlust verpest en was een chagrijnige hond. Een streel over de kop van Lexie kon uitlopen op een beet in de vinger. Toen Lexie vaker ging bijten werd het beestje bij ons afgeleverd. Wij waren blij met Lexie. We hadden niks, we waren overal blij mee. Trots liepen we om het huis met Lexie aan de lijn. Aan de Havenstraat zagen we de jongens van Bekelaar lopen. Hun moeder was een dochter van Poelman de jager. Die lui van Beekelaar mochten we niet. Niet om het een of ander, gewoon zomaar. Die joegen we Lexie aan. Lexie deed waar het goed in was, grommen en grauwen. Al spoedig renden de jongens van Bekelaar voor ons uit, dan kwam Lexie, dan een stuk strak touw, dan een paar meegezeulde tevreden knorrende jongens van Beukers. We hadden een wapen, Lexie. Een nadeel van het wapen was dat het soms tegen ons keerde. Herhaaldelijk werden we gebeten. Dit ging zo een paar keer door. Tot Pa de wenkbrauwen fronste. Een dag later was Lexie verdwenen. We zochten overal. Achter de schuur, bij de buren, op de Havenstraat, overal. Een week later vonden we de hond. Waarom kwam Lexie niet keffend naar ons toe? Lexie had een goed excuus om niet naar ons toe te rennen. Lexie was verzopen. Een pofferig Lexie dreef zachtjes en stilletjes in de eerste Boerenwijk. Om zijn hals bevond zich een touw met een vijftal bakstenen. We waren woest. De volgende ochtend werden aan de Havenstraat de jongens van Bekelaar opgewacht door de jongens van Beukers. ‘Jullie hebb’n oonse hond verzeup’n’, schreeuwden we en vlogen ze aan. D’r vielen een paar rake klappen. De Bekelaartjes jammerden dat ze van niets wisten. ‘Nog lieg’n ok’?!! PATS ging het weer. Uiteindelijk werden de jongens van Bekelaar ontzet door hun oudere broer. Nu moesten wij maken dat we wegkwamen. Vele jaren later bekende Pa dat hij degene was die Lexie in het kanaal had gegooid. ‘Ondanks alle stien’n kwam hij toch nog boov’n driev’n, toen he’k hum maor onderdrukt’ was zijn nuchtere uitleg. Achteraf de juiste beslissing. In die tijd was een dierenarts onbetaalbaar. Een vals dier werd in die tijd verkocht aan ‘Jan Plomp’. Na Lexie kwamen de katten. Tot afgrijzen zagen wij dat de moederpoes telkens haar jongen doodbeet. Op een pikzwarte jong na. Jarenlang hebben we zodoende pikzwarte katten gehad. Moederpoes kreeg een ferme trap onder de staart wanneer we weer dode jonge katjes in haar nest vonden. Hoe is het toch mogelijk dat die kat steeds een zwarte jong liet leven. Wat moederpoes niet wist en wij ook niet: Pa hield van zwart. Een keer liet moederpoes een zwart-wit bont gekleurde jong leven. Waar kwam die zo gauw weg? Het beestje lag niet in het nest. Wij waren verrast, Pa ook. Dan moet het wel een goeie kat zijn. Hij mocht blijven. Toen het jong groot was moesten we van Pa een keus maken. Een van de katten moest weg. We konden het niet over ons hart verkrijgen om de jongste kat weg te doen. Op een vroege ochtend stonden we op de Strengdijk en kieperden een zak leeg. Een gitzwarte kat stond nieuwgierig om zich heen te kijken. Een tel later waren we weg. Boer Jans Bruins had er weer een kat bij. Onze overige katten sneefden steevast onder een auto op de Havenstraat. Die moesten op ons erf begraven worden. Zo kreeg broer Chris een keer de zware taak op zijn schouders. Bij gebrek aan een kruis begroef hij de kat met de staart boven de grond. Op die manier voorkwam hij het zoekraken van het graf. Handig. Jaren later kwam mijn jongste broer Herwin met een pub in zijn armen aangelopen. Bij buurman Roling had de hond jongen gekregen. Herwin mocht zomaar een pub uit het nest kiezen. We keken allemaal vertederend naar het hondje, een teefje. Behalve Ma, die keek even verwijtend naar het huis van Rolink. De volgende 17 jaar werden we steevast in huis verwelkomt door Loekie, een kleine rassenhond waar we allemaal zo verschrikkelijk wijs mee waren. Loekie werd heel oud en kon op het laatst niet meer. Loekie kreeg een spuitje en werd tot mijn afgrijzen achter gelaten bij de dierenarts. Onze trouwe Loekie kreeg zodoende geen waardig grafje op ons erf. Jammer maar het is niet anders.Na Loekie kwamen achttien ganzen. Een van de ganzen werd bij bakker Gerard Kolker geruild tegen een gent. In het afgerikte weiland werden steeds twee deuren tegen elkaar gezet en vormden zo een dakje. Daaronder broedden de ganzen. De vrouwtjes werd bewaakt door de gent. Die beet nog harder dan Lexie. Wanneer Ma de beesten had gevoerd moest ze over het gaas stappen. Dan had ze een seconde nodig om zich om te draaien. Op die seconde wachtte de gent. HAP. Ma had er weer een blauwe plek bij. De ganzen bezorgde buurman Willem Wessel bijna een hartverzakking. De ganzen konden met hun geknipte vleugels niet vliegen. Maar een harde windvlaag tilde de dieren moeiteloos op. Zo ook die keer. Een sterke windvlaag hief een drietal ganzen hoog in de lucht en ze ploften zo’n dertig meter verder als massieve witte bollen terug op aarde. Pal naast de buurman. Die was bezig met onkruid wieden in zijn moestuin. Het plotseling daverend witte geweld uit de hemel deed hem bijna zijn adem stokken. Dat was gelijk het einde van de ganzen. Wegvliegen?, ze verdwenen allemaal in de pot. Toen kwamen de kalkoenen. Daarvan kan ik me herinneren dat eentje ziek was. Het beest stond tegen het gaas te treuren, d’r zat geen muziek meer in. De kalkoen at niet en dronk niet. Als we niets deden dan ging het beest dood. Pa wreef zich bedenkelijk over de kin, toen klaarde zijn gezicht op. ‘We geem die kalkoen een Sinasprilligie’. Als kind knapten we vaak snel op na het innemen van de pijnstiller-met-sinasappelsmaak. De kalkoen kreeg een halve Sinaspril in de strot geduwd. Nieuwsgierig bleven we een kwartier staan kijken hoe het met de kalkoen verging. Die maakte de kwartier niet vol. Stuiptrekkend liet die na 10 minuten het leven. ‘Hmm, we hadd’n hum ‘n kwart tablettie moet’n geem’, concludeerde vader. Einde kalkoenentijdperk. Wederom kreeg Chris de taak om de kalkoen achter in de tuin te begraven. Als recalcitrante tiener had hij wel andere dingen te doen. De diepte van het graf was omgekeerd evenredig met de zin tot graven. Enkele weken later sprak het gezicht van de buurvrouw boekdelen. Vrolijk kwispelend was hun hond het huis binnengelopen en had een cadeautje op het tapijt gelegd. Het was de Sinaspril-kalkoen die inmiddels wel eeerrrrug uit de bek stonk.

Geschreven door Henk Beukers

Ons Huus 1

Ons Huus 1

Begin jaren zestig verhuisde de familie Beukers van de Eendrachtstraat naar de Havenstraat. We verhuisden naar een huisje op het veld. Via een zandpad, later sintelpad, die aansloot op de Havenstraat was het huisje bereikbaar. Achter het huis kon je tot aan de horizon kijken. De ‘Skyline’ van Nieuw Amsterdam was duidelijk zichtbaar, maar ook de toren van Sleen. In de verte gleed de trein door het landschap naar Emmen. Maar goed, we hadden nog eerst een klus te klaren. Onze plek veroveren op de kinderen in de buurt. De Voorzienigheid hielp ons daarbij. We kregen Roodvonk, een besmettelijke kinderziekte. Dat werd in de buurt bekend. Alle kinderen werden gewaarschuwd bij ons uit de buurt te blijven. In plaats van ziek te zijn waren we zoals gewoonlijk actief. Schaamteloos joegen we de buurtkinderen uit elkaar en pikten hun hutten in. Als ze niet snel genoeg opschoten wezen we naar de rode vlekjes op onze huid en riepen hun toe, ‘t is besmetteluk heur!’. Ze vlogen voor ons uit. Tevreden knorrend hadden we weer een hut of voetbalveldje veroverd. Ons Huus, gekocht met alle bijeen geschraapte geld van Pa en Ma, was eens het huisje van Poelman. Poelman was een jager van het illustere soort. Zijn gezicht verborg hij grotendeels in een dikke baard en hij had zo zijn eigen opvattingen voor wat betreft jachtvergunning en -seizoenen. Wanneer deze vroeger langs het openbare kerkhof richting het oostelijke gebied van Erica liep (Bargerwesterveld) mompelde opa Beukers aan de Kerkweg, ‘doar lup Poelman ok weer met zien stief bien’. De hazen hadden weer een minne dag. Het was een publiek geheim toentertijd op Erica. Poelman was niet mank maar liep met een stijf been om zijn jachtgeweer te verbergen. Niet veel later sneefde ver achter in het Bargerwesterveld de eerste haas. Poelman schoot alles in repen wat hij voor de loop kreeg en keek niet naar richting. Soms tikten bij huizen aan de Kerkweg de loodkorrels op de dakpannen. Verbaasd keken we in ons nieuwe huis naar een gat in het plafond. Het gat was dichtgemaakt met een dikke kurk. Poelman had daar op een stoel in de kamer gezeten, tijdens het schoonmaken van zijn ‘Flint’ was deze afgegaan en had hierbij dwars door het plafond geschoten. Het huisje, hoe klein ook, werd nog bewoond door het echtpaar Braam. Naast de Deel hadden zij een kamertje en een slaapkamertje. Volgens broer Gerard had vrouw Braam ‘de wereld in de kont’. Vrouw Braam had namelijk het figuur van een globe op steeltjes. Braam dacht recht te hebben op het huis. Hij bleek genoeg rechten te hebben, alleen geen geld. Als tussenoplossing werd afgesproken dat ze een half jaar een gedeelte van het huis konden huren. Na een half jaar vertrok Braam en zijn globe. Ze ‘vergaten’ de huur te betalen. Maar Braam was niet slim genoeg. Zijn turfbult stond nog achter ons huis. Toen hij die turven kwam ophalen kreeg hij van Pa te horen dat eerst de huur moest worden betaald, dan mocht hij de turven opladen. Met een smerig gezicht trok Braam de portemonnee en betaalde de achterstallige huur. Later hoorden we dat hij Pa een ‘minne kerel’ vond. Onze buren was de familie Brink, ook hier was de vrouw een dochter van Poelman. Brink had een zoon, Roelf. Net als Braam dacht ook zijn oomzegger genoeg recht te hebben op ons huis. Hij had echter net zoveel geld als zijn oom, namelijk geen. Roelf Brink was verbitterd over het feit dat anderen ´zijn huisje´ betraden. Als opzichter van de gemeente nam hij op een valse manier wraak op mijn ouders. Toen we het huurhuis aan de Eendrachtstraat verlieten ging hij met een vergrootglas door het huis op zoek naar onregelmatigheden. Zo joeg hij mijn ouders nog even flink op de kosten. Roelf Brink heeft nooit een eigen huis gehad, net goed. Pa en Ma hadden net genoeg geld over om een sloophuis achter Frans Savenije te kopen. Van het sloopmateriaal werd achter ons huis een schuur gebouwd. Alle stenen werden zorgvuldig afgebikt om te worden hergebruikt. Ook de spanten werden weer als spanten hergebruikt voor de schuur. Het metselen ging mijn vader goed af, hij vergat alleen aan een kant het touwtje aan de profielbalk mee te nemen zodat in de muur een verschil van een steen ontstond. Niemand die het zag, behalve oom Bennie, die was dan ook een timmerman. Achter de schuur was het open veld, altijd stond er een harde wind. Toch speeelden we daar vaak voetbal. Pa had een een houten vat gekocht van de AKU. Daarop konden we prachtig staande balanceren. Tot die keer dat ik samen met Chris van de ton af flikkerde. Zijn vingers belandden onder mijn hak. Chris huilde van de pijn. Wij mekkerden dat hij zich niet zo moest aanstellen. Maar Chris huilde door. Hij bleef maar doorhuilen, de aansteller. Ma was gelukkig verstandiger, die vond dat hier een dokter naar moest kijken. Bleek Chris twee gebroken vingers te hebben! Eind van de middag kwam Chris terug, ons zeer verwijtend aankijkend. Verbaasd keken we naar al dat gips aan zijn hand, cool. Door de jaren heen werd ons huis vaak door Pa verbouwd. Het Dak werd verhoogd, kamers werden ruimer, de ramen werden groter, er kwam een slaapkamer bij, het ging maar door. Gelukkig bleef de zolder buiten de verbouwingen. Dat was een tijdje onze koninkrijk. Vanuit het zolderraam kon je kijken naar de Bladderswijk. Hier brandden `s avonds altijd drie lampjes. Die werden door ons al snel de drieling genoemd. Op zolder hadden we zelfs met drie man sterk nog een tijdje geslapen. Hier lagen we dan ‘s avonds vanuit het bed naar de Bladderswijk te kijken en te mijmeren wie op de drieling woonde. Moeder vond de vliering niet langer vertrouwd, te brandgevaarlijk. Temeer toen ze ons betrapte met een kampvuurtje op het nachtkastje. Op zolder waren geen sanitaire voorzieningen. Voor de ‘grote boodschap’ moesten we naar beneden. Voor de ‘kleine boodschap’ hadden we, als jongens, inventieve oplossingen bedacht. Zo uit het zolderraam plassen kon niet. Onder het zolderraam bevond zich de grote raam van de voorkamer. De straal zou ons direct verraden. Een stuk stalen stofzuigerbuis bleek de oplossing. Die vonden we ergens op zolder. Vanuit de zolderraam kon de kromme buis over de windveer van het dak worden gelegd. Plassen maar. Best spannend, dat wel. Met knikkende knieen wachtte ieder op zijn beurt. Op zolder stond een dressoir met drie kastjes en een lade. Van onze ouders mochten de vier oudsten de kastjes verdelen. De verdeling verliep volgens het recht van de sterkste. Gerard en Jos kregen de twee ruime kastjes aan de buitenzijden van het dressoir, ik kreeg het kleinere middenkastje en Wim de lade. Elk kastje en lade had een eigen sleutel. Ieder van ons vulde zijn ruimte met privéspullen. In de praktijk hield dat in, oude Sjors&Sjimmy’s, Donald Ducks en wat speelgoed. In het begin werd ieders stukje privé gerespecteerd. Dat veranderde toen we merkten dat de lade van Wim eenvoudig was te openen met een keukenmes. Een dag later was zijn lade leeg. De maanden erop loensden we ons scheel om te ontdekken waar ieder van ons de sleutel van zijn kastje verstopte. De maand erop was Gerards kastje leeg en Wims lade propvol. Toen was Jos zijn kastje leeg, Wim’s lade leeg, Gerards kastje was al leeg en de mijne propvol. Een dag later was mijn kastje leeg en de deur eruit gesloopt. Dat was het einde van het dressoir maar het leven ging door. Wim kwam met iets leuks. Hij had een mini blaasbalgje gevonden. Alle broers verzamelden om hem heen. Wat was dat nu? Een blaaswatte? Wanneer je d’r in kneep klonk het balgje KOE. Wim werd helemaal enthousiast. Hij wist nog wel zo`n blaasbalgje, die deed KOEK. Die middag speelden we met de miniblaasbalgjes. Achter elkaar. Het ging van KOE KOEK. Leuk. Die avond zat Pa in de stoel een beetje sip voor zich uit te kijken. Voor hem lag een stapeltje voorzichtig in elkaar getrapt houtsnijwerk en wat andere verbogen koperspul. Het was de Koekoeksklok uit de nalatenschap van zijn ouders.

Geschreven door Henk Beukers

Mariechie

Mariechie

Als 10 jarige schooljongen vormde ik met broer Jos, neef Harry, buurjongen Herman, de vrienden Willie, Eric, Bennie, de gebroeders Henk en Rieks Vinke een hechte kameradengroep op Erica. Met name in de vakantieweken waren we vaak in wisselende samenstelling te zien in het veld ver achter Bennie`s huis of in en om het Ericaase bos. Omdat we een stelletje smeerpoetsen waren die overal in doken moesten een aantal van ons van de moeder een overall dragen. Jos en ik hadden een blauwe overall van onze vader, van de AKU in Emmen. Van verre waren we te herkennen aan onze blauwe ‘clubpakken’. Joop, toenmalig beheerder van het Parochiehuis, riep wel eens: ‘O jee, daor kom`n de blauwe overall`s weer aan’. Op de Kerklaan liep dan zo`n groepje slungels die elkaar probeerden te laten strompelen, wat af en toe onder luid gelach lukte. Voor elk seizoen hadden we zo onze verblijfsgebied op Erica. Vaak was dat het ruime veld, soms in een kapschuur of strobult. Neem de periode vlak na de schoolvakantie, in augustus-september. Die periode hadden we speciaal gereserveerd voor Mariechie. Mariechie was een oud vrouwtje die woonde aan de Kerkweg dichtbij de kruising met de Havenstraat. Eigenlijk was van een kruising geen sprake, de twee straten vloeiden in elkaar over tot Ericaase straat. Vroeger stond in de oksel van deze Y-kruising de bakkerij van Ahlers. Het huis was allang verdwenen maar achter de bakkerij bevond zich een boomgaard die bestond uit appelbomen. Deze boomgaard had de tand des tijds doorstaan. Niemand kwam echter zomaar aan de appeltjes. De appelbomen werden door Mariechie bewaakt alsof de bomen de hare waren. Wanneer we in augustus als grote blauwe spreeuwen neerstreken in de boomgaard ging het ons helemaal niet om de appels. Toch waren ze op dat moment voor ons de lekkerste appeltjes op Erica. De boomgaard bestond uit zo`n zevental appelbomen met vruchten die allemaal verschilden van kleur en smaak. Bakker Ahlers had toentertijd vast lekkere appeltaarten in de aanbieding. Al vroeg in de middag klommen we met veel kabaal in de bomen. Ondertussen keken we met een schuin oog verwachtingsvol naar het huisje van Mariechie naast de boomgaard. Zelfs de achterbuurjongen van Mariechie, Bennie Benes, liet zich die middag het plezier niet ontnemen en nam plaats in een van de fruitbomen. Het duurde niet lang of achter het huisje bewoog iets. Reikhalzend probeerden we te ontdekken of daar al iets sudderde. En ja hoor, daar kwam ze aan, onze Mariechie. Niks oud vrouwtje, eerder een felle. Als door een Hoornaar gestoken kwam ze de boomgaard oprennen. Haar knuistje ging omhoog, ‘kom d`r uut rotjong`n, blief van mien appels af!’ krijste ze. Dat was Mariechie ten voeten uit. Glunderend namen we positie op de onderste takken. Het feest ging beginnen. Het vrouwtje kon uiteraard niet meer in de boom klimmen, dat wisten we al jaren, we waren dus veilig. Wat ze wel kon deed ze met volle overgave: het gooien met appels. Appels lagen her en der op de grond, ze had dus genoeg munitie. Telkens als ze een salvo naar boven gooide, soms gepaard met gejuich van ons, maakte dat ze weg kwam. Door de zwaartekracht kwamen de appels immers weer terug, Mariechie was niet gek. Wanneer het weer veilig was voor haar, nadat de laatste appel was teruggevallen, stoof Mariechie weer naar de plek onder de bomen om nieuwe appels voor het volgende salvo te rapen. Ondertussen kreet ze allerlei verwensingen uit richting onze zijde. Voor ons was het allemaal niet gemakkelijk hoor, het was hard werken! Door de slappe lach verloren we bijna de controle over onze armspieren. We hadden de grootse moeite om niet uit de boom te donderen. Daar moesten we toch ook niet aan denken, we konden wel op Mariechie vallen en haar verwonden. Die risico wilden we absoluut niet nemen, we konden haar niet missen. Bovendien was het pas augustus. Mariechie en wij hadden nog alle tijd, de appeloogst was nog lang niet voorbij. Op het laatst kwam het vrouwtje tot de conclusie dat appels gooien geen optie was. Hier paste grover geschut. Scheldend en tierend verdween ze in haar schuurtje achter het huis. Na wat rommelen kwam ze vervaarlijk aanlopen met een mestvork. Elke blauwe spreeuw ging nu een takje hoger. Het was tijd voor de volgende act. Hier kregen we pas waar voor onze appels. We verheugden ons op het volgende schouwspel en keken verwachtingsvol naar beneden. Daar stond een heuse razende heks die geen bezemsteel maar een mestvork naar boven smeet. Elke keer dat de vork de onderste tak raakte riepen de blauwe spreeuwen simultaan van oeoeoeoe en ahhhhh. Echt, we leefden met haar mee en wilden haar niet teleurstellen. Vooral het wegsprinten van het oude vrouwtje na het opwerpen van de mestvork deed telkens opnieuw een lachsalvo opwellen. Wat een sprint kon ze nemen voor een tachtigjarige. Maar Mariechie werd moe, ze was per slot van rekening ook de jongste niet meer. We hadden daar begrip voor en hadden geen bezwaar dat ze even naar huis wandelde voor een korte pauze, als het maar niet te lang duurde. ‘Wacht maar rotjong`n’, schreeuwde de kleine feeks ons toe, ík haal Teunis erbij’. Teunis was haar man en hield niet van appels. Teunis hield overigs nergens wat van maar had thuis niets te zeggen. Ondertussen fluisterden we onderling: ’He`j `t al heurt? Ze haalt Teunis d`r bij’. Handenwringend zaten we ons te verkneukelen op het slotstuk. Het duurde niet lang. Daar kwam Teunis aangesloft. Een verveeld uitkijkend oude man met zijn handen in de zakken die duidelijk helemaal geen zin had om die rotjongens in de appelbomen weg te sturen. Teunis had een talent waar we allemaal erg trots op waren. Teunis had namelijk een enorme schat aan scheldwoorden. Met zijn handen nog steeds in de zakken nam hij plaats onder de bomen en keek naar boven, ‘Ik snie joe van boov`n tot benee`n open, stukk`n galgenaas’, schold hij dan. Dat ging zo een aantal minuten door waarbij we de ergste ziekten en aanverwante complicaties naar onze hoofden geslingerd kregen. Vol bewondering zaten we hem aan te gapen. Wauw, waar haalde hij het toch allemaal vandaan. Hier kon je nog eens wat van leren. Buurjongen Bennie kreeg het nu erg moeilijk, bij elke nieuwe verwensing schoot hij nog verder in de lachstuip. Bennie was nog niets gewend, wij waren al veel verder. Dusss. Op gegeven ogenblik was het stil. Teunis was door zijn repertoire heen. Zwijgend, zijn handen bleven in de zakken, draaide hij zich om en liep terug naar huis. Wat mochten wij die man graag. We riepen nog net niet ‘tot morgen Teun’. De voorstelling was voor die middag voorbij. We verlieten de boomgaard en gingen het veld in om hutten te bouwen. Met het verstrijken der jaren veranderde er iets bij Mariechie. Ze werd oud, ze kwam niet meer naar buiten. Bezorgd gooiden we vanuit de bomen een paar appels tegen haar voordeur. Mariechie bleef echter weg, Teunis ook. Voor ons was het niet meer leuk. Als het zo moet. Voornamelijk uit protest bleven wij ook weg. Het jaar erop bleef de boomgaard leeg van blauwe spreeuwen, de appels werden rijp, vielen op de grond en kregen een roemloos eind in het hoge gras.

Geschreven door H. Beukers

4 of 5
12345