Natuur

Bomen op Erica 2

Bomen op Erica 2

Dit jaar zijn onwaarschijnlijk veel bomen uit onze omgeving verdwenen. Met steeds groter materieel gaat afdeling Groen het groen efficiënter te lijf. Honderd jaar boom transformeert in een uur tot een forse molshoop. Waarom heten de afdelingen Groen eigenlijk groen? Is het daar de kleur die wordt gehaat? Er wordt gehakt alleen omdat een deskundige het zegt. Zoals een schilder zijn werk naar een bestaansreden redeneert zo lijkt hier beleid te worden gemaakt. Onder het credo ‘Jullie kunnen beter over m’n verf lullen dan over m’n lul verven’. Ondertussen zijn tientallen bomen dit jaar op Erica geruimd. Achterop de Veenschapswijk vormen zich de Killing Fields van bomen. Soms wordt een gezonde boom omgezaagd terwijl zijn dode soortgenoot er naast mag blijven staan. Het beleid lijkt volkomen willekeurig. ‘Ze’ zullen wel weten wat ze doen. Maar is dat zo? Neem het voorbeeld van de bomen die toentertijd vanaf Zuidbarge langs de Ericasestraat tot aan de Verlengde Herendijk gekapt moesten worden. Dat werd tot aan de snelweg A37! Zo’n honderd bomen teveel werden gekapt. Of een blunderende kerkbestuur die een snoeibedrijf in het Kerkenbos zijn gang liet gaan. Het bedrijf mocht het gekapte hout houden. Mooie ‘deskundige’ praatjes konden de hebberigheid niet verbergen. Na de Novemberstorm van 1973 voltrok zich wederom een ramp in onze kerkenbos. Het werd volledig geplunderd.

Hoe het was.

Hoe het was.

Hoe het is.

Hoe het is.

 

 

 

 

 

 

 

Dan de boomhaters aan de Havenstraat die misbruik maakten van hun politieke invloed bij Gemeente Emmen. Lege plekken in de bomenrij langs de straat zijn stille getuigen van dit soort willekeur. Sindsdien gaat het gezaag en kap maar door. Mocht het een geldkwestie zijn, voor een huiseigenaar kan een gekapte boom zijn ontroerend goed waarde wel degelijk naar beneden brengen. Kijk naar de woningen aan de Kerklaan. Een gezonde goed onderhouden boom kan juist de waarde van een woning met 10 tot 20 % verhogen.

'Deskundig' snoeien.

‘Deskundig’ snoeien.

Is het dan een mogelijke aansprakelijkheidskwestie van de gemeente? Bijvoorbeeld vallende takken? Het overlevingsmechanisme doet een gesnoeide boom meerdere scheuten aanmaken. De scheuten ontstaan uit knoppen die in de bast zitten van de oude tak. Anders dan bij normaal ontwikkelde zijtakken die zich in een kamertje van overlappend stam of takweefsel ontwikkelen, worden deze nieuwe scheuten alleen vastgehouden in de buitenste laag stam of takweefsel. Helaas zijn de scheuten gevoelig voor breuk, vooral tijdens harde wind. Die bomen zijn nu extra breukgevoelig en kunnen daardoor gevaarlijk zijn. Aangezien door gerechtelijke deskundigen het te rigoureus gesnoeide van bomen wordt gezien als een onacceptabele snoeimethode, kan een rechter besluiten dat de Gemeenten aansprakelijk zijn voor de door de boom aangerichte schade. Boom als lichtvanger dan maar? Vaak word als reden om een boom te snoeien gezegd dat de boom te veel licht weg neemt. Een gesnoeide boom neemt echter na een aantal jaren veel meer licht weg als een boom die helemaal niet gesnoeid is. Er komt veel meer licht in huis wanneer men gewoon de onderste takken van een boom wegneemt. Maar al te vaak hebben de afgezaagde takken de leeftijd van de uitvoerders. Waarom al die jaren zo’n tak gedogen en dan opeens afzagen? Een wond achterlatend aan de stam ter grootte van een soepbord. Terwijl een boom biologisch gezien alleen maar is toegerust om een wond af te grendelen die niet groter is dan 10 cm doorsnede. De grote open wonden leggen het binnenste van de boom bloot als toegangspoort voor aantastingen en infecties. Daarnaast kan kan teveel van de blad dragende kroon van de boom worden verwijderd. Omdat de bladeren de “voedselfabriekjes” van de boom zijn, wordt door het in één keer verwijderen de boom uitgehongerd. Het wegnemen van een zo groot percentage van de kroon doet bij de boom een soort van overleveringsmechanisme in werking stellen. De boom moet zo snel mogelijk nieuwe bladdragende takken aanmaken om te zorgen dat zij weer voedsel kan produceren voor stam en wortels. Om voldoende nieuwe twijgen aan te maken, moet de boom putten uit haar energie reserves aanwezig in de stam en wortels. Door de onverwachte vraag naar zo veel opgeslagen energie zal de boom serieus verzwakken en soms zelfs binnen 3-5 jaar sterven. Zien we hier de veroorzaker, rechter en beul in dezelfde persoon? Cyclisch werkverschaffing per zagende ketting? Als opgeheven armen verdwijnen de takken in een hongerige machine. Een snerp geratel, de tak is gedegenereerd tot pulp. Ook de boomstam verdwijnt. Die zien we terug achter een oranje netje bij de benzinepomp. 4 euro voor een achttal blokjes. Miljoenen euro’s moeten in dit bedrijf omgaan. Misschien naderen we nu het èchte motief van al dat gezaag en gekap. Is hier sprake van professioneel snoeibeleid van afdeling Groen of is ze gewoon de hoer van de Gemeente? Plat brengt geld op. Waar miljoenen aan gemeenschapsgeld omgaan wordt, normaal gesproken, eerst het beleid door diverse instanties en inspraakorganen afgezeken. Maar instanties als dorpsraden krijgen geen enkel inzicht in het snoeibeleid van de Gemeente. Dorpsraden mogen slechts constateren hoe zagende kettingen onschuldige bomen in hun dorp te lijf worden gegaan. Die mogen slechts constateren dat geen herplant plaatsvindt op de plek waar ooit een natuurmonument stond. De dorpsraden hebben op dit punt het nakijken. Met zo’n attitude van een overheid wordt een verkeerd voorbeeld gegeven. Het is de schuld van de boom. Dat het niet goed gaat in de wereld hebben we te danken aan bomen. Menig automobilist laat het leven tegen een boom. Het zijn creaturen non grata die ons het zicht op de zon ontnemen, ons elk jaar lastig vallen met vallende bladeren. We hebben geen hout meer nodig om ons huis te verwarmen, bomen zijn overbodig. Vogels kunnen fluiten vanaf een vlechtscherm, kunnen ze de kat ook beter zien aankomen. En dat genestel van die beestjes geeft alleen maar gedoe in de takken. Ze kunnen ook nestelen in nestkastjes. Als er dan toch nieuwe bomen moeten worden geplant gebeurd het met handzaam twijgjes. Hypercorrecte ambtenaren lijken eerder rekening te houden met het zwakke gestel van fervente boomhaters. Dat ze bij het afbreken van het stammetje toch geen hernia oplopen. De kosten in de gezondheidszorg zijn al zo hoog. Overleefd het stammetje het eerste levensjaar dan ontbreekt hierna elke vorm van nazorg. Op genoemde vandalisme maar ook op perioden van droogte lijkt niet gereageerd te worden. Wat afsterft blijft leeg, jullie wilden toch in de natuur het recht van de sterkste, survival of the fittest? Bovendien, elk jaar controleren of ze groeien, desnoods herplant, geeft alleen maar gedoe. Dat is precies wat overheden niet willen, gedoe.
Sommige mensen zien een boom als een levend organisme, met begrip van zijn vitale functies, als een bron van profijt en plezier.
Anderen zien een boom als brandhout.

Het kan ook anders.
Het is een fabel dat een boom die je in de hoogte snoeit meer in de breedte gaat groeien. Snoeien maakt de boom alleen maar gestrest. Soms is het nodig om de omvang van een boom te verkleinen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een boom met haar takken laag boven de straat hangt of dicht bij een bouwwerk komt of wanneer buren moeite hebben met de takken boven hun tuin. Voor de boom is het veel beter om in die gevallen (gefaseerd) hele takken rondom aan de onderzijde of aan één zijkant weg te nemen. Van dit soort snoei wordt de boom dan soms asymetrisch, dit heeft geen gevolgen voor de stevigheid van de boom. Het is hetzelfde als de takken van een boom in het bos, die beginnen ook pas heel hoog en aan de bosrand zie je dat bomen ook maar aan één zijde takken hebben.

Geschreven door Henk Beukers

Bron: pksboomverzorging.nl

Mythe van de zwarte specht

Mythe van de zwarte specht

Theo Schildkamp benoemde de mooie vogel al in zijn vele prachtige verhalen. Ik heb hem zien vliegen in Gross Dorgen. De zwarte specht. Het is een vrij zeldzame broedvogel van hoog, gemengd naaldhout, voornamelijk in het oosten en zuiden des lands. Met wijdgespreide voeten klautert hij langs de boomstammen naar boven. Hij heeft de kleur van een kraai, de vliegwijze van een gaai: hij fladdert, een beetje op de wijze van de hop. Hij heeft een bijzonder geluid: een hoog raspend kruu-kruu-kruu. De zwarte specht heeft iets weg van een kardinaal: een echte zwartrok met een streng snuitwerk en een rood kalotje op. Het is een van de weinige vogels waarover Plinius een mythe beschreef. Der Schwarzspecht ist ein Kräutermann, het vers verhaalt van het wonderbaarlijke kruid dat slechts de specht weet te vinden, het voorjaarswortel van de Salomonszegel. Alle deskundigen zijn het er sinds de oudheid over eens dat je voorzichtig moet zijn met het gebruik van Salomonszegel. Alle delen zijn min of meer giftig, maar de aantrekkelijke blauwe bessen zijn het giftigst van al en die moet je zeker niet plukken en opeten. Je gaat er heftig van overgeven en krijgt er een vreselijke diarree van, zo niet erger. Dat is wel een zware straf voor het plukken van deze beschermde plant, maar je bent dus gewaarschuwd. De zwarte specht werd door Jacob Van Maerlant in zijn ‘Der Nature Bloeme’ prachtig beschreven.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
.i. cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.


Sommige Salomonszegels zouden de kracht bezitten om deuren en meisjesharten te openen, rotsen te verbrijzelen en tanden te trekken. Je moest dan wel de juiste Springwortel vinden en daar kon dus die specht, (latijn: picus) van Van Maerlant bij helpen. Alhoewel volgens Sloet, het niet bekend is welke plant de specht kende ‘eene plant, waarvan de wortel schatten aanwijst en alle sloten en deuren, die er mede aangeraakt worden, doet openspringen, welke kracht hem den naam van Springwortel gegeven heeft. Om hem te verkrijgen zoekt men een nest van den specht en stopt, wanneer het mannetje uitgevlogen is, het gat met eene ingeslagen pin dicht. Zoodra het mannetje dat merkt, haalt hij den wortel en houdt dien voor de pin, die met groot geweld uit de opening springt. Voor dat het zoover gekomen is, maakt iemand, die zich verstopt heeft, een vervaarlijk geschreeuw en de verschrikte vogel laat den wortel vallen. Welk een welkome hulp voor het inbrekersgilde! Volg hier een raad op: stop het spechtengat dicht – voor alle duidelijkheid: de opening van de nestholte. De specht zal dan het kruid gaan halen. Maak hem, als hij daarmee terugkomt, zo aan het schrikken dat hij het pardoes laat vallen. Dan heb je het te pakken! Een mooi verhaal. Een van de vele die over spechten de ronde doen. Zo langzamerhand zijn ze uitgestorven, maar vroeger wist men elkaar van alles te vertellen over deze klimvogels. Met name over het bikken en beitelen in het hout, alsmede over het klagelijke, hoge roepstem van het dier. Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht vanuit Bokeloh, aan bij het huis van Mariechie, een pinnig vrouwmens, dat weigerde hun een boterhammetje te geven. Zelfs een slokje water, melk of een appel kon er niet af. Ze sneerde verwensingen en wees bars met de vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en luidkeels roepen om regenwater wanneer ze dorst had. Eigen schuld, dikke bult, lekker puh.. Het kan dus lelijk met je aflopen wanneer je iemand een iets weigert. Van alle vogelgeluiden in Gross-Dörgen horen we af en toe de vrij zeldzame broedvogel van het hoog gemengd naaldwoud, die kruu-kruu roept. Het wordt steeds meer een sprookje uit het verleden die op de wind van de tijd is verwaaid.

Henk Beukers

Allemaal de schuld van de vrouw

Allemaal de schuld van de vrouw

Toen ik op 4 april 2015 de enorme paasbult zag achter boer Lubberman aan de Kerkweg dacht ik terug aan het idee om boven op de bult een heks van stro te plaatsen. Leek me wel leuk. Ik ben er maar gauw van afgestapt. Jaren geleden ben ik met mijn gezin in Winterbergen geweest. Voor het stadhuis stond een monument die ons er aan herinnerde dat op die plek zestig (!) heksen waren verbrand. Zelfs de originele route, van het gevang naar de executieplek, die de overwegend vrouwelijke slachtoffers moesten lopen, kan men als toerist nalopen. Het is van alle tijden, als het tegen zit zoekt men een schuldige. Waarom is allemaal de schuld van de vrouw?

Op internet is er genoeg over te lezen:

De Babylonische Samenleving:

Onder de Babylonische Wet werden de vrouwen werd verlaagd en alle rechten werd ze ontnomen. Als een man een vrouw vermoorde, kreeg hij hiervoor geen bestraffing, maar zijn vrouw had de doodstraf gekregen.

De Griekse Samenleving:

De Griekse samenleving werd beschouwd als de meest glorieuze van alle oude (vroegere) samenlevingen. In dit o zo ‘glorieuze’ systeem, werden de vrouwen alle rechten ontnomen en werd er op hun neer gekeken. In de Griekse mythologie, is een ‘denkbeeldige’ vrouw, genaamd ‘Pandora’, de hoofdoorzaak van alle ongeluk van de mensheid. De Grieken beschouwden vrouwen als onmenselijk (minder dan menselijk) en ondergeschikt aan de mannen. Desondanks was de kuisheid van vrouwen heel belangrijk en daar werd veel belang aan gehecht, maar later werden de Grieken overvallen door hun lusten en seksuele perversie. Prostitutie werd een normale praktijk onder alle klassen van de Griekse Samenleving.

De Romeinse Samenleving:

Toen de Romeinse samenleving op de piek van zijn ‘glorie’ was had een man zelfs het recht om het leven van zijn vrouw te nemen. Prostitutie en naaktheid waren een gewoonte onder de Romeinen.

De Egyptische Samenleving:

De Egyptische Samenleving beschouwde de vrouwen als het kwaad of als een teken van de duivel.

De Arabische Samenleving:

De Arabieren keken neer op vrouwen, en heel vaak als een meisjesbaby werd geboren, werd ze levend begraven. Kleine meisjes hielpen nietsvermoedend mee met het graven van hun eigen grafkuil en veegden het zweet van het voorhoofd van hun vaders.

Enkele uitspraken van beroemde filosofen.

Aristoteles (384-322 v.Chr.), die als vader der filosofen wordt beschouwd, heeft gezegd:

De vrouw voor een man is te vergelijken met slavin en haar meester, en is te vergelijken met handwerk en rationeel werk, en met een barbaar en een Griek. De vrouw is een minderwaardige man die is achtergebleven op de tree van ontwikkeling.”

Schopenhauer(1788-1860) heeft gezegd:

Zij (vrouwen) zijn geschikt voor het functioneren als verpleegsters en leraressen in onze vroege jeugd, gezien het feit dat zij zelf kinderachtig, onbeduidend en kortzichtig zijn; in één zin zijn ze zelf grote kinderen gedurende hun hele leven. Zij zijn een ondermaatse, smal geschouderd, breedheupig en kortbenig ras, zij hebben geen geschikte kennis en hebben geen genialiteit.”

Een andere bekende filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) heeft op zijn beurt gezegd:

“De vrouw heeft zoveel om zich voor te schamen; er steekt zoveel pedanterie, zoveel oppervlakkigheid, zoveel bedilzucht, kleinzielige aanmatiging, bandeloosheid en onbescheidenheid in de vrouw, die tot dusver nog het best in bedwang werd gehouden en werd beheerst door de vrees voor de man.”

 

“Die priesteressen moeten als heksen op de brandstapel worden verbrand. Als ik mijn zin kreeg, zou ik de fik in die rotwijven steken”. Geen uitspraak van een inquisiteur uit de middeleeuwen, maar van een anglicaanse pastoor uit 1994. Het begon allemaal met Eva en die appel. Door te eten van de verboden vrucht en de man ertoe verleiden dit ook te doen, werd de mens verstoten uit het paradijs. Het is dus allemaal de schuld van de vrouwen dat het zo`n zooitje is op aarde. Zie hier de hoogstaande gedachtegang van kerkvader Tertullianus. Zijn denken had grote invloed op het nog jonge christendom in het jaar 200. Een andere kerkvader kan er ook wat van: Albertus Magnus. Die schreef dat de vrouw een mislukte man is, die vergeleken met de man een gebrekkige en foutieve natuur bezit. Vrouwen waren eigenlijk mannen wier geslachtsorganen niet waren uitgezakt. Magnus: “De vrouw is ongeschikter voor de deugdzaamheid dan de man, omdat ze meer vloeistof bevat dan de man. Een eigenschap van vloeistof is nu: moeilijk vast te houden. Het is daarom dat de vrouwen wispelturig en nieuwsgierig zijn. De vrouw kent geen trouw.” Een invloedrijke kerkvader als Hieronymus noemde het huwelijk zelfs verderfelijk. Vanwaar die diepgewortelde vrouwenangst? Het latere Christendom, dus niet de oorspronkelijke leer van Jezus, had hierop ongetwijfeld een grote invloed. Seks was verwerpelijk, de mannen waren bang voor lustgevoelens en projecteerden hun angst op de vrouw. Castratieangst lijkt een trendy verklaring, in die tijd castreerde menig priester zichzelf. Om niet langer overvallen te worden door zondige fantasieën werd het mes er menigmaal ingezet. Vrouwenhaat is ouder dan het Christendom. Jezus was revolutionair met zijn opvatting: “Man en vrouw zijn gelijk” Augustinus, een latere invloedrijke denker binnen het christelijk geloof dacht daar anders over. “Niets haalt de mannelijke geest van zijn hoogten zo naar beneden dan het liefkozen van een vrouw.” Pas toen werd in steeds meer christelijke gemeentes het celibaat ingevoerd (!). “Priesters die met hun vrouw slapen, zijn als honden die naar hun eigen braaksel terugkeren.” Daar konden de vrouwen het mee doen. Toen kwam de heksenjacht. Onder extreme martelingen werden veel meisjes en oude vrouwen gedwongen te verklaren dat zij heksen waren. Het was voor vrouwen vrijwel onmogelijk onder de verdenking van de heksenjagers uit te komen. Zo`n negen miljoen (!) vrouwen in Europa werden als heks op de brandstapel gezet. Hoe dubbel de moraal was van de christelijke leiders blijkt wel uit het gegeven dat het aantal prostituees dat in 1414 naar Konstanz trok even groot was als het aantal deelnemers aan het daar te houden kerkelijke concilie van priesters. Pas in de laatste decennia heeft er in de christelijke samenleving gelukkig een cultuuromslag plaatsgevonden. Van alle huidige politieke partijen is de SGP de enige partij die de omslag heeft moeten ontberen. Hun moraal: het enige recht van de vrouw is het aanrecht.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Paasvuur op Erica 2015

Archeologen in spe

Archeologen in spe

Nadat Willie en ik zo´n beetje alle bekende vogels hadden gezien gingen we ons toeleggen op de planten. Op de motoren scheurden we een eind Duitsland in om ergens langs het spoor in de berm te eindigen. Daar zetten we een vierkante meter af en determineerden we alle planten die zich hierin bevonden. Dat ging leuk. Totdat ik op het werk een doos met stenen van een collega kreeg. Die had gehoord dat we veel in de natuur waren en af en toe naar stenen pijlpunten zochten. In de doos zaten een aantal stenen die mij totaal niets zeiden. Die kregen voorzichtig een plekje achter de schuur bij de overige nietszeggende stenen. Maar de teerling was geworpen. We gingen voortaan naar stenen zoeken, geen gewone stenen maar vuistbijlen en dergelijke. We bezochten de vader van mijn zwager in Weiteveen. Een man van in de zeventig die al decennia lang door Zuid-Oost Drenthe zwierf en met name afgravingen bezocht. Afgravingen in geel zand zoals nieuwbouw van huizen of aanleg van wegen. Wat kon die man mooie verhalen vertellen! Een hele middag waren we bij hem op bezoek geweest en leerden veel van zijn ervaringen. Halverwege de middag kwakte hij een doos met stenen op tafel. Kleine stenen. Het bleken stenen schrapers en -pijlpunten te zijn. De man wees naar enkele kenmerken op het steen. Zo moet altijd sprake zijn van soort van bulb op de steen, een verdikking veroorzaakt door de slag om bijvoorbeeld een schilfer af te slaan. Uiteindelijk hield je een vuistbijl over, de schilfers konden dan weer als schrapers worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de huiden schoon te schrapen. Op zo’n plek waar vroeger een vuistbijl geslagen werd stikte het dan van de schrapers. Helaas had de man geen vuistbijl in de doos met stenen. Die werd toentertijd uiteraard meegenomen voor andere doeleinden. Bijvoorbeeld om een mammoet te pletten of een buurman te splijten. Van honger kan je namelijk behoorlijk chagrijnig worden. Ook zaten driehoekige stenen in de doos, het leken op kleine piramides. Die waren ervoor bedoeld om te dienen als soort van kraaienpoten. Voor als je de familie van de buurman achter je aan kreeg. Een zool of hoef kon op die manier flink beschadigd worden. Jodium kenden ze in die tijd niet, laat staan een winkel van Trekpleister. Je stierf aan de meest gruwelijke infecties. Daar tegenover stond dat je een mooi graf kreeg, van grote op elkaar gestapelde stenen. Wat stenen borden en bestek erbij en dan moet je niet verder zeuren. Die middag verlieten we Weiteveen als halve archeologen. Halverwege Nieuw-Schoonebeek waren ze in het land aan het graven. Hier doken we in. Enkele dagen zijn we daar aan het zoeken geweest. Dat viel toch niet mee, archeoloogje spelen. We vonden enkele schrapers en een boorvormige steen, zeker om knoopsgaten in het taaie leer te maken. De weken erop toogden we naar Emmen. Nabij het Oeverse Bos. Het landschap daar was heel oud met meerstallen en eeuwenoude landwegen. Daar zal vast wel zo’n neolithische gast een vuistbijltje voor ons achter gelaten hebben. We hadden geluk. Boeren in de omgeving kwamen bij het aardappelrooien ook diverse stenen tegen die opgerooid werden. Die stenen werden opgespaard en als wegverharding gebruikt bij de ingang van de kavel. Waarom een hele bunder afstruinen naar vuistbijlen als je het op een hoop kan vinden? Gretig zaten we op een vroege morgen bij een ingang van de aardappelveld in de wegverharding te wroeten. We hadden een soort van Gamma verwacht waarbij de vuistbijlen niet aan te slepen waren. Het resultaat was helaas anders. Na een morgen in de vrieskou in de stenen te hebben gewroet vonden we een stenen afdruk van een dier. Een egeltje ofzo. Dat is leuk, maar het was geen vuistbijl. Na een paar woensdagen onze vrije tijd vruchteloos in het veld te hebben besteed besloten de beide Tjerk Vermannings plan B uit te voeren. In Nederland was elk stukje veld door een archeoloog doorploegd en elke steen besnuffeld. Daar viel geen eer meer te behalen. Willie begon zelfs filosofisch te oreren. ‘De kans dat je hier een vuistbijl in het veld vindt is net zo groot als dat je daar een hamer vindt’. Nou, kom daar maar eens tussen. In Duitsland moesten we zijn. Veel en veel groter dan Nederland en veel en veel minder archeologen. Dat hoopten we tenminste. Belangrijker was dat we een gebied wisten waar niemand kwam. Dat had te maken met het feit dat het verboden gebied was, militair Sperrgebiet. Nabij Meppen lag namelijk een grote kazerne. Meppen staat in het militaire wereldje bekend als het inschietgebied voor artillerie. Zelfs Nederlandse tanks werden hier ‘ingeschoten’. Naast de kazerne lag een enorm waaiervormig gebied waarin zelfs enkele spookdorpen lagen. Een perfect gebied voor twee aankomende archeologische talenten. Op een woensdag in de vroegte reden twee motoren Duitsland in. Nabij Meppen werden de stalen paarden in het bos geparkeerd. We liepen naar het militair gebied. Dat werd spoedig aangegeven met grote witte borden met schreeuwerige teksten. Bovendien prijkte op elk bord een rode vlag. Wie denkt dat deze borden twee aanstormende archeologen kon tegenhouden had het volkomen mis. Op de borden stond Duitse tekst en wij waren Nederlanders, lekker puhh. We liepen een ongerepte natuur binnen. Bossen, struiken, heuvels en gele afgravingen die leken op trechters. We verbaasden ons over het feit dat hier niet meer archeologen in het veld aan het krabbelen waren. We stonden naar een grote gele wal van geel zand te kijken toen het in de verte begon te rommelen. Willie kwam tot een buitengewoon scherpe analyse, ‘ze begunn te schiet’ n’. Geruststellend voegde hij hieraan toe, ‘maar ze schiet’ n over ons henne’. Inderdaad, zoals verwacht dreunde het aan de andere kant van het gebied, de inslag. We begonnen de gele aarden wal te bestuderen, volgens ons moest hier wel een ‘voestbieligie’ te vinden zijn. We waren zo geconcentreerd bezig dat we pas laat opmerkten dat de inslagen per keer fors op ons toe kwamen. We bleven doorzoeken totdat Willie de vondst van zijn leven deed. Na wat gekrabbel in het rulle gele zand trok hij zijn vondst uit het zand en hield die verbaasd tussen ons omhoog. Het was een klauwhamer van Stanly. Met een knalgele handvat. Over knal gesproken, de volgende inslag kwam nu zo dicht bij dat zelfs geharnaste archeologen als wij enigszins begonnen te twijfelen. Eerst langzaam edoch wel enigszins versnellend maakten we aanstalten om te vertrekken. Toen we wederom in de verte gerommel hoorden wisten we dat de inslag niet lang op zich liet wachten. De heren archeologen verloren hun waardigheid en renden zo hard als mogelijk richting de borden met rode vlaggen. De inslag was vlak achter ons en gaf ons opeens vleugeltjes. Nog een beetje wit om de neus bereikten we onze motoren. Dit was gelijk het einde van onze archeologische droom. Voor Willie kreeg het lot wel een erg ironische wending. Het was notabene achter zijn huis waarbij zijn buurman uit een bult zwart zand een neolithische vuistbijl trok en daarbij de krant haalde.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Wandeltocht, fietstocht De Elfbruggentocht om Erica

Wandeltocht, fietstocht De Elfbruggentocht om Erica

Een tocht om Erica door het prachtige veenkoloniaal gebied waarbij in totaal elf bruggen over diverse kanalen worden gepasseerd.

De tocht heet: De Elfbruggentocht om Erica.

Het is een tocht van 10, 20 kilometer of, met extra lussen 25, 30 kilometer.

Als bewijs van brugpassage kan een foto worden gemaakt van de deelnemer(s) met de brug als achtergrond. De foto kan worden geappt of gemaild naar elkaar. Alle deelnemers zien dan waar de andere deelnemers zich op de route bevinden en kunnen bijvoorbeeld voor elkaar opdrachten achterlaten.

De Elfbruggentocht om Erica: voor de wandelaar of fietser.
Start op het plein van het winkelcentrum op Erica.
Loop langs de Verlengde Vaart Noordzijde richting Klazienaveen.
Neem de 2e brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart = Brug 1.
Loop langs de Verlengde Vaart Zuidzijde naar Klazienaveen.
Neem de voetgangersbrug aan de Langestraat te Klazienaveen = Brug 2.
Loop langs de Bladderswijk Oostzijde richting Zuidbarge.
Neem de brug over het Bargermeerkanaal = Brug 3.
Na oversteken brug klinkerpad links aanhouden naar het Oranjekanaal.
Loop langs het Oranjekanaal Noordzijde richting centrum Zuidbarge.
Neem de brug over het Oranjekanaal in Zuidbarge richting Erica = Brug 4.
Loop via de Zuidbargerstraat later Ericasestraat naar de rotonde aan de Verlengde Herendijk.

Neem de tweede afslag richting Erica voor de 10 km route.

Voor 20 km route neem de eerste afslag, de Verlengde Herendijk richting Nw Amsterdam.
Op het eind (T-splitsing) ga rechts af, de Nieuw Amsterdamse straat richting Emmen.
Ga na 300 meter linksaf, de Erfscheidenweg richting Barger Erfscheidenveen, u passeert ter hoogte van de Verlengde Zijweg de Brug over de Bumawijk = Brug 5.
Via de Erfscheidenweg later Veilingweg, uitlopen richting het centrum Nw Amsterdam.
Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart bij het Van Gogh huis = Brug 6.
Loop langs de Verlengde Vaart Zuidzijde door het winkelcentrum van Nieuw Amsterdam.
Neem de (antieke)Trambrug over de Zijtak = Brug 7.

U kunt nu de normale route verlaten voor een extra lus van 10 km. Ga rechts langs de Zijtak Oostzijde richting Zandpol, neem de (antieke)hefbrug over het Dommerskanaal. Ga door en vervolg de Zijtak Oostzijde, neem de brug over het Stieltjeskanaal. Sla direct hierna links af en neem Stieltjeskanaal Oostzijde. Onder de viaduct van de Vierslagenweg gaat de straatnaam over in Dommerskanaal Oostzijde en nog later gaat de straatnaam over in Griendsveenstraat. Bij het Amsterdamscheveld kruist de Griendsveenstraat met de Peelstraat. Neem de brug over het Dommerskanaal en ga via de Peelstraat richting Erica. Voor een extra extra lus van 10 km neemt u niet de brug maar vervolgt u de Griendsveenstraat. U passeert het spoorwegmuseum en komt hierna in het dorp Weiteveen. Ga naar links richting Klazienaveen. Ga via de Dordsedijk naar Bargeroosterveen. Ga bij de kruising links af, neem de Veenhoeksweg, later Ensingwijk Zuidzijde. Via de Verlengde Vaart Zuidzijde komt u weer in het centrum van Erica. Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart, ga via de Havenstraat naar het beginpunt van de route. extra-lussen-11-bruggentocht-om-erica-klein

terug naar de normale route

Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart bij Zijtak Oostzijde = Brug 8.
Loop via Vaart Noordzijde richting Erica, neem de brug over de Marchienewijk = brug 9.
Neem de brug over de Verlengde Hoogeveense Vaart bij viaduct Vierslagenweg = Brug 10.
Loop langs de Vaart Zuidzijde en Verlengde Vaart Zuidzijde richting Erica.
Neem de brug over Verlengde Hoogeveense Vaart in het centrum van Erica = Brug 11.
Eindig op het plein in het winkelcentrum van Erica.

Terug op Erica, huus suute huus.

Geschreven door Henk Beukers

Lente op Erica

Lente op Erica

Lente op Erica.

Volgens mij zijn zij allemaal volstrekt geschift aan het worden met hun kantoortuinbakken en hun met kamerplanten volgeplempte vensterbanken. Ze kosten alleen maar geld en ze staan hun in de weg, wat moeten ze er in de godsnaam mee. Het is allemaal terug te voeren op hun verzorgingsdrift, maar met natuur liefhebberij heeft het niks te maken. Van elke miljard euro die in dit land wordt uitgegeven aan landbouwproducten wordt 250 miljoen gespendeerd aan het verbouwen van planten die absoluut niet te vreten zijn! Zij geven aan tulpen meer geld uit dan aan uien. Vroeger waren ze planteneters, nu zijn ze plantenkijkers geworden; zij zijn veranderd van herbivoren in herbiscopen. Het is een bespottelijke toestand: zij komen de supermarkt uit met 1,75 euro aan peentjes, 3 euro aan aardappelen en 19 euro aan rozen. En wat doen die anjers en rozen voor de kost? Langzaam doodgaan. Niettemin menen zij daar de patiënten in het Scheperziekenhuis mee te moeten opfleuren. Kennelijk kikkeren de patiënten er reuze van op dat die planten nog eerder dood zijn dan zijzelf. De echte sadisten onder hun kopen natuurlijk planten in potten, die er een veel langere doodstrijd op na houden. In hun kantoortuinbakken ligt voor ongeveer 1000 hectare natuurgebied aan ficussen en yuca`s aan het infuus te verpieteren. Buitenlanders kijken hun ogen uit op de volstrekt krankzinnige hoeveelheid kamerplanten voor hun ramen. Als je hier in Nederland vanuit een flatgebouw op tien-hoog zelfmoord wilt plegen, dan moet je eerst een uur ploeteren om alle sanseveria`s opzij te schuiven! In feite komt het hier op neer: planten horen niet bij hun in huis. Nederlandse planten zijn dan ook wijs: je hoeft het Klein Hoefblad maar een paar dagen op je vensterbank te zetten, of het is hooi. Dus importeren zij de krankzinnige vegetaties uit de woestijn of het tropisch regenwoud, die het achter het raam ietsje langer uithouden. Tuinieren moet ook ten strengste worden ontraden. Mensen die daar echt verstand van hebben, die hebben er een hekel aan. Wat is toch in godsnaam de lol van al dat geploeter in zo`n tuin? In de herfst is het een sterfhuis, in de winter is het een kerkhof. Hebben zij dan niks beter te doen dan zinloze arbeid in hun tuinen te verrichten? Waarom tuinieren zij? Een tuin is een zootje bloemetjes. En wat is een bloemetje? Een bloemetje, en dat weet iedereen donders goed, dat is een geslachtsorgaan op een steeltje. Een tuin is niks meer dan een zee van geslachtsorganen. Nou heb je domme bloemen en slimme bloemen: de domme geven hun zaad gewoon aan de wind mee, en dat zet dus niet veel zoden aan de dijk; daar is Onan een scherpschutter bij. De slimme nemen een bemiddelaar in de arm, bijen of hommels, die zich laten betalen met nectar. Bijen brengen tegen betaling de bloemen in uw tuin aan hun gerief. Wat zich in de tuin afspeelt is je reinste prostitutie! Voor veel mensen start de lente op 20 of 21 maart. Het is voor mij de eerste zang van de Tjiftjaf die mij de lente doet laten beginnen, veel leuker.

Geschreven door H. Beukers.

Robert Baden-Powell

Robert Baden-Powell

Robert Baden-Powell.

Hij begon met het stropen van konijnen en eindigde met het geven van complete survivaltrainingen aan militairen en jongens. Robert Baden-Powell, die in 1907 de alleen voor jongens toegankelijke padvindersbeweging oprichtte en jarenlang leidde (In 1910 ontstond de soortgelijke organisatie Girl Guides voor meisjes (padvindsters) onder leiding van zijn vrouw Olave), was een kleurrijke natuurliefhebber en ex-militair, die vooral in Groot Brittanië mateloos populair was. Padvinders klagen tegenwoordig wel eens dat ze een imagoprobleem hebben. Knapen in een korte broek die een hutje bouwen en boompje klimmen. Tegenwoordig is dat imago wellicht niet meer juist, ten tijde van de oprichting van de boy scouts begin vorige eeuw was dat het wel enigszins. ‘Ze kwamen van school, goed onderlegd in lezen, schrijven en rekenen, maar zonder mannelijkheid, zelfvertrouwen en vindingrijkheid.’ Baden-Powell werd geboren in Londen in 1857. Hij was de zesde van acht zonen en pas drie toen zijn vader, een wiskundeprofessor, overleed. Tijdens zijn middelbare schooltijd ontstond de liefde voor de natuur. Baden-Powell maakte lange wandeltochten, ging vissen, kanovaren, leerde navigeren, bespiedde zijn docenten en stroopte konijnen rond de school. Leren had niet zijn interesse, soms viel hij tijdens de lessen zelfs in slaap. In 1876 ging hij bij het leger, bij de huzaren en diende onder meer in Afrika en India. Onsterfelijk beroemd werd Baden-Powell in zijn vaderland door zijn rol bij het beleg van het Zuid-Afrikaanse grensplaatsje Mafeking in 1899 / 1900. Een klein Brits garnizoen wist het 217 dagen uit te houden tegen een overmacht van achtduizend opstandige Boeren. Baden-Powell kon volop gebruikmaken van zijn ervaring als survivalexpert en organiseerde de verkenningen voor de belegerde Britten. Hij werd gepromoveerd tot generaal-majoor, met 43 jaar toen de jongste ooit in het Britse leger. Een paar jaar later keerde hij terug in Engeland en werd inspecteur-generaal van de cavalerie. In 1910 brak hij zijn glanzende militaire carrière af op advies van de Britse koning Edward, om zich helemaal aan de razendsnel groeiende padvindersbeweging te wijden. Een jaar daarvoor (1899) door hem geschreven boekje, Aids to Scouting, bleek een bestseller. Geïnspireerd door beschrijvingen van het leven van Indianen en van woudlopers in Canada, zette hij de militaire veldoefeningen om in sterk individuele spoorzoekoefeningen. Het werkje, het eerste van zijn 32 boeken, bevatte allerlei slimme overlevingstips en was eigenlijk bedoeld voor een militair publiek. Speciaal voor jongeren herschreef hij het. De nieuwe uitgave leidde overal tot de oprichting van activiteitenclubs voor jongeren. In 1907 organiseerde hij een kamp met 22 jongens met een gemengde achtergrond uit Londen op Brownsee Island, Pool Harbour, Dorset om zijn ideeën voor de oprichting van een internationale jongerenorganisatie uit te werken. Dit kan gezien worden als het begin van de Boy Scout-beweging. Als handleiding hiervoor schreef hij Scouting for boys (= Verkennen voor jongens, 1908), dat verwantschap vertoonde met het door E.T. Seton ontworpen handboek voor de Noord-Amerikaanse jeugdbeweging van de ‘Woodcraft Indians’. Seton ging uit van een hard en primitief leven in de natuur, met als hoogtepunt een mystiek beleefd kampvuur. Dit geromantiseerde Indianenleven was vol van symbolen, ontleend aan de dierenwereld. Er was een vorm van zelfbestuur, waarbij de hulp van ouderen echter niet ontbrak. In tegenstelling tot de jeugdorganisatie van Seton kenmerkte die van Baden-Powell zich door een strak leidersbeginsel en een sterk chauvinisme en militarisme. De methodiek vormde een compromis tussen lichamelijke vorming, kamperen, handvaardigheid en een voorbereiding tot de opleiding voor veldsoldaat. De padvinderij vond vooral aanhang onder jongeren uit gegoede maatschappelijke kringen, voor wie de vrije tijd en de benodigde uitrusting geen probleem vormden.Hij was zo tevreden over de resultaten dat hij het jaar daarop de padvindersbeweging officieel in het leven riep. Een jaar later telde de beweging in Engeland al meer dan 11.000 leden. Al spoedig verbreidde de padvinderij zich buiten Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Een paar jaar voor zijn dood in 1941 waren er in zijn geboorteland al meer dan een miljoen scouts. In 1920 werd te Olympia (Londen) de eerste internationale bijeenkomst (world-jamboree) gehouden, waar Baden-Powell de titel chief-scout of the world kreeg. Op de jamboree in Bloemendaal in 1936 waren er 28.000 scouts aanwezig. De scouts van Baden-Powell speelden overigens ook een bescheiden militaire rol, en dan vooral in de Eerste Wereldoorlog. Duizenden scouts waren gestationeerd bij de Engels kustwacht en vervingen volwassenen die elders dienst deden. Anderen bewaakten spoorwegenknooppunten en bruggen tegen mogelijke saboteurs. Weer anderen dienden als koerier. In Nederland spanden reeds in 1910 hoge militairen zich in om de spontane kampeerbeweging te organiseren. In jan. 1911 kwam het zowel tot de oprichting van de katholieke bond De Jonge Verkenners als tot die van de protestante Nederlandsche Padvinders Organisatie. In 1973 fuseerden vier scoutingorganisaties tot één landelijke vereniging met de naam Scouting Nederland. Doelstelling is een plezierige vrijetijdsbesteding te geven aan de jeugd met een bijdrage aan de persoonlijkheidsvorming. De groepsindeling is aldus: Bevers (jongens en meisjes 5–7 jaar), Welpen (jongens 7–11 jaar), Kabouters (meisjes 7– jaar), Esta’s (jongens en meisjes 7–11 jaar), Scouts (jongens en meisjes 11–14 jaar), Explorers (jongens en meisjes 14–17 jaar), jongerentak (jongens en meisjes 16–21 jaar). De meeste Scoutinggroepen zijn landgroepen. Een kleiner deel van de groepen houdt zich specifiek bezig met waterwerk: zeilen, roeien, vlotten bouwen enz.
Voor Nederland werd in 1995 weer de Wereldjamboree (18e) gehouden. Het waren ruim 30.000 scouts uit 167 landen die bijeen kwamen op een enorme kampement nabij Dronten. Uiteraard kwam ik daar ook even kijken.

Geschreven door H. Beukers.

Spuugbeest

Spuugbeestjes zijn de larven van een klein insekt, genaamd schuimcicade. Deze is, zoals alle overige cicadensoorten en hun kroost, een echte sapzuiger. Hij boort zijn snuitwerk in een plant en doet zich tegoed aan de gestaag vloeiende sap stroom. Omdat deze voor het grootste gedeelte uit suiker bestaat- het is een soort suikerwater dat door de planten stroomt- bevatten ook de verteringsresten van zowel spuug beestjes als hun ouders bijzonder veel suiker. Daarom heeft cicadepoep een wel ongepast poëtische naam: honingdauw. Dit goedje druipt bij voortduring uit des cicades achterste, zodat zowel het incontinente lichaam als de plek waarop het gezeteld was kletsnat is geworden. De vloeistof die door de larve- het eigenlijke spuugbeestje- wordt afgescheiden bevat echter nog een stof (die een soort was oplost) die uit de enige klieren in het achterlijf wordt geproduceerd. Het mengsel van was en poep vormt een uniek dierlijk produkt: vloeibare zeep. Wanneer hiervan een flink portie tot stand is gebracht, doopt het spuugbeestje er zijn achterlijf in en begint daaruit te puffen en te blazen. Zo verandert het zeepsop in het compacte en sterke schuim, dat we als witte vlokken aan planten zien hangen en `koekoeksspog` noemen. Over oorsprong en betekenis van deze naam wordt nog altijd geredetwist. Sommigen beweren dat ze afkomstig is uit het volksgeloof, waarin de koekoek wordt voorgesteld als een eieren-uitzuiger, die telkens de drabbige smaak probeert weg te spugen, alsmede het schuimige eiwit dat in zijn snavel blijft kleven. Anderen wijten haar aan de vermeende reputatie van de vogel als zou hij over bijzonder zwakke ingewanden beschikken- reden waarom de buik niet gebruikt kan worden voor het broeden- en voortdurend oprispingen moet wegfluimen. Er zijn mensen die ervan overtuigd zijn dat de oorsprong moet worden gezocht in de legende van Walda de Pelgrim. Wat we wel precies weten is de funktie van het `koekoeksspog`. Ze is tweeledig. Allereerst beschermt het het spuugbeestje tegen uitdroging. En verder verschaft het hem enige beveiliging tegen vijanden, hoewel er wantsen zijn die de cicadelarven door het schuim heen uitzuigen, terwijl sommige graafwespen hen er eenvoudigweg uitsleuren. Tot zover het spuugbeestje. Zijn vader of moeder, de volwassen cicade, is een onaanzienlijk bruin insektje. Veel mooier en dus veel bekender is de fraai rood getekende bloed cicade. Beide zijn, zoals al hun familieleden, in zekere mate schadelijk. Ze verzwakken immers planten door er sap aan te onttrekken. Vele soorten brengen bovendien een gif binnen de plant, dat het bladgroen ten gronde richt. Er worden tevens gifstoffen geproduceerd die het voedselsysteem van de plant blokkeren, zodat de plantendelen verwelken en afsterven. Het meest schadelijk zijn de cicaden, die graag aardappelplanten uitzuigen. Dikwijls zijn deze besmet met door bladluizen overgebrachte virussen. Via de zuigsnuit komt het virus van de cicade in de planten, die vervolgens onherroepelijk naar de knoppen gaan. Overigens, cicaden en bladluizen zijn aan elkaar verwant. Beide soorten behoren tot de familie Homoptera. Deze verwantschap manifesteert zich bijvoorbeeld in het feit dat ook bladluizen sapzuigen en honingdauw produceren. Het wordt in mooie zomers dermate overvloedig uitgescheiden dat het als het ware regent. Mieren, wespen en vliegen doen zich er tot barstensvol aan tegoed, aangezien er, zoals gezegd, een boel suiker in zit. Zo vinden er ook schimmels een optimale voedingsbodem in, met als gevolg dat nazomers struikgewas geheel beschimmeld kan zijn. In de natuur wordt niet graag iets verspild. Een ernstige vorm van verspilling kenmerkt echter wel het leven van de zeventienjaar-cicade. Die leidt als larve een ondergronds bestaan en doet dit zeventien lange jaren lang. Geen ander insekt leeft zolang en is zolang jong. Wanneer hij groot is en zich bovengronds waagt, is hij een stokoud kereltje. Voor het beestje staat het lot vast, na een paar weken van volwassenheid in ouderdom geeft hij dan ook alweer de geest. Het is een verspilling van tijd.

Geschreven door H. Beukers.
Bron: Theo Schildkamp