Havenstraat Erica

Havenstraat Erica

Opgedragen aan Lieke.

Voordat Erica überhaupt het licht zag (1863) bestond in Zuidoost Drenthe een zandweg tussen de dorpen Zuidbarge en Schoonebeek. Het was een zandpad waarvan iemand ooit vond dat het van strategisch belang was. Op Erica werd een schans gebouwd. De Bergerschans. Erica had eigenlijk Bergerschans moeten heten maar, zo wil het verhaal, een kanaalgraver die de Latijnse taal beheerste, besliste anders. Het waarschijnlijkheidsgehalte van dit verhaal mag ieder voor zich bepalen. Het klinkt logischer dat de naam Erica werd ingefluisterd door een ontwikkeld persoon van buitenaf. Eentje met een zekere geldingsdrang. Vul maar in. De Bergerschans zou een vierkante zandwal worden met kanonnen. De schans werd nooit afgebouwd. Het zandpad veranderde door de jaren enigszins van route tot de huidige weg tussen Zuidbarge en Schoonebeek. Waar precies de Bergerschans heeft gelegen blijft gissen, hoewel lui van de Historische Kring Erica wel een aardig vermoeden hebben van de oorspronkelijke plaats. De Verlengde Hoogeveense Vaart werd gegraven ter ontsluiting van het enorme veengebied in Zuidoost Drenthe. De schepen vol turf voerden naar Amsterdam zodat de stadsfatjes er warmpjes bij zaten. Op de plek waar het zandpad met het kanaal kruiste werd een brug gebouwd. De eerste generatie Ericanen streek neer in dit gebied. Er werden zelfs twee bruggen gebouwd. Laatste kwam over een zijkanaal te liggen die in noordelijke richting liep. De brug stond haaks op de eerste brug en lag er bovendien pal naast. Tussen die twee bruggen werd in de dertiger jaren een kazemat gebouwd. In het zijkanaal naast het zandpad zat een verbrede gedeelte in het kanaal, de haven. Voor menig visser een ideale visplek. Het kanaal nam hierna een haakse bocht en verdween, na nog een bocht te hebben genomen, in de Veenschapswijk. Het zandpad naast de haven kreeg de toepasselijke naam Havenstraat. Erica ontwikkelde zich door de jaren heen maar bleef dorp. Het zandpad werd een verharde klinkerweg, de Havenstraat werd de hoofdstraat van Erica. De brug werd het centrum van het dorp. Om de brug kwamen mensen te wonen die het konden betalen, de verveners. Terwijl deze ‘semipaleizen’ (Parels van Erica) werden gebouwd zochten de veenarbeiders en ex-kanaalgravers hun heil in keten en krotten. Deze situatie zou pas veranderen met komst van de vakbonden. Het startte met de vrije zaterdagmiddag en later de vrije zaterdag. Geleerden maakten zich in het openbaar zorgen, teveel vrije tijd zou leiden tot Sodom en Gomorra. Volgens de hoogontwikkelde heren was vrije tijd alleen geschikt voor ontwikkelde mensen. De ‘onderontwikkelde’ mensen van de vakbonden wisten gelukkig wel beter. Laten we de foto van de Havenstraat eens nader bestuderen. Rechts tussen de huizen hangt het wasgoed van de toenmalige bewoners. Vroeger hadden de mensen een vaste wasdag in de week, dat was maandag. De bomen staan vol in het blad waarbij het loof vanuit oostelijke richting worden beschenen. Schaduwen op het huis en vage schaduwen op de straat bevestigen de stand van de zon. Deze stond vrij laag aan de hemel. Je zou schaduwen verwachten van de lantaarnpaal en ANWB-bord, deze zijn waarschijnlijk geretoucheerd. Zoals gezegd moesten mensen vroeger tot 18.00 uur werken, zo ook de fotograaf. De goede man moest eerst eten, vervolgens toog hij toen met de camera op pad. Zo tegen 19.00 uur stond meneer met zijn camera bij de brug. Een dergelijke lage zonnestand tegen 19.00 uur vinden we in de maand Augustus. Gezien de grote plassen langs de weg was het een natte maand maar ook een teken dat riolering onder de Havenstraat ontbrak. Het jaartal waarop de foto is gemaakt is moeilijker te schatten. Het was in ieder geval vóór 1951. Het gevleugelde wiel op de ANWB-bord werd namelijk in 1951 vervangen door de huidige ANWB-vignet. Het weinig gemotoriseerd verkeer doet een eerder jaartal vermoeden, ook de type straatlantaarn doet vermoeden dat de foto eerder is genomen dan 1951. Één van de Parels van Erica, rechts op de foto, biedt de oplossing. De rijk gedecoreerde villa, Tegeltjeshuis genaamd, aan de Havenstraat 2 werd in 1897 gebouwd als woning voor de directeur van de NV Friesche Veen Maatschappij. De gevlekte boomstam voor de villa doet me denken aan een Plataan of kan begroeiing van Klimop zijn. Hoogstwaarschijnlijk werden de bomen door de eerste bewoner in de grond gepoot. De leeftijd van deze bomen schat ik op zo’n dertig, veertig jaar. Ik kom tot de conclusie dat de fotograaf de foto heeft geschoten op een plek vlak bij de kazemat, op een maandagavond tegen 19.00 uur in de maand Augustus in de eindjaren dertig van de vorige eeuw. In die tijd woonde vervener Van der Sluis in het Tegeltjeshuis. Naast het Tegeltjeshuis stond het postkantoor en de winkel van Johan Prinsen. In die tijd hadden de huizen nog een fatsoenlijk voortuin. Achter het huis van Johan Prinsen is nog een stukje zonnescherm te zien van de bakkerij van Joop Savenije. Daarnaast stond de winkel van Gankema, op het eind stond het huis van de schoolmeester Pol. Dan kwam de openbare lagere school, een verkeersbord langs de Havenstraat wees daarop. Aan de noordkant van het schoolgebouw was de brandweerkazerne gebouwd voor de vrijwillige brandweer. Hierin stond een kar voorzien van pomp en spuit. De kar werd achter een particuliere auto gekoppeld en naar de brand gereden. Midden op de foto is vaag de ingang van het schoolplein te zien met op de achtergrond een groot wit huis. Als deze toentertijd niet werd afgebroken had Erica nog een parel erbij gehad. Links op de foto is nog net een stukje paardenstal te zien van boer Mensen. Daarachter het havenkanaal die uitmondt in een verbrede stuk kanaal, de haven. Achterop de landerijen is vaag het huis te zien van Jan Wisman ‘Jan Kwatta’ (omdat hij vaak een chocoladereep at). Hij was belastinginspecteur. Op de landerijen langs het kanaal lag in de winter een ijsbaan. Om de kop financieel boven water te houden stonden op de wallen langs de haven en kanaal de sikken van weduwe Evers ‘Sikken Dore’, mijn overgrootmoeder, aan de stik te grazen. De bewoners rechts aan de Havenstraat, waaronder mijn geboortehuis, hadden tot aan Nieuw-Amsterdam vrij zicht over de landerijen van boer Mensen. Erica was op de foto, net als Zuidbarge, een prachtig karakteristiek dorp. Planologen kijken tegenwoordig verlekkerd naar dergelijke dorpskernen. Smalle straten met klinkers remt vanzelf het verkeer en mijdt het vrachtverkeer die daar niets heeft te zoeken. De bomen waren nu natuurlijke monumenten geweest. Naast de karakteristieke elementen had Erica ook nog een haven gehad. Gezien het nieuwe vaartraject Erica-TerApel had het vandaag de dag veel toeristen aangetrokken. Over economisch belang gesproken. Het mocht niet zo zijn. Terwijl Zuidbarge als karakteristiek dorp met vele bomen bleef bestaan moest Erica het onderspit delven. In het begin speelde de NAM in Schoonebeek hierin een grote rol. Het begon met de inwoners van Erica een worst voor te houden. Medio jaren vijftig werd vanuit Emmen t.b.v. de NAMpersoneel een waterleiding naar Schoonebeek aangelegd. Erica lag op de route en profiteerde mee, het dorp hing vroeg aan de waterleiding. De Havenstraat werd tevens voorzien van riolering. De mensen op Erica waren blij met de aandacht vanuit Gemeente Emmen. De aap kwam al snel uit de mouw. De toeleveringswegen, waaronder de Havenstraat, naar het NAM-terrein in Schoonebeek werden geschikt gemaakt voor zwaar vrachtverkeer. Klinkers voldeden niet meer, de Havenstraat moest sterker, stabieler en vooral breder. De Havenstraat werd diep uitgegraven en erger, alle bomen aan de oostkant van de Havenstraat moesten verdwijnen. Bovendien waren alle belendende huizen hun voortuintjes kwijt. De Gemeente Emmen had er geen moeite mee, zolang de NAM maar betaalde. Als pleister op de wond konden mensen op Erica voor een habbekrats brandhout kopen. Nog steeds is Zuidbarge zuinig op zijn bomen, nog steeds worden op Erica eeuwenoude bomen omgezaagd. De Kerklaan is hierin het meest schrijnende voorbeeld. Ondanks mooie beloftes komen daar op dezelfde plek zelden tot nooit nieuwe bomen voor terug. Er komt een generatie mensen die niet meer weet wat oude bomen zijn. Die denken dat bomen niet dikker worden dan dertig centimeter. Ze worden toegejuicht door boomhaters op Erica die het dorp het liefst willen overzien, zittend op een stoel. Vergelijk Erica op de foto eens met het huidige Erica. Met zijn beschadigde Havenstraat en modderig verzakte bermen, zijn vreselijke winkelgevels met schreeuwerig witte kunststof platen. Vooral de afwezigheid van eeuwenoude bomen is schrijnend opvallend. Het is wat je krijgt als economisch gewin boven planologische schoonheid wordt verkozen.

Geschreven door Henk Beukers.

Buurman Willem 2

Buurman Willem 2

Toen het gezin Beukers in de begin jaren zestig van de vorige eeuw het huidige huisje betrok werd deze bewoond door Poelman. Het huisje werd in eerste instantie gedeeld door hun inwonende zoon. De zoon was ziek, had TBC, woonde in een aparte kamer. Toen zoonlief stierf kwam tijdelijk zijn getrouwde dochter met echtgenoot bij hun inwonen. Uiteindelijk stierf oude Poelman en had niemand geld om het huisje over te nemen. Ondanks het feit dat in die tijd een kavel al snel zo’n drieduizend vierkante meter besloeg werd om een vierkante meter gekissebist. Vooral buurman Willem had dit tot kunst verheven. Toen oude Poelman de Kadaster erbij hield werden de kavels precies uitgemeten. De strijdbijl werd eindelijk begraven. Voor een maand. Omgewoelde grond was een stil bewijs dat er in de nachtelijke uren met de kadasterpaaltjes was geknoeid. Toen oude Poelman de zaak inspecteerde stond Willem in zijn huiskamer achter een gordijn toe te kijken. De strijd laaide weer op, het hield pas op toen oude Poelman kwam te overlijden. Als nieuwe buren werden we door Willem hartelijk begroet. Precies op de grens van Willem en huize Beukers had Willem een slootje gegraven voor het afvoer van de gootsteen in zijn keuken. De woningen stonden zo’n honderd meter van de Havenstraat en waren in die tijd niet aangesloten op de riolering. In die tijd werd het rioleringsprobleem opgelost d.m.v. septickelders en sloten. Toen decennia later Willems huis werd verkocht en de kavel door het kadaster werd nagemeten bleek het slootje zich meters op onze grond te bevinden. Willem had daar volgens eigen zeggen recht op. Keer op keer bestudeerde hij zijn kadastrale tekening en kwam bij het berekenen een aantal vierkante meters te kort. Tja, dan haal je dat weg bij de buren. Door toedoen van mijn vader vond Willem jaren later zijn gemiste meters. Mijn vader wees hem op het recht van overpad voor ons huis langs. De helft van dat pad bleek zijn eigendom. Willem zijn kavel was eindelijk compleet. De sloot bleef echter op zijn plek. Nachtelijke verplaatsingen van kadasterpaaltjes was van nu af aan verleden tijd. Wie denkt dat Willem nu stil ging zitten vergist zich. Mijn moeder en Willems vrouw, tante Diny, hingen vaak samen de was op. De waslijnen waren gesitueerd achter de huizen in het vrije veld waar de wind vrij spel had. Na het ophangen van de was bleven de dames vaak nog even kletsen. Tot opeens een hek tussen de beide waslijnen verscheen. Willem vond dat het geklets van de dames lang genoeg had geduurd. Hup, hek d’r tussen! Ondanks het feit dat Willem een groentetuin bijhield lag het grootste deel van zijn kavel braak. Er groeide gras tot aan onze kinderknieën. Prachtig speelveldje toch? Het lange gras werd hooi en daarin was het goed toeven. Willem joeg ons daar herhaaldelijk weg, gras moest groeien, dat kon niet als daar kinderen op lagen. Toen broer Wim op een zaterdagmiddag zijn hooiveldje in vlammen liet opgaan werd Willem bijna gek. Voor Willem was de trots van de tuin een mestbult. Deze was bij Willem gelijkzijdig, loodrecht, horizontaal en vooral waterpas. Een model mestbult. Je kon er op biljarten. Willem ontplofte dan ook zowat toen hij een loslopende kip op zijn bult ontwaarde. Die kip was van huize Beukers, onze kippen liepen los. Na Willems tirade niet meer. De kippen moesten van Pa binnen blijven. Volgens Willem hadden de kippen de mestbult dood gepikt. Tja, wat moet je nog met een dode mestbult. Dat najaar gingen de kippen onverbiddelijk de pot in. Met Pa kon Willem geen ruzie krijgen, nooit gelukt ook. Voor ons was Willem best wel een lieve aardige buurman. Beetje opvliegerig misschien, maar altijd van korte duur, hij bleef nooit lang boos. Willem kreeg met ons geen ruzie. Roef, de zoon van de andere buurman, type lange tenen kort lontje, was een ander verhaal. Tijdens het schoffelen vond Roef steentjes in het zand en die gooide hij op het sintelpad. Dat zag Willem. Met hoge stem en korte pasjes kwam hij als een haantje verhaal halen bij Roef. De steentjes (niet de sintels) zouden maar lekke banden veroorzaken. Willem had zich op Roef verkeken. Honderd kilo drift vloog vijftig kilo Willem bijna aan. Daar had Willem niet op gerekend. Met overslaande stem en rappe pasjes maakte Willem zich snel uit de voeten. Het gezin Beukers genoot van het avondeten en keek door het raam geboeid naar het schouwspel. Zowel Willem als Roef kwamen nadien bij ons hun verhaal doen oftewel hun gelijk halen. Door beide diplomatiek gelijk te geven keerde de rust terug. Willem kon zich niet onttrekken aan zijn lot, zijn opvliegende karakter bracht hem herhaaldelijk in problemen. Het kostte hem bijna zijn baan. Dagelijks zagen we Willem op zijn fiets naar de NAM in Schoonebeek rijden. Een kleine man, alpinopet, zwart oliejas en kaarsrecht op de fiets. Op het werk deed hij zijn ding. Zijn chef meende daar een opmerking over te moeten maken. Toen de goede man zich omdraaide had ie een punter van Willem onder zijn kont te pakken. Collega’s moesten de kleine terriër van de chef afplukken. Na veel gepraat maar vooral omdat Willem een zeer lange onberispelijke staat van dienst had bij de NAM werd de zaak in het minne geschikt. Daar was Willem met veel geluk weggekomen. De zaak kreeg bekendheid bij de NAM, wegens zijn hoge stem bij een driftbui stond Willem voortaan bekend als Piepsie. Toen Willem eindelijk met pensioen ging dacht iedereen dat het gebeurd was met de vrede in de Hanebietersbuurt. Dat viel mee. Willem had zich een houtdraaibankje aangeschaft en had zich teruggetrokken in zijn schuurtje. Uit dikke rondhout sneed hij een plak waar hij vervolgens een onderzetter voor een kaars van maakte. Een kandelaar dus. Willem stond niet vooraan bij het uitdelen van fantasie. Pas toen familie, buurt en zijn schuur tot de nok waren voorzien van kandelaars hield hij op. Het gereedschap in zijn schuur moest hierna in het vet. Toen mijn vader een jaar later de werkplaats van Wietse (Fietse) Moorman bezocht zag hij een fietsenmaker wiens overjas dreef van het vet. Wietse verklaarde zich verontschuldigend dat hij met een oude fiets bezig was geweest. De fiets van ene Willem, of Pa die kende. Ja, die kende Pa wel. Willem werd milder naarmate hij ouder werd. Een zekere gevoel van humor kon Willem niet ontzegd worden. Wekelijks kwamen mijn ouders en Willem met echtgenote Diny bij elkaar over de vloer om te gaan jokeren. En spel waarbij logisch en soms strategisch moet worden nagedacht. Een spel voor Willem ten voeten uit. ‘Rommel’ als zevens of achten spaarde Willem niet, ook al had hij er drie stuks van. Een gevleugelde uitspraak van Willem tijdens het kaartspel was: ‘Ik ben nuit’. Hij legde vervolgens zijn kaarten op tafel om halverwege het uitleggen van de kaarten tot de conclusie te komen: ‘Ik ben niet nuit’. Willem verloor het jokerspel altijd met de handen vol kaarten, soms met drie jokers. Van zijn pensioen heeft Willem nog geen tien jaar mogen genieten, hij is overleden in zijn slaap. Het was aandoenlijk om, na vele jaren, bij mijn ouders thuis in een oude lade, het oude scoreboekje van het jokerspel terug te vinden, Willem met de meeste punten.
Geschreven door Henk Beukers

Mythe van de zwarte specht

Mythe van de zwarte specht

Theo Schildkamp benoemde de mooie vogel al in zijn vele prachtige verhalen. Ik heb hem zien vliegen in Gross Dorgen. De zwarte specht. Het is een vrij zeldzame broedvogel van hoog, gemengd naaldhout, voornamelijk in het oosten en zuiden des lands. Met wijdgespreide voeten klautert hij langs de boomstammen naar boven. Hij heeft de kleur van een kraai, de vliegwijze van een gaai: hij fladdert, een beetje op de wijze van de hop. Hij heeft een bijzonder geluid: een hoog raspend kruu-kruu-kruu. De zwarte specht heeft iets weg van een kardinaal: een echte zwartrok met een streng snuitwerk en een rood kalotje op. Het is een van de weinige vogels waarover Plinius een mythe beschreef. Der Schwarzspecht ist ein Kräutermann, het vers verhaalt van het wonderbaarlijke kruid dat slechts de specht weet te vinden, het voorjaarswortel van de Salomonszegel. Alle deskundigen zijn het er sinds de oudheid over eens dat je voorzichtig moet zijn met het gebruik van Salomonszegel. Alle delen zijn min of meer giftig, maar de aantrekkelijke blauwe bessen zijn het giftigst van al en die moet je zeker niet plukken en opeten. Je gaat er heftig van overgeven en krijgt er een vreselijke diarree van, zo niet erger. Dat is wel een zware straf voor het plukken van deze beschermde plant, maar je bent dus gewaarschuwd. De zwarte specht werd door Jacob Van Maerlant in zijn ‘Der Nature Bloeme’ prachtig beschreven.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
.i. cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.


Sommige Salomonszegels zouden de kracht bezitten om deuren en meisjesharten te openen, rotsen te verbrijzelen en tanden te trekken. Je moest dan wel de juiste Springwortel vinden en daar kon dus die specht, (latijn: picus) van Van Maerlant bij helpen. Alhoewel volgens Sloet, het niet bekend is welke plant de specht kende ‘eene plant, waarvan de wortel schatten aanwijst en alle sloten en deuren, die er mede aangeraakt worden, doet openspringen, welke kracht hem den naam van Springwortel gegeven heeft. Om hem te verkrijgen zoekt men een nest van den specht en stopt, wanneer het mannetje uitgevlogen is, het gat met eene ingeslagen pin dicht. Zoodra het mannetje dat merkt, haalt hij den wortel en houdt dien voor de pin, die met groot geweld uit de opening springt. Voor dat het zoover gekomen is, maakt iemand, die zich verstopt heeft, een vervaarlijk geschreeuw en de verschrikte vogel laat den wortel vallen. Welk een welkome hulp voor het inbrekersgilde! Volg hier een raad op: stop het spechtengat dicht – voor alle duidelijkheid: de opening van de nestholte. De specht zal dan het kruid gaan halen. Maak hem, als hij daarmee terugkomt, zo aan het schrikken dat hij het pardoes laat vallen. Dan heb je het te pakken! Een mooi verhaal. Een van de vele die over spechten de ronde doen. Zo langzamerhand zijn ze uitgestorven, maar vroeger wist men elkaar van alles te vertellen over deze klimvogels. Met name over het bikken en beitelen in het hout, alsmede over het klagelijke, hoge roepstem van het dier. Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht vanuit Bokeloh, aan bij het huis van Mariechie, een pinnig vrouwmens, dat weigerde hun een boterhammetje te geven. Zelfs een slokje water, melk of een appel kon er niet af. Ze sneerde verwensingen en wees bars met de vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en luidkeels roepen om regenwater wanneer ze dorst had. Eigen schuld, dikke bult, lekker puh.. Het kan dus lelijk met je aflopen wanneer je iemand een iets weigert. Van alle vogelgeluiden in Gross-Dörgen horen we af en toe de vrij zeldzame broedvogel van het hoog gemengd naaldwoud, die kruu-kruu roept. Het wordt steeds meer een sprookje uit het verleden die op de wind van de tijd is verwaaid.

Henk Beukers

November slachtmaand

November slachtmaand

Afbeelding: Michiel van Musscher, Het varken op de leer met gezicht op de Haarlemmerpoort, 1668

Voor en in de oorlog had vrijwel iedere inwoner van Erica een hok achter het huis met een paar varkens erin. Daarnaast hadden ze een hok met kippen en aan de stik een paar sikken. Een sik was de ‘arbeiderskoe’, deze werd gehouden om de melk. Een echte koe was voor de meesten niet mogelijk omdat daarvoor een bunder grond vereist was. Van Erica naar Nieuw Amsterdam was het aan beide kanten van het kanaal wit van de sikken die aan de stik stonden te grazen, sommigen zelfs tot onder aan het kanaal. Op het eind van het jaar werden de beesten boks en gingen ze ermee naar de bok. Gedurende de winter gaven de sikken steeds minder melk tot het ophield. In het voorjaar kwamen de jonge guitige springerige sikjes ter wereld. Wanneer oma Beukers naar de straat liep huppelden de sikjes achter haar aan. Een paar passerende fietsers uit Emmen riepen, ‘Och, wat toch prachtig, die jonge hertjes’. De mannelijke jongelingen, de geitenbokjes, zullen geen melk geven en hadden diengevolg geen waarde. Die werden kort na de geboorte met de zijkant van de schop de hersens ingeslagen. Soms lukte dat niet helemaal maar verdwenen alsnog met de seksegenoten in het gezamenlijke graf. Wie daar moeite mee had kon de bokjes ook naar van der Land brengen. Van der land slachtte de bokjes en verdiende iets aan het vel. Van der Land was een keurig heerschap, je wilde alleen niet weten wat daar in zijn achterschuur gebeurde. Hij had een prachtige dochter die later Katholiek werd en verhuisde naar Klazienaveen. Op Erica had je snel een bijnaam. Iedereen kende de dochter van van der Land als ‘Bokkie’ van der Land. Nou, dan zou ik ook verhuizen. Bij mijn moeder hadden ze een Tochenburger, een sik met hoorns. In die tijd bracht een paar vodden bij de voddenboer een ballon op. Toen mijn moeder als kind een vod zocht voor de voddenboer vond ze er een in de sikkenhok. Bij het bukken kwam de hoorn van de sik achter haar jurk. Wie dacht dat varkens hard konden gillen…Sikkenvlees wilde niemand eten, dus werden sikken zelden geslacht. Bij verminderde melkopbrengst werd het beest op een kar gezet en gingen ze ermee naar de markt in Emmen. De gemeente had op het marktplein allemaal hokken neergezet met stro. Daar was een speciaal gedeelte voor sikken net zoals er ook een gedeelte was voor varkens, kippen, honden enz. Een grapje uit die tijd was om aan een voorbijganger met een hoed te vragen of ie de hond had verkocht, bij een nee werd steevast opgemerkt: ‘nou, ie hebt de hok nog op de kop staon’. Kippen, van piepjong tot stokoud, werden met wagensvol tegelijk opgekocht en gingen allemaal naar de slachterij. De markt in Emmen was ook een sociale gebeurtenis. Zo gingen de boeren uit Schoonebeek wekelijks met karren vol zwijnen naar Emmen. Voor de Schoonebeker boeren was het hun wekelijkse uitje en lieten zich bij Grimme een borreltje goed smaken. De verkochte biggen voor Erica werd door de heer Pater in een kar naar het dorp gebracht. Biggen voor Beukers kregen de letter B op de rug. Degene die thuis geen varkens hield was ziek, zwak of misselijk. Die moest het doen met een ‘moeseoortie’ spek’. In november en april waren overal op Erica gegil van varkens te horen. Het waren de slachtmaanden. Vooral november stond als slachtmaand bekend. Het varken werd levend op de ladder gebonden met de kop naar beneden. Dit ging gepaard met luid gegil van het varken. Het gegil was niet van enthousiasme, het varkentje had allang door dat hij niet ‘ter leering ende vermaeck’ op de ladder werd gebonden. De slager sneed een halsslagader door en liet het varken vervolgens doodbloeden. Het bloed werd in schalen opgevangen om bloedworst van de maken. Het gegil van het varken hield langzaam op. Het laatste wat het beest op de kop van deze wereld zag vanaf de ladder waren volle schalen met eigen bloed waarin driftig werd geroerd om stolling tegen te gaan. De maand november werd gekozen als slachtmaand omdat het nog niet hard vroor, al had je wel nachtvorsten. Het varken kon zo snel koud worden. ‘s Avonds werd het varken met een paar man van de ladder afgehaald en kwam op een oude tafel te liggen. Hier werd het varken in stukken gesneden. Spek eraf in zes repen, vlees eraf, poten eraf. Het vlees en spek ging tien dagen in het zout om vervolgens aan de balken verder te drogen. Het vocht trok in het zout en het zout trok in het vlees. Op die manier kon vlees langer worden bewaard. In de oorlogsjaren was het aanbod van zout krap. Het roze vleesvocht wat uit het zout lekte was nog zout genoeg en werd als zout bij het eten gebruikt. Later nam het wecken de taak van het inzouten over. Alhoewel het nog wel gezouten vlees was wat werd ingeweckt. Daarnaast werd ook een gedeelte fijn gesneden vlees behandeld met kaneel en kruiden om worst van te maken. Het toevoegen van kruiden luisterde nauw, steeds werd een stukje vlees geproefd, tot het goedgekeurd werd. Pas dan werd er worst van gemaakt. Alleen het mooiste vlees kwam in de metworst. De hersenen werden gebakken en werden als een lekkernij gezien. Anderen maakten van de hersenen zure zult, dit kon worden gebruikt als broodbeleg. Van het varken werden de ogen, hoeven en dikke darm als slachtafval weggegooid. Maar sommigen bewaarden zelfs de dikke darm, daar kwam de bloedworst in. Anderen gebruiken hiervoor linnen. De dunne darm werd gespoeld en nadien werd met een mes het vet eraf gekrabd, vervolgens werd het opgevuld als metworst. De slager had een speciale haak om de nagels van de hoeven te trekken. Varkenspoten gingen in de snert en de hakken gingen in de bonensoep. De mensen hadden altijd twee varkens, een dikke voor het najaar en een kleinere in het voorjaar. De kleinere was vaak een lekkerder varkentje om te eten maar werd ook wel in de zomer verkocht om een paar extra centen bij te verdienen. In het voorjaar werd een gang naar de markt in Emmen gemaakt om een paar biggen te kopen. Die kwamen dan in een hok met vers stro. De eerste tijd waren de aandoenlijke biggetjes levend speelgoed voor de kinderen. Varkens waren echter ook intelligente dieren, ze scheten en pisten altijd op één plek in het hok om zodoende een droge slaapplek over te houden. Varkens konden ook enorm last van luizen hebben. Mijn vader stipte de luizen aan met een mengsel van petroleum en olie. Schier petroleum was te scherp. De luizen vielen direct dood neer wanneer ze werden aangestipt en het varken kreunde van genot. Een honderdponder liet zich gewillig omdraaien wanneer de behandeling met het wondermengsel dit wenste. Twee varkens in een hok deden ze ook beter vreten. Uit voedingsnijd, dus de ander niks gunnen, vraten ze de buik vol. Het kon zijn dat een varken minder vrat dan normaal, dat kon liggen aan kies- of tandpijn. Vaak werd dan een kruimelige baksteen aan het varken gegeven. Met luid geknak en geknars werd de baksteen volledig opgevreten. De gebitsproblemen waren hiermee vaak opgelost. Daarnaast moest een varken schrokkerig vreten. Soms had je een ‘zoeger’, een zuiger, dan schrokte het varken niet maar zoog het voer op als het ware. Het vreten ging dan te voorzichtig, zo kreeg het beest te weinig binnen, het was een slechte zwien. Want vreten moesten de varkens, spek moest erop, liefst vier vingers dik of meer. Vroeger hadden de mensen door zwaar lichamelijk arbeid meer brandstof nodig. Naast de zes twaalfurige werkdagen had iedereen thuis ook nog een flinke moestuin om te bewerken. Daar werd o.a. boerenkool, bruine bomen en siepels (uien) verbouwd. De bruine bonen en siepels werden voor de winter op zolder bewaard. ‘s Avonds hoorde menigeen hoe op zolder de muizen met de uien aan het spelen waren. Spek werd dus massaal verorbert, rijkelijk bestrooid met zout en peper. Bovendien smeerde het de darmen, zo was de overtuiging. Als het varken aan de ladder hing te drogen en pastoor Ninteman op de fiets langskwam, hield deze even halt, ging naast zijn fiets staan, nam zijn hoofddeksel af en knikte naar de mensen thuis. Een duidelijk appėl om een stukje vlees bij de pastoor af te leveren. Maar Erica had ook een pastoor gekend die het aangeleverde vlees direct doorgaf aan de minderbedeelden. Dezelfde pastoor werd door het kerkbestuur onder financiële curatele gesteld omdat hij al het geld weggaf aan de minder bedeelden. Toen na het Tweede Vaticaanse Concilie de Katholieke kerk zich ging moderniseren kon deze pastoor de veranderingen niet bijbenen. Hij vertrok naar Amsterdam en maakte daar een eind aan zijn leven. Maar pastoor Ninteman paste zich feilloos aan. Met zijn gang door Erica ging zijn hoedje diverse keren af. Zijn twee dienstmeiden hadden d’r maar druk met het inmaken van al het binnengekomen vlees. De mensen die de geestelijke daarnaast ook nog uitnodigden voor een borrel hadden d’r een vaste klant bij. Zo kwam hij elke dag bij de familie Middendorp aan het kanaal. Maar voor pastoor Ninteman was het ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, al zijn schaapjes waren gelijk. Wanneer de familie Middendorp weer eens te laat in de H. Mis kwam riep pastoor Ninteman van de preekstoel: ’10 minuten over tijd en daar komen ze’ en wees vervolgens naar de laatkomers. In die tijd had elke familie hun ‘eigen’ kerkbank, die van de Familie Wittendorp stond helemaal voor in de kerk. Die moesten, gezien de afstand, tegenover de medegelovigen spitsroede lopen. Dat nam niet weg dat pastoor Ninteman de maandag erop weer een borrel kwam halen bij de familie Wittendorp. Hij grinnikte dan: ‘Had ik je even mooi te pakken hè’. In die tijd kreeg de pastoor meer dan alleen vlees. Zo had de pastoor een grote moestuin gelegen langs het toegangspad in het kerkenbos waar nu dennenboompjes staan. De pastoor riep van de cancel: ‘Als de boeren nog een karretje goed verrotte stalmest overhebben dan kunnen ze die bij mijn tuiniers Jeurissen en zoon afleveren’. Geheid de week erop werden diverse karren stalmest bij de pastoor afgeleverd. Vroeg in het voorjaar ging pastoor Ninteman bij Capelle langs voor planten in de moestuin. Hij mocht ze afleveren bij zijn tuiniers.

Geschreven door Henk Beukers

Het betoverde kussen

Het betoverde kussen

Het verhaal speelt zich af in de eindjaren dertig. Het koninklijk paar Juliana en Bernhard waren inmiddels getrouwd, op Erica was midden op het plantsoen een boom geplant ter gelegenheid van hun huwelijk. Om de boom stond een hekwerk met daarin de letters J en B, refererend aan de namen Juliana en Bernhard. Deze letters werden enkele jaren later, tijdens de Duitse bezetting, uit het hekwerk gezaagd. Duitsers hielden niet van monarchistische frivoliteiten. Direct na de oorlog werden de letters weer in het hekwerk gelast. Om het plantsoen liep een straat met dwarsstraten naar alle windrichtingen. De dwarsstraten werden genoemd naar het plantsoen en windrichting, Plantsoenstraat Oost, Plantsoenstraat Noord enz. Aan de straten stonden simpele gemeentewoningen waarvan de meesten inmiddels zijn gesloopt. Op Plantsoenstraat Zuid woonde toentertijd de familie R. Gewoon familie Doorsnee, met uitzicht op het centrale plantsoen. Elk huisje had zijn kruisje. Bij de familie R. betrof het zoon Bennie. Alle kinderen van de familie waren gezond en groeiden als kool. Behalve Bennie, die was en bleef maar een schriel ventje. Daarnaast was Bennie een zenuwenlijder. Vrijwel elke nacht had Bennie last van nachtmerries, hij gilde het hele huis bij elkaar. Ten einde raad gingen de ouders hulp zoeken bij buurvrouw Stoker. Vrouw Stoker, een zonderlinge oude vrouw, kwam niet van Erica. Niemand had contact met haar, niemand wist waar ze vandaan kwam. Maar vrouw Stoker kon ‘bezetten’. Een fenomeen wat tegenwoordig ‘strijken’ of ‘magnetiseren’ wordt genoemd. Hierbij worden strijkende bewegingen gemaakt over de patiënt. Het wonderlijke van dit bezetten of strijken was dat hierna de klachten van pijn of onrust volledig waren verdwenen. Men hoefde er niet in te geloven. Menig criticus liet zich behandelen en kwam tot de conclusie nooit in dergelijke hocus pocus te zullen geloven. Maar ze zwegen heimelijk over de klachten, die bleken te zijn verdwenen. Ondanks het feit dat de mensen vrouw Stoker een eenzame, teruggetrokken en een beetje enge vrouw vonden, werd haar hulp gevraagd. Maar Bennie werd er niet beter van, de klachten namen alleen maar toe. De nachtmerries veranderden langzaam in hysterische angstaanvallen. Om de familie rust te geven werd Bennie voor een week bij familie op het dorp geplaatst. Daar knapte Bennie wonderwel op, de nachtmerries verdwenen spontaan. Na een week, bij terugkomst in zijn eigen huis, kwamen de nachtmerries in volle hevigheid terug. Het bleef niet bij Bennie, zelfs de varkens in de achterschuur werden ziek. Elke keer wanneer de familie zich afvroeg wat de oorzaak kon zijn verscheen uit het niets, de oude buurvrouw. De familie R. was ten einde raad. Op het laatst werd de kussen van Bennie opengetrokken om te zien of ongedierte de oorzaak van de ellende kon zijn. Het was in die tijd gebruikelijk dat de kussens waren gevuld met donsveertjes van ganzen. Wat ze in het kussen zagen deed hun adem stokken. In de donsveren van het kussen zagen ze een afbeelding van een haan. Heel verfijnd, prachtig gekunsteld, ontzettend gedetailleerd, niet door mensenhanden gemaakt. Het figuur in de donsveertjes was echter niet compleet. De familie kon niet geloven wat ze zagen. Was het onrustige geschud van Bennies hoofd op het kussen de oorzaak van dit figuur in de donsveertjes? Het figuur werd uit elkaar getrokken en de kussen werd opnieuw gevuld met de donsveertjes. Ook nu weer stond plots vrouw Stoker achter de familie in het kleine slaapkamer van Bennie. Bij het kapot trekken van het figuur van de haan in de donsveertjes was ze wit weggetrokken. Het begon bij de familie R. een beetje te dagen, dit waren geen gewone nachtmerries die Bennie teisterden. Vrouw Stoker werd te kennen gegeven dat de familie geen gebruik meer wil maken van haar diensten. Vrouw Stoker reageerde als door een horzel gestoken. Boos verliet ze de slaapkamer van Bennie. Bij het verlaten van de huiskamer sprongen opeens tientallen witte muizen gillend uit het hardvuur. Alle leden van de familie R. zochten heil op de stoelen en tafel tot de muizen in kieren waren verdwenen. Die nacht waren de nachtmerries bij Bennie heviger dan ooit. Het waren niet alleen de nachtmerries en gegil van Bennie die de familie R. wakker hielden. Om het huis in het donker waren geluiden te horen die het meest deed denken aan rammelende blikken. De volgend morgen werd het kussen van Bennie opnieuw opengetrokken. Wat ze zagen deed ieder wederom de adem stokken. In het dons was een figuur van een haan zichtbaar, nu iets completer dan de dag tevoren. Opnieuw werd het dons uit elkaar getrokken en werd het kussen weer gevuld. Ieder familielid wist het, als de haan in het kussen compleet werd zou Bennie sterven. De weken erna bleven de nachtmerries bij Bennie toenemen. Ook de sinistere nachtelijke geluiden om het huis namen toe. Mensen in de buurt meenden een huilende zwarte hond om het huis te hebben zien lopen. Bennie werd steeds zieker. Met hem de varkens. Hevig geschrokken van het bovennatuurlijke zocht de familie hun heil bij de pastoor. De goede herder kwam kijken. Maar dit ging de arme man snel boven de pet. De geestelijke kwam haastig tot de conclusie dat het kussen van Bennie vaker gewassen moest worden. De pastoor verliet snel het huis. Elk volgende morgen, na een nacht vol geluiden om het huis, werd het kussen van Bennie geopend. Elke keer zagen ze het figuur van een haan in het ganzendons. Bovennatuurlijk mooi en inmiddels vrijwel compleet. Het werd 2 november, Allerzielen. Tegenwoordig een herdenkingsdag voor de overledenen. Maar Allerzielen was bij de Katholieken bedoeld voor de zielen die hun straftijd in het vagevuur er bijna op hadden zitten. Door in de kerk vijf keer een Onze Vader en vijf keer een Weest Gegroet te bidden kon iedere gelovige een aflaat verdienen. Met die aflaat kon een ziel uit het vagevuur worden gered. Na het gebed, dus na het hebben verricht van een goede daad, werd de gelovige geacht de kerk te verlaten. Wanneer de gelovige buiten de kerk stond werd hem of haar geen stro breed in de weg gelegd om nòg een zieltje uit het vagevuur te redden. Het gevolg liet zich raden, de gehele dag liepen mensen met klotsende klompen de kerk in en uit om de hel schier leeg te bidden. In- en uutlopertie werd de dag van Allerzielen genoemd. Traditioneel werden in die tijd ook de Missionarissen van Afrika op Erica uitgenodigd. De missionarissen stonden beter bekend als de Witte Paters. Deze geestelijken leken destijds een voorkeur te hebben in het geven van donderpreken. Iets wat ze met passie en hartstocht deden. De Witte Paters hadden in donker Afrika veel ervaring opgedaan met inlandse rituelen en bezweringen. Voor het inzegenen van een huis of een demoontje uitdrijven draaiden de Witte Paters hun hand niet voor om. Met name voor dat laatste deed de familie R. een wanhopige beroep op de Witte Paters. In de komende dagen zou het figuur van de haan in het kussen compleet zijn. Daarmee was het lot beschoren van Bennie. Met Bennie de varkens. Dezelfde avond kwamen drie Witte Paters op bezoek bij de familie R. Biddend werd het huis gezegend met weiwater. Zelfs de schuur met de varkens werd niet vergeten. Toen de Witte Paters al biddend de slaapkamer van Bennie betraden hoorden ze een hond lang en klagelijk huilen. Toen de Witte Paters met weiwater begonnen te zegenen hoorden ze buiten een oude vrouw gillen. In de tuin liep vrouw Stoker, gillend van de pijn. Kwaad hief ze haar vuist richting de Witte paters. Toen was ze verdwenen. Niemand had vrouw Stoker en haar zwarte hond ooit weer gezien. Het kussen van Bennie werd geopend. In het dons bleek het figuur van de haan te zijn verdwenen. Sindsdien waren de nachtmerries en angstaanvallen bij Bennie verleden tijd. Zelfs met de varkens ging het goed. De beesten groeiden voorbeeldig op en werden gezonde karbonaadjes. Als Bennie nog zou leven zou hij nu ongeveer negentig jaar oud zijn. Van Bennie was bekend dat hij een ‘fien kereltie’ was, trouwde en kinderloos bleef. Hij bleef niet op Erica wonen, geef hem eens ongelijk.

 

Geschreven door Henk Beukers

Oude Cobus

Oude Cobus

Het ouderlijke huis van mijn vader aan de Kerkweg was eigendom van Oude Cobus. De helft van de woning, een kamer en een deel, gebruikte Cobus zelf. Cobus Jacobus Maatje was een sterke kerel. Hij had nog geholpen het Oranjekanaal uit te graven. Toen dat werk gereed was had hij zich, zoals zovelen, neergestreken in deze contreien van zuidoost Drenthe. Als veenarbeider had hij vervolgens voor zijn nering gezorgd. Cobus had ooit verkering met een mooie meid. De mooie meid gaf aan in Duitsland prachtige meubels te hebben gezien. ‘Toe, toe, toe’, huppelde de meid smekend om Cobus. Die gaf met een groots gebaar zijn nieuwe vlam genoeg geld mee om de meubels te kopen. Dat was de laatste keer dat Cobus zijn mooie meid zag. En zijn geld. Sindsdien was Cobus vrijgezel. Hij mompelde alleen de naam van het meisje wanneer hij dacht alleen te zijn. Achter zijn kamer lag zijn deel. Behalve zijn schijtton lagen hier een stapel turven en een bultje wit zand. Wanneer Cobus met de kruiwagen turf van de bult achter zijn huis ging halen, om de stapel turf op de deel bij te vullen, werd deze hoog opgeladen waarbij zelfs de bomen van de kruiwagen werden gebruikt. Ook draalde hij niet om zijn tuin diep om te spitten. Cobus was toen vijfennegentig jaar oud. Oude Cobus droeg altijd een blauwe boezeroen met een dikke rood flanellen (roodboi) overhemd met een dunnere blauwe slip. De slip van de overhemd was dunner zodat hij dit in de broek kon stoppen. Cobus had altijd een zwarte broek aan met een klap van voren. In de zomer ging de bovenbroek uit en ging hij verder in zijn dikke wit flanellen (witboi) onderbroek, uiteraard met een klap van voren. Op zondag had Cobus zijn zondagse pak aan, gewoon van hetzelfde maar dan schoner. Altijd een pet op, doordeweeks met een vilten klep, zondags de pet met een gladde klep. Cobus redde zich geheel zelf. Hij maakte o.a. zijn eten zelf klaar. Cobus at zo een pan op met aardappels (inclusief zwarte pitten) en bonen. Al waren de aardappels bevroren, het nat liep hem dan langs de kin, oude Cobus zei altijd, ‘smaakt goed heur’. Brood en vlees kende hij niet, wel spek en roggebrood. Dat betrok Cobus van Hofstede, die had zijn winkel op de hoek Kerkweg-Verl. Hoogeveense vaart. Vooral op spek was Cobus verzot. Bij de huiskamerdeur hing altijd een groot stuk spek waar hij dan een stukje van af sneed. Soms kropen de maden uit het spek. Cobus trok zich hiervan niets aan, hij at smakkend het spek met maden en al op. Cobus at in de zomer groente, dat wil zeggen een krop sla. Deze werd uit de tuin gehaald, goed afgeschud en vervolgens met luis en al geconsumeerd. Toen de dokter eens langskwam zei deze tegen mijn oma, ‘Hij leeft van de smeer, een goede wasbeurt wordt zijn dood’. Op het eind van Cobus leven nam zijn bezorgde familie hem mee naar het huusie van Maatje. Deze stond oostelijk zo’n honderdvijftig meter in het veld waar de Havenstraat en Kerkweg overgingen in Ericaase straat. Hier blies oude Kobus, vlak voor zijn honderdste verjaardag, zijn laatste adem uit. Het was nooit geheel duidelijk geworden waarom de familie, die zich zelden had laten zien, opeens zo bezorgd was om oude Cobus. Feit was wel dat oude Cobus een paar flinke sokken vol met geld had. Cobus was een sociaal mens, hij leende geld uit aan mensen op Erica. Cobus gaf mensen hoop en verloste hun van financiële nood. Gezien de leeftijd van Kobus hoopten de schuldenaren stiekem op een andere verlossing, het overlijden van oude Cobus zou voor die mensen meer dan ‘oprechte deelneming’ zijn. Misschien toch terecht dat de familie van Cobus zorgen maakte. Wekelijks kwamen mensen langs om, van het geleende geld, rente te betalen aan Cobus. Daaronder ook Tinus Hegeman, een man in een invalidenkar. Terwijl in de kamer van oude Cobus de geldzaken werden afgewikkeld sjeesde mijn vader, als tiener, achter het huis en over straat, met de invalidenkar van Tinus. Wanneer Tinus weer naar buiten dreigde te komen riep mijn oma tegen de scheurende coureur, ‘Zet ‘m gauw naor bin’n, Tinus komp d’r an’. Oma keek trots naar haar zoon, hij blijft toch je kind. Tijdens de lange winteravonden kon Cobus eenzaam zijn. Vaak kreeg hij in de avond bezoek waarbij Cobus zich afvroeg of het om hem of om zijn geld te doen was. Als het te eenzaam werd kwam Cobus bij zijn buren, mijn grootouders, op bezoek. Soms meerdere keren op een avond. Cobus was in die tijd zoals vele mensen erg religieus. Ook al vroor het vijfentwintig graden, Cobus ging elke dag naar de ochtendmis. Met blote handen en doordeweeks altijd dezelfde jas en pet. Cobus kwam nadien weer thuis. ‘Het is wel kold’, hij ging rillend bij de warme kachel zitten. Oude Cobus werd dan een beetje ziek. Gezien zijn hoge leeftijd werd hij in die tijd snel bediend van het Sacrament der Zieken. De volgende morgen werd Cobus afgeroepen in de kerk, zeg maar als aspirant overledene. Cobus was een taaie, hij knapte nog dezelfde nacht op, trok zijn jasje aan, deed zijn pet op en ging trouw naar de kerk. Daar hoorde hij, tot eigen grote verbazing, zichzelf afroepen van de kansel. Cobus Maatje zou op sterven na dood zijn. Alle avonden nam Cobus zijn lange pijp met een porseleinen kop en nam plaats in zijn stoel bij de kachel. Onder het dekseltje werd de pijp gevuld met tabak wat hij anders overdag zou pruimen. Het gepruimde tabak werd door Cobus gewoon in de kamer uitgespuugd. Om geen bende te maken werd op de lemen vloer wit zand gestrooid. Bij het huusie van Maatje werd hagelwitte zand gedolven. Al jaren ging oude Cobus met een kruiwagen naar zijn familie en nam wit zand mee dat op de deel werd gedeponeerd. Dat strooide hij vervolgens in zijn kamer op de lemen vloer. Er waren mensen die het zandstrooien tot een ware kunst hadden verheven, een meter van de kant in allerlei patroontjes met krulletjes in de hoeken. Het was net een tapijt. Dit soort verfijndheid was aan oude Cobus niet besteed. Hij smeet het zand gewoon door de kamer en spuugde er na hartenlust dikke zwarte kwalsters pruimtabak op. Wanneer het te gek werd veegde hij het zand bij elkaar en kwam er nieuwe zand in. Voor het raam had hij een paar dakpannen staan die hij gebruikte als ‘kwalstervanger’. Cobus schoot niet altijd raak. In zijn kamer, vlakbij zijn stoel naast de kachel, stond een koperen kwispedoor. Als Cobus pruimde werden de uitgespuugde tabakskwalsters vakkundig op de kwispedoor gericht. Die raakte natuurlijk wel eens vol, dat kon je zien aan de zwarte slierten die langzaam over de kwispedoor op het zand dropen. Dan pakte oude Cobus kordaat de kwispedoor en bracht de inhoud naar zijn eigen gegraven gat achter het huis. Daarin kwam normaal de wekelijkse inhoud van zijn schijtton die hij keurig afdekte met zandplaggen. De inhoud van de kwispedoor kieperde Cobus zonder omkijken gewoon in zijn gat. Willem dekte, al kokhalzend, de riekende inhoud alsnog af. Omdat oude CCbus door zijn hoge leeftijd niet al te vast op zijn de benen stond werd veel van de oorspronkelijke inhoud van de kwispedoor onderweg verloren. Wanneer hij eindelijk zijn gegraven gat had bereikt kon men zijn spoor precies volgen. Vanaf zijn stoel, door zijn deel, achter het huis langs, lag om de meter een zwarte kwak zo groot als een etensbord. Daar was geen wit zand tegen te strooien. ‘Spit weg’, gruwelde mijn oma dan, ‘daor lig ‘n pannekoek en daor ok’, wijzend naar de zwarte plekken van tabakskwak. Dan moest Willem de ‘pannenkoeken’ opruimen. Dat gebeurde onder zeer luide kokhalsde geluiden van protest. Kobus voedingsgewoonte van spek en roggebrood had zo zijn gevolgen. Hij had grote problemen met zijn stoelgang. Willem werd door Cobus regelmatig op weggestuurd om bij de drogist ‘Anna Maria Wortelboer’ pillen te halen. ‘Schijtpillen’, verduidelijkte Cobus nog eens. ‘Nou’, brombe Willem, ‘ik gao gien schijtpill’n haal’n van Anna Maria Wortelboer’. Cobus bleef maar aandringen zodat Willem een uur later met de kraag ‘stief’ in de nek naar de drogist fietste om schijtpillen van Anna Maria Wortelboer te halen. Ondertussen ging Cobus naar het ‘Huusie’ om te doen wat een mens moet doen. Niet veel later was het gekreun tot op de straat te horen. ‘Ooohhh, help mie toch, oohoohoo help mie dan toch’. Willem zou Willem niet zijn als hij de volgende dag op zijn eigen huusie Cobus niet ging nadoen. ‘Oooo help mie dan toch’, beulde Willem tot twee huizen verder. Toen Cobus een keer wegens aambeien in het ziekenhuis in Groningen lag had Willem in zijn huiskamer de planken achter de dakpannen vernieuwd. Door de ‘missers’ van oude Cobus waren de planken compleet verrot. Cobus had de nieuwe planken niet eens bemerkt toen hij weer thuis kwam. Het ziekenhuis had oude Cobus maar niks gevonden, ‘och, wat krieg ie daor maar ‘n dun soeppie’, de soep was niet meer dan water. Met zijn inmiddels negenennegentig jaar was op Erica alleen ‘Aole Gankema’ hem met honderdeneen jaar de baas. Het graf van oude Gankema is nog steeds te vinden op het openbare kerkhof van Erica. Van het graf van oude Cobus is niets meer te vinden, voorgoed verdwenen in de vergetelheid. Het ‘Eeuwige Rust’ heeft door de regel een houdbaarheidsdatum van zo’n dertig jaar.

Geschreven door Henk Beukers

Cobus MaatjeCobus Maatje 2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een aflaat is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden. Volgens de Katholieke leer moet elke zondaar namelijk een straf ondergaan voor zijn zonden, om de ziel te zuiveren en de morele orde en de eer van God te herstellen. Gelovigen kunnen ook aflaten bekomen voor afgestorvenen om hen te helpen bij het uitboeten van hun tijdelijke zondestraffen in het vagevuur. Voor Cobus betekende dit 300 dagen minder logement in het vagevuur.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

1945, Erica ging gebukt onder de Duitse bezetting. Er gloorde hoop, Radio Oranje bracht ieder luisteraar de laatste gang van zaken op de hoogte. Erica had zich in de oorlogsjaren aangepast en verzet. Zo kende Erica een Engelandroute waarbij neergestorte piloten van de geallieerden een veilige route naar Engeland werd aangeboden. De kippenhok van de pastoor achter de Katholieke Kerk in het bos was zo’n schuilplaats. Later werd de kippenhok gesloopt en bouwde van Os (later bouwbedrijf van Os) zijn eerste opdracht, een clubgebouw (Blokhut) voor de verkenners later Scouting genaamd. Vanuit de toenmalige kippenhok brachten leden van het verzet, onder leiding van meester Engbers, de piloten naar een onderkomen aan het Dommerskanaal. Van hieruit liep de route verder en namen de gebroeders Griendtsveen het over. Helaas werden zij verraden, de gebroeders verdwenen in de strafkampen. Ze overleefden de hel. In het laatste oorlogsjaar was Erica vergeven van de onderduikers. Bij de overburen van mijn moeder, de familie Heijnen, bleek al jaren een Franse onderduiker te zitten. Deze was gevlucht uit een van de Eemslandkampen vlak over de Duitse grens. Het waren concentratiekampen waar gedurende de oorlog meer dan dertigduizend mensen werden vermoord. Dat is veel meer dan in het beruchte Dachau. Niemand wist van het bestaan van de Franse onderduiker, behalve de zus van mijn moeder, Dora. Die had hem een keer buiten betrapt. Als meisje was ze zich bewust van de gevolgen als de Duitsers hier achter kwamen. Zus Dora, mijn tante, zweeg als het graf. Zelfs opa, opoe, mijn ooms en mijn moeder wisten van niets. Tante Dora’s zorgvuldig zwijgen redde hiermee het leven van de Fransman plus de levens van de familie Heijnen. Het einde van de oorlog naderde gezwind, sommigen waaronder vrouw Reuvers waren een beetje te enthousiast, bij het riskante af. Overtuigd van de bevrijding liet ze aan de Kerkweg enthousiast de Nederlandse vlag uit haar slaapkamerraam wapperen. De verboden radio was tot een straat verderop nog hoorbaar. Maar Erica was helemaal niet bevrijd, nog niet. In de scholen zaten gewonde en oude Duitse soldaten te revalideren. Om hun tijd te doden patrouilleerden ze door de straten van Erica, ze waren verzot op een Tasse koffie. De uitingen van vreugde in huize Reuvers werden een paar van deze Duitse soldaten te gortig. Deze soldaten waren duidelijk oorlogsmoe en wilden naar huis, de oorlog liep immers ten einde. Maar hier moesten ze toch echt iets aan doen, ze hadden geen keus. Ze namen hun geweren van de schouders, ontgrendelden deze, en schoten pardoes door het open slaapkamerraam. Een ijzige kreet volgde, even later liep vrouw Reuvers achter het huis gillend het veld in. Zij was niet alleen. Een paar meter voor haar uit rende de onderduiker die zich al jaren in haar huis had verborgen. Beide zochten dekking tussen de pollen pijpenstro. De Duitse soldaten hadden echter geen belangstelling, ze schouderden hun geweren en liepen door. Zoals gezegd radio’s waren verboden en moesten bij de Duitsers worden ingeleverd, avondklokken werden ingesteld, ramen moesten worden geblindeerd. In het laatste oorlogsjaar klommen monteurs in de palen en sloten op Erica ieder huis van de stroom af. Voortaan zat ieder gezin bij een klein olielampje als het donker werd. Uit deze ellende kon dan spontaan iets tragikomisch ontstaan. Groene Harm had namelijk een windmolentje gemonteerd op het dak van zijn huis. Het molentje was verbonden met een fietsdynamo. Het bijzondere van Harms windmolentje lag in het feit dat die constant stroom gaf, wind of geen wind. Dat was zoiets bijzonders dat op Erica zijn bijnaam Groene Harm werd veranderd in Harm Wind. Zijn handel in windmolentjes floreerde. Harm had namelijk lef, veel lef. Nog geen uur nadat de monteur zijn huis van de stroom had afgekoppeld klom Harm in de paal. Handige Harm zat een half uur later weer aan de stroom en zijn lampje brandde constant, wind of geen wind. Vervelend was dat bij Harm in de meterkast de stroommeter opliep. Harm dacht toen erg leep te zijn. Met een dun ijzerdraadje zette hij via een piepklein geboord gaatje de stroommeter stil. Een van de eigenschappen van oorlog is dat het ooit eindigt. Van alle beroepen die dan weer worden opgestart is die ook van stroomcontroleur. Harm Wind werd betrapt en kreeg na de oorlog een gepeperde rekening. Op mei 1945 was mijn vader bij zijn werkgever Bats Reuvers (thans bloemenhuis Lubbe) op het land aan het werk. Toen hij tegen 11.00 uur opkeek richting Nieuw Amsterdam zag hij in de verte op de Dikke Wijk tanks rijden. Even later bulderden de kanonnen. In Noordbarge bij het Oranjekanaal ter hoogte van de melkfabriek boden de Duitsers weerstand. Leunend op de schoffel stond mijn vader het strijdgewoel in de verte te bekijken. De ene boerderij na de andere ging in vlammen op. De strijd hield op toen de Duitsers zich overgaven. De bevolking kwam te voorschijn en wilden zich honend uitlaten over de krijgsgevangen Duitsers. Dit werd door de geallieerde soldaten, in dit geval Poolse soldaten, verboden. De Duitse soldaten streden ook maar voor hun Heimat, aldus de Polakken. Kilometers verderop ging een tiener verder met schoffelen. Het bleef op Erica opmerkelijk rustig die dag. Iedereen bleef in het ongewisse en om zich heen kijken. Vooral niet dezelfde fout maken als vrouw Reuvers. Pas om negen uur ‘s avonds ging de pastoor van Erica op de fiets naar Emmen om zich te laten vergewissen van de laatste ontwikkelingen op bevrijdingsgebied. Om 22.00 uur was hij terug op Erica. Even later luidde een iel belletje, de grote klok was door de Duitsers ingepikt, over Erica. Erica was bevrijd. De dag erop was het een heksenketel op Erica. Iedereen had die dag vrij en overal waren dansavonden. Het tegeltjeshuis bij de brug werd ingericht als hoofdkwartier van de binnenlandse strijdkrachten. Mannen in burger met een band om de arm en in hun handen een pistool of mitrailleur waren nu soldaten. Auto’s reden rond met gewapende mannen zittend op de voorspatborden. De jacht op NSB’ers was begonnen. Wie waren die NSB’ers? Daarvoor moeten we terug naar de tijd van voor de oorlog. Nederland lag in die tijd letterlijk maar ook figuurlijk achter de dijken. Alles was op zijn Nederlands tot in de puntjes geregeld. Naast het gehate fietsplaatje bij burgers hadden boeren een nog meer gehate productiebeperking. Teveel geproduceerde aardappels werden kapot geprikt. Teveel geproduceerd graan werd rood gekleurd. Zowel aardappelen als graan werd op die manier gereduceerd tot veevoer. De Duitsers kwamen en schaften alles af. De verleiding tot collaboratie met de Duitsers was groot. De meesten lieten zich echter niet registreren bij de NSB maar gaven mondeling aan sympathisant te zijn. Om het nog ingewikkelder te maken; degene die zich wel bij de NSB lieten registreren waren niet op voorhand ‘slecht’. Boer Lubby aan de Pannenkoekendijk was zo’n voorbeeld. Naast varkensboer werkte Lubby op het gemeentehuis in Emmen. Menig Ericaan had in de oorlogsjaren de nodige vergunningen, vrijstellingen of anders soortelijk papierwerk aan hem te danken. Zelfs top-NSBer Kuper (geen familie van) had nooit iemand verraden of aangegeven, hij had zelfs onderduikers aan het werk! In de chaotische dagen na de bevrijding was echter geen plaats voor subtiliteit. Hardhandig werden alle geregistreerde NSBers van bed gelicht. In de Kommerhoek werd zelfs eerst een handgranaat in de bedstee gegooid, de NSBers zouden bewapend zijn. Tot geluk van het stel ontplofte de granaat niet. Een oud NSB-echtpaar liep strompelend over de Havenstraat. Rondom het stel een zestal zwaar bewapende mannen die hun geweren dreigend op de oudjes richtten. De NSBers werden opgesloten in café Hof, in de openbare school aan de Havenstraat en in het parochiehuis aan de Kerklaan. Mijn moeder, ook een binnenlandse strijdkracht, moest een zieke NSBer bewaken. Tot ergernis keek de man de gehele nacht mijn moeder met één oog aan. Bleek later de man een glazen oog te hebben en allang overleden te zijn. In de bestuurskamer werden jonge vrouwen gevangen gehouden. Niemand mocht met hun in aanraking komen. Het eten en drinken werd op de trap gezet en later door een der gevangenen opgehaald. Later bleken het sletjes van de Duitsers te zijn die daarbij een geslachtsziekte hadden opgelopen. Gebouw bij brug 2Zowel de gevangenen NSBers als de Binnenlandse Strijdkrachten moesten van levensmiddelen worden voorzien. In een bijgebouw aan de Pannenkoekendijk dichtbij de brug was de centrale keuken ingericht (zie pijl). De boerderijen of huizen van NSBers werden volkomen leeg geplunderd. Kookgerei maar ook voedsel werd naar de centrale keuken gebracht. Daar zwaaide bakker Gerard Kolker de scepter. Zijn bakkerij werd tijdelijk bemand door zijn broer Johan. Mijn moeder kon zich nog herinneren dat het eten ‘verrekte lekker’ was. In de dagen na de bevrijding werden de NSBers naar Westerbork vervoerd. Op Erica keerde de rust terug. De oorlog was voorbij. Niet voor de NSBers, terecht, deze mensen hadden straf verdiend, zeker degene die een misdaad hadden gepleegd. Maar wel volgens de wet. In die tijd was het echter een chaos. In Westerbork voltrok zich voor de tweede maal een menselijke drama, nu ná de oorlog. De NSBers werden overgeleverd aan bewakers, voormalige gevangenen van het kamp, die nog een appeltje te schillen hadden met collaborateurs van de gehate Duitsers. De nieuwe bewakers hanteerden dezelfde maatstaf in wreedheden als die ze ook onder de Duitsers hadden moeten ondergaan. Van de duizenden NSBers overleefden honderden dit niet, waaronder boer Lubby. Het is misschien wel Nederlands laatste onbesproken zwarte bladzijde van de Tweede Wereldoorlog.

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, opstand.

Erica in oorlogstijd, opstand.

Vijfde jaar alweer

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het begon op een septemberdag in 1944. Erica ging gebukt onder het vierde oorlogsjaar. Dagelijks voerden lange rijen volgeladen schepen door het kanaal richting Duitsland. Net als de overige door Duitsland veroverde landen werd Nederland leeg geplunderd. Mijn vader zat aan het kanaal te vissen toen weer een lange rij schepen voorbij voerde. Plotseling een daverende klap met een enorme waterfontein. De Duitse soldaten op de schepen besloten ook te gaan vissen. Maar dan op zijn Duits, met handgranaten. Dikke vissen kwamen door de drukgolf, veroorzaakt door de explosie van de handgranaat, boven drijven. Gretig werden de dikste vissen door de soldaten binnen gehaald, de rest lieten ze drijven. Dat vond mijn vader niet erg. Met iets minder dikke vissen was hij ook zeer tevreden. Toen mijn vader met zijn rijke oogst bij huis aankwam zag hij een opstootje schuin voor zijn huis op de Kerkweg. Zijn tante Sien was in een druk gebarende discussie met NSBer Kuper (geen familie van). Tante Sien woonde tegenover Kuper in een grote boerderij. Tante Sien was weduwe, haar man was zo’n dertig jaar eerder met nog een paar Ericanen gestorven aan de Spaanse griep. Kuper stond met een paar mede-NSBers met een verfpot in de hand naar overbuurvrouw tante Sien te luisteren. ‘Dat had ik nie van joe dacht Kuper’, hoorde mijn vader tante Sien zeggen. Kuper stond met een rood hoofd er verlegen bij te lachen. Ze hadden net met witgekalkte letters op de Kerkstraat geschreven: ‘V van Victory want Duitschland wint voor Europa op alle fronten’. Tante Sien liet haar schort los, deze had ze gevuld met zand. Het gestorte zand bedekte de tekst op de klinkers. Meerdere Ericanen bemoeiden zich met het opstootje. De groep NSBers onder leiding van Kuper maakten zich uit de voeten. Het duurde niet lang of het volgende opstootje diende zich aan. Pal voor de Katholieke kerk hadden Kupers groep wederom hun oorlogstaal op de klinkers gekalkt. Nu kwamen verschillende Ericanen aangerend met haastig gevulde zakken zand om de tekst direct weer te bedekken. De NSBers trokken over de Kerkweg richting de Verlengde Hoogeveense Vaart. Met veel kabaal en geschreeuw van de NSBers werd opnieuw hun spreuk op de Kerkweg gekalkt. De tegenstanders die daarop de tekst met zand bedekten was inmiddels tot een twintigtal gegroeid. Bij het kanaal sloeg Kuper met zijn groep rechtsaf richting het centrum van Erica. Aan het kanaal werd wederom met de witte kwast hitsige oorlogstaal op de straat geschreven. Hun geschreeuw en gebral was hierbij echter aanmerkelijk verstomd. Bezorgd keken enkele NSBers om zich heen. Ander geschreeuw overstemde de hunne. De groep boze Ericanen was inmiddels aangezweld tot zo’n zestig man en groeide nog steeds. Ze waren niet bang. Even leek het erop dat Kuper en consorten het slachtoffer gingen worden van een volksgericht. Ze werden bij het huis van de gebroeders R. in het nauw gedreven. Snel vluchtte de groep het huis van R. binnen. De gebroeders R. waren eveneens NSBers, maar dan van het ergste soort. Deze gaven lezingen om mensen binnenboord te trekken in hun donkere organisatie. Het lukte. Menig boer en menig burger liet zich ompraten en sloot zich aan bij de NSB. Een aantal waren echter voorzichtig, ze lieten zich niet inschrijven maar bleven liever sympathisant. Voor de overigen die zich wel officieel lieten inschrijven bij de NSB had deze misstap, na de oorlog, catastrofale gevolgen. Voor het huis van de gebroeders R. hadden zich inmiddels zo’n honderd boze Ericase mannen verzameld. Erica kwam in opstand. Geschreeuw, geduw, opgeheven vuisten en scheldpartijen, de jarenlange onderdrukking ontlaadde zich. Plotseling suisde een baksteen door de lucht en sloeg luid rinkelend door de voorruit van het huis van R. Degene die de steen wierp, zo bleek later, was een oom van mij. Een luide hoezee welde uit de groep boze Ericanen. Inmiddels was een telefoontje gepleegd naar het centrale gezag in Emmen. Mannen in zwarte kledij, bewapend met karabijnen en wapenstokken, reden op motoren met zijspan richting Erica. Toen de motoren voor het huis van R. stopten kwam een bange groep NSBers voorzichtig tevoorschijn. Van de groep boze Ericanen was niemand meer te zien. Ze bleken tijdig te zijn gewaarschuwd en hadden zich uit de voeten gemaakt. De spertijd werd ingekort naar 20.00 uur, nog dagenlang werd met motoren gepatrouilleerd door de straten van Erica. Hierbij werden de mannen van ‘Jan Hagel’ voortdurend uitgedaagd door opstootjes en zijn er daadwerkelijk schoten gevallen. Tot de rust uiteindelijk weer terugkeerde op het dorp. Maar Erica vergeet niet snel iets. Op het eind van de oorlog maakten de Duitsers er een gewoonte van om paarden van de boeren te vorderen. Die hadden geen keus. Op gezette tijden werd door de Duitsers voor de Katholieke kerk een tent opgezet, voor hun onmisbare administratie. De boeren kregen een oproep om met hun paarden voor de kerk te verschijnen. Weldra vulde het terrein zich met honderden Ericanen die schouder aan schouder de Duitsers zwijgend smerig aankeken. Zwijgend verzet. Terwijl de ene paard na het andere werd gevorderd voor het front ontstond langzamerhand een dreigende sfeer voor het kerkgebouw. De Duitsers trokken zich hiervan echter niets aan. De boeren mochten blij zijn, voor hun paarden kregen ze tenminste een frontpaard terug. Het bleken totaal afgeragde paarden. maar sommige boeren kregen niets terug, dus wees blij. Een kwartier voor eind van de vordering werd het plotseling onrustig. Mannen maakten zich snel uit de voeten, ze wisten wat er ging komen. De Duitsers stonden al rond te kijken om ‘vrijwilligers’ te zoeken die de gevorderde paarden naar Hoogeveen moesten brengen. Een reis van twee uur heen en twee uur terug. Op het eind van de paardenvordering was geen ‘vrijwilliger’ meer op het terrein te zien, hoogstens vrouwen, kinderen en bejaarden. Een razzia in het dorp volgde. Mijn vader, inmiddels achttien jaar, vluchtte naar zijn huis en later het veld in richting het huis van oude Poelman. Decennia later ons huis! De Duitsers gingen aan de Kerkweg alle huizen, ook mijn vaders huis, met veel kabaal bij langs. Mannen die te lang hadden getreuzeld of hun klompen niet snel genoeg konden vinden gingen als ‘vrijwilliger’ mee met de Duitsers. Die werden pas ‘s avonds weer terug gezien. Langzaam verdween het kabaal en werd het stil. Van achter mijn vaders huis ging de deur van het ‘huusie’ langzaam piepend open. Het was mijn oom Jurry, hij trok zijn broek op, klopte zijn pijp uit, hij had van al die drukte niets gemerkt.

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, bombardement.

Erica in oorlogstijd, bombardement.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het was een rustige winterdag in het najaar van 1944. Mijn opa was op dat moment op erica nabij de molen een turfschip aan het uitladen. Het turfschip lag vast in het bevroren kanaal. Het was zwaar werk waarbij mijn opa met een speciale kruiwagen de turf tegen de wal moest op rijden. Het was eentonig werk, niets leek die dag het ritme te kunnen verstoren. Mijn opa was de laatste lading aan het opstapelen achter een huis toen in de verte een geronk hoorbaar werd. Het was oorlog, voor mijn opa was het de zoveelste vliegtuig die over Erica vloog. Hij besloot gewoon door te gaan met zijn werkzaamheden. In 1944 waren de geallieerden heer en meester in het luchtruim. Hun snelle jagers schoten op alles wat verdacht leek. Bijvoorbeeld een turfschip. Terwijl mijn opa achter het huis aan het werk was dook een Engelse jager uit een wolk naar beneden. Het geronk nam toe, uit de vleugels schoten korte felle vlammen. Luide knallen overstemden het motorgeronk. Uit het ijs in het kanaal spoten geisers van water en ijsstof. Overal op Erica zochten mensen dekking, behalve mijn opa die werkte stug door. Na zijn eerste salvo maakte de jager een bocht boven Erica om zich voor te bereiden op zijn volgende salvo uit de mitrailleurs. Nu werd de molen getroffen, een wiek werd eraf geschoten en het dak beschadigd. Bij de derde duikvlucht werden een paar turfschepen getroffen waaronder die van mijn opa. Zo plotseling als de jachtvliegtuig was gekomen zo snel was het verdwenen. Voorzichtig kwamen de mensen uit hun schuilplaatsen. Aan het kanaal stond mijn opa verbaasd om zich heen te kijken met een lege kruiwagen in zijn handen. Hij keek naar het kanaal en krabde zich even onder de pet. Waar was zijn turfschip gebleven? De molen op Erica bleef tot in de jaren zeventig een bouwval. In Emmen hadden ze ook een molen, deze stond in het centrum. Maar zoals vele oude gebouwen in Emmen werd ook deze molen gesloopt. Ze dachten een nieuwe molen te kunnen realiseren door de molen uit Erica te confisqueren. Met de trambrug op Erica was het ook gelukt. Die staat nu in het veenmuseum in Barger-Compascuüm. Gelukkig werden de bewoners op Erica tijdig bewust van hun erfgoed. De molen werd gerestaureerd en is thans een monument in het dorp. Terug naar het laatste jaar van de oorlog. Wanneer mensen op Erica naar de horizon het zuidwesten keken zagen ze een witte streep die langzaam naar boven kroop en verdween in de wolken. Soms zagen de mensen op Erica elk uur zo’n geheimzinnige streep in de wolken verdwijnen. Het waren V2 raketten die de Duitsers vanuit de omgeving van Uelsen op hun vijand schoten. Dat kon zijn Londen of het front in Frankrijk of België. In het laatste oorlogsjaar was het druk in de lucht. Dagelijks tegen negen uur ‘s morgens werd uit het westen een diepe grondtoon hoorbaar die langzaam luider werd. Pas tegen tien uur zagen mensen de oorzaak van het geluid. Het waren honderden Amerikaanse bommenwerpers. Als wespen vlogen daar jachtvliegtuigen om heen. Wanneer de vliegtuigen eindelijk waren verdwenen naar het oosten was de zon achter een dikke nevel verdwenen. Uren later kwamen de Amerikaanse toestellen terug. ‘s Nachts namen de Engelsen het over. Het kon niet uitblijven dat het een keer misging. Zo hoorde mijn vader ‘s nachts een luide knal en zag in het noordoosten een enorme vuurbal naar beneden stortten. Later bleek dat een Engelse bommenwerper te zijn die was aangeschoten door een Duitse nachtjager. Het vliegtuig was neergestort op een woonhuis. De bemanningsleden werden in Nieuw Dordrecht begraven. Wie goed kijkt ziet tegenover de oorlogsgraven graven met dezelfde naam. Het zijn de bewoners van het woonhuis. Tijdens het werk op het land zag mijn vader een paar Amerikaanse bommenwerpers, zogenaamde ‘Vliegende Forten’, boven Schoonebeek vliegen. Plotseling zag mijn vader vanuit het noorden drie Duitse jagers naar de bommenwerpers toe vliegen. Ze openden de aanval op de bommenwerpers. Een moment later hoorde mijn vader explosies en zag vleugels en staarten door de lucht vliegen. Twee jagers waren door de Vliegende Forten te grazen genomen. Een vliegtuig van de Amerikanen vloog rokend verder. Mijn vader draaide zich om en schoffelde verder. Het veengebied ten zuiden van Erica werden door de geallieerde vliegers vaak als noodlandingsgebied gezien. Blijkbaar werd geredeneerd dat veen een zachte substantie is. In de praktijk bleek de enige kans op overleven een parachute te zijn. Van een neergestorte bommenwerper bleef in het veen door de regel alleen stukjes over. Dat gold doorgaans ook voor de bemanning. Er zijn getuigen die spreken van bemanningsleden die pas op het laatst uit het vliegtuig sprongen. Niemand overleefd zo’n impact in het veen met zo’n snelheid. De bemanningsleden stonden als poppetjes in het veen gepriemd. Tot op de dag van vandaag kunnen op bepaalde plekken in het veen nog onderdeeltjes van vliegtuigen te vinden zijn. Uiteraard worden hier de crashplekken niet bekend gemaakt. Soms ging het met de bommenwerpers anders. Zo verdwenen Amerikaanse bommenwerpers niet naar het oosten maar bleven ze cirkelen boven het oostelijk gelegen dorp Klazienaveen. Om daarna naar het westen te verdwijnen. Een evacué uit het westen van Nederland waarschuwde dat de vliegtuigen terug zouden komen. Hij had dit in het westen vaker gezien. Een week later werd de Puritfabriek in Klazienaveen gebombardeerd met een aantal doden tot gevolg. Dat niet de gehele fabriek niet in de as werd gelegd lag aan het feit, zo werd beweerd, dat aandeelhouders van de Puritfabriek Amerikanen waren. Op een ander minder bekende gebeurtenis maakten zo’n twaalf Amerikaanse bommenwerpers boven Erica zich los van de hoofdmacht. Via een omtrekkende beweging vlogen ze weer richting Engeland. Boven het gebied Tweede Zuiderraai gingen de bommenluiken open en lieten ze hun dodelijke lading vallen op de daar op het land werkende arbeiders. Voor Ericase begrippen waren de gevolgen gruwelijk: een dode tiener, een zestal zwaar gewonden en een aantal dode paarden. Het was een bombardement op Erica die geen geschiedenis heeft omdat niemand het zich herinnerd.

 

Geschreven door Henk Beukers

Erica in oorlogstijd, onderdrukking en verraad.

Erica in oorlogstijd, onderdrukking en verraad.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Voor de Duitse inval liepen op Erica vier agenten constant door de straten, o.a. om te controleren of elke fietser een fietsplaatje bij zich had. Met dit fietsplaatje werd aangetoond dat fietsbelasting was betaald. Het plaatje werd gewoonlijk op de fiets gemonteerd. Dit hoefde echter niet. Men kon het plaatje ook op de jas spelden. Belangrijk was dat het bij een controle kon worden getoond. Het voordeel van het losse plaatje op de jas was gelegen in het feit dat het plaatje voor meerdere fietsen kon worden gebruikt. Zo kon moeder op haar eigen damesfiets naar de winkel fietsen. De overige fietsen thuis mochten dan niet worden gebruikt. Toen mijn vader als achtjarig kind een bosje bloemen wilde brengen naar het graf van zijn vader ging hij per fiets naar het kerkhof. Op de Kerkweg werd het kind door een agent aangehouden die hem vroeg naar het fietsplaatje. Ondanks dat mijn vader aangaf dat zijn vader onlangs was overleden en dat hij bloemen bracht naar het graf kreeg hij van de onverbiddelijke dienstklopper een bekeuring van twee kwartjes. Destijds voor de achtergebleven weduwe een heel bedrag. Wanneer de fietsbelasting door de mensen niet opgebracht kon worden, bijvoorbeeld ingeval van werkloosheid, dan was het fietsplaatje gratis verkrijgbaar bij het gemeentehuis. Het verstrekte fietsplaatje was in het midden voorzien van een gat. Op deze stigmatiserende manier openbaarde de gemeente de financiële situatie van haar inwoners. Iedereen met een fietsplaatje voorzien van een gat had immers geen cent te makken. Een van de eerste maatregelen die de bevolking direct bemerkte na de Duitse inval was de afschaffing van deze gehate fietsbelasting. Het leven werd in eerste instantie niet slechter op Erica na de Duitse inval. Dat ging veranderen. De nieuwe overheid vertrouwde het volk niet. Het gezag op straat werd aangevuld met zo’n 15 Landwachters die hun hoofdkwartier hadden in café Fokkema. Het waren NSB’ers, collaborateurs van de Duitsers die iedereen in de gaten moesten houden. Ze fietsten dag en nacht in groepen door het dorp en droegen jachtgeweren op hun rug. De landwachters werden door de burgers al snel Jan Hagel genoemd. Hun taak was controleren en bewaken. Dat deden ze. Bruggen, sluizen, kruisingen, mensen, alles werd gecontroleerd en bewaakt. Alles was op de bon, volle fietstassen kon niet, ook daar lette Jan Hagel op. Mijn oom werkte als jongeman toentertijd op een boerderij en kon goed met de boer opschieten. Hij mocht paard met wagen meenemen om zakken rogge naar zijn aanstaande schoonouders te brengen. Zaterdagmorgen was op Erica de elektrische malerij speciaal open voor particulieren. De windmolen was allang buiten bedrijf. Een beetje extra meel was nooit weg. Mijn oom reed met paard en beladen wagen gewoon langs de landwachters en was daarbij zelfs niet eens vriendelijk. De landwachters waren dorpsgenoten die mijn oom kenden, Wanneer dezen mijn oom groetten kregen ze als antwoord, “Ach, knik toch dubbel”. Mijn oom had het niet zo op collaborateurs. Na acht uur was het ‘Sperrtijd’, iedereen moest binnen blijven. Samen met het fietsplaatje werd de vrijheid ingeleverd. Jan Hagel patrouilleerde over Erica. Soms gebeurde iets op Erica en dan kwamen Landwachters uit Emmen assisteren. Met motor en zijspan reden ze bulderend door de straten. Het waren ‘Vrumden’ die niet op Erica elk padje of nisje kenden. Ze werden door de jeugd geplaagd en uitgedaagd. De jongelui creëerden zogenaamde opstootjes. Wanneer Jan Hagel in de verte kwam aangereden losten de jongelingen op in het niets. Uit frustratie werd wel eens vanuit de verte op de jongelui geschoten. Het maakte het alleen maar spannender. Na acht uur ‘s avonds was het overigs een drukte van belang op Erica. Visites en verkeringen gingen gewoon door. Men moest alleen eerst even over de straat kijken of de kust veilig was. Vaak zat Jan Hagel bij de brug hun tijd uit te zitten. Erica was een dorp zoals anderen met mensen zoals anderen. Verraad en collaboratie was ook hier niet vreemd. Pee werd door de Duitser opgeroepen om in Duitsland te werken. Hij kon twee dingen doen. Onderduiken of gehoor geven. Pee was braaf zoals velen in die tijd en gaf gehoor. Hij werd te werk gesteld in Keulen. Voor een jongeman, van het platte land naar een wereldstad als Keulen, moest dat een heus avontuur zijn geweest. Vervelend bijkomstigheid was dat ook de geallieerden Keulen als een wereldstad zagen. Pee’s verblijf werd enige maanden later gebombardeerd. De Duitsers namen aan dat Pee met vele anderen dood in de puinwoestijn waren achtergebleven. Maar Pee overleefde de hel en zag een buitenkans. Hij ging terug naar Erica. Een voor de Duitsers dode Pee hoefde niet meer bang te zijn te worden opgeroepen. Zo kwam Pee terug uit een plat gebombardeerde Keulen en ging op Erica als knecht op de boerderij van zijn ouders werken. Pee’s ouders hadden het niet ruim, als bijverdienste verkocht moeder allerlei zelfgemaakte naaiwerk of naaide voor anderen. Om die reden verschenen vaak klanten op de boerderij. Daarbij werd Pee vaak gezien. De ouders van Pee werden door omwonenden vaak gewaarschuwd, Pee moest gaan onderduiken want hij werd te vaak gezien. Het ging niet door. De ouders van Pee waren oprechte Ericanen, verraad kwam niet voor in hun woordenboek. Pee bleef gewoon als knecht meehelpen op de boerderij. Tot de Duitsers kwamen. Ze vielen binnen bij de buren. Pee was verraden maar de Duitsers hadden zich vergist in de woning. Pee ontsprong de dans. Samen met mijn oom besloot Pee onder te duiken. Achter de boerderij in het woeste veld in een uitgegraven slootwal bedekt met laag aardappelrangen. Pee en mijn oom. Twee onbezorgde twintigers. Dat bleef niet zonder gevolgen. Het werd feest in het woeste veld. Het lawaai onder de aardappelrangen was tot op de Kerkweg te horen. Volgens mijn opa kon dit zo niet langer. Mijn oom moest weg van Erica. Hij werd naar familie in Hoensbroek (Limburg) gebracht, daar was mijn oom veilig. Toen mijn opa na twee dagen de weg terug nam naar Erica zat mijn oom naast hem. Heimwee, mijn oom ging weer terug naar Erica. Verraad nam in dit geval een gunstige wending. Kuper (geen familie van de huidige Kuper op Erica) was een rasechte NSB’er en woonde tegenover mijn vader in een boerderij aan de Kerkweg. Naast de boerderij werden exercities gehouden en Duitse krijgsliederen gezongen. Op het eind van de oorlog sloot Kuper zich aan bij de WaffenSS en vocht mee in het Ardennenoffensief in België. Van Kuper werd nooit meer iets vernomen. Zijn boerderij werd na de oorlog geconfisqueerd en geplunderd. Ondanks zijn kwalijke intenties en ideeën had hij op Erica niemand verraden. Hij had ruimschoots de kans gekregen. Dan wordt zijn rol in een breder perspectief toch anders. Het was in die tijd streng verboden een radio in huis te hebben. Bij huize Beukers was Smerige Hendrik (radio Oranje) tot op de straat te horen. Kuper zei er wel wat van maar ondernam geen actie. Tijdens zo’n gesprek ontschoot Kuper de opmerking hoe vaak hij briefjes onder zijn deur geschoven kreeg. Briefjes met teksten; ‘waarom wordt mijn zoon wel opgeroepen en die niet’, ‘kijk eens naar die…’. Briefjes van verraad. Vaak gebaseerd op het ontbreken van besef of afgunst en jaloezie. Het is overal en van alle tijd.

 

Geschreven door Henk Beukers

2 of 9
123456789