Erica in oorlogstijd, Duitse inval.

Erica in oorlogstijd, Duitse inval.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Ruim voor het begin van de Tweede Wereldoorlog konden de mensen op Erica horen hoe de Duitsers hun kanonnen in Meppen aan het inschieten waren. Oma Beukers zei toentertijd tegen haar omgeving dat er weer een oorlog aan zat te komen. Oma Beukers, ze overleed in 1943, had een vooruitziende blik. Al in 1942 wist ze te melden dat de joden werden vergast. Voor de meeste mensen was dit simpelweg te onvoorstelbaar. Soortelijke signalen bleven binnensijpelen op Erica. Oom Jans van mijn moeder kant was van beroep smokkelaar. Hij smokkelde koffie en roomboter naar Duitsland, op de terugweg smokkelde hij in een varkensblaas ‘Schnaps’ (jenever) naar Nederland. Bij zijn terugkomst op Erica sprak hij van kampen met mensen achter prikkeldraad die vochten om een korst brood. Eind jaren dertig bestonden de gevangenen in de kampen vlak over de grens voornamelijk uit Duitsers. Het waren Hitlers politieke tegenstanders die het tij hadden kunnen keren. Op 10 mei 1940 om 04.00 uur viel Duitsland Nederland binnen. Een Saksische broedermoord. Bewonderenswaardig was de moed van het Nederlandse leger die het machtige Duitse leger een tijdje wist op te houden. Het Nederlandse leger was simpelweg niet opgewassen tegen een oorlog. In Nederland bloeide de tijd van het ‘gebroken geweertje’. De verdediging van Nederland bestond deels uit vrijwilligers! Veel van het geschut stamde nog uit 1870. Onze luchtmacht bestond uit een allegaartje van vliegtuigen. Toen de Duitsers in zwaar bewapende ‘Schnellboten’ de Rijn kwamen afvoeren werd de Nederlandse grens verdedigd door roeiers in een houten sloep, voorin een officier met een pistool. De bunkers in Nederland werden eenvoudig weggeblazen door de enorme Duitse kanonnen. De onneembare waterlinie werd letterlijk overvlogen. De politici die verantwoordelijk waren voor het Nederlandse leger wachtten de gevolgen van hun beleid niet af. Ze vluchtten naar Engeland. Daar in Londen schoven de heren aan het buffet terwijl de Nederlanders hier een vorkje bloembol prikten. In de vroege morgen van 10 mei 1940 werden de Ericanen wakker van enorme doffe dreunen in de verte. De Nederlandse soldaten waren begonnen om alle bruggen in Zuidoost Drenthe op te blazen. Naast het geluid van de explosies was een laag brommend geluid hoorbaar, honderden Duitse vliegtuigen kwamen aangevlogen vanuit het oosten. Verwacht geen treurnis. Terwijl de Duitse vliegtuigen in formaties over Erica vlogen dansten de kinderen op straat. Ze waren opgetogen, blij dat de oorlog was begonnen, eindelijk gebeurde er iets. Deze kinderlijke visie werd jaren later door enkele volwassenen overgenomen. Die keken naar het luchtruim en vroegen zich hardop af wanneer er weer een spannende ‘luchtgeveggie’ ging plaatsvinden. Niet beseffend wat een verlies aan mensenlevens hiermee gepaard ging. Luchtgevechten vonden niet plaats boven Erica op de 10e mei 1940. De trage Duitse transportvliegtuigen konden boven Erica ongehinderd doorvliegen. In Friesland echter, nabij de afsluitdijk, werden deze vliegtuigen door onze luchtartillerie bij bosjes uit de lucht geschoten. Erica lag op de O-verdedigingslinie en werd verdedigd door een kazemat in het centrum van Erica. De Kazemat lag aan het kanaal naast de ophaalbrug over het havenkanaal. De drie schietgaten in de kazemat waren gericht op het oosten en zuidoosten, op de Verlengde Hoogeveense Vaart, en het zuiden, de Pannenkoekendijk. Ter hoogte van de kazemat, aan de overkant van de straat, voor de eerste twee woningen van Mensing, lag in de voortuin een loopgraaf met een gecamoufleerde mitrailleursnest. De houten draaibrug bij boerderij Lohues, in de bocht naar Klazienaveen, werd eveneens bewaakt door Nederlandse soldaten, die hadden hun kwartier in het lagerschoolgebouw aldaar. In totaal zo’n veertigtal Nederlandse soldaten droegen zorg voor de defensie van Erica. Het hoofdkwartier was café Fokkema waar ook de transportwagen stond. Toen de oorlogsdreiging toenam deed de 35 meter hoge toren van de Katholieke Kerk op Erica dienst als observatiepost. Aan de oostzijde op de punt van de toren zat een luik in het dak, van hieruit hadden de Nederlandse soldaten vrij zicht tot aan de Duitse grens. De Duitsers kwamen, twaalfduizend man sterk. Met slechts drieduizend Nederlandse soldaten als verdediging van Noord-Nederland was de strijd kansloos. De Nederlandse soldaten op Erica kregen het bevel de drie bruggen op te blazen. De houten draaibrug bij boerderij Lohues, de houten draaibrug over het hoofdkanaal in het centrum en de naastgelegen stalen ophaalbrug over het havenkanaal. Van tevoren was met de betrokken bevolking op Erica het evacuatieplan besproken. Alle woningen in de buurt van de bruggen moesten worden ontruimd. De evacués kregen allemaal een tijdelijk gastadres elders op Erica. Wat menig Ericaan vreesde ging die 10e mei 1940 dan echt gebeuren. Veldwachter Veld bulderde met luide stem door de straten om het pand te verlaten en deur en ramen open te laten. Wat zich toen afspeelde op die vroege morgen was nooit eerder op Erica vertoond. Erica kwam op drift. Honderden Ericanen, bepakt en gezakt, liepen die dag in mei, met fiets of handkar in noordelijk richting naar hun gastadressen. Na een periode van dreigende stilte vlogen de bruggen op Erica met een daverende knal de lucht in. In deze dreigende sfeer kwam het bericht binnen op Erica, de Duitsers waren gesignaleerd op de Dordsedijk in Klazienaveen. Vanuit het oosten trokken de Duitsers Drenthe binnen richting Emmen. Een volgend bericht sprak van felle gevechten in Nieuw Dordrecht tussen de daar gelegerde Nederlandse soldaten en de Duitse invallers. Duitse inval 4Een jongen van Harms uit Erica, die woonde op de kanaallinie, kon zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Hij sprong op zijn fiets om in Klazienaveen de Duitse invallers te bekijken. Hij werd door de Duitse colonne gezien en gewenkt om dichterbij te komen. Hij kon gelijk zijn fiets inleveren. De jonge Harms moest te voet naar huis. Hij kon zich troosten met de gedachte dat de eerste fiets die door de Duitsers in Nederland werd ingepikt een Ericase fiets was. Ondertussen bleven de Duitse vliegtuigen over Erica vliegen. Omdat de constructie van de ophaalbrug in het schootsveld lag van de mitrailleur konden de vliegtuigen niet worden beschoten. Een korporaal besloot met de mitrailleur op de ophaalbrug te klimmen. Vanuit deze hoge positie loste hij salvo’s met de mitrailleur op de Duitse vliegtuigen. Vanuit de vliegtuigen schoten de Duitsers terug. De kogels kwamen terecht in de woningbouw maar richtten geen schade aan. De oorlog op Erica was in volle gang. Bij de ‘slag om Erica’ sneuvelde een Nederlandse soldaat. Eigenlijk niet echt sneuvelen, de ongelukkige soldaat bezweek een week eerder aan een acute darmziekte. Opeens was de oorlog op Erica afgelopen. De Nederlandse soldaten kregen het bevel de stellingen op Erica te verlaten en zich terug te trekken via Emmen op de Q-linie in Sleen. De Ericanen zagen tot hun ontsteltenis dat de militaire transportwagen uit het dorp vertrok. In de bak zaten de Nederlandse soldaten luidkeels te zingen. Ze wisten echter niet dat de Duitsers Emmen inmiddels hadden ingenomen. Duitse inval 3Onze zingende krijgslieden werden daar prompt krijgsgevangenen gemaakt. De Duitse inval verliep voorspoedig, ze hadden landkaarten met alle Nederlandse stellingen. Wat niet door politici was verkwanseld, was door spionnen opgetekend, door collaborateurs verraden of een jaar tevoren door Duitse toeristen in kaart gebracht. Alle stellingen? Nee, bij Noord-Sleen stond een nieuwe bunker in het veld die op geen enkel Duits lijstje voorkwam. De bunker lag precies op de aanvalsroute van de Duitsers. Hier kregen ze hun eerste serieuze tegenstand. Volgens overlevering sneuvelden er tientallen Duitse soldaten bij de verovering van deze bunker. Getuigen in Klazienaveen verklaarden van terugkerende Duitse vrachtwagens geladen met gesneuvelde Duitse soldaten. Toen de wagens voor de opgeblazen Dordse brug halt hielden sijpelde bloed uit alle kieren en gaten. Voor de Nederlandse soldaten in de bunker van Noord-Sleen was de strijd na een paar uur voorbij. Het was niet de moed van de vier Nederlandse soldaten die parten speelde maar gebrek aan munitie.

Geschreven door Henk Beukers

Allemaal de schuld van de vrouw

Allemaal de schuld van de vrouw

Toen ik op 4 april 2015 de enorme paasbult zag achter boer Lubberman aan de Kerkweg dacht ik terug aan het idee om boven op de bult een heks van stro te plaatsen. Leek me wel leuk. Ik ben er maar gauw van afgestapt. Jaren geleden ben ik met mijn gezin in Winterbergen geweest. Voor het stadhuis stond een monument die ons er aan herinnerde dat op die plek zestig (!) heksen waren verbrand. Zelfs de originele route, van het gevang naar de executieplek, die de overwegend vrouwelijke slachtoffers moesten lopen, kan men als toerist nalopen. Het is van alle tijden, als het tegen zit zoekt men een schuldige. Waarom is allemaal de schuld van de vrouw?

Op internet is er genoeg over te lezen:

De Babylonische Samenleving:

Onder de Babylonische Wet werden de vrouwen werd verlaagd en alle rechten werd ze ontnomen. Als een man een vrouw vermoorde, kreeg hij hiervoor geen bestraffing, maar zijn vrouw had de doodstraf gekregen.

De Griekse Samenleving:

De Griekse samenleving werd beschouwd als de meest glorieuze van alle oude (vroegere) samenlevingen. In dit o zo ‘glorieuze’ systeem, werden de vrouwen alle rechten ontnomen en werd er op hun neer gekeken. In de Griekse mythologie, is een ‘denkbeeldige’ vrouw, genaamd ‘Pandora’, de hoofdoorzaak van alle ongeluk van de mensheid. De Grieken beschouwden vrouwen als onmenselijk (minder dan menselijk) en ondergeschikt aan de mannen. Desondanks was de kuisheid van vrouwen heel belangrijk en daar werd veel belang aan gehecht, maar later werden de Grieken overvallen door hun lusten en seksuele perversie. Prostitutie werd een normale praktijk onder alle klassen van de Griekse Samenleving.

De Romeinse Samenleving:

Toen de Romeinse samenleving op de piek van zijn ‘glorie’ was had een man zelfs het recht om het leven van zijn vrouw te nemen. Prostitutie en naaktheid waren een gewoonte onder de Romeinen.

De Egyptische Samenleving:

De Egyptische Samenleving beschouwde de vrouwen als het kwaad of als een teken van de duivel.

De Arabische Samenleving:

De Arabieren keken neer op vrouwen, en heel vaak als een meisjesbaby werd geboren, werd ze levend begraven. Kleine meisjes hielpen nietsvermoedend mee met het graven van hun eigen grafkuil en veegden het zweet van het voorhoofd van hun vaders.

Enkele uitspraken van beroemde filosofen.

Aristoteles (384-322 v.Chr.), die als vader der filosofen wordt beschouwd, heeft gezegd:

De vrouw voor een man is te vergelijken met slavin en haar meester, en is te vergelijken met handwerk en rationeel werk, en met een barbaar en een Griek. De vrouw is een minderwaardige man die is achtergebleven op de tree van ontwikkeling.”

Schopenhauer(1788-1860) heeft gezegd:

Zij (vrouwen) zijn geschikt voor het functioneren als verpleegsters en leraressen in onze vroege jeugd, gezien het feit dat zij zelf kinderachtig, onbeduidend en kortzichtig zijn; in één zin zijn ze zelf grote kinderen gedurende hun hele leven. Zij zijn een ondermaatse, smal geschouderd, breedheupig en kortbenig ras, zij hebben geen geschikte kennis en hebben geen genialiteit.”

Een andere bekende filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) heeft op zijn beurt gezegd:

“De vrouw heeft zoveel om zich voor te schamen; er steekt zoveel pedanterie, zoveel oppervlakkigheid, zoveel bedilzucht, kleinzielige aanmatiging, bandeloosheid en onbescheidenheid in de vrouw, die tot dusver nog het best in bedwang werd gehouden en werd beheerst door de vrees voor de man.”

 

“Die priesteressen moeten als heksen op de brandstapel worden verbrand. Als ik mijn zin kreeg, zou ik de fik in die rotwijven steken”. Geen uitspraak van een inquisiteur uit de middeleeuwen, maar van een anglicaanse pastoor uit 1994. Het begon allemaal met Eva en die appel. Door te eten van de verboden vrucht en de man ertoe verleiden dit ook te doen, werd de mens verstoten uit het paradijs. Het is dus allemaal de schuld van de vrouwen dat het zo`n zooitje is op aarde. Zie hier de hoogstaande gedachtegang van kerkvader Tertullianus. Zijn denken had grote invloed op het nog jonge christendom in het jaar 200. Een andere kerkvader kan er ook wat van: Albertus Magnus. Die schreef dat de vrouw een mislukte man is, die vergeleken met de man een gebrekkige en foutieve natuur bezit. Vrouwen waren eigenlijk mannen wier geslachtsorganen niet waren uitgezakt. Magnus: “De vrouw is ongeschikter voor de deugdzaamheid dan de man, omdat ze meer vloeistof bevat dan de man. Een eigenschap van vloeistof is nu: moeilijk vast te houden. Het is daarom dat de vrouwen wispelturig en nieuwsgierig zijn. De vrouw kent geen trouw.” Een invloedrijke kerkvader als Hieronymus noemde het huwelijk zelfs verderfelijk. Vanwaar die diepgewortelde vrouwenangst? Het latere Christendom, dus niet de oorspronkelijke leer van Jezus, had hierop ongetwijfeld een grote invloed. Seks was verwerpelijk, de mannen waren bang voor lustgevoelens en projecteerden hun angst op de vrouw. Castratieangst lijkt een trendy verklaring, in die tijd castreerde menig priester zichzelf. Om niet langer overvallen te worden door zondige fantasieën werd het mes er menigmaal ingezet. Vrouwenhaat is ouder dan het Christendom. Jezus was revolutionair met zijn opvatting: “Man en vrouw zijn gelijk” Augustinus, een latere invloedrijke denker binnen het christelijk geloof dacht daar anders over. “Niets haalt de mannelijke geest van zijn hoogten zo naar beneden dan het liefkozen van een vrouw.” Pas toen werd in steeds meer christelijke gemeentes het celibaat ingevoerd (!). “Priesters die met hun vrouw slapen, zijn als honden die naar hun eigen braaksel terugkeren.” Daar konden de vrouwen het mee doen. Toen kwam de heksenjacht. Onder extreme martelingen werden veel meisjes en oude vrouwen gedwongen te verklaren dat zij heksen waren. Het was voor vrouwen vrijwel onmogelijk onder de verdenking van de heksenjagers uit te komen. Zo`n negen miljoen (!) vrouwen in Europa werden als heks op de brandstapel gezet. Hoe dubbel de moraal was van de christelijke leiders blijkt wel uit het gegeven dat het aantal prostituees dat in 1414 naar Konstanz trok even groot was als het aantal deelnemers aan het daar te houden kerkelijke concilie van priesters. Pas in de laatste decennia heeft er in de christelijke samenleving gelukkig een cultuuromslag plaatsgevonden. Van alle huidige politieke partijen is de SGP de enige partij die de omslag heeft moeten ontberen. Hun moraal: het enige recht van de vrouw is het aanrecht.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Paasvuur op Erica 2015

Schaatsen op Erica

Schaatsen op Erica

Erica Zuid-west was vroeger een onderdeel van de landerijen van boer Gengler. Over de uitgestrektheid van de velden kon je de trein tussen Nieuw-Amsterdam en Emmen zien rijden. Scherp afgetekend tegen de horizon stond de toren van Sleen. De vele regenbuien in de herfst legden grote gedeelten van Genglers landerijen blank. Enorme meren van regenwater waren het gevolg. Niemand had daar iets te zoeken in de blubber, behalve fazanten en patrijzen. Tot de winter met strenge vorst kwam. Het vloeibare van het regenwater en het zachte van de modder werd hard en was te betreden. De natuur schonk ons een heuse ijsbaan van ongekende omvang. Daar lieten de Ericanen zich niet lang op wachten. Aangezien de ijsbaan pal achter ons huis lag, broer Gerard, Jos en ik, ook niet. Ondanks het gebrek aan regels was duidelijk de tendens waarneembaar dat iedereen met de wijzers van de klok mee schaatste. Verschil in schaatsen was ook gelijk duidelijk te zien. De jongens van Wijnands kwamen met heuse Hoge Noorden en hadden een prachtige slag van schaatsen. Tegenover dit spectrum van manier van schaatsen stonden wij, klunend en harkend, met onze Friese Doorlopers. Friese doorlopersMaar we kregen krediet, ik was nog geen tien jaar, en begonnen net met schaatsen. Schaatsen leren was toentertijd een kwestie van zelf uitzoeken. Dit in tegenstelling tot vandaag waar je, naast het ontzettend goede materiaal, op de ijsclub de basisregels van het schaatsen snel aangeleerd werden. In die tijd startte je als een soort van hordeloper die op elke horde hardhandig kennis maakte met de Wet van Newton. Helaas was zo’n enorme natuurlijke ijsbaan achter ons huis eenmalig. Hoewel het in de herfst gewoon door plenste bleven de enorme waterpartijen uit. Waarschijnlijk had boer Gengler drainagepijpen in het land laten leggen. Hoewel Erica toen al een ijsbaan had, naast de monumentale korenmolen, en entree vroeg, was dat aan ons, altijd blut, niet besteed. Wij zochten ons heil op andere ijsbanen die rijkelijk en gratis voor handen waren, de hoofd- en zijkanalen in het voorheen koloniale landschap. Er waren zo ontzettend veel kanalen dat we zelfs een eigen privé-kanaal voor het uitkiezen hadden. Die lag naar achteren bij huize Heller. We kenden het gebied als uit onze broekzak omdat we hier eigenlijk altijd struinden. Ons kanaal was een zijkanaal die met een dam van een groter zijkanaal was gescheiden. Dat maakte onze eigen territorium compleet. Het water in het kanaal lag zo’n drie meter lager dan het landoppervlak. Niemand die ons gestuntel kon zien en bovendien schaatsten we heerlijk uit de wind. Ik deed er een paar jaar over om van gestuntel achter een stoel tot enigszins beheersbaar schaatsen te komen. Nog langer duurde het om van een dronkenmanstijl tot een enigszins vloeiende stijl te komen. Ik kon zelfs heel sierlijk, alleen dan kwam ik niet vooruit. Terwijl we schaatsten keken we tegen de hoge wallen aan. Soms weelderig begroeid en voorzien van een dik pak sneeuw. Vaak joeg de wind stuifsneeuw over de rand. Op de ene of andere manier kwam dat altijd in je warme kraag terecht. Toch gaf het een behaaglijk gevoel zo diep in het veld buiten de gure windvlagen te blijven. Buiten het gesnerp van de ijzers was het om je heen oorverdovend stil. De wind joeg de sneeuw over de kanaalrand die steeds breder werd en sierlijk ging overhangen. Wij als schaatsers keken daar dan vanonder tegen aan. De natuur als kunstenaar die prachtige sculpturen maakte. Maar ook sporen in de sneeuw van dieren hadden onze volle aandacht. Van de vele sporen konden we zo de eigenaar bepalen. Totdat een pingelende, krakende aardbast onder onze schaatsen de beslommeringen doorbraken. In het begin reden we als reflex pardoen de wal in, een kwak sneeuw van bovenaf op de koop toenemend. We gingen maar langzaam wennen aan de harde knal voorafgaand aan het helse gekraak van het ijs. Zo’n barst kon in de lengterichting van het kanaal tientallen meters lang worden. Nog spannender werd het wanneer op sommige plekken van de barst kanaalwater op borrelde. Dan een wak. Om mysterieuze redenen weigerde het water op een plek te bevriezen. De wak werd vaak aangegeven met een tak, die lag er naast of stak gewoon in het gat. Vol ontzag keek je naar het zwarte gat, stil schaatste je er omheen. Dan werd in volle vaart op het kanaal door geschaatst. Door de vorm van het kanaal konden we op gegeven ogenblik alleen maar recht vooruit schaatsen. Die enkele keer dat we op de ijsbaan kwamen misten we de overstap in de bochten. Het gevolg liet zich raden, we vlogen in de bocht rechtdoor het veld in. Maar ook het overstappen kregen we onder de knie, al ging het niet zo vlot als bij de anderen. Het voordeel bij de ijsbaan was dat er koffie en soep verkrijgbaar was, dat bracht veel mensen bij elkaar. Hier leerden we bijvoorbeeld dat schaatsen af en toe geslepen dienden te worden. Het zijwaarts gezwabber van de schaats namen we niet langer op de koop toe. De Verlengde Hoogeveensevaart, het hoofdkanaal door Erica, bleef echter onze voorkeur houden. Niet dat we verre ritten maakten. Pa vertelde wel eens dat hij naar Klazienaveen schaatste tot aan de Duitse grens. We vonden de Hertenbaan al ver genoeg. Op de hoofdvaart kon het in de winter gewoon druk zijn. Honderden mensen bleven schaatsen tot het donker werd. Dan werd de baan verlicht door de straatlantaren en werd het gezellig druk. Voor het eerst zag ik een stelletje in klederdracht dat stijf naast elkaar, zwierend, achtjes op het ijs draaide. Het leek mooi maar het stel zwierde dwars door de schaatsgolf waarbij het vaak ternauwernood goed ging. Enkele Ericase krachttermen over het ijs waren het gevolg. Het liefst gingen we, Harry, Bennie, ik en nog een paar anderen terug naar onze stille zijkanaal. Hier gingen we een wedstrijdje ijshockey spelen of zochten we naar vissen die waren ingevroren in het ijs. Of we kluunden over de dam naar het hoofd-zijkanaal waar het iets ruimer was. Een leuke bezigheid was het zoeken naar grote witte bellen methaangas ingesloten in het ijs. Die prikten we lek en hielden er een vlammetje bij. Enkele seconden kwam uit het ijs een metershoge vlam. Van de gehele schaatsperiode in die tijd kon ik me vooral de steenkoude voeten herinneren, veroorzaakt door de beperkte bloeddoorstroming van de te strakke leren banden om de voeten van de Friese doorlopers. Het was bovendien een ontzettende frustratie wanneer, na een lange tocht door het besneeuwde landschap, onder in een zijkanaal, bij het aanbinden van een Friese doorloper, een enkelband kapot getrokken werd, dan kon je helemaal weer teruglopen.

 

Geschreven door Henk Beukers

Vuilnis verwerking

Vuilnis verwerking

Hoewel de vuilniswagens qua vorm hetzelfde uitzien als de vuilniswagens uit de jaren zestig waren er toch een paar belangrijke punten van verschil. Om te beginnen werd toentertijd de vuilnis opgehaald in blikken vuilnisemmers en niet in plastic containers vandaag de dag. De vuilnisemmers waren qua volume nog geen kwart van de huidige containers. Toch hadden de toen grote gezinnen van minstens vijf kinderen genoeg aan de wekelijkse gang van de vuilnisophaaldienst. Blijkbaar waren de verpakkingen van diverse producten minder complex of was zelfs geen sprake van verpakking. Melk werd soms met een pannetje opgehaald bij de melkboer aan de straat. Ieder week had een van ons de taak om de volle vuilnisemmer aan de Havenstraat te zetten. Een gang van zo´n honderd meter over de sintelpad. Het werd aan de weg gezet zoals vele mensen het deden. Overal zag je langs de straat vuilnisemmers staan. Je had toen de gezegde een vervelend kind aan de straat op een vuilnisemmer te zetten om hem mee te laten nemen. Alleen die waarschuwing hielp vaak al om minder vervelend te zijn. Daar kwam in de verte de vuilniswagen aan. Dan zag je een ander groot verschil met de huidige vuilniswagens. Toen werd de vuilniswagen bemant met drie mensen. Een achter het stuur en twee man achterop. Tenslotte de derde grote verschil met de huidige vuilniswagens, het hefmechanisme waarmee de vuilnisemmers leeg gekieperd werden. Dat ging toen puur op spierkracht. Wanneer de vuilniswagen halt hield sprongen de twee stoere mannen met opgestroopte mouwen van de tree achterop de wagen. Ze grepen in ieder hand een hengsel van de vuilnisemmer en zetten deze achterop de vuilnisauto. De vuilnisemmer stond in een kiepconstructie. De vuilnisman pakte een handvat aan de constructie en de emmer werd met een zwaai leeg gekieperd. Vaak in een wolk van stof omdat de as van de kolenkachel ook een onderdeel van het vuil uitmaakte. De lege emmer werd terug getrokken en weer aan de straat gezet. De vuilniswagen gromde, de twee mannen sprongen op de trede en hielden zich aan een hoger gelegen handvat vast. De wagen trok op om voor het volgend aantal vuilnisemmers te stoppen. Daar herhaalde zich de handelingen. Vooral dat optrekken en achterop de wagen hangen sprak ons tot de verbeelding. Dat leek ons wel leuk, genoeg om te wensen later vuilnisman te worden. Een slechte keuze aangezien de klassieke vuilnisman uit het straatbeeld is verdwenen. Thans gaat het hele kiep-gedoe hydraulisch vanuit de cabine van de vuilnisauto. Bij ons thuis hadden wij in de jaren zestig en zeventig absoluut niet genoeg aan dat kleine blikken vuilnisemmertje. Verwerking van het overschot aan vuilnis losten we op een geheel andere manier op. Achter het huis groef Pa een grote diepe gat. Drie bij drie meter en twee meter diep. Daar kon heel wat in. Voordat er vuilnis in kwam werd er tikkertje om de rand van het gat gespeeld. Totdat eentje, vaak de jongste, struikelde en in het twee meter diepe gat kukelde. Pas toen ma dreigde ons langs de Havenstraat op een vuilnisemmer te zetten staakten we ons wildemansspelletje. We hadden door het ravotten zoveel zand terug in het gat gestort dat Pa mopperend de schop weer ter hand nam om het gat wederom uit te diepen. Zoals gezegd kon op die manier veel vuilnis worden gestort. Omdat het vuilnis vaak in brand werd gestoken werd het gat brandgat genoemd. Wekenlang zat het vuilnis in het gat te smeulen en te stinken. Omdat we in het veld woonden had niemand er last van en wij wisten niet beter. Door het vuur slinkte het afval aanmerkelijk in het brandgat. Toch kwam een moment dat het gat vol was. Dan groef mijn vader simpelweg een nieuwe brandgat. Toen mijn broertje vele jaren later naast mijn ouders kwam wonen stootte hij, bij het uitgraven van de fundering, tot zijn verbazing op een driewieler. Op een oude brandgat gestoten. Toen moest hij een beetje meer uitgraven. Uiteindelijk kom je het hele spul vroeg of laat weer tegen. Niet verwonderlijk want het terrein om ons huis is vergeven van de brandgaten. Van milieuvervuiling waren we ons toentertijd niet of onvoldoende van bewust. Dat bestond toen nog niet. De jaarlijkse paasbelten waren toen een samenraapsel van tuinafval, binnen- en buitenbanden, tapijten en andersoortig brandbaar afval. Pa en Ma lieten een keer achterop het land een paasbult toe. Vlijtig toogden we aan het werk en hadden we naast het tuinafval bij de fietsenmaker, tapijtzaak en garage het overige brandbaar materiaal gehaald. In de paasbult hadden we gangen gegraven en hutten gemaakt. Natuurlijk ontbrak een kampvuurtje niet, vaak nog geen meter van de grote paasbult. Vooral van het groene ondertapijt kon je een leuk kampvuurtje maken, het brandde zo leuk met een kleurtje. Wekenlang hadden we met een landbouwkar oude coniferen, boomstammen en andersoortig brandbaar materiaal opgehaald. Het resultaat was een gigantische platte bult. De bult was door het vele afval voorzien van allerlei vrolijke kleurtjes. Vandaag de dag zou zo´n bult de paasbultcommissie een blijvende jeuk bezorgen. Maar wij hadden een prachtige tijd. ´s Avonds zaten we om de paasbult te klieren een vuurtjes te stoken. Dat ging alle avonden door tot het donker werd. De garage had ons een paar grote vaten verlopen olie meegegeven. Vriendelijke vent, hij hielp mee de vaten op de kar te zetten, zelfs de vaten mochten we houden. Eindelijk brak de tijd van Pasen aan. We moesten de bult scherp in de gaten houden. Er liepen namelijk van die misselijkmakende figuren rond die voortijdig de bult in brand wilden steken. Als Pitbulls liepen de om de bult. De laatste vrije dag voor Pasen werden de vaten met verlopen olie gekanteld en in emmers gegoten. De inhoud werd vervolgens in de paasbult gekwakt. Een nadeel was het verdwijnen van de vrolijke kleuren in de belt. Alles kreeg de kleur van zwarte verlopen olie. Op eerste Paasdag om 20.00 uur was het dan zover, het vuur werd aangestoken. Wat wij toen een prachtig vuur vonden zou vandaag de dag waarschijnlijk worden geclassificeerd als een chemische ramp. Maar fikken deed ie, gigantisch. De kring van mensen om het vuur werd steeds groter. De pikzwarte rookpluim reikte zowat tot de wolken. Vandaag de dag worden gelukkig dit soort Paasbulten niet meer gemaakt. Het heeft jaren geduurd voordat op de plek van de Paasbult überhaupt nog iets wilde groeien.

Geschreven door Henk Beukers

Kerststal

Kerststal

Vroeger hadden mensen met geld een kerststal. De overigen moesten het doen met een paar hulstakjes. Sowieso geen kerstboom, dat was protestants. Opa had een kerststal aangeschaft voor oom Herman toen hij nog een kind was. Bij oom Herman was kinderpolio geconstateerd en blijkbaar was de kerststal een soort van pleister op de wonde bij al die ellende. Het waren kleine beeldjes. Wat de kerstgroep zo bijzonder maakte was de herdershond bij de schapen. In die tijd ook iets bijzonders want menig kind kwam bij mijn opa en oma thuis om de kerststal te bewonderen. Ze mochten zelfs de beeldjes even aanraken. Het gevolg was dat de herdershond nog datzelfde jaar was verdwenen. Alleen een complete kerststal was waardevol, incompleet had het alleen een emotionele waarde. Het is net als bij serviesgoed, alleen volledig complete sets zijn waardevol. Na het overlijden van mijn grootouders ging de kerststal logischerwijs naar oom Herman. Toen die overleed ging het naar zijn zoon Louis in Bargeroosterveld. Die liet de kerststal restaureren, nog steeds zonder hond, die bleef weg. Helaas mocht Louis er maar kort van genieten, hij stierf jong. De kerststal van mijn ouders bestond uit kleine gipsen figuurtjes. Na lange jaren de behandeling van een jong gezin te hebben overleeft bestonden de meeste beeldjes uit losse onderdelen die met kaarsenvet aan elkaar waren gelijmd. Soms was die kaars rood of geel zodat Maria een rode halsketting droeg en de herder een gele. Wel makkelijk bij het spelletje ´ik zie, ik zie´. Maar zo opeens hadden mijn ouders een nieuwe kerststal. Grote beelden in een zwarte koffer. Onbeschadigd en compleet met een kamelendrijver. Had de broer van onze buurvrouw meegebracht. Die woonde in Enschede en was vertegenwoordiger. Toerde met een Daf 33 door Nederland. Hij was toevallig bij zijn zus op visite, hij was op weg naar Groningen. Of iemand belangstelling had in een oude kerststal want hij had een nieuwe gekocht. Daarbij dacht onze buurvrouw aan mijn ouders, zo is het gekomen. De Tukker bracht een fantastische kerststal mee. Ook hier een grillig afloop. De arme man verongelukte een paar jaar later met zijn Daffie op de snelweg. Wat is dat toch met die kerststallen? In elk geval werd het lot hier tot stilstand gebracht. Inmiddels zijn zo’n veertig jaren verstreken. Onze oorspronkelijke kerststal ging naar mijn oudste broer, een eufemisme voor binnenpikken. Mijn ouders hebben de kerststal uit Enschede nog, en ja, ze zijn allen nog heel. De kerststal werd zelfs uitgebreid met een hond. Een zwarte, met een rode kop. Gemaakt van klei door mijn toenmalig vijfjarig broertje. Het kon ook een schaap zijn, dat moet ik mijn broer nog eens navragen. Traditiegetrouw werd de hond of schaap er altijd bij gezet, tot op de dag van vandaag. Ook een gewild onderwerp bij ik-zie spelletjes. Het maken van het schuurtje waarin de beeldjes staan is traditiegetrouw een taak van de vader. Normaliter doet de vader dit 1 x in zijn leven. Hij timmert in de schuur iets in elkaar, dit gaat vervolgens tientallen jaren mee. De onze had zelfs een vliering waarin enkele veren vogeltjes waren toegevoegd. Later werd er zelfs een vogeltje toegevoegd die een liedje floot. Leuk voor de kleinkinderen. De ruimte onder de vliering was gereserveerd voor kindje Jezus met Maria en Josef. Als niemand keek sliep onze zwarte poes er in. Opgerold paste hij precies in het houten gebouwtje. Nadat ik was uitgevlogen en zelf kinderen kreeg was mijn vaderrol duidelijk. Kerstbeeldjes waren inmiddels aangeschaft, nu nog een kerststal maken. Ik pakte het serieus aan. Ik ging er van uit dat, wanneer Maria en Josef in Zuidoost Drenthe waren neergestreken, dit in een kapschuur zou zijn geweest. Ik reed met de auto door onze streek en observeerde de kapschuren. Vooral de verhoudingen moesten kloppen. Dat geen herder met zijn hoofd in de vliering stond. In de winkel vele meters aan dun profielhout, houtlijm en een verstekzaag aangeschaft. Ik toog aan het werk en een week later stond daar een heuse mini-kapschuur. Wel met vele openingen zodat je erin kon kijken. Met een vliering gevuld met hooi en een stal voor de ezel en koe. Het was zo goed gelukt dat mijn schoonzus vroeg ook eentje voor haar te maken. Dus toog ik weer aan het werk en een week later stond daar een tweede mini-kapschuur. Bij mij bleef het niet bij een kapschuur, de omgeving moest ook kloppen. Heide (mos) om de schuur met gele zandpaden. In het zand drukte ik met een schaap diverse pootafdrukken zodat het leek alsof ze daar echt hadden gelopen. Maar hoe serieus je ook bezig was, zoonlief ging met de engel er vandoor en gebruikte deze als een gevechtsvliegtuig. Gelukkig waren de beeldjes niet van het kwetsbare gips maar van kunststof. Voordeel, na vijfentwintig jaar geen enkel beschadigd beeldje. Toch heb ik dit jaar een belangrijk besluit genomen. Alle aanwezige schapen moesten verdwijnen. Die waren er later bijgekocht maar hadden niet de juiste verhouding. Met net boven de enkels leken het meer op forse witte konijnen. Ook een kameel moest verdwijnen. Die kwam waarschijnlijk uit een speelgoedwinkel en had de grootte van een pony. Dan had je nog het aangevreten schaap. Hoofdverdachte, Blackie onze hond. Die kon je dan zo onschuldig aankijken en je een lik over de neus geven. Van de tafelpoot kon ie ook niet afblijven. Altijd aan het hout knabbelen als ik niet keek. Pas toen ik het hout bestrooide met witte peper was het snel gebeurd. Zijn onschuldige snuit werd verontwaardigd, een lik over mijn neus kon ik voortaan vergeten. Bij de kerststal werden een twaalftal schapen gekocht met de juiste verhouding. Leve internet. Ook een kameel bepakt en gezakt werd aangekocht. Ik wilde graag een kameeldrijver erbij maar was alleen verkrijgbaar met een koning op kameel. Dus moest een koning uit de originele kerststal-cast verdwijnen. Toen zag ik op internet dat volgens de Catalaanse traditie een kakkertje moest worden aangeschaft. Dit is een kakkende mannetje die het symbool van vruchtbaarheid moest voorstellen. Het moest verborgen in het kerststal worden opgesteld zodat kinderen er naar moesten zoeken. Tja, nu heb ik ook zo’n poepende mannetje achter de stal staan. Een gniffelende moeder als resultaat, die vindt dit soort dingen prachtig. Nadat ik mijn creatie had bewonderd viel me iets op, zoonlief had het aangevreten schaapje toegevoegd, vond dat beestje zielig. Van alle kerststallen in Nederland ben ik waarschijnlijk de enige die ook voorzien is van een hunebed, van dikke kiezels, en een grafheuvel, van geel zand. Hier is het is Zuidoost Drenthe, Maria en Josef zullen het weten ook.

Geschreven door Henk Beukers

Wat boven Erica vloog

Wat boven Erica vloog

Ook in de jaren zeventig vloog er van alles rond boven Erica. Een baantje die me toen al aanstond was die van piloot. Niet zomaar een piloot van een verkeersvliegtuig, van een kleine. Met name een sproeivliegtuig. Ik zag zo’n vliegtuig voor het eerst boven het land achter ons huis. Daar op het land van boer Gengler stonden witte vlaggetjes aan bamboestokjes. Deze zagen we wel vaker in het land staan maar we sloegen daar geen acht op. Nu bleek dat een soort van afbakening te zijn voor gewasbescherming. Tegenwoordig voor tractoren voorzien van tanks met duizenden liters landbouwgif en enorme sproeiarmen. Vroeger gebeurde het besproeien van gewassen met een omgebouwde 2-persoons vliegtuigje. De sproeiarmen bevonden zich onder de vleugels. Opeens waren de sproeivliegtuigen uit het beeld verdwenen. De reden was me niet geheel duidelijk. Ik vermoed de toenemende hoeveelheid landbouwgif die over de gewassen werd gespoten. Met zo’n hoeveelheid gif kwam een sproeivliegtuig gewoonweg niet van de grond. Wanneer vroeger zo’n sproeivliegtuig boven een kavel aan het werk was trok dat altijd aandacht van een handvol jonge knapen. Vol ontzag keken we naar de piloot wanneer deze met veel kabaal vlak voor ons voorbij vloog, steevast gevolgd door een wolk groene nevel. Op het eind van de kavel hield de groene nevel plotseling op, het vliegtuigje maakte een bijna loodrechte vlucht naar boven. Op dat moment zag de piloot niets anders dan wolken. Op zijn oriëntatiegevoel maakte hij dan een draai waarbij hij weer contact met de aarde maakte. Om vervolgens een aanloop te maken voor zijn volgende gifronde. Geweldig leek me dat. We zwaaiden enthousiast naar de piloot, deze zwaaide soms terug. Bij genoeg publiek was de piloot niet te beroerd om een toegift te geven. Met nog meer zwier werd de laatste ronde genomen vlak voor het publiek. Dan was de show voorbij. In plaats van een steile klim vloog het vliegtuigje door naar de horizon. Wanneer wij daar dan als jongens van de kavel wegliepen wisten we allen wat we later gingen worden, piloot. Met allerlei capriolen en salto´s gingen we de groene aardappel- en graanvelden te lijf. Wat voor groen spul kwam eigenlijk uit het vliegtuigje? We kregen achter Frans Savenije de kans om dit te ontdekken. Met Bennie en Harry liep ik daar in het veld. Naast ons een kavel groene graan ter hoogte van onze middel. In de verte hoorden we geronk van een vliegtuig die snel dichterbij kwam. Het bleef even boven ons cirkelen. Het nam een aanloop en tot onze grote verrassing werd het groene graan besproeid. We wachtten tot het vliegtuigje verdween en slopen verdekt het graan in. Een paar keer denderde het vliegtuig langs ons heen. De volgende ronde waren wij aan de beurt. Op onze knieën zaten we diep weggedoken in het graan op het toenemende lawaai te wachten. Plotseling stonden we op en begonnen te zwaaien. Het vliegtuigje schudde wat met de vleugels maar kon op de korte afstand niets meer uitrichten. Op nog geen meter scheerde het vliegtuigje boven onze juichende hoofden weg en verdween achter de horizon. Het werd weer stil op Erica. Vol trots bekeken we elkaar. We zaten onder de groen puntjes, het haar, onze gezichten, de kleren, alles. Je kon het zo wegpoetsen want het was een soort van vloeistof. Dat deden we natuurlijk niet. Vol trots lieten we dat aan onze moeders zien die weer de zoveelste hartverzakking van schrik kregen van hun lieve zonen. De volgende keer was het weer iets anders in de lucht wat onze aandacht trok. Dit keer geen geluid, het leek in de lucht stil te staan. Een luchtballon. Een enorme ronde bal gevuld met heliumgas. Als aandachtsmagneet trok het mensenhoofden omhoog. We bleven maar naar die grote bal gapen. Onder de bal zagen we een minuscuul mandje met een paar figuurtjes over de rand kijken. Dat waren mensen die naar ons zwaaiden. Natuurlijk zwaaiden we terug. Met die figuurtjes eronder konden we pas een vergelijk maken hoe enorm groot die ballon was. Het was bijna te groot voor onze bevattingsvermogen, we werden er een beetje bang van. Later kwamen de peervormige heteluchtballonnen. Daar kwamen er steeds meer van, waarschijnlijk omdat hete lucht goedkoper was dan heliumgas. Maar het bleven indrukwekkende grote ballonnen. Ik maakte veel later een keer mee dat ‘s avonds zo’n ballon achter ons huis ging landen. De ballon droeg het rode logo van Douwe Egberts koffie. Zorgvuldig werd door de ballonvaarder een veilig plekje gezocht. In het schemerdonker kwam de ballon een paar meter boven het veld zachtjes op ons aandrijven. Het duurde niet lang of het was te donker om de silhouet van de ballon nog te zien. We hoorden wel stemmen vanaf de ballon en grond die elkaar instructies toeriepen. Toen een moment dat ik nooit meer vergeet. Een harde brul gevolgd door een enorme steekvlam deed de ballon zo´n dertig meter voor onze neus als een enorme rode lampion opgloeien. Als het mogelijk was geweest was mijn zoontje op mijn arm in mijn broekzak weggekropen. Ik hem achterna. De meest indrukwekkende luchtballon zag ik in de derde klas van lagere school. Bij meester Marie. De meester was in de morgen al onrustig en vertelde enthousiast dat er ‘s middag een Zeppelin boven Erica langs zou varen. We probeerden enthousiast mee te doen maar de meester had vergeten te vertellen wat een Zeppelin was. Hoe meester Marie het te weten kwam is me een raadsel maar ‘s middags kwam inderdaad een sigaarvormige ballon over Erica langs drijven. Voorzien van een logo van Goodyear. Indrukwekkend en nooit meer zo’n ballon gezien. Wat we wel vaak zagen in de jaren zeventig waren de straaljagers die boven Erica langs scheerden. De koude oorlog was immers in volle gang. Nederland verdedigde zich toentertijd met Starfighters. Onze regering leek te denken dat wie het meeste lawaai maakte automatisch de oorlog won. De straaljagers kwamen soms zo laag boven Erica vliegen dat de sokken ons waaierden om de kuiten. Dan gingen de Starfighters op elkaar oefenen. De vliegtuigen waren zo wendbaar als een drol in een kniebocht. Ze hadden heel gemeente Emmen nodig als draaicirkel. Bij gebrek aan een verdwaalde Rus zaten de Starfighters achter elkaar aan te vangen. Ze maakten hierbij soms een draai om de as. Dan schoten de straaljagers loodrecht omhoog de donkerblauwe hemel in. Geweldig leek me dat. Ik wist gelijk wat ik toen wilde worden. Van alle geluiden die er waren kwam even later het luidste die je kon voorstellen, hoogstwaarschijnlijk nog steeds herkenbaar voor mensen uit de jaren zeventig. Het was een Starfighter die door de geluidsbarrière vloog en menigmaal de ruiten liet springen, sjonge wat een tijd was dat hè?

 

Geschreven door Henk Beukers

Werken op zaterdag 1

Werken op zaterdag 1

Ook in de jaren zeventig was het uitgaan een dure aangelegenheid. Van mijn ouders kreeg ik een tientje zakgeld. Dat leek niet veel maar tel hetzelfde op bij mijn broers, dan tikt het behoorlijk aan. Er moest dus bijverdiend worden. Vroeger deden we een ´heitje voor een karweitje´. Maar die heitjes telden niet aan. Later gingen we de boeren helpen met het wieden van de bieten. Dat was leuk werk wat je samen op het land kon doen. Lekker keuvelend in een rij kruipend over het bietenland en nog geld verdienen ook. Helaas was het seizoenarbeid. Nog later hadden de boeren een manier gevonden op de bieten automatisch op rij te zetten, het onkruid spoten ze dood, wat je daar ook van mag vinden. Dat werk verviel dus. Verder kijken dan maar. Ik heb kranten rond gebracht, komkommers gesneden, peulen geplukt en wortels getrokken. Het viel niet mee om een baantje te vinden. We hoorden dat aan de Dikke Wijk tussen Nieuw Amsterdam en Emmen meerdere banen vrij waren. De madenkwekerij van dhr. Dolstra t.w. DOMA (Dolstra maden). Zijn bedrijf bestond uit een boerderij annex winkel, een grote schuur en een achttal barakken. Doordeweeks gebeurde bij zijn bedrijf niets, op zaterdag moesten die beestjes uitgeschud worden. Dolstra’s productie van maden was zo’n 2000 liter per week. Hij verkocht in die tijd 1 liter maden voor ongeveer zeven gulden. Alsof het niet genoeg opbracht had hij ook nog een goed lopende winkel in sport- en sexartikelen. Zijn wekelijkse inkomsten kwam soms bruto boven de twintigduizend gulden. Of wij, die al het werk deden, daar iets van merkten? Dolstra was een typische kapitalist. Let wel, onze daglonen waren bij elkaar nog geen honderd gulden! Desondanks kon ie bij uitbetaling van loon heel bezwarend en zuchtend ons aankijken. We moesten eigenlijk nog medelijden met hem krijgen. Als ondernemer moest die krentenkakker natuurlijk nog een voordeeltje van zijn personeel pikken. Elke zaterdag kwam hij 5 minuten voor het eind van de werkdag nog even bij ons langs voor de laatste klusjes. Gingen we weer een kwartier later weg. Een keer vroeg ie ons een uur over te werken voor een toelage, hij wilde niet zeggen voor hoeveel. Na de uur kwam ie met de toelage, voor ieder een appel. Toen hij in huis stapte hebben we de appels tegen zijn deur kapot gegooid, eerder durfden we niet. Dolstra kweekte maden voor de vissers. Die konden in plaats van een regenworm een trosje maden aan het haakje rijgen. Werken bij een madenkwekerij was het smerigste, ongezondste, gevaarlijkste en slechtst betaalde werk wat je kon bedenken. Dus toogden mijn broers, neef en ik naar Dolstra toe. Jarenlang hebben we elke zaterdag van Erica naar de Dikke Wijk (later Het Haantje) getoogd en werkten we van 08.00 tot 17.00 uur voor 10 gulden per dag. Uit half vergaan vlees moesten we met een mestvork de maden er uit schudden. Daar kwam een ammoniak-lucht vrij dat je de adem deed afsnijden. Avonds bij thuiskomst moesten we de kleren buiten uittrekken en direct door onder de douche, we stonken naar kadaver. Dat nam niet weg dat we daar ook gelachen hebben. Zo die keer dat we flink aan het madenschudden waren waarbij een leeg Fanta-blikje uit de prut tevoorschijn kwam. Ik haakje met een tand van de mestvork in de opening van het blikje en smeet het over me heen naar achteren. Ik hoorde nog ‘ahumm..’. We keken verschrikt naar achteren. Daar stond Dolstra. In een smetteloos wit pak. Smetteloos? Voor hem lag het blikje, bijna vol met zwarte drab. Het overige van bijna-vol had zich in pixelvorm over het witte pak gedrapeerd. Zonder een woord te zeggen draaide Dolstra zich om en liep zijn huis weer in. We keken elkaar even aan en begonnen onbedaarlijk te gniffelen. Later hebben we nog iets soortelijk meegemaakt. Dat was op zijn tweede zaak op het Haantje. We kregen de opdracht een paar schuren op te ruimen. Van al het rommelhout werd achter de schuur een groot vuur gemaakt. Even later hoorden we een knal. Een leeg verfblik knalde in het vuur. Nieuwsgierig liepen we naar het vuur. Daar lagen nog meer blikken. Halfvol met water werden deze in het vuur gekwakt. Tot ons plezier vlogen even later ons de deksels met een luide knal om de oren. De blikken werden groter evenals de knallen. ‘Zul’n we dat wel doen?’, vroeg Harry zich bezorgd af toen een leeg olievat met water op het vuur werd gezet. We keken toe hoe de felsnaden van het vat langzaam uit elkaar werden getrokken. Opeens hoorden we in de verte het kenmerkende rokershoestje van onze baas Dolfstra. Vlug als wezels slopen we in de schuur en togen weer aan het werk. We zagen Dolstra in driedelig pak naar achteren lopen waar het vuur brandde. Na een dreunende explosie achter de schuur zagen we Dolstra onder het stof en as als een wankele novice naar zijn huis lopen. We mochten geen geluid maken maar deden het bijna in de broek van het lachen. Een andere keer kwam Jan in een van de barakken waar we maden stonden te schudden. Jan was een lange slungelige jongen met een enorme ronde bos haar. Tijdens het praten begon hij ineens vreemd te doen. Jan begon te hakkelen en stond met zijn kop te schudden. Na een poosje Jan te hebben bekeken gaf een van ons hem een forse duw. Die strompelde opzij, schudde met de kop en vloekte een paar keer. Daarna keek ie naar de bekabeling van de lamp aan het plafond. Hier lag het koper open en bloot. Daar had Jan even tevoren met zijn dikke bos haar in staan te roeren. Vet lachen natuurlijk. Open koperdraad was daar heel gewoon, nergens werden de beschermkapjes terug gedraaid. Waarschijnlijk teveel werk. Soortelijk maakte ik jaren later mee in Het Haantje. Bij Dolstra werkte een oudere man, Dirk genaamd. Dirk was senior en voelde zich een beetje voorman. Dirk had een grote bek naar ons, vooral als de baas in de buurt was. Dan kon ie zijn autoriteit even laten gelden. Van Dolstra kreeg ik de opdracht om de auto te wassen. Even later liet een enorme waterballet zien dat ik serieus werk maakte van mijn taak als autowasser. Toen moest er gepoetst worden. Daar had ik een leuke oplossing voor gevonden. Op de boormachine paste een ronde witte wollen poetsmop. Ik was druk bezig de auto uit te poetsen toen de stroomkabel van de boormachine zich om de witte poetsmop wikkelde. De boormachine hiel spontaan op. Verwonderd keek ik naar het stukje kabel aan de boormachine. Die had zich opgesplitst in allerlei kleuren draadjes. Daar kwam streber Dirk scheldend aangerend. Naast de auto begon hij dezelfde symptomen te vertonen als Jan toentertijd. Ik deed geduldig een stapje opzij en gaf Dirk de ruimte. Die leek wel spastisch de Horlepiep te willen dansen. Na genoeg te hebben gezien schopte ik met mijn rubberlaars de andere stuk stroomkabel uit het water waarin de auto (en Dirk) stond. Met benen als zijnde spiraalveren wankelde Dirk terug naar de schuur. Vanuit een van de andere schuren hoorde ik een langgerekte gierende lach die niet meer leek bij te komen. Het was warm, ik draaide me om en begon de auto verder uit te poetsen.

Geschreven door Henk Beukers

Spookspel

Spookspel

Wanneer in oktober de avonden langer worden dan hebben sommige mensen blijkbaar behoefte om elkaar aan het schrikken te maken. Het tegenwoordige Halloween, overgewaaid uit Amerika, is daar een sprekend voorbeeld van. Op Erica is een dergelijke grap toen behoorlijk uit de hand gelopen. Het was tijdens de oorlog in oktober 1942. De Havenstraat was ter hoogte van de Kerklaan slechts met een verduisterde lamp verlicht. De volgende verlichting was bij bakker Ahlers, toen woonachtig in de oksel van de Havenstraat en Kerkweg. Na half acht ‘s avonds was het daartussen volledig donker. De laatste mensen zochten hun huis. Van de Duitsers moest iedereen op tijd binnen zijn. Die avond liepen twee jonge dames langs de Havenstraat richting bakker Ahlers. Er stond hun een onvergetelijke gebeurtenis te wachten. In die tijd was het openbare kerkhof op dezelfde locatie gesitueerd. Zelfs de huidige beukenhaag om het kerkhof is authentiek, evenals de plaats van de ingang. De huidige gemetselde kolommen met ijzeren hek is de vervanger van de oude hek, die in de vijftiger jaren werd vervangen. De oude hek stond bekend om zijn knarsend geluid wanneer deze werd bewogen. Een paar jongeheren wilden de dames eens flink aan het schrikken maken. Ze hingen twee uitgeholde bieten aan het hek, beide voorzien van een uitgesneden spookgezicht en opgelicht door een kaarsje. Vervolgens werd het hek geheel naar binnen open gezet. De val stond open. Toen de twee dames, een beetje schichtig rondkijkend en ongemakkelijk voelend, de hek passeerden gebeurde er niets. Behalve dat de hek langzaam met een knarsend geluid dicht viel. Het opgelichte gezicht in beide bieten deed de rest. Onder grote hilariteit van de heren gilden de dames in paniek de Havenstraat op. Maar deze grap kreeg een vervelend staartje. De politie stond enkele dagen later bij hun op de stoep. Wat bleek? Een van de dames was zo erg geschrokken dat ze er blijvende gevolgen van overhield. Bij deze grap werd dus duidelijk een lijn overschreden. Nou, wij konden er ook wat van. Ik ging eind jaren zeventig van de vorige eeuw als groentje voor het eerst mee met de verkenners op zomerkamp. Het zomerkamp van de verkenners uit Erica was toen in Uelsen, Duitsland. Samen met collega-groentjes Bennie en Willie was alles nieuw en spannend voor ons. We werden dankbare slachtoffers voor het spookspel dat de leiding met enig leedvermaak voor ons in petto had. Het concept van het spel was heel simpel. Het negen kleine negertjes principe. We hadden die avond een wandeling in het donker. We liepen als een sliert achter elkaar over een smal bospad. Vooraan de sliert liep wijlen Toon Prins, onze hopman. De rij werd afgesloten door de beide vaandrigs, Eric en Stef. Wij groentjes liepen pal achter de hopman. Opeens was een vaandrig verdwenen. Grote paniek waarbij de hopman op het bospad op en neer rende. De groentjes weken geen centimeter van hem. Even later was de tweede vaandrig verdwenen. Elke verkenner begon zich ongemakkelijk te voelen, zeker degene die nu achteraan liep. Telkens werd bij deze verkenner zachtjes op de schouder getikt en fluisterend gevraagd aan het spookspel mee te doen. Met samengeknepen billen maar merkbaar opgelucht gaf de verkenner zijn volledige medewerking. Het is bizar hoe een angstgevoel bij een verkenner in een paar tellen kan omslaan in leedvermaak. Hij hoefde alleen naast het bospad stil te staan en na enkele minuten een schreeuw te geven. Het bospad werd vrij gehouden om de Hopman ruimte te geven om in het spel te manoeuvreren. Bij elke schreeuw in de verte rende de Hopman naar het geluid, de drie groentjes zaten zowat in zijn broekzak. Langzaam werd de rij achter de groentjes kleiner en het geschreeuw achter hun in het donker luider. Het spel kreeg een onverwachte einde doordat een boer met zijn jachtgeweer in de lucht schoot. Luid in het Duits riep de boer of we met dat geschreeuw helemaal door de konijnen waren besnuffeld. Het was een top spookspel. Man, we scheten bijna alle kleuren peulen. Ook in latere zomerkampen bij de verkenners bleef het spookspel een vast onderdeel van het programma. Soms moest de leiding alle zeilen bijzetten om binnen de lijn te blijven. Een patrouille verkenners kon woest worden wanneer een lid van hun werd ontvoerd. Dan kon een fietsend oud vrouwtje in het donker zomaar een troep van die jonge wilde honden achter haar aan krijgen. Moet het vrouwtje weer plat op stuur om ze voor te blijven. Dan had de leiding die avond weer druk om de omwonenden bij te praten, dat het maar een ‘spiel’ betrof. Soms werd de lijn toch iets overschreden. Bijvoorbeeld die keer dat een neef en ik vrijdagavond in het donker op het dak van het kapelletje op het Katholieke kerkhof zaten. Ik had een witte babymaillot over mijn hoofd getrokken. De beentjes van het maillot waren opgevuld met kranten zodat het leek alsof ik twee witte hoornen had. Onze slachtoffer kwam precies op tijd. Ik hoefde alleen maar de lantaarn in mijn gezicht te schijnen. Mijn neef begon te loeien als een koe. Het bromfietsje met slachtoffer reed pardoes de struiken in. Toen ik wilde helpen rende het slachtoffer gillend weg. Ik kwam in het donker aangerend en was vergeten mijn hoornen af te doen. Later die avond kon neef Klaas, het was het slachtoffer, er smakelijk om lachen, Vele jaren later mocht ik weer een spookspel bij de verkenners meemaken. Nu als vaandrig bij scouting Kazienaveen. Op een zomerkamp in Duitsland. We hadden als speelterrein zo’n vijf bunder bos tot onze beschikking en hadden die donkere avond een spook ingehuurd vanuit Erica. Het spook had zijn gezicht met scheerzeep wit gemaakt en zou ons op de route door het bos ‘verrassen’. Ik adviseerde de groep een lied te zingen terwijl we door het bos liepen. Spoken houden niet van liederen maakte ik de groep wijs. Terwijl de gehele groep een potje met vet zat te zingen kon het spook een mooie positie innemen. Hij hoorde het geluid van de zingende groep en wist precies waar de groep zich in het bos bevond. Wanneer het spook zich vertoonde aan de groep kon hij rekenen op een regen van stenen. De verkennertjes waren niet bevreesd of juist heel erg. Ik adviseerde de groep niet met stenen te gooien om het spook niet kwaad te maken. Met zand gooien mocht wel, daar kon je geen buil mee vallen, laat staan een spook uit Erica. Ik zuchtte verontschuldigend en opgelucht. Het spook in de struiken ook, zo te horen. Het was toen een heldere nacht, we kregen een mooi natuurverschijnsel te zien. Om de volle maan stond een kring. Terwijl we als groep naar de maan stonden te kijken werd het wachtende spook nieuwsgierig. Hij ging zomaar bij de groep staan om eveneens naar boven te kijken. Op vragen uit de groep gaf de spook geduldig antwoord. Niemand had door dat het spook tussen hen in stond! Vlug maakte het spook zich weer uit de voeten maar keek mij eerst nog met betraande ogen aan. ‘Het was het zand’, liet het arme spook nog even weten om vervolgens in de struiken te duiken om het spel te hervatten.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Vliegertijd

Vliegertijd

De zomer trekt langzaam voorbij. De lange avonden in licht zijn al lang een herinnering. De natuur maakt zich op voor de herfst. De jaargetijde van kleur en geur. Van paddenstoelen en vallende bladeren. We worden ons bewust van de betrekkelijkheid van het jaar. Herfst is de tijd van melancholie. Dichters gaan aan het werk en maken zich op voor een herfstschrift. Het Nederlandse woord met de meeste medeklinkers aaneen. Herfst is ook de jaargetijde van de oogst. Gigantische rooiers ploegen de piepers uit de grond evenals hun collega´s de suikerbieten. Een golvende zee van gouden korenaren maakt plaats voor een kale stoppelveld. De tijd is aangebroken dat de boer het niet erg vindt dat je op het veld komt. De stoppelvelden waren door de regel goed te betreden. Gek genoeg kreeg je vaak natte sokken op zo´n stoppelveld. De stoppels waren namelijk tot de rand gevuld met regenwater. Maar we hadden veel vlakke ruimte tot onze beschikking. De tijd van het vliegeren was aangebroken. Niet alleen op de stoppelvelden. Overal op Erica zag je dunne lijntjes die zich oprichten naar de hemel, op het eind van de lijn een vrolijk dansend vliegertje. Met westenwind kon je vanaf de Kerkweg een vlieger op laten. Tot aan de horizon, de Bladderwijk in Oranjedorp, had je alle ruimte door de lege velden. Dat had je ook nodig. Wanneer de winter aanbrak was op Erica menig boom getooid met een dooie vlieger die zich armzalig bewoog aan een stukje lijn. Soms bleef zo´n ding tot aan het voorjaar in een kale kruin bungelen. In tegenstelling tot vandaag waren er geen kant en klare vliegers. Wat vloog was een product van eigen nijverheid. Van een houten kist werd een zijplank verwijderd. Met een bijl werd het plankje in repen gekliefd. De repen werd vervolgens door een mes steeds dunner gesneden. De spanten van de vlieger moesten zo licht mogelijk zijn. Urenlang zat je zo´n reep hout met een mes te bewerken tot een dun stokje. Menig vloek hoorde je uit een schuur wanneer bleek dat het stokje te dun was gesneden en brak. Dan kon je weer opnieuw beginnen te houtsnijden. Had je eindelijk de beide spanten klaar dan werden zij met een kruissjorring aan elkaar geknoopt. Je had dan een kruisvorm. Op elke uiteinde werd een snede gemaakt. Over de uiteinden kwam een strak gespannen touwtje die de vlieger zijn ruitvorming gaf. Een centimeter van de uiteinden werd een uitsparing gesneden. Hier ging het alsnog vaak mis. De uitsparing werd te diep en de uiteinde brak af. De vlieger werd een centimeter kleiner. In de uitsparingen kwamen de touwtjes die de vlieger in balans moesten houden. De touwtjes kwamen bij elkaar en gingen over in de hoofdlijn. Over de latjes en de ruitvormig gespannen touw werd een krant gelegd. De vlappen van de krant werden voorzichtig over het gespannen touw gevouwen. Aan de achterkant werden de omgevouwen vlappen met behanglijm aan elkaar geplakt. De vlieger had nu zijn definitieve ruitvorm. De vlieger werd aan de touwtjes opgetild om zo het balans te bepalen. Hing de vlieger mooi horizontaal dan werden de touwtje aan elkaar geknoopt. Aan de knoop kwam de hoofdlijn, de vliegerlijn. Het was dun bindtouw die voor een paar cent per bol in de winkel te koop was. Aan de onderste uiteinde van de vlieger kwam een vijf meter lange lijn, de staart. Nu was de vlieger klaar, menigeen was daar een hele dag zoet mee geweest. En nu moest dat ding nog vliegen. Dat ging natuurlijk niet zomaar. Dat ding moest eerst ingereden worden. Wanneer de vlieger sterk afboog was de balans niet goed. Een van de ophangtouwtjes moest langer of korter worden gemaakt. Maakte de vlieger rare capriolen en scheef het ´achtjes´ in de lucht dan was de staart te licht. Een paar polletjes stro of gras zorgden voor de nodige balans. Ging de vlieger traag naar boven waarbij het nauwelijks bewoog, dan was de staart te zwaar. Een polletje werd uit de staart verwijderd. Was de vlieger in balans dan schoot het wiegelend de lucht in. Ondertussen liet je de lijn een stuk vieren. Wanneer je met het vieren ophield schoot de vlieger een stuk hoger de lucht in. Deze handelingen herhaalde je tot de vlieger ´bovenwinds´ stond. Je kon dan de lijn vastzetten aan een boom of paaltje. Die vlieger bleef in de lucht hangen zolang er wind was en de lijn niet brak. Nu kon je een boodschap naar de engeltjes sturen. Op een velletje papier werd dan een boodschap geschreven. Vervolgens werd het papiertje ingescheurd en om de vliegerlijn bevestigd. Wanneer het papiertje werd losgelaten blies de wind het papiertje tegen de lijn omhoog naar de vlieger. Soms kwam je bij het neerhalen van de vlieger een hele kwak papiertjes tegen. Natuurlijk was er onderlinge concurrentie tussen degene die een vlieger had. Wanneer je met de handen in de broekzak naar je vlieger stond te kijken keek je onbewust naar de andere vliegers. De grootte en hoogte van de vlieger was bepalend. Wanneer vroeger bakker Kolker met zijn enorme vlieger werd afgetroefd dan greep hij diep in zijn broekzak. Hij drukte een kind een paar centen in de handen met de boodschap om ´eem een bollechie touw´ op te halen. Ook schroomde hij niet om zijn dochtertje de lijn in handen te geven. De mensen keken een bloemetjesjurk na die door de lucht vloog om even later tussen de stoppels neer te kwakken en vervolgens nog zo´n tien meter mee gesleept te worden. Maar ze hield de lijn vast als een terriër. Jaren later maakte mijn vader een nog grotere vlieger. Het frame van de vlieger bestond uit vishengels van bamboehout. Het ding was meer dan drie meter hoog. De lijn was van speciaal extra dik nylon. Het papier was inpakpapier, zo van de rol. De lijn was gewikkeld om de velg van een fiets. Toen de vlieger werd opgelaten steeg het hoger en hoger tot het nauwelijks zichtbaar werd. Bij westenwind stond de vlieger boven de woning van mijn oom aan de Kerkweg. Menig Ericaan keek bewonderend naar boven en kon nauwelijks geloven dat een vlieger zo hoog kon. En tussen de mensen liepen wij dan weer trots te wezen. Mocht het nodig zijn dan wezen we naar boven naar ´onze´ vlieger. Het was een keer bij oostenwind toen Pa de lijn uit handen gaf aan zevenjarig broertje Chris. Die zat in een karretje en hield de lijn stevig vast. Vlak daarna was een sleepspoor tussen de sjalotjes, prei en aardbeiplantjes de stille getuige van de jonge aviateur. Het was een korte snelle sprint van Pa die Chris aan de vergetelheid onttrok.

 

Geschreven door Henk Beukers

Vakantie

Vakantie

In de zomer brak ook voor de Sint Gerardusschool op Erica eindelijk de vakantie aan. Zes weken helemaal voor onszelf. In de zeventiger jaren waren vakanties met witte stranden en wuivende palmen voor slecht weinigen weggelegd. Integendeel, in die tijd werd ook op zaterdag gewerkt. Toen eindelijk de vakbonden hadden geregeld dat ook de zaterdag bij het vrije weekend hoorde kwamen serieuze wetenschappers met bezwarende onderzoeken. De mensheid zou aan teveel vrije tijd ten onder gaan. Zelfs vandaag de dag komt het voor dat, bij een revolutionaire ontwikkeling, een Pratend Pak op de televisie verschijnt die, in naam van de wetenschap, een staaltje van doemdenken ten beste geeft. Maar zoals gezegd, in de jaren zestig werd nog gewoon op de zaterdagochtend gewerkt. Voor een weekendje aan het strand moest Pa een halve snipperdag opnemen. Inmiddels hadden we ook een auto, een DAF 33. Toen al bekend als Truttenschudder. Ondanks dat waren we erg trots op onze auto. Iedereen was opgewonden wanneer een weekend aan het strand zich aandiende. Vrijdagavond werd de imperiaal op het dak van het Dafje geschroefd. Voor het strand had Ma een windscherm gemaakt. De stangen van het scherm bestonden uit afgezaagde stangen terwijl het doek een lengte van zo´n 20 meter besloeg. Die werd op het strand in een U-vorm opgebouwd zodat we als gezin enigszins privacy genoten. Voor in het water hadden Pa en Ma een vijftal binnenbanden van een auto op de kop getikt. Die gingen in opgeblazen toestand mee omdat het een eeuwigheid duurde voordat je zo´n band met een handpomp op spanning had. Voor de inwendige mens ging brood mee, veel brood. En natuurlijk een pan soep, dat moest. Om te voorkomen dat tijdens de rit naar het strand de vermicelli van onze schouders droop werd de soep in een snelkookpan vervoert, uiteraard met de deksel dicht. Op vrijdagavond werd een start gemaakt om het autootje vakkundig vol te proppen met handdoeken, windschermen, binnenbanden en ander soort kampeerspullen. Om zaterdagochtend het autootje weer volledig te ontladen omdat in de verborgen snelkookpan nog soep moest. Wat niet in de koffer van het Dafje kon werd op de imperiaal gelegd. Per weekendje aan het strand groeide de hoogte van artikelen op het dak. Met binnenbanden van een fiets werd de bult op het dak vastgesjord. Op zaterdagmorgen was het dan eindelijk zover. De beesten om ons huis kregen voor het laatst voer en water. Vier kinderen namen plaats op de achterbank. Voorin de auto twee volwassenen met de jongste zus op schoot. Pa startte het karretje, daarmee startte tevens een onuitwisbare jeugdherinnering. Zeven mensen en een pan soep gingen richting Noord-Sleen. Naar de Kibbelkoele in het boswachterij Sleenerzand, daar was onze strand. We waren de sintelpad nog niet af of het eerste lied werd uit volle borst gezongen. Het topzware Dafje reed door Nieuw Amsterdam en reed maar door en reed maar door, naar het einde van de wereld. Onderweg kwamen we een ANWB-verkeersbord op vier poten tegen waarbij een poot was weggereden. Bij Achterste Erm keerden we weer huiswaarts naar Erica. Ma wist niet zeker of ze thuis het gas had uitgedaan. De Kibbelkoele werd per zomer diverse keren bezocht. Na diverse keren de rit naar de Kibbelkoele te hebben gemaakt konden we de rit er naar toe dromen. Bij het verkeersbord riepen we in koor: ‘Hinkepootie, hinkepootie’. Steevast riepen we bij Achterste Erm in koor: ‘Hier hebben we gekeerd, hier hebben we gekee-heerd’. Op de parkeerplaats bij de Kibbelkoele liep het Dafje als een rijpe puist leeg. Van airco had niemand nog gehoord en met zoveel koppen in de kist kon de temperatuur behoorlijk oplopen. Steevast werd altijd hetzelfde stukje strand in beslag genomen. Terwijl Pa en Ma de windschermen opbouwden en zich verder installeerden doken wij het water in en maakten alvast ruzie met de andere kinderen. De auto-binnenbanden waren van begin af aan een doorslaand succes. Menig kind zat jaloers naar ons te kijken. Wij bewaakten de banden alsof het onze kinderen waren. Toch zag een buurman kans om ons een binnenband af te pakken. Hij mompelde dat een gezin niet alles hoefde te hebben. Pa en Ma zeiden niets. Op het eind van de dag werd alles weer opgeruimd waarbij Ma aan de buurman onze binnenband terugvroeg. De arme man stamelde, ‘zijn die banden van jullie dan?’ Hij dacht dat ze bij de Kibbelkoele hoorden. Met een rood hoofd werd de band teruggegeven. Pa en Ma accepteerden zijn excuus en deden verder niet moeilijk. Wij als kinderen keken de man zowel boos als triomfantelijk aan, dat viel nog lang niet mee hoor. Later hadden we een heuse opblaasboot. Daar gebeurde iets vreemds mee. Wanneer we met de boot op het water dreven leek de luchtdruk in de boot te verslappen. Van afkoeling c.q. krimp van lucht hadden we nog nooit gehoord. Op het strand werd met een handpomp de boot weer op spanning gebracht. Nadat we op het water uit geklierd waren legden we de boot voor ons op het strand. Niemand kon erbij, de boot was van ons, lekker puh. Totdat we na een kwartier opkeken van een raar geluid. Wat was dat nu? Het kwam van de boot. Die lag daar als een gestrande walvis en leek stuiptrekkingen te maken. Weer zo´n rare geluid uit de boot. Door de ligging op het strand werd bijgepompt lucht in de boot niet meer door het water afgekoeld. De zon deed de rest. De luchtdrukspanning in de boot liep torenhoog op. Opeens deed de boot ‘PONG’. Alle binnennaden van de opblaasboot schoten spontaan los. Vijf verbaasde kinderen keken naar een wonderbaarlijke gedaanteverandering. De opblaasboot was spontaan veranderd in een grote sigaar. Het huilen stond ons nader dan het lachen. Om ons heen stille leedvermaak. Afijn, we besloten toch in het water met de sigaar te spelen. Nog nooit hadden we die middag zoveel lol beleeft. Wat bleek? We waren onze tijd ver vooruit! Een tiental jaren later zagen we op TV een speedboot met daarachter een grote gele banaan en daarbovenop vrolijke toeristen. Dat hadden ze van ons afgekeken! Het was onvermijdelijk dat op zo’n drukke plaats ook ongelukken gebeuren. In de Kibbelkoele kwam ik als vroege tiener helaas met zoiets akeligs in aanraking. Nazorg bestond toen nog niet. Ik zat op het gele zandstrand en zat naar de mensen in het water te kijken. Het gerucht ging dat een meisje was vermist. Opeens zag ik een man met een meisje in de armen uit het water rennen. De man liep pal in mijn richting en legde het kind nog geen tien meter voor mijn voeten in het zand. Ik zat daar als in de grond genageld en zag toen wat een tiener niet mocht zien. Andere volwassenen snelden toe waarbij het kind aan haar voeten werd opgetild. Modderwater gutste uit haar mond. In de verte hoorde ik gegil van een oudere vrouw die getroost werd door ondersteunende mensen. Het was de oma die die middag op het kind moest passen. Dat gegil is me altijd bijgebleven. Later zag ik de man het verdronken meisje onder een grote badlaken van het strand wegdragen. In de verte riepen Pa en Ma ons bij elkaar. Vanaf dat moment zag ik overal bezorgde ouders hun kroost bij elkaar grijpen en hun spullen inpakken. Het duurde niet lang of de Kibbelkoele was geheel verlaten.

Geschreven door Henk Beukers.

3 of 9
123456789