Sint Gerardusschool te Erica

Sint Gerardusschool te Erica

Van 6 tot 12 jaar zat ik op de Gerardusschool op Erica. Mijn vader zei altijd dat slaan een teken van onmacht was. In mijn lagere schooltijd was het bij de meeste meesters en juffen een dagelijkse gewoonte om onmachtig te zijn.  Ze verborgen het zelfs niet eens. Alleen zouden zij stil moeten staan bij het feit dat, als ze kinderen mentaal of fysiek mishandelen,  ze deze kinderen door de vernedering blijvend konden beschadigen. Eigen initiatief of spontaniteit werd toen als een vorm van brutaliteit gezien. Ze vonden het niet passen in een degelijke Katholieke opvoeding. Hun credo was ´Orde en Tucht dragen goede Vrucht´, het was ´zwieg´n en jaknikk´n´. Juffrouw Hofstede was mijn juf in de eerste klas van de lagere school. Ik was zes jaar. Juf was de zus van Akela van de welpen. Het was een lieve juf. In die tijd schreven we nog met een kroontjespen die we moesten dompelen in inkt. Daarvoor hadden alle schoolbankjes een ingebouwde inktpotje. Als je heel mooi schreef mocht je van juffrouw Hofstede met rode inkt schrijven. Dat is me één keer gelukt. Alleen ´s morgens. De middag erop was ik de slag alweer kwijt. Evenals de rode inkt. De tweede klas was de tijd van de Beatles (she loves you yeh yeh yeh) die wij zongen als ´slafjoe yeh yeh yeh´. We hadden meester K., zo’n meester die een jaar aan school verbleef en dan met onbekende bestemming vertrok. Hij vond het leuk om met een heuse ganzenpen te schrijven. Bij hem moest ik een getal opnoemen die hij op het bord had geschreven. Onder grote hilariteit van de klas kon ik het getal niet vinden. Had de meester het getal niet met krijt maar met de borstel op het bord gezet. Dat had ik niet gezien. Wanneer de meester naar een getal vroeg op het bord dan zocht je naar een met krijt geschreven getal. Je wou zo je best doen. Als volwassen man voel ik nog de vernedering. Af en toe hadden we een vervanger voor de meester. Dan hadden we les van juffrouw van der Pluim. Zij was toen een jonge vrouw die getrouwd was met het werk. Ze is oud geworden en vrijgezel gebleven. Zij ging, zoals gezegd, ongebruikt retour. Als juf was ze soms een kreng. Ze gooide met een borstel die hard kon aankomen. Als dank moest je de borstel terug brengen, juf had geen zin in lopen. De vernedering hield niet op. Bij haar bureau stootte ze de stapel dicteeschriftjes op de grond, die moest je dan oppakken. Bij het netjes opstapelen van de dicteeschriftjes sloeg juffrouw van der Pluim toe, letterlijk. Met een liniaal sloeg ze je over de handen. Pas toen was haar wrok gestild. In de derde klas hadden we weer een meester voor een jaar. Hij was pas uit militaire dienst. Een snotaap eigenlijk, zo realiseerde je achteraf. Hij stond recht voor de klas en gaf als een commandant commando’s. Onder zijn arm klemde hij een admiraalsstokje. Had ie gekregen bij het afzwaaien. In de derde klas kregen we als laatste een sinterklaascadeautje. Die mochten we vooraf uitkiezen. Ik koos een vrachtauto beladen met houten balken. Vlak voor Sint kreeg ik te horen dat het cadeautje niet meer in voorraad was. Ik kreeg een tankauto, die was lang niet zo leuk. Het zoontje van een bekende middenstander zag ik met een vrachtauto weglopen, beladen met houten balken. Afijn, zo opeens was de generaal weg. Toen kregen we een meester die mij nog lang heugde. Daar was niks geestigs bij. Hij stond erop dat kinderen op de deur moesten kloppen als ze naar binnen wilden. Menig kind, die door de hoofdmeester voor een boodschapje werd gestuurd, werd bij het betreden van de klas door meneer de pedagoog, ten overstaan van de gehele klas, op een grove manier afgepoeierd. Als je iets verkeerds deed stopte hij je voor straf in de kast. Pas als je als kind bang begon te roepen mocht je eruit. Onze klas was op de eerste verdieping. Deze meester introduceerde het gescheiden traplopen, eerst de meisjes en dan de jongens. Van hem kregen we te horen dat we bij het traplopen absoluut niet naar boven mochten kijken. Toen ik bij het traplopen naar boven keek zag ik niets. Ik snapte gewoon niet wat de meester bedoelde. Opeens vloog ik door de lucht. De meester, een volwassen man, gaf mij een achtjarig kind, met volle kracht, een trap onder mijn achterste. Ik verging zo van de pijn dat ik de rest van de trap heb gekropen. Ik snapte het nog niet en de meester zweeg. Veel later begreep ik dat de meester niet wilde dat we bij de meisjes onder de rokken konden kijken. Het was de dezelfde meester die een naaktfoto van zijn dochter door de klas liet ronddelen. Hij hield je daarbij scherp in de gaten dat je niet lachte. De viespeuk vertrok een jaar later. Hij werd leraar in het voorgezet onderwijs in Emmen. Zijn erfenis bestond uit het feit dat hij me liet zitten. De roedel moeten verlaten is zo ongeveer het ergste wat je als schoolkind kon overkomen. De volgende derde klas kregen we een dikbuikige kettingrokende meester. Hij werd door ons Wammes Waggel genoemd omdat hij een aparte manier van lopen had. Hoewel hij niet vaak mepte was hij niet te beroerd om af en toe een flinke oorvijg uit te delen. Zo kwam Frans Suelmann met carnaval als cowboy de klas binnen lopen. Niet veel later vlogen een holster en hoed door de klas, en Frans had een paar rode oren. De meester hield niet van carnaval. In de vierde klas hadden we weer een meester met losse handjes. Bij een brand in de Tappelse bosjes beschuldigde hij mijn buurjongen Herman van brandstichting. Meester woonde in de bocht naar Klazienaveen en hij had Herman die dag op de fiets de Ensingwijk op zien rijden. De meester speelde voor rechter en had zijn oordeel klaar. Schoolbanken en stoeltjes vielen om. Alle kinderen zochten verschrikt een veilig heenkomen. De meester velde zijn vonnis. In het midden van de klas werd tienjarig Herman door de meester ‘pedagogisch bijgespijkerd´. In de vierde klas speelden we een spel die op honkbal leek, kasteplankje genaamd. Met een breed plankje, inclusief handvat, werd bij het spel een bal het veld ingemept. Dit plankje werd voor de meester een geliefd speeltje. Het betreffende kind, die volgens de meester enig ´opvoeding´ behoefde, werd over de knie van de meester gelegd. Met het kasteplankje sloeg hij dan op het zitvlak. Als je het helemaal te bont had gemaakt maakte de meester voor de ‘opvoeding’ eerst het kasteplankje nat. Dan knijpt het beter door grijnde hij dan sadistisch. Soms werd de meester door een vader aangesproken. Het betroffen kind werd dan plots niet meer geslagen. Maar de laffe meester had een klas vol, snel had hij een nieuwe 10-jarige slachtoffer gevonden. In de vijfde klas hadden we Frater Siardus als meester. De frater kwam dagelijks op zijn Batavus-bromfiets uit Emmen aangereden. De oorvijgen van de frater hadden venijn. Hij sloeg niet hard, maar in zijn hand had hij altijd een sleutelbos. Die kwam alsnog hard aan. Frater Siardus maakte gebruik van een beloningssysteem. Goed gedrag leverde punten op. Op het eind van de week werd een heuse veiling gehouden met punten als betaalmiddel. De frater liet zien dat goed Katholiek onderwijs wel degelijk mogelijk was, het lag aan de uitvoerders. In dat jaar is mij de beroepskeuze bijgebleven. Op een middag moest we opschrijven welke school ons leuk leek. Alle papiertjes werden vervolgens bij de frater ingeleverd. De kinderen hadden er geen notie van dat hun toekomst toen definitief werd bepaald. In die tijd hadden we een sportdag waar de hele school aan meedeed. Mijn prestaties waren die dag ver  bovengemiddeld. Toch ging het zoontje van (reeds genoemde) middenstander met de eerste prijs er vandoor. Zijn prestaties waren toevallig precies gelijk aan die van mij maar met balgooien had ie een centimeter verder gegooid. Eigenaardig hè? In de zesde klas hadden we de hoofdmeester. Bij aanvang van de schooltijd luidde de meester altijd de bronzen handbel. Na het luiden hield hij de bel bij de klepel vast. Ondeugende kinderen konden rekenen op een tikje tegen het hoofd met het handvat van die bel. Hij sloeg niet hard, maar die handvat kwam wel hard aan. Een stuk bonter maakte de meester van de andere zesde klas. Op zich een keurige meester, ware het niet dat hij zijn zelfbeheersing helemaal kon verliezen. Naast het schoolplein hadden we een fietsenstalling. De wanden bestonden uit planken waartussen dikke spleten zaten. Herman Hermans, een negenjarig joch, ratelde met een stok langs de planken. Totdat hem de stok uit handen werd gerukt. De meester sleepte het kind naar het midden van de schoolplein. Alle kinderen op het schoolplein weken verschrikt uit en vormden spontaan een grote cirkel. Tot afgrijzen van elk kind werd Herman Hermans door de meester met de stok ´gecorrigeerd´. De meester had ook geprobeerd mij te vangen, ik was echter sneller. Jaren later won ik medailles op de 100 meter sprint. Van deze meester geleerd. Het was misschien wel de wijze van onderwijs dat hier debet aan was, leuke tijd maar soms leek het op een Spartaanse opvoeding.

Geschreven door Henk Beukers

Bromfietstijd

Bromfietstijd

16 tot 18 jaar is een belangrijk jaar voor een opgroeiende puber. Voor het eerst in zijn leven mag hij op een bromfiets. Ik heb gezien hoe een brave zoon voor de ogen van zijn trotse moeder plaatsneemt op een glimmende maar hopeloos verouderde Batavus bromfiets. Hoogstwaarschijnlijk was het haar oudste zoon die nog niet beter wist. Zoonlief trapte de bromfiets aan en liet het even ronken. Moeder keek vertederend toe. Zoonlief reed weg. Op het eind van de oprit vond hij nodig om nog een ererondje te maken. Prachtig zwierde hij rond in het gezichtsveld van moeder. Om vervolgens tegen een boom op te knallen. Snel pakte hij de bromfiets op en reed weg. Het windscherm een beetje scheef,een kras op het spatbord en een deuk in zijn ego. Zelfs een groepje grijnzende tieners zag hij niet. Mijn maidentrip met de bromfiets was die vanuit Emmen. Ik had kans gezien om uit de vele tweedehands bromfietsen hete ergste wrak te kiezen. Maar dat wist ik toen nog niet. Trots als een pauw reed ik naar Erica. Een wereld lag voor ons open. We konden gaan en staan waar we wilden. In die tijd kon je nog voor 6 gulden de tank volledig vol gooien. Met een beetje geluk bij fietsenmaker Wietze Moorman voor een gulden. De tankautomaat begon bij een enkel ingeworpen gulden al te pompen, daarbij moest je de hendel iets naar beneden duwen. En je kreeg dan een volle tank voor slechts een gulden. D´r moest nog wel olie in. Maar zie, FietseWietze had ook een winkeltje, laat hij nu precies die olie verkopen! Bij elk verkochte blikje olie belde Wietse de onderhoudsmonteur om naar die verrekte automaat te kijken. Ja ja, Wietse was niet gek. Steevast verzamelden we ons zaterdagavond in het gebouw. We dronken daar een pilsje of wat en keken rond of de groep compleet was. Dan trokken we er op uit. We hadden al snel onze vaste ronde. Eerst naar Weiteveen, naar de Anjo bar. We stonden langs de dansvloer om de meisjes te bekijken. Of om met een meisje te dansen. Ze werden echter al weer snel afgekeurd. Reden? De meisjes waren al twintig jaar! In onze ogen bejaarden. Het was altijd erg druk in Anjo. Soms werd er gevochten. Al snel beseften wij dat het altijd dezelfde figuren waren. De gebroeders Imming zochten vaak bonje, maar ook een groepje jongens uit Klazienaveen. De laatsten hadden altijd ruzie met hunzelf. Bij zo’n vechtpartij was het ritueel ook altijd hetzelfde. De obers pakten het zooitje met kop en kont op en smeten ze subiet naar buiten. Soms mochten ze maanden niet meer de bar bezoeken. Terecht, het waren toch een paar verknipte figuren die vechtersbazen. Na een uurtje in Anjo reden we door naar Nieuw-Schoonebeek. Daar hadden ze een jeugdsoos in een oude school. De soos heette Ruhma Permuda. Indonesisch voor Ons Huis had ik me laten vertellen. Je kwam in een donker hok met knalharde muziek en bovenal goedkoop bier. Kortom, we voelden ons daar snel thuis. De katholieke Nieuw-Schoonebekers waren ons slag volk. Bovendien waren de meisjes leuk. Mede door ons bezoek draaide de jeugdsoos als een tierelier. Na een jaar moest de voorraadschuur met kratten bier uitgebreid worden. Die werd tegen de toiletten gebouwd. We hadden al snel door dat je door het kantelraampje een flesje bier uit een krat kon vissen. Wat moesten we toch vaak naar het toilet! Natuurlijk duurde dat niet lang. De omzet daalde in Ruhma Permuda, dat viel op. Net als de toiletgang van de Ericanen, waren die lui lek ofzo? Wat de Nieuw-Schoonebekers ook opviel waren de lege bierflesjes in de voorraadschuur, precies een arm lang om het raam. Toen was onze feest afgelopen, de bierkratten werden aan de andere kant opgestapeld. Natuurlijk dronken we wel eens teveel. We hadden dan zoveel medelijden met onszelf dat een kleine reden genoeg was om ons te doen laten huilen. Zo ook die keer met Kerstmis. Frans en ik hadden al een flink aantal van die goudgele rakkers op. Komt de barman met een paar enorme kerstballen binnenlopen. Vlak bij ons gleed een kerstbal uit zijn handen. We keken verschrikt toe. Tot onze verbazing brak de kerstbal niet in duizend stukjes maar stuiterde terug in de handen van de barman. We hadden zoiets nog nooit gezien. Frans en ik keken naar onze flesjes bier en toen naar elkaar, we begonnen spontaan te huilen. Wisten wij veel dat ze die ballen van hard plastic maakten. Toen raakte Frans in paniek. Huilend zakte hij over de barkruk en keek naar de vloer. ‘Bloed’, schreeuwde hij, ‘ik geef bloed op’. Pas na lang aandringen van toegestroomde Nieuw-Schoonebeekers werd Frans zich langzaam ervan bewust dat de bloedvlekken op de vloer eigenlijk verfspatten waren van de laatste opknapbeurt van de bar. Na Ruhma Permuda trokken we naar ‘Oud’ Schoonebeek. Ook daar hadden ze een jeugdsoos. In een oude melkfabriek. Het heette Goeroe en het was er best wel gezellig. Natuurlijk super socialistisch en een beetje veel idealistisch, maar daar hielden we wel van. Een bezoek aan Goeroe duurde nooit lang, dat lag niet aan Goeroe maar meer aan het feit dat we onderhand behoorlijk kachel waren. We moesten terug naar Erica. Dat was nog een hele toer. Tussen Erica en Schoonebeek werd een weg aangelegd die toen alleen nog uit een enorme baan van geel zand bestond. Daar doken we letterlijk met de kop in. Zo’n vijf kilometer door het rulle gele zand, in het donker, op de bromfiets, werd een rit om nooit meer te vergeten. Toen we dan eindelijk op Erica aankwamen waren we niet alleen dodelijk vermoeid maar ook wandelende zandzakken. Noem maar een plek op ons lichaam, geheid dat het vol zat met geel zand. De volgende dag werd je steevast wakker met een flinke kater. Dan had je soms ook nog een klus die je niet voorbij kon laten gaan. Zo had ik Loewe beloofd om de morgen erop mee te gaan om een veulentje te bekijken in Schoonebeek. Komt daar Loewe aanrijden met een LanzBulldog tractor met een kar er achter. Zo’n oude eencilinder tractor bonkte als een schichtige ezel en je werd constant door elkaar geschud. Tegen de tijd dat we bij de boer in Schoonebeek waren had ik inmiddels de kleur aangenomen van de tractor, die was blauwgroen. Even later stonden we daar gedrieën in de wei naar het veulentje te staren. Ondertussen hield de boer een verkooppraatje. Loewe knikte af en toe tevreden. Ik knikte omdat ik misselijk was. Terwijl de boer keuvelde en Loewe knikte draaide ik me om en braakte de gehele maaginhoud in het groene gras. Om mij daarna weer in het gelid te voegen en vrolijk met Loewe mee te knikken. Na het praatje van de boer deed geen van drieën een stap achteruit maar liepen in een kringetje om Tat-Ort. Dat wel natuurlijk. Van de Bromfietsjaren hebben we allemaal mooie herinneringen aan overgehouden. Het viel niet altijd mee om de dag erna het hoofd erbij te houden.

Geschreven door Henk Beukers

Hanenbietersbuurt

Hanenbietersbuurt

We spreken van Erica omstreeks 1920. De Havenstraat zag er toen heel anders uit. Aan beide zijden stond een bomenrij en was de Havenstraat veel smaller. Het verkeer was destijds lichter en langzamer. Gek genoeg proberen ze tegenwoordig hetzelfde effect te bereiken met versmallingen en drempels. Hadden ze de Havenstraat zo gelaten als toen dan hadden we geen denderende vrachtauto´s in het dorp gehad, dan waren er geen rusteloze jakkeraars. Niet elke verandering is verbetering blijkt maar weer. In 1920 was de Havenstraat beduidend minder bewoond. Op de hoek Havenstraat / Veenschapswijk stond het winkeltje van Jans van Os. Het huisje staat er nog en het winkeltje is nog goed herkenbaar. Havenstraat2Iedereen op Erica kende Jans van Os als Beelden Jans omdat hij in het winkeltje ook beelden verkocht. Later toen hij last kreeg van reumatiek kenden ze hem op Erica beter als Stieve Jans. Naast Beelden Jans stond een heel oud klein huisje. Aanvankelijk woonde daar Beelden Jans in tot zijn winkeltje klaar was. De bedoeling was om dan het huisje af te breken. In plaats daarvan ging hij het huisje verhuren. Zo kwam daar Marie van tante Kneele te wonen. Marie was pas getrouwd met een van Roewe. Het huisje was nog kleiner als die van Herman en Meta. Naast een beddenstee was er verder nauwelijks ruimte voor een paar meubeltjes. Tegenover het kerkhof woonde Wever. Die was jager en schoot in het veld op alles wat bewoog en op alles wat niet bewoog. De hagel uit zijn jachtgeweer rinkelde wel eens van onze dakpannen. Zo’n honderd meter naar achteren stonden een vijftal woningen. In het huisje waar later Willem Wessel zijn woning bouwde woonde Oleid met haar zere ‘huppe’. Nog verder naar achteren naast het vijftal huisjes woonde Titus Willem de Vries waar later Gustin kwam te wonen. Op de plek van Grote Minne Beukers woonde toen een Mazenier. Naast het pad die naar de huisjes achteruit liep woonde toen Middendorp waar later groenteboer Arling woonde en nog later Hanenberg met Iene Ooge. Naast het kerkhof aan de noordkant stond het huis van Oude Jans van Os. Naast Oude Jans stond een dubbele woning waar later Hofstede kwam te wonen. Aan de kant van Oude Jans woonde Jan Beuker, in de andere helft woonde Grote Gradus de Vries. Een geliefde bezigheid in die tijd was de volgende zin in een snel tempo opdreunen: ‘Grote Gradus graaft grote gruppen, grote gruppen graaft Grote Gradus’. Niet alles aan Grote Gradus was Gradus. Grote Gradus had namelijk een houten voet. Titus Willem de Vries achter in het veld moest oom zeggen tegen Grote (Titus) Gradus. Een tante van mij is ook naar Grote Gradus vernoemd: tante Thea (Titia). Grote Gradus de Vries was getrouwd met een Boersma uit Friesland. Dat maakt dat Grote Gradus ook familie van mij is. Mijn overgrootmoeder van Pa’s moeder kant was ook een Boersma. Namelijk een zus die later Katholiek is geworden en was getrouwd met Christaan Wilhelmus Sets.. Pa kan zich nog wel herinneren dat vroeger in huis soms Fries werd gesproken. Grote Gradus zijn vrouw was chauvinistisch zoals Friezen nu eenmaal kunnen zijn. Op haar sterfbed vlak voordat ze haar laatste adem uitblies sprak ze haar laatste woorden: ‘Fryslân boppe’. Wat zoiets betekende als Friesland boven. Bekend was toen de zin: ‘Fryslân boppe en Grins yn’e groppe’. Frieland boven en Groningen in de gruppe. Hoezo chauvinistisch? Schuin tegenover Grote Gradus woonde Koop de Vries. Dezelfde achternamen maar geen familie van elkaar. Koop was wel familie van slager de Vries op Erica. Later droeg een grote winkel zelfs zijn naam. Koop woonde in een oud huisje tussen waar later Hanenberg en Stuurwold woonden. Verder was de Havenstraat ‘roege veld’. Overal velden waar turven lagen te drogen. Hoewel turf in overvloed waren de mensen toen niet te beroerd om een turfje achterover te drukken. Wanneer bij mensen turf werd afgeleverd kwam het nog wel eens voor dat enkele turven van de kar vielen. Zulke turven werden dan door anderen achter een boom gelegd en later opgehaald. Ook kwam het voor dat van het veld droge turven ‘zomaar’ waren verdwenen. De hoeveelheid verdwenen turf was vaak precies de hoeveelheid wat op een kruiwagen paste. Uiteraard bleven toen conflicten niet uit. Achter de dubbele woning van Grote Gradus liep een pad naar achteren, hieraan stond een oude keet waar Gradus ooit woonde. Later woonde daar Koba van Tellingen, toentertijd op Erica beter bekend als Koba Smeer. Om het huis van Koba Smeer zag je behalve haar schreeuwende kinderen vooral veel veld. Op het veld lagen veel turven te drogen. Ook achter Koop de Vries liep een pad naar achteren waar later Schnieders kwam te wonen. Ook hier enorm veel drogende turven op het veld. Grote Gradus en Koop de Vries hadden een belangrijke overeenkomst. Hun bezigheid. Ze hadden altijd ruzie, en wel met elkaar. Maar er waren meer overeenkomsten tussen die twee. Beide hadden soms moeite met Mijn en Dijn, dan liep er weer een in de schemer met een kruiwagen over het veld te zeulen. Om zich dan snel uit de voeten te maken, inclusief een houten. Bij beide brandde die avond de kachel op droge turf. Over branden gesproken, beide karakters waren voorzien van een kort lontje. Edoch, het meest pikante overeenkomst tussen die twee lag in het feit dat ze beide in bezit waren van een jachtgeweer. En zo kwam het voor dat Grote Gradus op een mooie zomernamiddag door de geopende vensters bij Koop de Vries de porseleinen kopjes van de eettafel schoot. Overeenkomstig het korte lontje van Koop de Vries liet een gepaste antwoord niet lang op zich wachten. Op Erica was toen het conflict tussen die haantjes het gesprek van de dag. Het liet niet lang op zich wachten voordat de bevolking van Erica een gepaste naam voor de buurt had verzonnen. Sindsdien staat dat gedeelte van de Havenstraat bekend als de Hanenbietersbuurt. Toen ik als achttienjarige een vakantiekaart kreeg van mijn toenmalige vriendin had zij mijn adres vergeten. Toch schoot haar iets te binnen van een verhaal wat ik haar ooit vertelde en hoe mijn buurt aan de naam was gekomen. Zelfs de naam van de buurt was ze vergeten. Ze adresseerde de kaart met Beukers in de Hanenpikbuurt. De kaart kwam aan! Van alle Ericanen was er maar eentje die de post feilloos op de plaats van bestemming kreeg: postbode Hemel. Hij kon zich de naam van de buurt nog herinneren: Hanenbietersbuurt.

Geschreven door Henk Beukers

Erica 150 jaar

Er is weinig bekend van het jubileumfeest toen Erica 75 jaar bestond. Zo´n 20 poorten over de straten versierden het dorp. Met die enorme vrachtauto´s  zou dat tegenwoordig niet meer kunnen. Zo´n poort werd opgebouwd uit houten steigerpalen. Hierom werd kippengaas gewikkeld. In het kippengaas werd heide gestoken. Nadat de poort volledig was bedekt met heide werden de bewoners gevraagd bloemen ter beschikking te stellen. In de heide werden vervolgens de verzamelde bloemen gestoken. Van de poort bij de T-splitsing Kerkweg-Verlengde Vaart is bekend dat van stukken panlatten de cijfers 75 waren gemaakt.  Ook een optocht ontbrak niet. In die tijd was het gebruikelijk dat het feest door herauten te paard met een hoorn werd aangekondigd. De optocht begon met boeren te paard. De paarden waren versierd. Hierna volgden de fietsen. In de spaken werd gekleurd papier gestoken. Hierna volgden de versierde karren. Hierbij werd hoofdzakelijk heide als thema gekozen. Per slot van rekening was het dorp hieruit onttrokken en had het hiervan haar naam te danken. Het was natuurlijk ook het materiaal wat het meest voor handen lag. Veel en goedkoop, de beurs was in die dagen aanmerkelijk kleiner dan die van tegenwoordig. Kenmerkend van vrijwel alle karren in de optocht van 2013 was dat heide of veen niet meer als thema werd gekozen. Veen is niet meer het enige aspect dat de geschiedenis van Erica bepaald. Ook de zuid-oost hoek van Drenthe heeft een periode van ontwikkeling en industrialisatie doorgemaakt en maakt dit nog steeds door. Toch mogen we niet vergeten dat we turf hebben gegeten, dat we veen in onze bloed hebben. Van menigeen kon men in 1939 zeggen dat hij de ontginning van veen als nering had en dit logischerwijs als thema koos voor een jubileumfeest. Het zijn in 2013 de kunstwerken Kanaalgravers maar vooral Duizend Scheppen Schiepen die ons hieraan doen herinneren.

Geschreven door Henk Beukers

Bomen op Erica

Bomen op Erica

Wat was de Kerkweg vroeger toch een mooie bomenrijke straat. Aan beide zijden van de straat stonden grote eikenbomen. Je reed als het ware door een groene tunnel. Fietsers die naar Emmen gingen werden steevast getooid met de slagschaduwen van de zon uit het groene bladerdek. Ook bij diverse huizen aan de Kerkweg stonden honderdjarige eiken. Die dubbele rij bomen begon bij bakkerij Kolker en liep door tot aan de splitsing met de Havenstraat. De bomen werden alsmaar groter en de schaduw van het bladerdek  bereikten de nabijgelegen huizen. De mensen wilden om begrijpelijke redenen meer licht in huis. In een paar weken was het gebeurd. De Kerkweg werd afgezet en de houthakkers kwamen. Aan de gehele westkant van de Kerkweg werden de bomen gekapt. Honderden bomen. De mensen hadden eindelijk meer licht bij huis. Maar de Kerkweg stond in zijn blote kont. Alsof dit niet genoeg was kwam de Voorzienigheid ook nog een handje helpen. Op 13 november 1972 werd Nederland getroffen door een storm, de Novemberstorm. Ons huis stond toen nog op de vlakte, we kregen de volle laag. De glazen kas met planten verdween in een seconde tijd door een enorme windstoot. Een wolk glassplinters verdween in een kakofonie van stormgeluiden. Ik vroeg aan Pa die de kas nakeek of hij het erg vond. ´Ik kon d´r moeilijk met de pet veurstaon´, was zijn nuchtere antwoord. We keken naar buiten en zagen iets merkwaardigs. De garagedeur van de buren was door de storm losgerukt en werd gek genoeg overeind gehouden door de wind. Als een houten Klaas liep de deur richting Havenstraat. Bij de weiland voor ons huis stapte de deur als het ware over het prikkeldraad, om vervolgens in het gras neer te ploffen.  Ma riep, ´Gottegot, d´r lup ok nog iene buut´n´. Ze keek eens beter. ´Verrek, het is onze Wim´. Wim trotseerde de storm en wapperde in de wind. Tegen mogelijk vallende dakpannen had hij zich getorst met een valhelm. Af en toe werd de valhelm met Wim een paar meter opzij geblazen. Tot Pa het jong weer naar binnen sleepte. Aan de Havenstraat zagen we de bomen op het openbare kerkhof vervaarlijk heen en weer zwiepen. Het duurde niet lang of ze vielen om als dominostenen. Het Kerkenbos onderging hetzelfde lot. Het kerkenbos zoals wij die kenden was niet meer. Het bos met zijn wandelpaden en enorme beuken en eiken was een slagveld. Soms had de stam van zo´n woudreus het halve pad in zijn val meegenomen of zelfs meerdere bomen. Soms hingen de bomen laveloos tegen een andere bomen. Het bos was onbegaanbaar door de vele takken en gebladerte. Onze bos met zoveel mooie herinneringen was door de storm vernietigd. Het was een ramp. Wekenlang jankten de kettingzagen en werd op een boom niet gekeken. Sindsdien zijn veel bomen op Erica verdwenen. Typisch hierbij is dat op de plek waar de boom ooit stond geen nieuwe boom werd geplant. Eigen belang ging voor het gemeenschappelijk belang. Dan werd zo´n monumentale boom toch als lastig gezien. Ondanks dat de boom er veel langer stond dan het huis. Had het huis dan niet gekocht zou je dan zeggen. Zo werd aan de Kerklaan geprobeerd met opzet een boom te laten afsterven. Een circulaire snede in een grote eik is daar nog  een stille getuige van. De dader stond er om bekend en kreeg zijn straf. Bij de Katholieke lagere school moesten eerst parkeerplaatsen komen, later werden naast de school nieuwe huizen gebouwd. Dat ging vaak ten koste van enkele enorme monumentale bomen. Een paar jaar geleden sneuvelden aan de Kerklaan nog een paar bomen door een enorme windstoot. Ook hier werd geen enkele boom vervangen door een nieuwe. De mooiste straat van Erica wordt steeds minder lommerrijk. Dat zal ongetwijfeld weer gevolgen hebben voor de huizenprijzen. De Kerklaan gaat steeds meer lijken op de Ericaase Markt, hier en daar een kraam. Vergeleken met de bomen aan de Kerklaan heeft de Havenstraat lang niet zoveel schade opgelopen, bij lange niet. Maar aan de Havenstraat moesten wel zo´n stuk of tien eikenbomen op het openbare kerkhof er aan geloven. Een paar dagen gejank van kettingzagen en het was gebeurd. Wat maar weinigen weten, de Havenstraat was ooit aan beide zijden voorzien van een bomenrij. Dit gold ook voor de Ericaase straat richting Zuidbarge. In 1955 werd de Havenstraat verbreed. De aanwonenden waren niet alleen hun tuin kwijt, aan de oostzijde van de Havenstraat werden alle eikenbomen omgekapt. Een heuse karaktermoord op een dorp. Een ‘deskundige’ beoordeelde dat alle bomen aan de oostzijde van de Ericaase straat ziek waren. Die werden ook allemaal gekapt. Gemeente Emmen gaat de Rotterdam van Drenthe worden. Alles groot en nieuw, oude gebouwen maar ook de oude bomen moesten verdwijnen. De bomen met een stamomtrek van een meter worden vervangen door bomen met een omtrek van 15 centimeter. Na 10 a 15 jaar wordt ook deze weer omgelegd. Waar blijft dat hout eigenlijk? Een zakje brandhout bij Garage Grooten in Emmen kost 3 euro. Met al het gesnoeide hout in Gemeente Emmen gaat het dus om enorme bedragen. Dan rijst de vraag wie het snoeibeleid in de Gemeente bepaald: de deskundige of de boekhouder. Het openbare kerkhof op Erica is omzoomd met een prachtige honderdjarige beukenheg die door hoveniers decenia lang liefdevol werd onderhouden. Zelfs mijn vader had zestig jaar geleden hieraan meegeholpen. Maar het onderhoud was te duur. Van de Gemeente moest er een grote tractor komen met een enorme hydraulisch snoeigevaarte. Zet op z´n monster een goedkope puber en de gevolgen laten zich raden. De antieke haag was in notime naar de bliksem geholpen. Niemand zegt wat, niemand doet wat. ´Goedkoop met behoud van kwaliteit´, horen we de Gemeente dan zeggen. Het eerste woord heeft de nadruk en de rest gelooft geen mens. Voor in het kerkenbos stonden sinds jaar en dag twee enorme beuken als vertrouwde wachters beuken te wezen. Wanneer je ´s avonds het bos uitliep zag je als laatste de beuken met op de achtergrond de kerk. In de schors van een der beuken stonden onze namen gekerfd in de jeugdtijd. Vlakbij in de voormalige kippenhok van de pastoor hadden de welpen hun onderkomen. Als tienjarige welp heb ik daar prachtige momenten beleeft. De opkomst begon onder de enorme kroon van de beuk waarbij de Akela riep om haar welpen. In het dichte bladerdek van de beuken waar we ooit boer Vennedunker voor rooie hadden uitgemaakt en bijna uit de beuk waren gevallen van het lachen. De beuk waar neef Harry ooit was uit geflikkerd en als toegift de tak op zijn kop kreeg. De twee beuken, ze zijn verdwenen, samen met de appelbomen van Mariechie, de bomen tegenover de vroegere Boerenleenbank, de bomen langs de akkers achter ons huis. Het kerkenbos zal het zonder zijn wachters moeten doen. Want net als bij de rest zullen ook hier geen nieuwe bomen worden aangeplant. Erica is straks overzichtelijk, op een stoel. Van alle bomen op Erica zijn zo´n 150 eeuwelingen verdwenen. Het dorp Erica bestaat 150 jaar, dat is voor elk jaar een boom.

Geschreven door Henk Beukers

Winkelweek op Erica

Winkelweek op Erica

Wat waren we in September opgewonden als op Erica de winkelweek begon. We waren bijna niet meer stil te krijgen. Eindelijk verlieten we ons huis. Inmiddels was het pikdonker. Heel in de verte kon je het geluid horen van de kermis. Jawel, Erica had een heuse kermis. Met een draaimolen, oliebollenkraam, haringtent en natuurlijk de botsautootjes en een zweefmolen. We werden gek. Pa en Ma zochten voorzichtig een weg op het sintelpad naar de Havenstraat. In het donker kon je makkelijk je voet verzwikken op een onwillige sintel. Ondertussen renden we als jonge honden om hen heen en genoten we van de heldere sterren aan het firmament. In die tijd was er nog geen lichtvervuiling. Eindelijk bereikten we de Havenstraat. Op een seintje van Pa mochten we de straat oversteken. Een kilometer verderop zagen we de brug van Erica. Met grote ogen keken we in de verte. Als je goed keek zag je gekleurde lampen. Om vervolgens bij de kraag gegrepen te worden door Pa. We zouden zomaar als dolle honden vooruit rennen. We bereikten de Kerklaan. In de winkel van Geraets brandde geen licht meer. De gekleurde lampen kwamen echter steeds dichterbij. Met de lampen ook het geluid van de kermis. Bij de Aral benzinepomp van Heyne op de hoek van de Duikerstraat werd de kermis al bijna oorverdovend. Wauw, wat een licht. Overal stonden palen met gekleurde lampen, het leek wel kerstmis. Bij kapper Görtz kregen we de eerste schrik te pakken. Op een kar stond een levensgrote olifant in een nis geparkeerd. We kropen bijna in de broekzak van Pa. Grote goedheid, waar kwam zo´n groot beest zo snel vandaan? Snel liepen we door. Bij de Boerenleenbank kon je de drukte van al die mensen goed zien. De meesten liepen naar de brug. Daar was de Ericaase markt, links en rechts van de straat aan de zuidzijde van het kanaal. Er was er zo druk, je kon over de koppen heen lopen. Overal mensen, overal licht, overal lawaai, we keken onze ogen uit. Pa en Ma hadden moeite het gezin bij elkaar te houden in de krioelende drukte. In Joop Huizing zijn kraam stond een grote pan heet water. In het dampende water dreven tientallen rookworsten. Joop viste af en toe een rookworst uit de pan, deze werd op een snijplank gelegd. Een scherpe mes en een vaardige hand deed de rest. Even later belandde een halve rookworst in een puntzak. Mosterd erbij? Joop verkocht ze aan de lopende band. Pa vroeg aan mij of ik een halve rookworst lustte. De hemel brak open en het engelengeschal overtrof het lawaai van al die mensen. Ik was gek op rookworst. Even later liep een tienjarig glunderende ik met een puntzak rookworst. Geen mosterd erbij, alleen de rookworst proeven. Wat heb ik genoten. Langzaam schuifelden we langs de diverse kramen. Bij garage Luth stond een motor met een zijspan. Harly Davidson stond op de tank. Het was een rode motor met veel chroom. Eigenaardig, de versnellingspook zat rechts van de benzinetank. Nog eigenaardiger, er zat een achteruitversnelling op. Te koop voor 500 gulden. Die Luth kon zijn verstand wel niet hebben. Die motor werd die avond natuurlijk niet verkocht. Naast de motor stonden een paar reusachtige honden. Gooi er een zadel op en je kon ermee wegrijden. Het bleken Sint-bernardshonden. Met grote ogen hebben we die beesten een tijd bekeken. Dat was wel wat anders dan onze Lexie. We liepen terug naar de brug, staken de Pannenkoekendijk over en liepen richting de trambrug. Ook hier stonden langs het kanaal allerlei kramen. Het eindigde in een oliebollenkraam waar enkele lieden met luide stem hun waar aan de man brachten. Terug naar de brug, het centrum van al die drukte. Joop stond daar nog steeds worst te snijden. We gingen naar de kermis gelegen naast de Raiffeisenbank. Daar stonden toen nog geen huizen. Voor de ingang van de kermis stond een viskar. Van Pa en Ma mochten we een vissie eten. Tjongejonge, dat was wel iets anders dan een eetlepel levertraan, we konden onze geluk niet op. Wat was dat toch een mooie tijd, de winkelweek van Erica. Ik koos een zure haring. Op een stuk wit papier werd me een zure haring aangereikt. Een joekel. Leek wel een walvis. De haring smaakte verrekte goed. We liepen het kermisterrein op. Een kakofonie aan geluiden. De ene kraam overtrof de andere in volume van muziek. Af en toe schreeuwde een kraameigenaar enthousiast in de microfoon. Iemand had een prijs gewonnen. Even later zag je een glunderende man met een geel pluchen beer in de hand. We liepen verder het kermisterrein op. Overal flitsende lichten en overal harde muziek. Vol ontzag keken we naar de zweefmolen. Je zag allemaal draaiende schilderijen en rijen lampen. Aan kabels hingen stoeltjes met mensen. Daartussen liep een man die af en toe een stoel tegen hield, vaak met een leuk meisje. Wanneer de man de stoel losliet lanceerde de stoel met het meisje de duisternis in. Een wegstervende gil naar boven begeleidde deze. Gelukkig kwam achter de draaimolen het meisje weer terug uit de duisternis en zoefde het stoeltje terug in mans handen. De handeling herhaalde zich. Als schotels zulke grote ogen keken we naar het schouwspel. Voor geen goud kregen ze ons in die stoelen. We naderden de botsautootjes. Dat leek ons wel leuk. Zomaar met een autootje rondrijden. We begonnen tegen Pa en Ma aan te zeuren. Daar moest je op tijd mee beginnen anders duurde het alleen maar langer. Na lang genoeg te hebben gejengeld mochten we van Pa en Ma een keertje in de autootjes. Ella, mijn jongste zus, mocht ook mee. Ma riep naar Jos, “houl heur maar ‘n bietie vast”. Ella zat trots naast Jos. Jos hield Ella een beetje vast. Muntje in het gleufje, de pedaal ingetrapt. We wachten op het moment dat de autootjes in beweging kwamen. We stonden er niet bij stil dat het botsautootjes waren. Met nadruk op bots. Jos was nog geen drie meter weg of hij werd frontaal geraakt door een tegenligger. Het lachende vrolijke blonde meisjesgezicht van Ella kwakte hierbij vol op de dashboard van de botsauto. Tussen de botsautootjes beende een moeder naar de plek des onheils. Ella had een fikse snijwond aan de kin en bloedde vol overgave. Ella loeide boven het kermismuziek uit. Daar toog de familie Beukers van de kermis. In hun midden  een meisje met een zakdoek tegen haar kin. Hup, naar dokter Huisman. Ma plukte de overige kroost weg van de oliebollenkraam. Aan het gezicht van Ma hadden we door dat jengelen op dit moment geen zin had. Allemaal de schuld van Ella. De familie Beukers werd bij dokter Huisman ontvangen. Niet veel later liep de familie Beukers terug langs de Havenstraat naar huis. Langzaam doofden de lampjes in de verte, langzaam stierf het geluid weg. De sterren aan de hemel kregen weer de overhand. Voor ons liep Ella, haar kin versiert met een grote pleister. Het was weer een jaar wachten op de mooiste winkelweek van de wereld.

Geschreven door Henk Beukers

‘t Keldertje Erica

‘t Keldertje Erica

In de jaren zeventig en tachtig hadden we op Erica een heuse discotheek. In het parochiehuis van de Katholieke Kerk, het Gebouw genaamd. Joop, een achterneef, was de beheerder van het Gebouw. Joop vond het goed om achter het toneel een dansgelegenheid te creëren. Het werd Koitiana. Gerund door vrijwilligers die waarschijnlijk een leuk zakcentje eraan over hielden. Natuurlijk deed Joop het ook niet voor niets. Het werd een heuse dancing met snoeiharde popmuziek in een donkere omgeving. Het werd een groot succes. D’r waren momenten dat je over de koppen kon lopen. Bier kwam niet uit de tap maar werd per flesje verkocht. Roken was in die tijd heel normaal. Iedereen pafte erop los, op gegeven ogenblik was het in het zaaltje mistig van de rook. Zo´n gelegenheid trok veel volk aan. Vanaf het toneel kon je zo de grote zaal inlopen. Daar stond de bar van Joop. Niet alleen tapbier was daar verkrijgbaar, Joop runde ook een snackbar. Sinds Koitiana deed Joop daar goede zaken. Soms moest je lang op je beurt wachten voor een frikandel, zo stervensdruk was het daar. Alsof Joop het nog niet druk genoeg had, bestelde mijn toenmalige kameraad Herman 5 frikandellen. Alleen niet in 1 keer. Telkens wanneer Joop hem een frikandel voorzette bromde Herman, ´Wo´j d´r nog iene in gooi´n Joop’? Bij de vijfde frikandel hief Joop radeloos zijn armen in de lucht, ‘Blief ie zo deurgaon’? Joop had namelijk nog veel meer te doen, vooral biertappen voor zo’n dertig dorstige kelen. Joop’s prijzenlijst was zo’n zwart plastic bord met gleuven met daarin witte schuifletters. Trots hing het aan de muur bij de ingang. Je kon de cijfers en letters zo uit de gleuven schuiven. Traditiegetrouw werd de prijzenlijst door de gasten aangepast op eigen budgettair niveau. Bovendien werd van ½ KIP altijd een ½ PIK gemaakt. Vonden we leuk. Elk daaropvolgend weekend had Joop zijn bord weer keurig herstelt zodat wij weer ‘origineel’ konden doen. In de discotheek werd geheimzinnig gepraat over iets nieuws. Marihuana , een verdovend goedje. Marihuana was al gemeengoed bij Tim Pan Ally in Emmen of bij Paralaxis in Coevorden. Daar werd je van de lucht bij de ingang al high. Ja hoor, op Erica hadden we `ervaren´ marihuanarokers. Tot ik tegen een paar vriendinnen zei dat ik aan marihuana kon komen. Als je hierbij geheimzinnig keek en met je ogen loenste werd je subiet geloofd. Volgende week zou ik genoeg meebrengen. De prijs? Het was voor niets. Die week erop ging ik naar het kerkenbos. Ik verzamelde een zak droge eikenbladeren. De bladeren werden verkruimeld. Het volgende weekend klampten de ‘deskundige’ vriendinnen aan me vast. Met gretige ogen keken ze in mijn geheimzinnige gezicht. Ze fluisterden vragend of ik marihuana bij me had. Natuurlijk had ik dat. Ik zei erbij dat ze de marihuana door de tabak moesten draaien en daar een torpedovormige sjekkie van moesten draaien. Ze trokken hun neus op, dat wisten zij als ervaren gebruikers immers al lang. Niet veel later stamelde een vriendin dat ze al iets voelde terwijl ze de rook diep inhaleerde en vervolgens uitblies. De ruimte vulde zich met de geur van openhaard. Tegen de tijd dat ik lachend uitlegde dat ze eikenbladeren zaten te roken had ik twee vriendinnen minder. Wat ook leuk was in de discotheek was een pijp roken. Nou ja roken, je stak een pijp met tabak aan en blies dan krachtig in de kop van de pijp. Uit het mondstuk spoot een dikke walm rook. Binnen een paar minuten zette je de dansvloer in een dikke mist. Degenen die verkering hadden zaten mekaar ongegeneerd af te lebberen langs de dansvloer. Degenen die geen verkering hadden keken toe. Zoals gezegd liep Joops tent als een tiet. Dat trok verkeerde volk aan. Toen had je ook mensen die niet voor het plezier uit gingen maar om herrie te schoppen. Daar moest Joop niets van hebben. Joop was een zachtaardige man en niet groot gebouwd. Om indruk te maken liet hij zijn baard groeien. Het mocht niet baten. De ruziemakers kwamen in die tijd uit Weiteveen, een dorp verderop. In hun uppie waren het prima lui, in een grotere groep werd het geheid ruzie. Menigmaal moest de politie er aan te pas komen om de gemoederen tot bedaren te brengen. Het waren voor Joop tropenjaren, zijn baard werd wit. Natuurlijk waren het niet alleen de Weiteveners die herrie zaten te schoppen. De Ericanen deden enthousiast mee. In de discotheek verschenen periodiek volwassen mannen om de zaak in de gaten te houden. De rust keerde enigszins terug. Voor mij en mijn vriendenclub was het te laat. We trokken steeds vaker met de bromfiets erop uit naar andere dorpen. De wens om een eigen honk te hebben werd sterker. Samen met Herman Roling en nog een paar anderen kwamen we op het idee om een discotheek te openen in het Emaculata-gebouwtje, schuin tegenover het Gebouw. We schrijven pakweg 1975. Bier voor de helft van de prijs wat Koitiana berekende. Reactionair als we waren, dat zal ze leren. We werden opstandig op Erica, pikten bij de Lagere School het voetbalveld in. Werden er even vlot weer af gestuurd. We trokken aandacht. De jeugd, wij dus, wilden een eigen onderkomen op Erica. We bleven recalcitrant en dreven de lui van discotheek Koitiana vaak tot wanhoop. Op een avond belden we aan de deur van de pastoor, of het Emaculatagebouw vrij was. De goede man kon ons niet verder helpen. We kregen hulp van onverwachtse hoek. Een van de lui van Koitiana, Paul Ahlers, had een oudere broer. Een alternatief type met een baard en geitenwollen sokken. Het was deze man die ons in contact bracht met Cees van der Stel. Cees was jongerenwerker in het Schienvat. In ieder geval had ie ook een baard. Cees begreep iedereen, hij zocht naar een oplossing toen we samen op een avond met lieden van Koitiana naar een oplossing zochten. ‘t Schienvat had nog een ruimte, een kelder onder het toneel. De ruimte werd toen door een kleuterclub gebruikt. Volgens Cees was inschikken mogelijk. Dezelfde avond werd gezamenlijk de ruimte bekeken. Ahlers, de baard, reageerde enthousiast. Eigenlijk alle lui van Koitiana. Waarschijnlijk blij van ons af te zijn. Belangrijk was dat wij, de reactionairen, het ook zagen zitten. Vanaf dat moment hadden wij, een hele club inmiddels, een nieuw onderkomen. ‘t Keldertje’, bedacht door Baard Ahlers. Cees van der Stel nam ons mee in zijn linkse wereld. We werden het linkse geweten van Erica en verbeterden en passant ook nog de wereld. Door Cees werden we politiek bewust, lees links. Links was goed, rechts was helemaal verkeerd. Natuurlijk moest alles democratisch geregeld worden. Cees verdeelde ons in werkgroepen, werkgroep muziek, werkgroep inrichting, werkgroep krant, werkgroep bar enz. Al die werkgroepen moesten natuurlijk vergaderen. Om tenslotte te eindigen in een gezamenlijke vergadering. Cees leerde ons vergaderen tot de vonken eraf sprongen. Ondertussen hield ie ons van de straat, zijn kerntaak. Cees vergaderde ons zogezegd van de straat, maar we hadden het naar onze zin. Cees liet soms de touwtjes wat lossser, we mochten onze centjes zelf ergens aan besteden. De kelder was inmiddels omgebouwd tot een bar. Ik had op de zwarte wand allemaal gekleurde ballen geschilderd. Sommigen beweerden er sneller ‘high’ van te worden. Bij de lokale tweedehands meubelzaak hadden we luie bankstellen gekocht en daarmee de kelder gevuld. Op het gebied van brandveiligheid werden zo’n beetje alle regels overtreden. De eerste avond was een regelrechte succes. Een prachtige tijd brak aan. Eens per jaar mochten we een feest organiseren. Dan kwam in het Schienvat een band live spelen. De winst van zo’n avond werd gedeeld. Wij verdienden zo een aardig centje. Van Cees kregen we een boekwerk met muziekbandjes en telefoonnummers. De muziekband die we kozen was een uit de Achterhoek en heette ‘Normaal’. Ze speelden zoals zovelen Rock and Roll. Deze speelde in onze eigen taal, het werd boerenrock genoemd. Volgens contract kwamen ze 6 weken later bij ons spelen. In tussentijd werden ze Nummer 1 op Toppop! Met het liedje ‘Oerend Hard’. Te gek, menig Ericaan kwam die avond niet opdagen omdat ze dachten dat wij de boel voor de gek hielden. Het werd een geweldige avond, we mochten nadien met Bennie Joling en consorten een pilsje drinken. In het Schienvat werden we volwassen. Vooral onze (linkse) politieke bewustwording deed ons wereldbeeld milder stemmen. Het was Cees die ons daarvan bewust had gemaakt, waarvoor hulde!

Geschreven door Henk Beukers.

Welpen

Welpen

Mijn eerste welpenopkomst was achter het parochiehuis aan de Kerklaan. Het parochiehuis werd ook wel Het Gebouw genoemd. Aan de achterkant liep een stenen trap omhoog naar de bovenverdieping. Daar hadden we de opkomsten. Mij was verteld dat elke welpengroep uit een nest bestond. Ik was dan ook een beetje teleurgesteld dat ik daar geen grote vogelnesten vond. Een nest was een groep en had een kleur. Zo had je het rode nest of witte. Ik kwam in het witte nest. Eerst als gewone lid, later als helper, nog later als gids. De helper had een witte streep om de mouw, de gids twee. Achter Het Gebouw was een stukje ‘roege’ veld. Hier stond wekelijks de Akela yip yip yip te roepen. De hoofdwolf riep zijn jonge wolven, de welpen. We gingen er helemaal voor en ik vond het fantastisch. Mijn eerste welpenkamp was tevens de spannendste. We gingen naar Geeste in Duitsland. Ik was nog nooit in Duitsland geweest en ik verwachtte dat daar alles anders was dan hier. We verzamelden voor de kerk. De leidsters zaten rustig een sigaret te roken en af en toe telden ze de welpen. Wij als welpen daarentegen waren opgewonden en hadden als taak  de leidsters zoveel mogelijk voor de voeten te lopen. Eindelijk werden de fietsen in een dubbele rij gezet en togen we op pad. Ouders? Die waren er niet. Afscheid was thuis al genomen, je kon niet aan de gang blijven. Hetzelfde zag je in die tijd bij de kleuter- en lagere school. Daar waren geen ouders die hun kroost opwachtten of afscheid van hen namen. De kinderen kwamen lopend van huis. Of met de fiets. Zoals de kinderen van de kanaallinie, de Strengdijk, Ensingwijk of Kommerhoek. Die gingen alleen. Zo ook de welpen. We werden niet uitgezwaaid ofzo. We reden Erica uit en fietsten richting Schoonebeek. Nou dat was voor ons al zo’n beetje het einde van de wereld. Na Schoonebeek kwam de grensovergang. Vol ontzag stonden we naar de douaniers te kijken. Sommigen spraken Nederlands, anderen hadden een ander uniform en spraken Duits. Mijn vriend Bennie kon ook Duits. Vol overgave riep hij,  ’Du hast ein vogel im kopf’. Wauw. We leerden het zinnetje net zo lang tot we het uit onze hoofden konden. Het gevolg ried zich raden. Bij elke Duitser die we zagen klonk het in koor dat hij niet goed bij zijn hoofd was. Want dat is wat we in werkelijkheid riepen. Wisten wij veel. Gelukkig was ons Duits onverstaanbaar voor de Duitsers. In Duitsland keken we met grote ogen om ons heen. We waren in het buitenland, wauw. We zochten naar de verschillen met Nederland en wezen daar met oeoeoe en aaaa naar. Eigenlijk waren er niet zoveel verschillen. Wat me vooral bijgebleven is waren de elektriciteitsgebouwtjes. Dat waren vierkante torentjes, vaak wit van kleur. Dat zagen we in Nederland niet. De Duitse huizen waren vaak rood van kleur, ook de dakpannen. Ze zagen er een beetje armoedig uit. De mensen waren ook een beetje anders gekleed. De kleding was hoofdzakelijk zwart. En zondags hadden ze een kerkboek onder de arm. Maar de Duitsers waren bovenal erg vriendelijk en behulpzaam. In Geeste kwamen we in een grote boerderij. De stal was leeg en er lag vers stro op de bodem. Daar rolden we onze slaapzakken uit. Nou ja slaapzakken, het waren dekens die met grote spelden aan elkaar zaten. Dat werkte goed. De echte slaapzakken kwamen pas later. We gingen direct op verkenningstocht. Al bij de eerste deur kregen we de schrik van ons leven. Een van ons sloeg de deur open en alle welpengezichtjes gingen langzaam omhoog en trokken wit weg. Voor ons keek een gigantische stier op ons neer. In de neus zat een ijzeren ring die met kettingen aan de zijmuren waren bevestigd. De stier krabde een keer met zijn voorpoot en brieste door de neus. Deze korte indruk etste diep in onze geheugen. De deur ging met een klap weer dicht. Allen hadden een paar minuten tijd nodig om bij te komen van de schrik. Gelukkig hielden we het allen droog, hoewel het niet veel scheelde. Met knikkende knieën gingen we verder op verkenning. Schaamteloos adviseerden tegemoetkomende welpjes om vooral een keer achter die deur te kijken. Die week was er een druk programma, naast de dagelijkse spellen hadden we een krant die dagelijks uitkwam. We hadden een natuurhistorisch museum die dagelijks werd aangevuld met vondsten. Achter de boerderij lagen woeste gronden met heuvels en struiken. Aan de achterzijde werden deze begrensd door een rivier. Het was de perfecte plek voor de leidsters om het junglespel van Mowgli te spelen. We moesten dan een bepaalde route door het veld lopen en daar allerlei opdrachtjes uitvoeren voor Akela, Bagheera en Baloe. De vindingrijkheid van de leidsters was geniaal. Zo kregen we ranja uit de bek van een gemene slang. De stroom ranja leek wel onbeperkt. Hoe deden ze dat toch? De slang was in feite een lange tuinslang. Die liep verborgen in het hoge gras de heuvel op. Helemaal bovenop de heuvel stond een grote jerrycan. Door het hoogteverschil ontstond een drukverschil, we hadden beneden een dikke straal ranja. D’r moest natuurlijk ook gegeten worden. Voor zo’n dertigtal jongens van acht tot twaalf jaar. We hadden daarvoor een eigen kok meegenomen, ze heette Kokkie. Kokkie was tante Dinie, onze buurvrouw. De nieuwe aardappels mochten we rooien uit de tuin van de boer en werden verzameld in stalen manden. Op de terugweg werd flink geschud met de manden waardoor de velletjes van de nieuwe aardappels afgingen. Vindingrijk nietwaar? Kokkie hoefde de aardappels bijna niet te krabben. Dezelfde vindingrijkheid werd toegepast bij de toiletgang. De leidsters lieten ons ‘s nachts heus niet naar buiten gaan. Het grote voordeel was dat in die tijd de welpen uit jongens bestonden. In de stal werd een zinken wasteil geplaatst en ieder welp kon daar ‘s nachts naar hartenlust in plassen. Verdere zomerkampen van de welpen hebben we gehad in Mariënberg. Daar is me het volgende bijgebleven. Bij het treinstation stond een gebouw met daar boven op het dak nog een klein gebouwtje. Ik heb me altijd afgevraagd wat dat gebouwtje daar bovenop doet. In Geesteren kampeerden we in de stal bij boer Stoeten (zo’n naam blijft je bij). In Gross Dörgen lagen we niet op stro in een stal maar sliepen we in tenten. Ook spannend. Het stramien op zo’n zomerkamp was altijd hetzelfde, het junglespel van Mowgli. Maar ook het gezamenlijk eten was fantastisch. Het klieren in de stro en wroeten in de slaapzakken voor het slapengaan, het verkennen om de boerderij of tent. Alles was spannend. De welpen verhuisden later vanuit Het Gebouw naar de oude bibliotheek bij de lagere school, ook aan de Kerklaan. Toen werd die ook verlaten en kwamen we in de grote kippenhok van de pastoor achter de kerk. Persoonlijk vond ik dat het mooiste onderkomen. Iemand had op de achterwand een scene van Mowgli geschilderd. Prachtig. 1 x in het jaar werd Sint Joris dag gevierd. Dan mochten we de gehele dag in het gebouw blijven. Van alle welpenherinneringen is me het volgende het beste bijgebleven, we kregen ‘s middags stamppot andijvie, met stukje spek en een stuk rookworst. Het is tot op de dag van vandaag mijn lievelingskostje gebleven.

Geschreven door Henk Beukers

Kreidler Florett

Kreidler Florett

Mijn allereerste bromfiets was een NSU Quickly. Daar had mijn vader jarenlang mee naar de AKU in Emmen gereden. Hij droeg hierbij een grote leren jas waarbij je de flappen om de benen kon wikkelen. Daarbij droeg hij grote leren handschoenen die een stuk over de mouw heen schoven. Als slotstuk had Pa een pothelm en een grote rijbril op. Op de NSU zat tevens een grote windscherm die pa tegen de elementen moest beschermen. NSU QuicklyAlles was praktisch gericht op het voorkomen van bevriezing c.q. verkleuming. Pa was zodanig ingepakt dat je hem ook zo in een vliegtuigje kon zetten. In die tijd werd vooral naar de praktijk gekeken en stond allure op een lager plan. Alhoewel, er zijn nu weer snorfietsclubjes die dezelfde outfit hanteren. Ik was in die tijd vijftien en reed zaterdags altijd zonder valhelm met de NSU door het veld naar mijn werk. Al het genoemde outfit was zorgvuldig van de bromfiets gesloopt of in een kast opgeborgen. Met andere woorden, ik reed redelijk onveilig, blauw van de kou, maar wel hip. De NSU Quickly had zijn uiterlijk niet mee maar was verder een geweldige bromfiets. Een kittig ding die zo maar de vijftig km per uur kon halen. In mijn tijd waren een paar bromfietsmerken helemaal in. Hoe kwalitatief goed een bromfiets ook was, als het niet tot de coole merken behoorde werd de neus ervoor opgehaald. Mijn kameraad Eric kreeg op zijn zestiende van zijn vader een prachtige glanzende groene Batavus, met beenkappen. Kwalitatief stond het bromfietsje misschien wel met kop en schouders boven de populaire merken uit. Maar het behoorde er niet tot toe. Schamperend werd het Erics bromfiets ‘kanon’ genoemd. Ook mijn toenmalige kameraad en buurjongen werd zestien en kreeg van zijn vader een bromfiets. Vaders kunnen wel bromfietsen geven maar kunnen op dat moment niet weten wat cool is onder de jeugd. Mijn buurjongen kreeg een Berini. Kwalitatief top, maar niet cool. De populaire merken in die tijd waren Kreidler, Zundapp, Puch en Yamaha. Laatst genoemde kwam net in opgang. Het was vooral Kreidler en Zundapp wat de klok sloeg. Toen ik zestien werd kwam mijn oudste broer net uit de bromfietstijd. Ik kon zijn Zundapp voor een prikkie overnemen. Had ik het maar gedaan. Een fluisterstille flitssnelle Zundapp. Ik nam de Zundapp niet. Mijn broers bromfiets had namelijk een handgeschakelde versnelling. Dat was niet cool. Mijn lot stond vast. Met mijn zuurverdiende centjes moest ik een dure voetgeschakelde Kreidler-Florett kopen in Emmen. Het werd er een met geforceerde koeling. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik met de nieuwe (tweedehands) Kreidler naar huis reed. Trots als een pauw. Wanneer je als tiener per se een coole bromfietsmerk wou ging dat toch ten koste van een kritische blik. Ik zag de bijgewerkte deukjes niet en de bijgespoten bezinetank. Mijn voorganger had het ding naar hartenlust afgeragd. Eigenlijk was het een regelrechte barrel. Cool dat wel. Mijn broer Jos had meer geluk, hij was kritischer op die leeftijd. Zijn Kreidler reed soepeler en zag er veel beter uit. Willie mijn kameraad had op zijn zestiende een splinternieuwe Yamaha gekregen. Yamaha was een Japans merk die piano’s maakte.  Met zijn logo van gekruiste stemvorkjes. Dat kon toch niets wezen, dat ging nu bromfietsen maken. Geen wonder dat de bromfiets kritisch werd bekeken. Een labiel bromfietsje was het harde oordeel van mijn vader. Inderdaad, Willie’s Yamaha leek totaal niet op die lompe NSU Quickly. Maar in de jaren die volgden liet Yamaha zien wel degelijk hoog kwalitatieve  bromfietsen te kunnen maken. En verrekte rappe ook. Ondertussen zat ik vast aan mijn coole Kreidler Floret. Loewe, een van mijn toenmalige kameraden, wees me een keer op de mogelijkheid om de Kreidler op te voeren. Er waren speciale setjes op de markt, zo’n 5.2 set heette dat. Helemaal niet duur. Loewe wist zelfs nog wel een tweede hands set. Het bestond uit een Cilinder, een carburateur, een uitlaat en een tandwiel. Een koopje. Een week later had ik zo’n set op mijn Kreidler gemonteerd. Dat bleek helemaal niet moeilijk. Bij het weg rijden kwam ik er achter dat de Kreidler geen bromfiets van vijftig km per uur meer was. Bij een stoot gas had ik de tong achter mijn huig hangen. Mijn Kreidler reed met gemak tegen de honderd km per uur. Dat liet ik Erica natuurlijk wel even zien en scheurde hierbij door de straten en lanen. Wat ik niet wist, eigenlijk ook niet wou weten, maar wat ik wel had kunnen weten, het bromfietsje was tegen deze krachten niet bestand. Gelukkig wist Loewe dat ook niet. Die vond mijn Kreidler supercool. Hij was een beetje trots dat hij mij op de 5.2 set had gewezen. Daarom vond Loewe dat hij mijn toestemming niet nodig had, om te gaan Joyridden op mijn Kreidler. Foei Loewe. Een paar weken later reed ik weer op een ‘normale’ Kreidler. Op kosten van Loewe. Hij had het motorblok tijdens het joyriden opgeblazen en hij had me plechtig verzekerd voor een nieuwe motorblok te zorgen. Het duurde niet lang of ik had het volgende probleem aan de Kreidler. In die tijd kwam voetversnelling in de mode, de bromfietsen werden door de fabrikanten vliegensvlug omgebouwd. Dat ging niet altijd zorgvuldig. De voetversnelling van de Kreidler was een beetje houtje-touwtje met hefboompjes en zat onder het motorblok. De bromfiets lag laag op de wielen dus de gevolgen lieten zich raden. Tijdens een ritje door het bos raakte de motorblok een boomstronk. Gevolg, het complete versnellingsmechanisme werd onder het blok weggerukt. Erger nog, er zat een scheur in het motorblok. Het leek het definitieve eind van mijn Kreidler. Dan komen de vaders in het geweer. Mijn vader sloopte het blok uit elkaar en Willie’s vader laste de scheur weer dicht. Zo geschiedde. Een maand later reed ik weer op de Kreidler. Ik kon weer scheuren, elk weekend met de boys op stap. Met zo’n tien bromfietsen de kroegen bij langs in Weiteveen, Nieuw-Schoonebeek en Schoonebeek. Een geweldige tijd die een eigen verhaal krijgt. Na de grote reparatie was de Kreidler toch anders geworden. Zo schoot de Kreidler steeds uit de derde versnelling. Geen probleem zou je denken, je drukt met de voet tegen de versnellingspook zodat hij in de derde versnelling bleef zitten. Dat deed ik. Het probleem was dat ik nu ontzettend moe werd in mijn linker voet na een tijdje rijden. Na een kroegentocht over de buurdorpen op zaterdagavond had ik een lamme linker poot. Bovendien sleet mijn linkerschoen, aan de bovenkant. De aardigheid voor de Kreidler ging er in rap tempo af. Gelukkig duurde de bromfietstijd maar twee jaar. Mijn laatste rit op de Kreidler was die van naar de spoorwegrestaurant in Emmen. Hier moest ik mijn rijexamen doen. Na weken met Dries Timmerman door Emmen te hebben gereden vond die het wel genoeg. Ik moest maar gauw voor mijn rijexamen. Tot mijn grote verbazing, Dries viel bijna van de stoel, slaagde ik. Trots als een pauw verliet ik het pand. De boom waartegen ik mijn Kreidler had geparkeerd, stond daar alleen boom te wezen. Mijn bromfiets was gejat. Veel tijd om daarover in te zitten had ik niet, Eric kwam in zijn groene Ford Escort toevallig voorbij rijden. Het was vooral de opluchting die me is bijgebleven toen we richting Erica reden, niet van het behalen van de rijbewijs, maar dat ik van die verrekte Kreidler af was.

Geschreven door Henk Beukers

Pakjes avond

Pakjes avond

Voorafgaande aan de jaren zestig van de vorige eeuw was het in Erica een gewoonte om in November de kinderen verkleed als Sinterklaas langs de deuren te laten gaan. Overal zag je kinderen richting brug lopen, verkleed als Sinterklaas of Zwarte Piet. Na het zingen van een liedje kregen de kinderen een paar centen. De traditie van verkleed langs de deuren te gaan liep toen al op zijn eind. Wat begin jaren zestig in opgang kwam was Sint Maarten. Op 11 november gingen de kinderen langs de deuren, hierbij werd een liedje gezongen en een lampion gedragen. We woonden nog maar een paar jaar op de Eendrachtstraat en hadden de nieuwe gewoonte om met Sint Maarten langs de deuren te gaan blijkbaar gemist. Wij als kinderen waren ontroostbaar. Daar ging zomaar een zak snoep aan ons voorbij. Ma besloot het met ons goed te maken. Met Sinterklaas mochten wij alsnog verkleed langs de deuren. Het was dus de familie Beukers die uiteindelijk de lange traditie van verkleden als Sinterklaas in Erica definitief afsloot. Broer Gerard ging als Sinterklaas, broer Jos en ik als Zwarte Piet. Gerard had een heuse staf terwijl Jos en ik werden voorzien van een zak pepernoten en een roe. Wat ik me van deze gang nog goed kan herinneren was het bezoek aan Zwarte Bennie. We belden aan onder etenstijd. De deur werd geopend, wij werden aandoenlijk bekeken. We mochten zelfs even binnenkomen. Daar zat zoon Jonnie achter een bordje hutspot. Jonnie was nog maar een kind. Hij was met zijn 4 jaar een jaar jonger dan ik. Jonnie keek met grote ogen ons aan. Hij herkende ons niet want we waren immers vermomd en verkleed. Terwijl de ouders nog aandoenlijk naar ons stonden te lachen gaf ik Jonnie een flinke mep met de roe. Je bent Piet, je moest toch wat. Toen Jos ook dreigde Jonnie met de roe te betrekken besloten de ouders hun oogappeltje te ontzetten. Met een boerenkiespijnlachje werden we met zachte hand de deur uitgewerkt. Jonnie zat nog steeds achter zijn bordje hutspot. Langzaam boog hij zijn hoofd naar beneden en keek verbaasd naar zijn warme prakje. In de hutspot waren diverse pepernoten gedrukt. Vanaf die tijd werd bij de familie Beukers op 5 december Sinterklaas gevierd. Bij gebrek een Sinterklaas en Zwarte Pieten werd een beetje inventief gehandeld. Terwijl wij als kinderen liedjes zaten te zingen gingen Pa en Ma de spanning een beetje op te voeren. ‘Ik heur wat’, stilte, we luisterden met gespitste oren. Nee, loos alarm. Pa moest even naar de WC. Even later schrokken we ons bijna een rolberoerte. We gilden hard, Ma voorop. Op de achterdeur werd namelijk zo hard geklopt dat het glas in de sponningen rammelde. Een arm gehuld in een lange zwarte dameshandschoen stak door het raam. De hand opende zich en een zwerm van pepernoten vloog ons om de oren. Even snel dat het kwam verdween de zwarte arm ook weer. De arm bonkte nog een keer tegen het raamkozijn en een zachte vloek weerklonk in de duisternis. Dat hoorden we niet. Op de vloer zag je alleen verrukte kinderen die luid roepend de pepernoten bij elkaar zaten te graaien. Even later kwam Pa van de WC. ‘Sinterklaos is d’r west’, gilden we enthousiast hem tegemoet. Pa ging zitten en genoot van al die drukte om hem heen, ondertussen masseerde hij stilletjes zijn elleboog. Ma vond een briefje. Met een logo van de A.K.U. Waar toevallig Pa ook werkte. Op het briefje stond dat de zak met cadeautjes in het achterhuis stond. Een stampede van wilde kinderen stormde naar het achterhuis. Hier vond Gerard een briefje, hij gaf het aan Pa. Op het briefje stond dat de zak in de voorkamer stond. Opnieuw een stampede, nu naar de voorkamer. Dit ging zo nog een paar keer door waarbij we het gehele huis te zien kregen. Dan was daar toch de zak. Een jute zak waar de cadeautjes uitpuilden. Aan elke cadeau zat weer zo’n briefje van de A.K.U. Hierop stond een gedichtje en voor wie het cadeautje bestemd was. Mijn naam werd genoemd. Ma las het gedichtje voor. Ik hoorde niets maar zat strak naar het cadeautje te kijken. Eindelijk mocht ik het uitpakken. Het was een gele raceauto van plastic, met blauwe wielen. Verrukt heb ik het een poosje bekeken. Ik ging er direct mee spelen. Latere Sinterklaasavonden verliepen zo ongeveer in dezelfde orde. We hadden een jaar waarbij Ma dacht ook praktische dingen aan de sinterklaascadeautjes te moeten toevoegen. Zo kregen we dat jaar ook sokken. Of nieuw ondergoed. Een stel boze kinderen als gevolg. Toen dan even later toch de cadeautjes kwamen was de kamer gevuld met blijde kinderen. Middenin zat een huilende moeder die de sokken bij elkaar raapte. Wat me ook bijbleef was een roze marsepeinen pispotje, elk op onze kussensloop. In het potje zat een klein marsepeinen bruin keuteltje. Achteraf denk ik wel eens, wie verzint zoiets. Toch een indrukwekkend cadeautje want het is me bijgebleven. Ooit vroeg ik aan Sint om een auto aan een touwtje. Kreeg ik dat jaar zowaar een elektrische Volkswagenbusje. Uit de uitlaat liep een snoer met een lengte van een meter. Op het eind van de snoer zat een handvat. Op het handvat zat een kleine wiel en een paar drukknopjes. Al naar gelang welke knop je indrukte schoot het Volkswagenbusje naar voren of naar achteren. Met het kleine wiel kon je de auto besturen. En wat ook zo mooi was, van het Volkswagenbusje brandden de beide koplampen. Geweldig, wat een leuk cadeau. Helaas was het niet Beukersbestendig. Dat gold ook voor de opwindtrein die cirkeltjes draaide op een zelf aan te leggen spoor. Vaak vloog de rails door de kamer wanneer het weer eens niet goed paste. Of eindigde het buiten door een geopende raam. Het locomotief sneuvelde uiteindelijk omdat in een kwade bui werd vergeten hoe vaak je de opwindsleutel omgedraaid moest worden. KRAK is wat dat ding het laatst zei. Het was best wel een opgave voor Pa en ma om voor elk kind een leuke cadeau te bezorgen. Als tieners deden we onze namen in een potje en zorgden we voor elkaars cadeautje. Maar altijd kon je de specifieke handschrift van Ma of Pa direct herkennen wanneer je een gedicht moest voorlezen. Trouw werd elk jaar op pakjesavond de lichten gedimd en het hele repertoire aan Sinterklaasliedjes gezongen. Vele jaren en vele Sinterklaasavonden later is de traditie van pakjesavond bij Pa en Ma thuis inmiddels gestopt. Het is niet anders, alles veranderd, dat is met alles in het leven, de herinneringen blijven.

Geschreven door Henk Beukers

5 of 9
123456789