Het behekste kind

Het behekste kind

Het is nu ongeveer 115 jaar geleden, vlak voor de eeuwwisseling.
Erica bestond nog maar enkele jaren en het leven was hard en de armoede was groot
Op een druilerige, koude dag in oktober kwam er een handelsreiziger aan in ons dorp.
Naast dit bos woont boer Lubberman, zijn overgrootvader had bij de boerderij een klein pension.
De man klopte aan en vroeg een plaats voor de nacht.
De gastvrijheid was groot in die tijd maar de boer moest hem afwijzen was zijn dochtertje was al weken doodziek en hij kon de zorg voor een gast er niet bij gebruiken.
“Ik heb aan een plek in de stal genoeg, zei de handelsreiziger, en eten verlang ik niet,” geef me een dak boven het hoofd en een bos stro en je hebt een goede daad verricht”
“Nou, goed dan”zei de boer dat kun je een hond nog niet weigeren.
Voordat hij naar de stal ging, liep hij naar het café tegenover de kerk om een hapje te eten.
Hij had zijn laatste hapje omelet met een slok bier weggespoeld toen de waard hem aansprak.
“Ga je daar slapen maar daar is het behekst, dat kind is behekst er sluipt al weken een dikke zwarte kat rond dat huis, ´t is behekst”
De man lachte erom, plattelands bijgeloof dacht hij, en hij liep over de rode klinkerstraat langs de boerderij naar de donkere stal.
Daar drongen hooguit een paar stralen door de kieren en eenmaal in het stro hoorde hij af en toe een muis ritselen. Maar al snel overviel hem een diepe slaap.
Midden in de nacht werd hij wakker door vreemde geluiden maar hij meende dat hij droomde en het gejank van een kat voor het schreien van een kind versleet en hij dutte weer in.
Toch niet zo heel vast en was in een keer klaar wakker toen hij een dikke grote kat in het vage maneschijn zich door het hennengat heen drong.
Het geschuur van het dikke lijf had hem gewekt en hij zag elektrische vonken van het kattenhaar langs de plankranden.
Het beest keek hem met de valse groene ogen aan en in een flits haalde het beest een klauw naar hem uit.
“Wat wol jij toch!”schreeuwde de man “denk je dat ik bang voor je ben.”
En hij greep zijn mes, dat hij altijd bij zich droeg en met een snelle beweging sloeg hij van zich af.
Hij dacht dat het flikkerende staal de kat wel bang maakte en inderdaad met een bijna menselijk geschreeuw sprong het beest weg, sleurde zich door het hennengat en verdween in de duisternis.
Het duurde even voordat hij weer in sliep tot de zonnestralen in de ochtend hem wekten,”het belooft een mooie dag te worden, prachtig weer”
Maar plotseling deed hij een weerzinwekkende ontdekking: voor hem lagen twee bebloede kattenpoten met nog uitstaande nagels.
Hij voelde spijt voor dat dier maar in de halve slaap ben je een ander mens vooral als een wilde kat je midden in de nacht aanvalt.
Er was niets meer aan te doen en hij vond het onwenselijk het tegen de boer te zeggen.
Hij wipte de kattenpoten met een bosje stro door een achterraam en veegde zijn mes af.
Hij liep over het erf naar de boer en die kwam hem blij tegemoet
”Mijn dochter is genezen, ze heeft geen koorts meer, het is een wonder, andere mensen zeggen dat het hier spookt die komen hier niet meer maar jij beste vriend bracht ons geluk dus eten met me mee vriend” daar was hij wel voor te vinden .
Na een heerlijk ontbijt met vet spek en eieren, ging hij naar de stal om zijn schamele bezittingen te pakken en te vertrekken.
Plots hoorde hij een katachtig gruwelijke kreet in het bos, hij rende er naar toe en stapte in de deuropening van een oud huisje.
Daar zat een oud mens lelijk als een duivelin op een krakkemikkige stoel.
Haar ogen waren half open gericht op de stompen van haar afgekapte handen, ze was dood.
Ohhh shit, als een razende snelde hij terug naar de boer om alles te vertellen
Maar onderweg, werd hem in een keer alles duidelijk verdomme dat wijf was een heks die in de gedaante van een kat hem in de nacht was komen bezoeken en die het kind betoverd had.
Hij rende ter bevestiging van zijn gedachten naar het achterraampje en zag inderdaad tussen het stro twee afgekapte oude gerimpelde handen liggen. Hij moest haast overgeven.
Zwetend en onpasselijk vertelde hij moeizaam het verhaal aan de boer en is direct daarna vertrokken, men heeft hem nooit weer gezien.

De boer is woedend naar de kroeg gegaan en heeft een paar mannen verzameld.
“Wat heeft die oude heks mij aangedaan “en ze stormden naar het bos
Ze hebben het huis met heks en al in brand gestoken daarna het drie meter uitgegraven en van dat zand is de heuvel ontstaan en hebben daarop een klein beukje geplant.
En dus op de plek waar jullie nu zitten stond 115 geleden het huisje van de oude heks.

Dit verhaal is op echte gebeurtenissen gebaseerd.
De handelsreiziger heeft zijn verhaal gedaan aan de toenmalige Emmer Courant en een journalist heeft deze gebeurtenis onderzocht en er een verhaal over geschreven

Geschreven door Wim Beukers.

De Kerk

De Kerk

Mijn eerste herinneringen aan de kerk had te maken met de doop van mijn zus. In die tijd werd dat tussen de missen gedaan. Met die grote gezinnen was er ook geen andere keus, het wijwater in de doopvont bleef maar stromen. In de lege kerk was het dan donker en stil. Het geluid galmde weg in de enorme ruimte met kerkbanken. Rechtsvoor in de kerk stond het doopvont. Na een korte plechtigheid was er weer een zieltje veilig gesteld. Dat was in die tijd heel belangrijk. Zo belangrijk zelfs dat ongedoopte stervelingen op een plekje buiten het kerkhof werden begraven. Later kwam de Kerk hier gelukkig op terug en werd dit afgeschaft. Hoewel de kerk biechtstoelen bevat ben ik hierin nooit geweest. Mijn eerste (en enige) persoonlijke biecht was in het parochiehuis i.v.m. een verbouwing van de kerk. De school had dit georganiseerd. Ik werd volledig overrompeld door de biecht. Voordat ik het goed en wel doorhad stond ik voor de pastoor. Ik was een kind en had zo geen zonde voorhanden. Ik kon ook niet zo een herinneren. Tegelijkertijd kon ik die goede man daar niet voor niets laten zitten. Toen heb ik maar een verzonnen. Voor het goede doel zeg maar. Ik verzon dan maar dat ik een man een stiene voor z’n harsens had gegooid. Toen ik devoot mijn ogen opende zag ik een pastoor die zich verslikte en mij verschrikt aankeek. Hoezo? Had ik te dik ingezet? Gelukkig werden mijn zonden vergeven. Met een brandschone ziel verliet ik het gebouw. Voordat we de Kerklaan hadden bereikt had ik Jonnie-met-de-mooie-kleren laten strompelen. Onder zacht gegniffel ging hij volledig plat. Gelijk Jonnies kleren was het brandschone van mijn ziel er na pakweg 10 minuten alweer af. In die tijd hadden we schoolmissen. Vooraf aan de school. Om 8 uur. In de kerk zaten de kinderen in de banken keurig in klassen gerangschikt. In de gangpaden liepen de meesters en juffen. Nooit te beroerd om een oorvijg uit te delen aan een kind die te luidruchtig werd. ‘s Morgens had de kerk sfeer. Wanneer op zondagmorgen de zon scheen werd de kerk verlicht door prachtige gekleurde ramen. Het kerkinterieur werd in een gelig diffuus licht gezet en maakte de H. Mis nog plechtiger. Nog plechtiger werd het wanneer de pastoor zich volledig hulde in de wierooknevelen. Langzaam trok die geur door de rest van de kerk. Het was een oude vertrouwde geur. Wanneer de pastoor met het wijwatervat en -kwast door de kerk liep om zijn schaapjes te zegenen had ik soms het vermoeden dat de goede herder dit met veel enthousiasme deed. Een niets vermoedende gelovige werd plots weer recht in de leer gezet door een volle kwak wijwater. Zo van de kwast. In die tijd, we spreken van de jaren zestig en zeventig, was het een vreemde gewoonte dat menig vrouw met kinderen voorin de kerk zat en hun mannen achterin. Ik vond dit vreemd omdat mijn ouders dit nooit gedaan hebben. Maar iedereen zong de kerkliederen mee. Bij het zingen van de liederen zong Pa zodanig luid mee dat voor menig gelovige een dutje er niet in zat. De communie duurde een eeuwigheid met al die mensen. Het bood tegelijkertijd een unieke gelegenheid om de medeschaapjes van de kudde eens goed te inspecteren. Je leerde Erica zo wel kennen. Althans het katholieke gedeelte ervan. Erg mooi waren de tradities en gebruiken in de kerk. Met de 1e H. Communie waren de meisjes kleine bruidjes en de jongens kleine heertjes met hun colbertjes en korte broek. Van tantes kreeg je dan een wijwatersvatje of een rozenkrans. Bij het H. Vormsel zat de Bisschop in vol ornaat plechtig in een stoel naast het altaar. Degenen die het H. Vormsel ondergingen werden met naam genoemd en moesten voor de Bisschop knielen. Met een handoplegging en kruisteken op het voorhoofd werden we gezegend. Het altaar stond op een verhoging en was bereikbaar door middel van twee zwarte marmeren treden. Ik dacht toen dat het maar een trede was. Mijn onhandige benen zochten het plateau maar kwamen nog een trede tegen. Ik verloor het evenwicht en lag even later volledig gestrekt voor de bisschop. Behalve mijn trots was er verder niets gekrenkt. Alles is verder goed gekomen hoor. Achter het altaar zat in de vloer een grote rooster waardoor de verwarmingsketel warme lucht blies in de kerk. Dat gaf soms hilarische momenten. Met de jongerenmis stonden we vaak in een halve cirkel om het altaar opgesteld. Degenen die boven het rooster stonden hadden geluk. Als je het misboekje openvouwde kon je het even laten zweven op de warme luchtstroom. Het toppunt was wanneer de pastoor even niet genoeg oplette. Niets vermoedend betrad de herder het verwarmingsrooster. Om even later volledig te verdwijnen in een opgeklapte pij. Hierbij werd zijn gezichtsvermogen ernstig belemmerd. Een op richtingsgevoel zoekende pastoor ging natuurlijk ten koste van de plechtigheid. Tijdens de H. Mis werden dan ook op de rooster kinderen gezet als soort van afbakening. De mis duurde een uur. Voor een puber een eeuwigheid. Als verveelde pubers zaten we met onze nagels in de houten kerkbanken te krassen. Als volwassene herkende ik veertig jaar later de krassen terug van menige puber. Soms was zelfs een naam zichtbaar. De mooiste plek voor een puber was die van bij de trap naar het koor. Daar lagen de verloren voorwerpen. Dan zag je ineens je maat naast je met een dameshoed op, of met lange dameshandschoenen aan. Dat mocht niet, ik weet het, maar we waren jong. Je beet in je handen om de lach te onderdrukken. Met Kerstmis was de kerk werkelijk tjokvol. Menig katholieke Ericaan kwam zijn geweten sussen wegens de absentie van een jaar. Of om het ‘Kerstgevoel’ te krijgen. Zelfs dan had je een paar onverlaten achter in de kerk die geen respect op konden brengen. Met hun onbehouwen gedrag dreigden ze de kerkgang van anderen te verstoren. Gelukkig hadden we Pee. Geen geitenwollen praatje of kopje thee. Pee was onze engel Gabriël. Hij kegelde zo’n figuur subiet te kerk uit. Dan was het weer stil achter in de kerk. Wanneer de misdienaar eindelijk de eind-bel luidde zette het kerkvolk zich massaal in beweging. Een schuifelend stampede bereikte langzaam een van de zware eikenhouten achterdeuren van de kerk. Een vlotte doorgang werd belemmerd omdat iedereen op het kerkplein stil bleef staan om familie of kennissen aan te klampen. Zelfs daar was sprake van traditie. Ieder had daar zijn eigen plekje. Zo zag ik BierJoop steevast naast de dikke eikenboom staan, omringt door kennissen. De tijd van ontkerkelijking brak aan. Het werd definitief stil op de achterbanken. Door de jaren heen rukte de stilte steeds verder op richting de voorbanken. Van volle kerken is geen sprake meer, dat is voorlopig geweest. Het zijn de herinneringen van onze kerk die we in ons collectief geheugen meedragen, vaak leuke, soms minder leuke.

Geschreven door Henk Beukers

 

Televisie

Televisie

Ik was zo´n zeven jaar toen we een televisie in huis kregen. Hoe we voor die tijd de avonden doorgekomen zijn weet ik niet meer. Na het avondeten bleven we waarschijnlijk nog even op, dan hup naar bed. We hadden toen wel een radio. Nou ja, alleen een luidspreker van de PTT. Het was een gemeenschappelijke radio van de Gemeente. Draad aan palen bracht toentertijd het geluid bij de mensen thuis. Door middel van een wit bakelieten schakelaar kon je luid klakkend kiezen tussen een paar zenders. Bij ons was het vaak ‘s morgens het bekende deuntje van de ochtendgymnastiek, waar trouwens niemand aan meedeed. Spoedig werd de gemeenteradio opgedoekt. Pa kocht een aantal van die palen om er een schommel van te maken. Ook hebben een paar palen later als fundering gediend bij ons zomerhuisje. Herman en Dorus (Meta) waren een van de eersten die een televisie hadden. Het was een kinderloos paar die woonde in een oud huisje in de bocht Havenstraat Ericasestraat. Helaas vond iemand het nodig om na het overlijden van die twee het karakteristieke huisje af te breken. Thans is het een paardenbak. Herman nodigde zaterdag in de namiddag kinderen uit om naar het kinderprogramma te kijken. Hij had bankjes klaar gezet. Herman genoot zelf misschien nog wel het meest. Steeds meer mensen op Erica kregen een televisie. De bankjes bij Herman bleven leeg. Onze buren Wessel kregen in de buurt als eerste een televisie. Tante Diny zette op zaterdag en woensdag in de namiddag de bankjes klaar. Wanneer wij de kinderen van Roling zagen aanlopen toogden wij ook naar tante Diny. Van alle kijkers genoot zij misschien wel het meest. Gezamenlijk werd naar de kinderprogramma’s gekeken waarbij broer Wim steevast in slaap viel. We keken bijvoorbeeld naar de serie Pipo de Clown en en de Waterlanders. Pipo en Mamaloe zagen we toen lopen op de bodem van de zee. Gevolgd door de zware jongens Snuf en Snuitje. Snuf, gespeeld door de onverbeterlijke Rudi Falkenhagen, stotterde m m mooie p p parels f f fijne p p parels. Bij ons als kinderen ging de serie er met peper en zout in. Iets wat je later als volwassene met moeite kon voorstellen. Het water bestond uit hangende repen plasticfolie en de bodem van de zee leek verdacht veel op die van een toneelvloer. Verder genoten we van de poppen Rikkie en Slingertje, later van de serie Daktari met Clarence de schele leeuw en Judy de chimpansee. Net als in de rest van Nederland ging ook op Erica de ontwikkeling door. Eerst kregen de Rolings een televisie, niet veel later ook wij. De bankjes bij tante Diny bleven leeg. Onze eerste televisie was een donker houtkleurige kist met een zenderzoeker aan de zijkant. De televisie kwam op stoom door middel van lampen waarvan om de drie maand er een sneuvelde. Duitse zenders kon je ook krijgen, dan keken we naar Don Camillo met Fernandel als dorpspastoor die altijd ruzie had met de communistische burgemeester. Om de Duitse zender te krijgen moesten we eerst naar buiten om de antenne te verdraaien. Het raam moest open blijven voor communicatie. ‘Nog een tikkie bijdraai’n, nog ‘n bietie, joow’. Het beeld stond er, zwart-wit uiteraard. Als jongens leerden we het Ridderschap van Ivanhoo, Thierie de Slingeraar en Floris. Tranen in de ogen kregen we van Belle en Sabastiaan met dat leuke liedje en lachen deden we bij Swiebertje met Bromsnor en Saartje. De serie Ivanhoe startte met een jongen die hard om de ridder riep. Vervolgens kwam Ivanhoo te paard aangalopperen en verzamelde steeds meer mensen achter zich. Dit uiteraard onder begeleiding van dwepende zang en muziek. Met name de roep om Ivanhoo bleef bij ons hangen. We gingen helemaal op in het ridderschap. Low-budget uiteraard. Harnassen, schilden en zwaarden waren te duur, die maakten we zelf. Naar Be Hoppe de melkboer, daar vroegen we om dozen. Van Be kregen we dozen waar pakjes boter van Leeuwenzegel in hadden gezeten. Daar sneden we aan de zijkanten en bovenkant gaten in voor armen en hoofd. De onderkant was open. Zo´n doos trok je als ware aan. Vol trots bekeek je jezelf. Een heuse harnas, je waande je onkwetsbaar. Even later renden een zestal Leeuwenzegeldozen de Kerklaan op onder luid gejoel van ´Ivanhooooo´!! We hadden heuse zwaarden. Nou ja, Pa mistte een paar panlatten. Als koene ridders gingen we achter het Kwaad aan. Bij gebrek aan het Kwaad gingen we, Ivanhoo gillend, achter Marietje Peters aan die toevallig voorbij fietste. Met die dozen om je lijf rende je voor geen meter. Klasgenoot Marietje fietste ons er allemaal uit. De zes Leeuwenzegel-ridders hadden hijgend het nakijken. Toen gingen we elkaar maar te lijf. Anderen mochten gerust met een zwaard tegen je aan slaan, door de harnas je voelde toch niets. Door de vermeende onkwetsbaarheid werden we weer eens overmoedig. Ik brak een vuistdikke ijspegel af en sloeg neef Harry er mee op zijn kop. Haha, onkwetsbaar, het ijs spatte uiteen, dat kon toch niet zeer doen. Even later zat een boze leeuwenzegeldoos achter mij aan te vangen. We renden Ivanhoo gillend het Kerkenbos in. Kiek’n of daor nog wat Kwaod zat. Als volwassene zag je op televisie die toenmalige series terug. Dat we dat als kinderen hebben geslikt. We zagen niet dat de acteurs houten zwaarden hadden en dat het metalig gekletter later is toegevoegd. We zagen niet dat kledij per scene veranderde. Bij gevechtshandelingen tussen de ridders zagen we niet de condensstrepen aan de horizon. We zagen niet de witte polsen aan bruine armen, daar waar voor kort nog een polshorloge zat. Bij de serie Floris zat ergens een scene waar op de achtergrond een Morris bestelwagen reed. Dat zagen we niet. Het kon ons ook niets schelen. De series met hun gebrekkige regie hielp ons alleen maar op weg, onze fantasie deed de rest. Toen al was het een glijdende schaal. Hoe perfecter de televisie werd hoe minder fantasie er voor nodig was om het na te spelen. We konden onze ogen niet geloven toen de eerste kleurentelevisie op de markt kwam. Hoe kregen ze die kleuren toch door die draadjes? Maar ook dat wende snel. Niet veel later zagen we in huize Vinke de eerste afstandsbediening. Ongelofelijk, je drukte op een knopje in je hand en ergens anders veranderde iets. Een paar jaar later zaten we thuis verveeld de afstandsbediening te zoeken die ergens in een plooi van het bankstel was gezonken. Ondertussen kwamen en gingen Mies Bouwman, Kees Schilperoord, Kick Stokhuizen, de zender Veronica, Mannetjes op de maan enz. Voor het vastleggen van al die beelden kwam de videorecorder, later HDdisk en nu Blue Ray. Het is nog lang niet afgelopen met de televisie en aanverwante artikelen, gelukkig niet.

Geschreven door Henk Beukers

Ons Huus 3

Ons Huus 3

In tegenstelling tot vandaag de dag stond ons huis echt op een vlakte. Erica-noordwest bestond nog niet. Nadat Pa achter het huis een schuur had gebouwd, deze met een tussenmuur met het huis had verbonden, waaide het niet meer zo hard bij de achterdeur. Want dat is me vooral bijgebleven. D’r stond vaak een harde wind uit het westen. Door de enorme lange leegte kon deze flink in kracht toenemen. Achter de schuur zag je de skyline van Nieuw-Amsterdam. Richting noord-westen priemde de toren van Sleen boven de horizon uit. Daartussen lag een boomloze woestijn van bouwland met in de verte de boerderij van Lohues als oase. Het landschap werd doorkruist door de Veenschapswijk die toentertijd eindigde in Zuidbarge. Vandaag de dag wordt de Veenschapswijk in tweeën gesneden door de A37. In de winter als de harde westenwind de stuifsneeuw om het huis joeg, vermaakten we ons als kind met speelgoed die we van Sinterklaas hadden gekregen. We speelden ermee omdat het speelgoed nog heel was. Het meeste speelgoed haalde de zomer namelijk niet. Het was niet Beukersbestendig. Wanneer de rails van het opwindtreintje niet snel genoeg in elkaar paste vlogen niet veel later een bos rails, een paar wagons en een locomotief het raam uit. Of Jos ging nieuwsgierig een elektrisch tractor uit elkaar peuteren om te kijken hoe het in elkaar zat. Het tractortje reed daarna nooit meer. Altijd kwam dan een tijd dat de winterboeken uit de kast werden getrokken. Elk jaar werden ze, iets meer beschadigd dan ze al waren, terug in de kast gezet. In de winterboeken stonden verhalen, puzzels maar vooral moppen. We lazen ze tot we alle moppen uit ons hoofd kenden. Ik heb de boeken nog jaren lang bewaard. Uiteindelijk zijn ze bij oud papier beland. Pa maakte voor ons een kippenhok. Een week later stonden 4 jongensgezichten vertederd boven een kartonnen doos te kijken. Een zestal donzen propjes piepten terug. Pa wist niet of het hennetjes of haantjes waren. Hij hoopte natuurlijk op hennetjes, daar kreeg je nog eitjes van. Helaas bleken het allemaal haantjes te zijn. Niettemin waren we dol op de krielkippetjes. We gaven ze allemaal een naam. Het meest vertederde kuiken was die met maar een pootje. Die kreeg de toepasselijke naam: ‘Hinkepootje’. Als kip was Hinkepootje zeker niet de langzaamste. Bij onraad hinkte die alle overige haantjes voorbij en was als eerste in het hok. We gingen met de kippen om alsof het onze kinderen waren. We maakten de hok schoon, voerden ze en aaiden ze als we de kans kregen. Toen kwam Kerstmis. Beteuterd stonden we naar de emmers in de keuken te kijken. Die stonden halfvol water. In elke emmer dreven gebroedelijk naast elkaar twee spiernaakte krielkippen met de rug naar boven. Behalve Hinkepootje, die ontliep echter zijn lot niet, hij kreeg een graf achter de schuur. De Kerstdis gaf kip. Prompt weigerden we onze kinderen op te eten. Dit hielden we vier-en-halve uur vol. Precies tot het avondeten. Vergeten en vergeven, bovendien hadden we honger. Later begon Pa opnieuw een schuur te bouwen. Deze was veel groter dan het kippenhok. Pa ging konijnen fokken. Honderden konijnen hadden we op het laatst. Tot een konijnenziekte alles wegvaagde. Ik heb menig zaterdag konijnenhokken moeten uitmesten en menig konijn in de tuin moeten begraven. Gek genoeg heb ik tot op de dag van vandaag nog nooit een konijn gegeten. Een keer stond de braadpan met konijn op het gas te sudderen. Het water liep ons in de mond. Totdat het gas werd uitgezet en de braadpan werd verpakt in een theedoek. Die ging naar Oma, die hield zo van konijn. Normaliter werd het vlees altijd bij de slager gehaald. Ik werd dan wel eens met een boodschap naar slager van der Zee gestuurd. De boodschap vergat ik prompt en kwam dan standaard terug met een rookworst. Ik was dol op rookworst. Je kreeg bij slager van der Zee altijd een plakje leverworst. Die nam je dan mee naar buiten om op te eten. Daar stond een verrekte hond, een Jack Russel, met ontblote tanden je op te wachten. Snel wierp je de hond het plakje leverworst toe. HAP deed Jack. Achteraf bleek het helemaal geen kwade hond te zijn. Hij had op Pavloviaanse manier geleerd om zijn tanden te ontbloten, dan kreeg hij een stukje worst. Maar als je de leverworst in eigen mond stak ging ie kwispelen. Tja, dat moet je dan net weten. Broer Wim werd door Ma voor een boodschapje naar slager van der Zee gestuurd. Wim moest een pakje zuurkool halen. Zuurkool was in de aanbieding en lag bij van der Zee als een piramide opgestapeld op de toonbank. Wim rekende af en kreeg een hoofdknik van de winkelbediende naar de zuurkoolpiramide. Hij kon het zo pakken. De volgende klant drong aan. ‘Wie kan ik helpen’?, vervolgde de bediende. Een kwartier later kwam Wim het huis binnen gestrompeld. De tas striemde diep in zijn nek. ‘Mense, wat is die zuurkool zwaor’, steunde hij. De Leperd had de gehele zuurkoolpiramide in de tas gestopt en meegenomen. Hij dacht dat ze de hele piramide voor hem had klaargezet. Nadat Ma bijgekomen was van het lachen moest Wim al het overige zuurkool weer terugbrengen naar de slager. Zachtjes begon zijn onderlip te trillen. Maar Wim had karakter, hij bracht al het teveel gehaalde zuurkool weer netjes terug. Daar keken ze heel verwonderd, ze hadden de piramide geeneens gemist! Iedereen lachte, behalve Wim. Hij stond daar klein te zijn voor de toonbank terwijl zijn onderlip opnieuw zachtjes begon te trillen. Vertederd bekeken door het personeel kreeg Wim een extra dikke plak leverworst. Glunderend ging Wim met het heerlijk stukje vleeswaren naar buiten. Daar stond Jack. SCHRIK deed Wim, HAP deed Jack. Wim keek naar zijn lege handjes. Wederom met een trillende onderlip toog hij naar huis. De tas om zijn nek, leeg, dat wel. Wim heeft volgens mij nooit meer zuurkool gelust. Met de fiets gingen we overal naar toe. Als er echter iets te vallen viel was ik het wel. Ik heb in totaal 6 x het sleutelbeen gebroken bij allerlei valpartijen. Dokter Huisman, onze huisarts, waarschuwde mij dat als ik nog 1 keer het sleutelbeen brak daar een pin in kwam. Nooit meer een sleutelbeen gebroken. Bij het steigeren met de fiets speelde ik het klaar om met het stuur mijn wenkbrauw te klieven. Toen dit begon te ontsteken zat er weer een gang naar dokter Huisman op. Met een rustig gebaar schroefde hij een injectienaald in elkaar. Brr. Dokter Huisman kwam eens op huisbezoek toen ik ziek in bed lag. Bij het oplichten van de dekens zoefde een cavia naar hem toe. Hij schrok er even van. Om daarna langzaam een injectienaald in elkaar te schroeven. Brr. Ik kwam een keer bij dokter Huisman in verband met een oorontsteking. Hij keek met zo’n kijker in mijn oren en zei de befaamde woorden: ‘Ik zie het al, een puistje’. Vervolgens pakte hij een soort van toeter, stak het in mijn oor en kneep flink in de blaasbalg. Wat een rotstreek. Mijn oor floot ervan. Als er nog rommel uit mijn oor kwam moest ik maar terugkomen. Nou, mooi niet. Een arm in de mitella had ook zijn voordelen. Mits je er zielig bij keek. Dat kon ik. Tot afgrijzen van Broer Jos kreeg ik een prijs bij Haantie op stokkie en een prijs als leukst gekleed bij carnaval. Vooral toen hij ontdekte dat ik hetzelfde Haantie op stokkie en hetzelfde carnavalspak droeg als die hij het jaar ervoor had gedragen. Het was een kwestie van sleutelbeen breken, dan ben je zielig, lekker puhh.

Geschreven door Henk Beukers

Gunderland

Gunderland

In tegenstelling tot vandaag de dag stond ons huis echt op een vlakte. Erica-noordwest bestond nog niet. Nadat Pa achter het huis een schuur had gebouwd, deze met een tussenmuur met het huis had verbonden, waaide het niet meer zo hard bij de achterdeur. Want dat is me vooral bijgebleven. D’r stond vaak een harde wind uit het westen. Door de enorme lange leegte kon deze flink in kracht toenemen. Achter de schuur zag je de skyline van Nieuw-Amsterdam. Richting noord-westen priemde de toren van Sleen boven de horizon uit. Daartussen lag een boomloze woestijn van bouwland met in de verte de boerderij van Lohues als oase. Het landschap werd doorkruist door de Veenschapswijk die toentertijd eindigde in Zuidbarge. Vandaag de dag wordt de Veenschapswijk in tweeën gesneden door de A37. In de winter als de harde westenwind de stuifsneeuw om het huis joeg, vermaakten we ons als kind met speelgoed die we van Sinterklaas hadden gekregen. We speelden ermee omdat het speelgoed nog heel was. Het meeste speelgoed haalde de zomer namelijk niet. Het was niet Beukersbestendig. Wanneer de rails van het opwindtreintje niet snel genoeg in elkaar paste vlogen niet veel later een bos rails, een paar wagons en een locomotief het raam uit. Of Jos ging nieuwsgierig een elektrisch tractor uit elkaar peuteren om te kijken hoe het in elkaar zat. Het tractortje reed daarna nooit meer. Altijd kwam dan een tijd dat de winterboeken uit de kast werden getrokken. Elk jaar werden ze, iets meer beschadigd dan ze al waren, terug in de kast gezet. In de winterboeken stonden verhalen, puzzels maar vooral moppen. We lazen ze tot we alle moppen uit ons hoofd kenden. Ik heb de boeken nog jaren lang bewaard. Uiteindelijk zijn ze bij oud papier beland. Pa maakte voor ons een kippenhok. Een week later stonden 4 jongensgezichten vertederd boven een kartonnen doos te kijken. Een zestal donzen propjes piepten terug. Pa wist niet of het hennetjes of haantjes waren. Hij hoopte natuurlijk op hennetjes, daar kreeg je nog eitjes van. Helaas bleken het allemaal haantjes te zijn. Niettemin waren we dol op de krielkippetjes. We gaven ze allemaal een naam. Het meest vertederde kuiken was die met maar een pootje. Die kreeg de toepasselijke naam: ‘Hinkepootje’. Als kip was Hinkepootje zeker niet de langzaamste. Bij onraad hinkte die alle overige haantjes voorbij en was als eerste in het hok. We gingen met de kippen om alsof het onze kinderen waren. We maakten de hok schoon, voerden ze en aaiden ze als we de kans kregen. Toen kwam Kerstmis. Beteuterd stonden we naar de emmers in de keuken te kijken. Die stonden halfvol water. In elke emmer dreven gebroedelijk naast elkaar twee spiernaakte krielkippen met de rug naar boven. Behalve Hinkepootje, die ontliep echter zijn lot niet, hij kreeg een graf achter de schuur. De Kerstdis gaf kip. Prompt weigerden we onze kinderen op te eten. Dit hielden we vier-en-halve uur vol. Precies tot het avondeten. Vergeten en vergeven, bovendien hadden we honger. Later begon Pa opnieuw een schuur te bouwen. Deze was veel groter dan het kippenhok. Pa ging konijnen fokken. Honderden konijnen hadden we op het laatst. Tot een konijnenziekte alles wegvaagde. Ik heb menig zaterdag konijnenhokken moeten uitmesten en menig konijn in de tuin moeten begraven. Gek genoeg heb ik tot op de dag van vandaag nog nooit een konijn gegeten. Een keer stond de braadpan met konijn op het gas te sudderen. Het water liep ons in de mond. Totdat het gas werd uitgezet en de braadpan werd verpakt in een theedoek. Die ging naar Oma, die hield zo van konijn. Normaliter werd het vlees altijd bij de slager gehaald. Ik werd dan wel eens met een boodschap naar slager van der Zee gestuurd. De boodschap vergat ik prompt en kwam dan standaard terug met een rookworst. Ik was dol op rookworst. Je kreeg bij slager van der Zee altijd een plakje leverworst. Die nam je dan mee naar buiten om op te eten. Daar stond een verrekte hond, een Jack Russel, met ontblote tanden je op te wachten. Snel wierp je de hond het plakje leverworst toe. HAP deed Jack. Achteraf bleek het helemaal geen kwade hond te zijn. Hij had op Pavloviaanse manier geleerd om zijn tanden te ontbloten, dan kreeg hij een stukje worst. Maar als je de leverworst in eigen mond stak ging ie kwispelen. Tja, dat moet je dan net weten. Broer Wim werd door Ma voor een boodschapje naar slager van der Zee gestuurd. Wim moest een pakje zuurkool halen. Zuurkool was in de aanbieding en lag bij van der Zee als een piramide opgestapeld op de toonbank. Wim rekende af en kreeg een hoofdknik van de winkelbediende naar de zuurkoolpiramide. Hij kon het zo pakken. De volgende klant drong aan. ‘Wie kan ik helpen’?, vervolgde de bediende. Een kwartier later kwam Wim het huis binnen gestrompeld. De tas striemde diep in zijn nek. ‘Mense, wat is die zuurkool zwaor’, steunde hij. De Leperd had de gehele zuurkoolpiramide in de tas gestopt en meegenomen. Hij dacht dat ze de hele piramide voor hem had klaargezet. Nadat Ma bijgekomen was van het lachen moest Wim al het overige zuurkool weer terugbrengen naar de slager. Zachtjes begon zijn onderlip te trillen. Maar Wim had karakter, hij bracht al het teveel gehaalde zuurkool weer netjes terug. Daar keken ze heel verwonderd, ze hadden de piramide geeneens gemist! Iedereen lachte, behalve Wim. Hij stond daar klein te zijn voor de toonbank terwijl zijn onderlip opnieuw zachtjes begon te trillen. Vertederd bekeken door het personeel kreeg Wim een extra dikke plak leverworst. Glunderend ging Wim met het heerlijk stukje vleeswaren naar buiten. Daar stond Jack. SCHRIK deed Wim, HAP deed Jack. Wim keek naar zijn lege handjes. Wederom met een trillende onderlip toog hij naar huis. De tas om zijn nek, leeg, dat wel. Wim heeft volgens mij nooit meer zuurkool gelust. Met de fiets gingen we overal naar toe. Als er echter iets te vallen viel was ik het wel. Ik heb in totaal 6 x het sleutelbeen gebroken bij allerlei valpartijen. Dokter Huisman, onze huisarts, waarschuwde mij dat als ik nog 1 keer het sleutelbeen brak daar een pin in kwam. Nooit meer een sleutelbeen gebroken. Bij het steigeren met de fiets speelde ik het klaar om met het stuur mijn wenkbrauw te klieven. Toen dit begon te ontsteken zat er weer een gang naar dokter Huisman op. Met een rustig gebaar schroefde hij een injectienaald in elkaar. Brr. Dokter Huisman kwam eens op huisbezoek toen ik ziek in bed lag. Bij het oplichten van de dekens zoefde een cavia naar hem toe. Hij schrok er even van. Om daarna langzaam een injectienaald in elkaar te schroeven. Brr. Ik kwam een keer bij dokter Huisman in verband met een oorontsteking. Hij keek met zo’n kijker in mijn oren en zei de befaamde woorden: ‘Ik zie het al, een puistje’. Vervolgens pakte hij een soort van toeter, stak het in mijn oor en kneep flink in de blaasbalg. Wat een rotstreek. Mijn oor floot ervan. Als er nog rommel uit mijn oor kwam moest ik maar terugkomen. Nou, mooi niet. Een arm in de mitella had ook zijn voordelen. Mits je er zielig bij keek. Dat kon ik. Tot afgrijzen van Broer Jos kreeg ik een prijs bij Haantie op stokkie en een prijs als leukst gekleed bij carnaval. Vooral toen hij ontdekte dat ik hetzelfde Haantie op stokkie en hetzelfde carnavalspak droeg als die hij het jaar ervoor had gedragen. Het was een kwestie van sleutelbeen breken, dan ben je zielig, lekker puhh.

Geschreven door Henk Beukers

Zwembad Erica

Zwembad Erica

Het was 1957 toen twee personen in een kapsalon bij elkaar kwamen. Het waren Rieks Reuvers, de toenmalige wethouder van Volkshuisvesting, en Gerard van Os, de lokale bouwondernemer. Het gesprek ging over de faciliteiten op het dorp. Naast een fatsoenlijke voetbalveld ontbrak op het dorp een openlucht zwembad. Daar gingen de heren iets aan doen. Gerard beloofde het graafwerk van het zwembad voor zijn rekening te nemen. Rieks met zijn enorme netwerk in de gemeente deed de rest. Een paar jaar later werd het zwembad op Erica door vele vrijwilligers eigenhandig uit het veen getrokken. Eigenlijk had toentertijd het zwembad naar Rieks Reuvers genoemd moeten worden. Of tenminste één van de sportvelden, want die verschenen ook door toedoen van Rieks. De eerste badgast van het zwembad op Erica was mijn broer Gerard. Die zat daar als 3 jarig kind in het afgegraven gat in een plas water te spelen. Als schoolkind kwam ik zomers vaak in het zwembad, temeer omdat we er redelijk dicht bij woonden. Maar als we in het veld liepen gingen we gewoonlijk zwemmen in de eerste- of tweede Boerwijk. Een viertal spiernaakte jongens zwom langs een groep vrouwen die daar de bieten aan het wieden waren. Plagend bleven ze staan wachten op het moment dat we boven het water kwamen. Als de zomer toenam met zijn hete dagen waren we toch steeds vaker in het zwembad te vinden. De wanden en bodem van het eerste en tweede bad waren lichtblauw gekleurd. Van het derde bad was de bodem donker zodat het veel dieper leek. Zonder zwemdiploma mocht je daar niet komen. De baden werden gescheiden door koorden met oranje drijvers. Als kind zwom ik met een zwemband naar het derde bad. Ik durfde alles, wist ik veel. Tot een golf chloorwater achter in mijn strot mijn adem deed stokken. Knap benauwd heb ik het daar gehad in mijn zwembandje. Toen kregen we zwemles. ‘s Morgens in de vroegte voor de aanvang van de school. In onverwarmd water stonden we in het eerste bad te blauwbekken. Badmeester Vos drilde ons het water in. Soms moest broer Wim huilend in het midden van de kring staan en werd hij nat gespetterd door de rest van de groep. Hoewel badmeester Vos half Erica aan een zwemdiploma hielp, lukte hem dat bij ons niet. Na een aantal keer blauw van de kou te zijn thuisgekomen vonden we het genoeg. Geert moest het maar zonder ons redden. Helaas is badmeester Vos niet oud geworden, na zijn overlijden werd het zwembad naar hem vernoemd. Op de lagere School kregen we vlak voor de middag zwemles. We moesten dan de drukke Havenstraat oversteken zoals we dat in de les hadden geleerd. Daar was me iets van bij gebleven. Het midden van de straat was neutraal. Toen ik bij het oversteken op de drukke Havenstraat zorgeloos op het midden van de straat bleef staan, het verkeer voor en achter mij voorbij zoevend, zag ik meester Lange langzaam naar zijn borst grijpen en twee tinten bleker worden. Voor straf moest ik terug naar de klas. Moederziel alleen zat ik daar in een grote lege lokaal. Daar stond ook de traporgel van meester Lange. Aanvankelijk was het nog een bescheiden deuntje. Zachtjes begon ik erbij te zingen. Na vijftien minuten had ik mijn bescheidenheid overwonnen. Verrek wat was ik goed. Ik gooide al mijn creativiteit, al mijn talent in het traporgeltje. Dat was voetenwerk in combinatie met gevoel. Mijn partituur eindigde in een flinke oorvijg. Zo’n gevoel in combinatie met handenwerk. Door al het lawaai had ik meester Jansen niet horen aankomen. Ik besloot dat mijn talent verborgen moest blijven, dat zou de wereld leren. Uiteindelijk haalden we onze zwemdiploma’s in het overdekte, maar vooral verwarmde, bad in Emmen. Daar toogden we met een heuse bus naar toe en zongen het hoogste lied, de zilvervloot enzo. Met onze diploma’s op zak mochten we dan eindelijk in het donkere derde bad zwemmen. We dachten dat we heel wat konden. Totdat Tonny Grol, zo van de kant, met een volledige salto het water in dook. Dat hebben we nooit na kunnen doen. Wat me wel lukte was achterover duiken. Broer Jos kon dat niet, hij kon zelfs niet gewoon duiken. Hij stond op de rand van het zwembad, maakte van zijn handen een puntdakje en wees daarmee naar het water. Iedereen dacht dat hij ging duiken maar sprong op het laatste ogenblik. Na het zwemmen zochten we de Zonneweide op, om ons in de zon op te warmen. Het zwemwater op Erica werd pas veel later verwarmd. In de Zonneweide waren twee diepe gaten in het gazon uitgegraven. Daarop waren trampolines geplaatst. Menig jong moest zijn overmoedige bui op de trampoline bezuren met een duik in de rubberen strengen of tegen het hek die erom toe was geplaatst. Eigenlijk stonden we daar alleen maar op te wachtten. Op het grasveld aan de noordzijde van het zwembad gingen we vaak voetballen. Totdat de dikke teen bijna haaks op de voet stond. Pinkelend zocht je dan maar weer het koude zwemwater op. Dan had je de cirkelvormige Pierenbadjes voor de kleintjes. Drie stuks die steeds iets dieper werden. De diepste was zo’n twintig a dertig centimeter. Na een hete middag was het water daarin gewoon warm. Daarin lagen we dan te koesteren als robben aan het strand. Dan kwam Tonny. Tonny was het hulpje van de badmeester. Hij was gemachtigd om de Pierenbadjes met een trekzeem schoon te vegen. Hij stuitte steevast op een aantal Robben die niet weg wilden uit het warme water. Tonny kon heel boos kijken en riep dan altijd: ‘Dat za’k zegg’n teeg’n de badmeester’. Hij hief zijn wijsvinger: ‘Ik waarschuw jullie nog twee keer’. Als Tonny dan daadwerkelijk naar de badmeester liep maakten wij ons snel uit de voeten. Tonny en de badmeester stonden dan even later bij de lege Pierenbadjes te kijken. Als kind kregen we nooit een cent mee naar het zwembad. We hielden de mensen in de gaten die bij het winkeltje iets kochten. Vooral een gekochte zak chips trok onze aandacht. In die tijd zat chips zoutloos in de zak. Wie van hartigheid hield kon in de chipszak een blauw gevouwen papiertje openen. Daarin zat een beetje zout die je dan over de chips kon strooien. Maar dat deed toen bijna niemand. Het was ons dus om die blauwe gevouwen papiertjes te doen. Als we iemand zagen die zo’n lege chipszak in een afvalbak gooide dan doken we daar snel op af. We openden het blauwe papiertje uit de lege chipszak en likten het zout erin op. Och, wat was dat heerlijk! Er was genoeg voor iedereen. Daarna gingen we tevreden knorrend in de zon liggen. We hadden nauwelijks last van de wind. Het zwembad was volledig omringd door gigantische populieren. Totdat een ambtenaartje in al zijn wijsheid besloot om de bomen te kappen. De bomen waren weer eens ziek. Op het eind van de hete middag konden we een ijsje verdienen. Je moest dan alle papiertjes en ijscostokjes van het terrein opruimen. Zo’n ijsje smaakte veel beter dan een gekregen ijsje. Wanneer wij in de zomer bij een van onze kameraden thuis kwamen moest één van ons de zwemkaart aan hun moeder afgeven. Het boek van de Wehkamp werd opengeslagen, er werd gezocht naar een kleur die overeenkwam met die van de zwemkaart. Henk en Rieks moesten dan bij het zwembad een punt van die kleur uit de vingers laten steken, alsof ze een zwemkaart in handen hadden. Bij de ingang van het zwembad was het een drukte van belang. Een file aan lawaaiige kinderen stond voor de kassa te dringen, wachtend op het sein om naar binnen te mogen. Voordat deze kwam nam badmeester Vos plaats op een dranghekje en legde een telapparaat op zijn schoot. Met een luide klik kon hij die met zijn duim bedienen. Een stormloop volgde waarbij elk kind met een luide klik werd geregistreerd. Badmeester Vos riep met luide stem dat iedereen de zwemkaart hoog moest houden. Met een stalen gezicht lukte het die twee telkens weer om, met een stukje gekleurd papier tussen de vingers, de machtige badmeester Vos te bedotten. Met de zwemtas gingen we naar de kleedruimte. Omkleden kon in de kleedhokjes waar je door een noestgaatje je buurman kon bekijken. Of je ging naar de gezamenlijke kleedruimte, het Schapenhok. Daar zagen we een jongen zijn zwembroek over zijn onderbroek trekken. Met zijn lenige beentjes wurgde hij zich de onderbroek onder zijn zwembroek vandaan. Verbluft hebben we daarnaar staan te kijken. Dat wilden wij ook kunnen. Die jongen had het schapenhok helemaal niet nodig. Wij trouwens ook niet, we hadden onze zwembroek al aan. De zwemtas was door onze moeder gemaakt. In feite was het een soort van grote tabakszak die met een lange veter dicht gesnoerd kon worden. Zo’n lang touw met op het eind een tas met natte handdoek was natuurlijk een geducht wapen. Menig meningsverschil werd hiermee uitgevochten. Als winnaars liepen we dan trots met die tassen naar huis. We zwierden en zwaaiden met die tassen hoog in de lucht. Ma heeft menigmaal met een lange paal onze zwemtassen uit de takken van de eikenbomen langs de Havenstraat moeten vissen. Voor het zwembad, naast de oprit, lag een fietsenstalling. Deze bestond uit betonnen palen verbonden met een roestig stalen hoekbalkje. Daar kon je de fiets tegen aan zetten. O wee wanneer je vergat de fiets op slot te doen. In die tijd werd een fiets vrijwel nooit gestolen maar hadden de grapjassen een andere verrassing in petto. De fiets werd op slot gezet en het sleuteltje weggesmeten. Wietse ‘Fietse’ Moorman had weer werk. Van alle herinneringen rondom het zwembad op Erica is me één ding goed bijgebleven. Het was toen altijd errugg mooi weer.

Geschreven door Henk Beukers

Ons Huus 2

Ons Huus 2

Ik schrijf de jaren zestig. De tijd van na het avondeten op tijd naar bed. We sliepen niet direct, we maakten in bed van een deken een soort van berg. Die zetten we vol met plastic dieren. We speelden Daktari tot we moe werden, of ruzie kregen. In het laatste geval vloog schele Clarence door de lucht gevolgd door een giraf of twee. Een vermaning van Ma bracht weer rust in de Afrikaanse dierenkliniek. Door een kier in de deur konden we meekijken wat zich op TV afspeelde. Af en toe hoorden we Pa hard lachen om die gekke André van Duin. Soms werd het stil en ernstig. Het was de tijd van de Koude Oorlog. De Russen dreigden te komen. Dat kregen we als kind wel degelijk mee. Op een avond in het najaar van 1966 schrok ik wakker. In het donker gluurde ik naar buiten. Op het bouwland achter ons huis was een vliegtuig geland. De landingslichten van het vliegtuig draaiden langzaam over het veld. Ogottegottegot, de Russen. Ik raakte lichtelijk in paniek. Moest ik mijn broer Wim wakker maken? Moest ik mijn ouders waarschuwen? Ik besloot nog even te wachten. Met bonkend hart zag ik wederom de landingslichten voorbij dwalen. Die Russische vliegtuig zat zeker een parkeerplek te zoeken. Plotseling zag ik de landingslichten van een tweede vliegtuig. Mijn hart sloeg over. Ik had het klamme zweet in de handen. Ik moest de familie waarschuwen. De Russen waren geland. Ogottegotttegot, uitgerekend achter ons huis. Ik besloot te gaan liggen. Even tot rust komen. Twee tellen later sliep ik. De volgende dag hoorde ik vreemd genoeg niemand Russisch spreken. Ik wist trouwens ook niet hoe dat klonk. Ik rende achter ons huis het bouwland op. Geen vliegtuig te zien. Slechts sporen van tractoren. Het aardappelveld was leeg gerooid. Ik keek verbaast om me heen. Had ik me daar gisteravond toch vreselijk sappel gemaakt om niks. Het Russisch vliegtuig bleek een aardappelrooier! De angst kenmerkte die tijd. De dreiging van de Russen voelden we als kind. Het had invloed op onze spel. Steevast was bij het soldaatje spelen de Rus onze tegenstander. Terwijl Pa in de tuin tussen de aardbeiplanten stond te schoffelen bestormden wij schreeuwend de Russische stellingen. Iemand moest het doen. We zorgden er uiteraard wel voor dat we niet de aardbeiplantjes vertrapten. De Russen mochten dan wel onze vijand zijn, van Pa kregen we zakgeld. Laten die verrekte Russen nu uitgerekend bij ons achter in de tuin stelling hebben genomen. We stormden Pa schreeuwend voorbij. Een steelpan en een vergiet waren onze helmen. De Russen vluchten het bouwland op. Met onze geladen berkentakken joegen we ze na. Pa keek ons even na en ging hoofdschuddend verder met schoffelen. Ai, de Russen schoten terug. We lieten ons vallen in het rulle zwarte zand. We hoorden vaag een geluid. We keken op, iemand scheen iets te roepen. Versterking? Was het de Koningin met een nieuw bevel? Oei, het was Ma. Die stond met haar handen in de zij heel boos te kijken. Even later stapten een paar ongelofelijke smerige moe gestreden frontsoldaten voor haar langs. De helmen scheef op het hoofd, het zand diep in de oren. We moesten de geweren in een hoek zetten en ons buiten uitkleden. Het viel nog niet mee om de wereld te redden. Maar na dit te hebben gedaan was het heerlijk douchen. Na het avondeten kregen we de gewoonlijke corveedienst. Standaard moesten broer Jos en ik de afwas doen, broer Wim moest stofzuigen. Bij de afwas was het altijd een strijd over wie mocht afdrogen. Jos wilde alleen maar afdrogen. Toeval of niet, ik wilde ook alleen maar afdrogen. Om de strijdbijl maar te begraven had Jos een systeem bedacht om beurtelings af te drogen. Met een potlood had hij onze namen op het behang geschreven. Met streepjes hield hij de tel bij. Wij konden nu nauwkeurig bepalen wie aan de beurt was om af te drogen. Verrekte slim bedacht van Jos. Ik had die avond afgedroogd en zou ,gatver, morgen weer afwassen. Ik kneep mijn ogen toe en begon geheimzinnig te loensen. Ik loenste geheimzinnig naar links, ik loenste geheimzinnig naar rechts. Niemand in de buurt. Ik sloop naar de keuken. Ik pakte de potlood en zette snel een streepje achter Jos zijn naam. De volgende avond brandde de strijd los om het afdrogen. Jos wist zeker dat hij gisteren de afwas had gedaan. Het was zijn beurt om af te drogen. Hevig verontwaardigd wees ik naar de streepjes achter onze namen. Uiteindelijk werden de streepjes dan maar geteld. Nu brak het moment van de waarheid aan. Huuh? Moest ik toch afwassen? Ik keek Jos smerig aan maar kon niks zeggen. Had die Smiecht ook een streepje achter mijn naam gezet. Gruwel, je kon werkelijk niemand meer vertrouwen. Even later zongen we het hoogste lied tijdens het afwassen. Jungen, komm bald wieder nach Haus. Tweestemmig en zo hard mogelijk. Eindelijk mochten we ‘s avonds na het eten de straat op. Voor het donker thuis zijn en geen kattenkwaad uithalen kregen we als instructie mee. Met grote blauwe ogen gaven we Ma de verzekering dat we ons keurig zouden gaan gedragen. Even later zaten we belletje te drukken. Hier had ik een leuke variant op bedacht. De familie Reuvers aan de Kerklaan had een tamelijk lange oprit. Ik liep snel de oprit op en drukte op de deurbel. Ongemerkt vervoegde ik me weer bij de groep. Frans was aan de beurt om belletje te drukken. De argeloze Frans liep de oprit van Reuvers op. Zijn wijsvinger zou net het knopje van de deurbel indrukken toen pardoes de voordeur open ging. Twee gezichten keken elkaar aan. De ene gaf een gil, de andere liet iets vallen. Hinnikend deden we het op straat bijna in de broek van het lachen. Daar hadden we die Frans toch gigantisch beet genomen. Bij een bepaalde huis was belletje drukken extra spannend. De heer des Huizes kwam ons altijd scheldend achterna. Zodoende promoveerde hij zichzelf tot trofee. We bewaarden hem altijd voor het laatst. We hadden de leeftijd bereikt om onze eerste sigaret te roken. Willie, mijn kameraad, keek die dag geheimzinnig. In de schuur haalde hij een verfrommeld pakje uit zijn broekzak. Daar zaten een paar sigaretten in. We slopen heimelijk op (jawel) de hooizolder en staken ons daar een paar sigaretten aan. Wauw, onze eerste sigaret. 5 minuten later verlieten twee jongens stilletjes de hooizolder. Het hooi lag tot aan de nok op zolder, deze geurde sterk en was zelfs iets groen. Maar niet zo groen als de twee jongensgezichten. Die hadden inmiddels het niveau van grijsgroen bereikt met een vleugje geel. ‘Verd…,wat ben ik ben misselijk’, boerden we tegelijkertijd. Het was onze eerste stap in de volwassenheid.

Geschreven door Henk Beukers

Kölkerbuurt

Kölkerbuurt

Herman Josef Kölker was de eerste Kölker op Erica, in feite de stamvader. Iedereen op Erica met deze naam in de stamboom is familie van elkaar. Herman Josef Kölker werd in 1847 geboren te Slagharen en stierf in januari 1928 te Erica. Hij kwam als eerste op het nieuwe kerkhof in het bos te liggen. Daarvoor lag het kerkhof naast (noordkant) de kerk. Alleen de grafzerken op het oude kerkhof werden vlak na WOII gedumpt in de kerkvijver achter de heuvel in het bos. De graven werden niet geruimd. Na aan de Kerklaan te hebben gewoond verhuisde Herman Josef Kölker naar een locatie aan de ‘warme kant’ (ten zuiden van de kerk) van de Kerkweg, thans gelegen aan de zuidkant van de T-splitsing Kerkweg/Duikerstraat. Herman Josef Kölker was van beroep horlogemaker en had aan huis een klokkenwinkeltje. Later werd dit kamertje tot een huiskamer uitgebreid en kwam de voordeur in het midden van het huis. Achter de voordeur zat een klein portiekje met toegang tot het winkeltje c.q. werkplaats. In de deur naar de woonkamer zat een schuifje. Van hieruit kon Herman Josef zien of er klandizie was. Zelfs vanuit Friesland kwamen klanten om hun klok te laten repareren, of in te ruilen voor een nieuwe. In die tijd verdwenen de oude klokken doorgaans in de kachel. Jaren later werd bij een verbouwing van het huis op de vliering nog een een klein aambeeldje gevonden. En een doosje horlogeglazen. Na de dood van Herman Josef Kölker werd zijn land verdeeld onder de drie zonen, Bernard, Jans (mijn opa) en Hendrik. Hendrik werd politieagent in Almelo en trok weg uit Erica. Zijn stuk grond werd verdeeld onder de overige broers. Jans woonde nog in het ouderlijk huis, hij bleef na het overlijden van zijn vader daar wonen. Bernard kwam ten zuiden van het ouderlijk huis te wonen. Hij was net als zijn vader horlogemaker. Bernard leefde hier echter niet van, zijn ‘echte’ werk was voorman bij de Fijnfabriek. Bernard had vier zonen, ‘Huurbaas’ Herman ,‘Bakker’ Gerard, Johan en ‘Zwarte’ (haarkleur) Bennie. Bernard kocht later nog een flink stuk grond ten noorden van inmiddels Jans zijn woning. Zijn grond liep destijds door tot pal naast Jans zijn huis. Toen werd de Duikerstraat aangelegd. Dwars door de nieuwe kavel van Bernard. Toch was het geen pech voor Bernard. Langs de Duikerstraat leverde dat voor elk zijn zoon een bouwkavel op. Alleen zoon Herman ging er daadwerkelijk wonen. De overigen niet, die hadden al een woning of hadden een andere reden. De snippers grond ten zuiden van de Duikerstraat werden later tussen Bernard en Jans zodanig verruild dat het bouwkavels opleverde voor hun zonen Zwarte Bennie en oom Willie. Op de hoek Kerkweg/Duikerstraat werd een dichte beukenhaag aangelegd met daarachter de groentetuin van Jans. Ten zuiden van Jans woning kreeg mijn oom Bennie een kavel, hij werd zodoende de buurman van zijn neef Johan. In de buurt van de Kerkweg – Duikerstraat stonden op een gegeven ogenblik zeven huizen van Kölker. Dit werd op Erica de Kölkerbuurt genoemd. Als kleinkind kwam ik vaak in de Kölkerbuurt. Met name op de verjaardagen van Opoe en Opa was het een drukte van belang in en om het huis. Het stikte daar dan van de neven en nichten. Dan heb ik het alleen nog maar over mijn leeftijdsgenoten. De oudere neven en nichten van wel over de 20 jaar kwamen vaak later op de dag. De jongere lagen nog in de luier of moesten nog geboren worden. Zo’n verjaardag van Opoe of Opa was in feite een echte familiedag. We speelden in en om het huis en leerden elkaar als familie kennen. Het was de tijd van het echte familiegevoel. In het huis zag je, naast mijn ouders, alleen maar ooms, tantes, en de oudere neven en nichten. Het gesprek ging vaak over een rijksdaalder die vroeger door een kier onder de vloer was gerold. Onze oren groeiden. Opoe en Opa hadden dus een heuse schat onder de vloer (Vele jaren later kwam bij de sloop van de woning inderdaad een zilveren rijksdaalder tevoorschijn). Aan de muur hingen trouwfoto’s. Je moest wel goed kijken wie wie was want degenen aan tafel waren inmiddels een stuk ouder geworden. Prominent aanwezig in de kamer was de kachel. Soms pakte Opa de pook en wipte de deksel van de kachel plus een paar ringen. Je keek in het gapende gat zo het vuur in. Opa pakte dan een paar turven die in de kachel verdwenen. Met de pook werden de ringen en deksel weer op hun plaats gebracht. Waar we helemaal verbaasd over waren was de ketel die op de kachel stond. Daar zat een soort van ijzeren zak aan die in de kachel verdween. Dat hadden we nog nooit gezien. Als kind vonden we alles interessant in het huis. Aan de wand hing een verkennertje die een groet bracht, op de vensterbank stond een koperen pot met leeuwenkoppen. In elke leeuwenneus zat een ring. Boven de ingebouwde kast in de kamer zat een tweede kast met op de deur gewoon behang. Aan de kieren kon je zien dat het open kon. Dat moest wel een geheime kast zijn. Opoe trakteerde ons altijd op een glaasje vruchtenbowl uit de weckfles. Dat was heeeerlijk. We lepelden het glaasje leeg en vingen met het lepeltje de laatste kruisbes uit het glas. Vervolgens gingen we als jonge hondjes onder de tafel zitten. Tussen al die volwassen benen en tafelpoten zaten we dan vervelend te zijn. Dat ging net zo lang goed tot Opoe ons naar buiten stuurde. Opa was met zijn 75 jaar in onze ogen een stokoude man. Zijn noeste arbeid in het veen had zijn sporen achter gelaten in de vorm van een gekromde rug. Opa droeg altijd een blauwe boezeroen, in de mond had hij een gigantische kromme pijp die vervaarlijk rookte. Opa zat in de stoel en genoot van al die drukte om hem heen. Vroeger stond achter het huisje een houten barak. Hierin stonden een paar geiten die dagelijks achter Savenije in het ‘roege’ veld aan de stik kwamen. `s Avonds moest mijn moeder de geiten weer ophalen en terug in het schuurtje brengen. Later werd de barak vervangen door een stenen schuur. Voor oom Herman, hij was melkboer, werd in de schuur een paardenstal gebouwd. Plus een melkhok. Als kind kan ik me herinneren dat een ruimte in de schuur nog steeds melkhok werd genoemd. De paardenstal was inmiddels een kippenhok geworden. Naast de schuur was een grote kippenren waar een tiental kippen rondscharrelden. In de schuur was verder nog een zwijnenhok en een looppad. Vlak naast de deur bevond zich een toilet. Als kind was het een heuse avontuur om daarop te zitten. Het was een plank met een ronde gat erin zonder waterspoeling. Spannend, maar er stonk daar wel een beetje. Achter het huis was een waterput met een stalen deksel. Je keek in een afgrond en zag in de diepte het water glinsteren. Als kinderen konden we heerlijk rond het huis spelen wat de verjaardagen van Opoe en Opa echt tot een feest maakte. Naast het huis aan de kant van oom Bennie stond een perenboom. Voor het huis aan de Kerkweg stond een dichte heg van meidoorn die de gure oostenwind uit het vrije veld moest tegenhouden. Vanaf de Kerkweg liep een looppad langs het huis naar achteren. Een paar meter van het huis stonden een paar gigantische eikenbomen. Ik zie nog achter het huis Opoe aan het werk, de was schrobben op een wasbord. Je kwam het huis binnen via een lage achterdeur, je stond dan direct in het keukentje. Het leven speelde zich voornamelijk af in de huiskamer. De voorkamer werd alleen gebruikt als de pastoor op visite kwam. Als kind kwam ik daar zelden. Met de jaarwisseling mocht ik, met mijn broers Gerard en Jos, een paar keer bij Opoe en Opa overnachten. Om in de slaapkamer te komen moesten we door de voorkamer waar het geurde als een kamer waar nooit iemand kwam. Als kind zijnde was dat natuurlijk extra spannend, die sfeer, die geur, we keken onze ogen uit. De jaren trokken voorbij in de Kölkersbuurt, de ene generatie werd groot, de andere oud. Toen Opa overleed kwam buurman ‘huurbaas’ Herman Kölker langs. Hij zat aan tafel en mompelde dat hij nu de oudste Kölker was. Dat hij nu ‘aan de beurt’ was. Gelukkig voor hem duurde dat nog heel lang, hij is oud geworden. Elke woensdag fietste Opoe naar onze huis aan de Havenstraat. In die tijd konden we haar op de opoefiets al zien aankomen vanaf de Duikerstraat. Traditiegetrouw pakte ze dan een emmer met aardappelen en begon te schillen. Als ze dat niet deed zat ze te duimdraaien in de stoel. Op haar 85e verjaardag zei Opoe dat ze nog graag onze aanstaande bruiloft mee zou willen maken. Dat mocht niet zo zijn. Vlak voor onze bruiloft overleed Opoe. Het was onze eerste actie als pas getrouwd stel; de begrafenis van Opoe op een mistige trieste dag in Oktober 1981.

Geschreven door Henk Beukers

Kerklaan

Kerklaan

De mooiste laan van Erica is ongetwijfeld de Kerklaan, ook wel Spekweggie genoemd. De bijnaam Spekweg vindt zijn oorsprong in de negentiende eeuw. Het verhaal gaat dat arbeiders van de werkverschaffing die de Kerklaan hebben aangelegd, naast loon ook in natura werden uitbetaald. Natura bestond toen uit zoveel pond spek. De Kerklaan werd voortaan Spekweggie genoemd. Het is het meest lommerrijke laan op Erica. Helaas is het beleid dat op de plek van een gesneuvelde boom geen nieuwe boom wordt geplant. Binnen enkele decennia zal de Pauw der Lanen een kaal geplukte kip zijn, wat ongetwijfeld gevolgen heeft op de waarde van het belendend ontroerend goed. Maar nu het verhaal van de Kerklaan. Tegenover de Katholieke kerk stond in mijn jeugd een kroeg. Keuter genaamd. De kroeg is niet altijd een kroeg geweest. Een van de vorige bewoners was Jan Prins, die had daar een winkeltje. Later nam zijn zoon Piet de zaak over. Deze breidde de winkel uit en noemde het Victoria. Achter de zaak stond een enorme boom met om de stam een dikke ketting. Aan de ketting lagen zo’n dertig volle gaspotten.

Smid Töller

Smid Töller

In die tijd stookten de mensen nog op gas uit gaspotten. Wanneer een lege gaspot werd ingeleverd kon je, tegen betaling uiteraard, een volle meenemen. Het slot aan de ketting werd geopend, met veel ratelend kabaal werd de ketting van de gaspot getrokken. Zo kreeg de buurt ook mee dat het gas bij huize Beukers op was. Voor dat Prins het pand bewoonde was het pand een smidse. In die tijd hield Smid Töller de ijzers in het vuur. Töller had op de Kerklaan geen naaste buren. Het huis van Hermans werd pas vlak voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd, de huizen van Moorman en melkboer Be Hoppe kwamen veel later. Van Hermans kan ik me nog herinneren dat ze een aparte auto hadden. Een DKW, een tweetakt, het autootje is nu een verzamelobject. In de tijd van smid Töller was Klein Meyertie zijn eerste buurman. Het huisje stond dwars op de Kerklaan, thans de T-kruising Eendrachtstraat/Kerklaan. De erfafscheiding van Klein Meyertie bestond uit eikenbomen. Enkelen daarvan staan er nog steeds. Zoals de naam reeds zegt was Klein Meyertie niet groot. Hij was getrouwd met een vrouw die mogelijk nog kleiner dan hem was. Het kleine vrouwtje was de zus van Oude Piet Geraets. Wanneer ze in de kerk liep kwam haar pothoedje net boven de kerkbanken uit. Ze was een duveltje. Voor hun huisje stonden grote Rododendronstruiken. Wanneer schoolkinderen takjes afbraken van de struik stond ze scheldend in de deur en bonkte met haar stok op de grond. De kinderen wisten feilloos haar tot razernij te krijgen. Dan moest je zaadjes (kannegies) van de Meidoornstruik plukken. Dan kwam het mensje achter de kinderen aan. Het oude vrouwtje was echter geen partij voor de watervlugge kinderen. Het paar is kinderloos gebleven. In mijn tijd was het huisje afgebroken maar de Eendrachtstraat lag er nog niet. Als kwajongen heb ik nog wel samen met Willie in de half gedempte waterput kikkers zitten te vangen. Klein Meyertie was niet de eerste bewoner van het huisje. Kolker heeft er ook nog een tijdje in gewoond. Een zoon van deze Kolker was mijn opa. Daarvoor was het huisje een snoepwinkeltje. Naast Klein Meyertie stond een huis met een rieten dak. Hier woonde Assen die later naar Limburg vertrok om te gaan werken in de kolenmijnen. Het huisje werd later door brand verwoest. Oude Anton van Dooren, werkzaam in Duitsland, kocht de kavel en zette er de huidige woning op. Zolang Oude Anton in Duitsland verbleef werd het huis verhuurd. In of vlak na de oorlog kwam Oude Anton op Erica wonen. Zijn kinderen hadden het in begin niet gemakkelijk. Ze werden een beetje gepest om hun zware Duitse accent. Nog steeds wordt het huis bewoond door van Dooren. Inmiddels de derde generatie. Naast van Dooren woonde toen Gradus Roewe. Zijn huisje was opgetrokken uit Ericaase steen. Hiervan stond het steenfabriekje schuin achter het huidige openbare kerkhof. De klei voor deze stenen betrokken ze uit een diepe put aan de overkant (oostkant) van de Kerkweg. Het was trouwens waardeloze steen, bij vorst knapten er zo stukken uit. In het huis van Gradus Roewe woonde later Gradus Prins, die was zelfs naar hem vernoemd. Gradus Prins had een veld dennenbomen achter zijn huis. Hierin hebben we als kind menig avontuur beleeft. (zie: Achter Gradus Prins). Naast Gradus Roewe, voor de huidige kleuterschool, stond het huis van Jan Prins die daar een winkeltje had. Jan Prins verhuisde naar de stee van Töller. Hendrik Meyer betrok toen het huisje, hij had daar een fietsenzaakje. Meyer werkte als monteur bij het Griendsveen en als machinist op een veentreintje. Meyers dochter, Lena, had het syndroom van Down. Met zwemles kon ze als de beste zwemmen. Iedereen keek door de vingers dat Lena tijdens het zwemmen over de bodem liep. Naast Meyer kwam het schoolmeestershuis. Hier woonde toen meester ter Hofstede. Later kwam meester Lange daar te wonen en nog later meester Jansen. Naast het schoolmeestershuis kwam het huisje van Jeurissen. Een zoon van deze was Hendrik de Fluiter. Hendrik was een vrolijke man, zo kwam hij fluitend aanlopen om te zeggen dat zijn vader was overleden. Vader was tachtig jaar geworden, dat vond Hendrik genoeg. Hendrik had bovendien een dramatisch gevoel voor humor. Als soldaat had hij in de 1e Divisie 7 December in Indonesië gediend. Tijdens het schrijven van een brief aan zijn ouders bleek het inkt op te zijn. Hendrik vervolgde zijn brief met een potlood en schreef: ‘ze hebben zojuist de pen uit mijn handen geschoten, ik schrijf nu met de potlood verder’. Na het overlijden van Oude Jeurissen werd het huisje afgebroken. Naast Jeurissen stond het Emaculata-gebouwtje. Het was een gemeenschapshuisje waar menig toneelspel werd opgevoerd en waar menig club een onderkomen had. Dan had je mijn school, de Katholieke lagere school Sint Gerardus. Toen ik naar school ging was meester Lange de hoofdmeester. Meester Lange was een heuse autoriteit op het dorp. En hij was kaal. Een populair liedje onder de leerlingen was: Op de kop van Kale Kees, hebben de vlooien motorrace. Naast de lagere school stond het huisje van Knecht. Later zette daar Vinke een nieuw huis neer. Het laatste huis aan de zuidkant van de Kerklaan was bakkerij Schnieders, een van de vele bakkers op Erica. Tegenover Schnieders woonde Piet Geraets. Oude Piet bezat zo’n zevental huizen aan de Kerklaan en Kerkweg. Zijn zoon Piet had later een grote tapijtzaak in Emmen maar kwam vroeg te overlijden, zijn zaak verdween. In de tijd van Oude Piet stond er aan de noordkant van de Kerklaan maar een paar huizen. Aannemer van Os was de eerste die naast oude Piet kwam te wonen en daar zijn zaak begon. In het midden van de Kerklaan, naast het huidige (ex)Parochiehuis, stond het huis van veldwachter Veld (Dikke Veld). De ruimte tussen Oude Piet Geraets en veldwachter Veld werd opgevuld door beider tuinen. Oude Piet had daar een prachtige siertuin. Later zijn daar allemaal huizen opgekomen. Naast Veld stonden twee koetshuizen van de Katholieke- en Protestante begrafenisvereniging. Prachtige koetsen met zwarte kleden voor elk gezindte een. Daarnaast werd het parochiehuis gebouwd. Menig feest werd daar gevierd, ook al dachten de omwonenden daar misschien anders over. Helaas werd dit prachtige gemeenschapshuis opgedoekt. Naast het Gebouw had Bernhard Moorman een bakkerij met aan de voorgevel een automaat waaruit voor 10 cent een taartje kon worden getrokken. Ook gedurende de oorlog was de automaat steevast vol. Blijkbaar had Bernhard zo zijn adresjes. Later kwam Wietze Moorman (Wietze fietse) te wonen. Wietze had daar een fietsenzaak. Voor het huis van Wietze hadden wij een hangplek die we elke avond trouw opzochten. Dan kwam de woning van Hendrik van Os, dit huis werd nog opgebouwd uit de stenen van de villa van de vervener Hofhuis. Op de hoek Kerklaan/Kerkweg stond de villa van vervener Hofhuis, later werd dat een hotel. Toen de villa werd afgebroken kon van het vrijgekomen bouwmateriaal drie woningen worden gebouwd. Van de villa is lange tijd alleen de waterput overgebleven. Die was toen bekend om het lekkere putwater. Daarnaast stond het huis van Jans van Ommen.De Kerklaan tussen Jans van Ommen en de hoek met de Kerkweg was toen onbebouwd. Dan kwam het huis van Jans van Ommen, de begrafenisondernemer. Dan kwam het huis van Tinus Schnieders. Daarnaast bouwde meester Sibon een woning waar later Bontjer in woonde. Inmiddels zijn alle lege plekken opgevuld met woningen. De laatste woning aan de Kerklaan is de hoekwoning Kerklaan/Kerkweg. Deze woning staat in de voormalige tuin van Hofhuis. De hoekwoning bestond uit drie aparte woningen. De eigenaar was Oude Piet Geraets. Piet verhuurde alle delen van de woning. Arends woonde aan de kant van de Kerkweg, die had daar een smidse. Later kwam daar smid Klingenberg te wonen, nog later smid Berndt. De andere helft van de woning aan de Kerklaan-kant bestond uit twee woningen. Bies had daar nog een tijdje gewoond, Hemel, Johan Kolker en later zijn broer Bennie. In mijn tijd was de hoekwoning een dubbele woning. Aan de ene kant woonde daar Hendrik Jeurissen (Hendrik de Fluiter), aan de andere kant smit Berndt. Vlak naast de hoekwoning aan de Kerkweg staat nog zijn smederij. Het is het laatste stukje nostalgie uit een ver verleden.

Geschreven door Henk Beukers

Loewe

Loewe

Wanneer ik terug kijk op mijn jeugd komen vele bijzondere mensen voorbij. Eentje die me bijzonder is bijgebleven is Louis, ook wel Loewe genoemd. Loewe was een typ van eerst doen en dan nadenken. Dat leverde een paar bijzondere situaties op. Loewe woonde aan de Kerkweg in een boerderij. Pal naast de boerderij stond een opslagschuur. Het bestond uit vier palen met een golfplaten dak. Het stro was opgeladen tot aan de nok. Helemaal bovenin onder het puntdak bevond zich een ruimte waar vaak kinderen speelden. Zo ook die keer. Zoals kinderen vaak doen maakten ze ruzie met elkaar. Deze keer met Loewe. Met een boos gezicht rende hij zijn huis in. Om na enige tijd met lucifer in de hand weer naar buiten te komen. Loewe loste de ruzie op zijn eigen manier op, hij stak het zooitje gewoon in de fik. Probleem opgelost, toch? Alle overige kinderen waren naar beneden gekomen en stonden verbaast naar Loewe te kijken. Op hetzelfde moment speelde ik op de Kerklaan met Willie, Harry en de Vinken. Op het eind van de Kerklaan zagen we voor de kerk een gillende rode brandweerwagen langssnellen. We renden naar de Kerkweg en zagen verderop een opstootje van mensen. Daar moest iets loos zijn. We renden er naar toe en bleven verstokt staan. Voor ons openbaarde zich een gigantische vuurzee onder een golfplaten dak. Pal naast de vuurzee stond de boerderij van Loewe. De brandweer deed vooral moeite om het dak nat te houden. Uiteindelijk werd de boerderij gered maar het stro heeft nog dagenlang nagesmeuld. Jaren later, als zestienjarige, werd Loewe op zijn bromfiets, een witte Puch, in Emmen aangehouden door een agent. Loewe reed op het voetpad en kreeg daar een bekeuring voor. Een half uur later stond hij voor café Keuter, een van onze hangplekken, te snoeven dat hij een agent voor de gek had gehouden. Hij had een valse naam en adres opgegeven. Hij had de agent verteld dat hij een zoon was van Gert en Hermien Timmerman. Als hangjongeren stonden we allemaal met Loewe mee te lachen. Totdat iemand vroeg of de agent ook zijn nummerplaatje op het achterspatbord genoteerd had. ‘Ja, dat wel, maar dat maakt ja nie uut’, lachte Loewe. Iedereen werd stil. Alleen Loewe had nog steeds groot plezier. Hij werd pas stil toen een politieauto langzaam voorbij reed die een adres leek te zoeken. Verbaast keek hij de auto na en zag hoe deze het oprit van zijn huis opreed. Tegelijkertijd barsten alle overige hangjongeren in lachen uit. ‘Nee Loewe, dat noteren maakte niks uut’. Met een boerenkiespijngezicht nam Loewe plaats op zijn bromfiets. ‘Dat wordt een bloedvlekkie op het behang’, mompelde hij nog en reed naar huis. Zoals gezegd had Loewe een witte Puch als bromfiets. Wij noemden zijn bromfiets ‘Het Witte Spook’. Loewe had zijn eigen rijstijl die vooral te danken was aan zijn ad hoc gedrag. Zo reed hij die keer vanuit Nieuw Amsterdam langs het Verlengde Hoogeveense Kanaal richting Erica. Loewe zag een mooi meisje aan de overkant van de straat en begon als een bronstige beer te loeien. Hij ging rechtop de pedalen van zijn Puch staan om maar indruk te maken op het meisje. Die keek wijselijk niet op. Loewe begon te gillen en keek over zijn schouders het meisje na. Met zijn kin nog op de linker schouder reed hij pardoes het donkere kanaal in. Drijfnat kroop hij even later de wal op, zijn linkerhand hield hij het Natte Spook vast. Loewe was eindelijk afgekoeld. De week erop zat hij elke avond bij Wietse Moorman, de fietsenmaker, zijn bromfiets schoon te maken. Voor Wietse zijn huis hadden wij ook een hangplek. We waren daar al een tijdje aan het hangen tot Loewe voorbij kwam. Loewe drukte zijn dode Witte Spook aan op de Kerklaan. Hij had de bromfiets in de werkplaats helemaal schoon gemaakt, nu moest dat kreng rijden. Er gebeurde echter niets. Na een paar keer de Kerklaan op en neer te zijn geweest kwam hij hijgend bij ons staan. ‘Hij wul nie’, concludeerde de genie. Wij zagen snel waarom. Het vliegwiel ontbrak. Die zat er niet voor niets op maar Loewe vond dat ding blijkbaar maar onzin. Hij vroeg ons advies. Kijk, daar zijn we nooit te beroerd voor. We besnuffelden het Witte Spook en zagen dat er een BING-carburateur op zat. Dasniegoe. Die carburateur moest eraf. Daar moest een BANG-carburateur op, die was bij Corry Capelle verkrijgbaar. ‘Echt?’, vroeg Loewe. ‘Jahaa’, riepen wij met een serieus gezicht, ‘anders doet de bromfiets BINGBANG, dakannie’. Zo toog Loewe met het defecte Spook in de hand naar Corry. Een Bang-carburateur is er nooit opgekomen, die bestond niet eens. Een half jaar later kwamen we bij de Vinken thuis. Daar hadden ze iets bijzonders, een kleurentelevisie. Het bijzonder aan deze kleurentelevisie was dat het op afstand bedienbaar was, snoerloos. Een nieuwigheidje, daar gingen we een poosje mee experimenteren. Na wat gerommel in het achterhuis kwam Loewe binnenvallen. ‘Wat’n mooie kleurn teluvisie ja’, riep Loewe. Ik had de afstandsbediening onzichtbaar naast me neer gelegd. Wij wisten niet van het bestaan van een snoerloze afstandsbediening, Loewe zeker niet. ‘Loewe, a’j in de haand’n klapt giet ‘t geluud harder’, riep eentje. Loewe keek naar de televisie, ‘gao toch hin’. Hij klapte in zijn hand. Tot zijn grote verbazing nam het geluid toe. Wij kwamen op dreef. ‘A’j twei keer klapt giet ie zachter’. Loewe klapte twee keer en het geluid nam af. ‘Krieg nou wat’, mompelde hij verbaast. Na een aantal keren het geluid harder en zachter te hebben geklapt bekwam hij een beetje van verbazing. ‘Loewe, a’j blaost dan gaon de kleur’n van ‘t scherm af’. Loewe begon een beetje verkrampt te lachen. Hij blies voorzichtig naar de televisie. ‘Harder’, riepen we. Loewe nam een ademteug en blies naar de televisie waar de kleuren langzaam wegsmolten. Loewe hield prompt op met blazen en keek ongelovig naar de televisie. ‘A’j zoegt komen de kleuren weer trugge’, adviseerden de deskundigen op de bank. We stapten op en lieten Loewe vol verbazing al handenklappend, blazend en zuigend achter. Tja, dat is de moderne tijd. Toen we achttien jaar waren gingen we een keer in de winter met de auto van Frans Vinke naar Nieuw Amsterdam. Frans had zo’n Simca waar de snuit en kont van de auto even lang en vierkant waren. Zoals een kind een auto tekent. Het was zaterdagavond en we gingen naar de disco. Op het eind van de avond kwamen we Loewe tegen. Loewe was gekleed in een hippe paars glanzende zijden discoblouse. Hij vroeg ons of hij mee kon rijden naar Erica. Net als wij wilde hij naar café Telkamp, de huidige Koperbar. De auto was echter vol. Geen nood, Loewe ging achterop de auto zitten, hij hield zich wel vast aan de dakgoot. Frans beloofde niet harder te rijden dan vijftig km/uur. Halverwege Erica zagen we door de achterruit een wapperende hippe paars glanzende zijden discoblouse. Op het dashboard ging de snelheidsmeter richting tachtig km/uur. Toen we de auto voor café Telkamp parkeerden en uitstapten bleef Loewe zitten. Zijn gezicht had dezelfde kleur zijn blouse, namelijk paars. We moesten hem bijna van de Simca afbikken. ‘K, k, koud’, mompelde het standbeeld. In het café had hij echter snel zijn praatjes weer terug. De zomer erop ging Loewe met ons mee op vakantie naar Oostenrijk. Niemand van ons had ooit bergen gezien, we maakten daar flinke bergwandelingen. Tijdens zo’n wandeling gaf Loewe aan ‘uut de broek’ te moeten. Poepen dus. Hij klom een stuk de berg op en keek om of we wel uit het zicht waren. Loewe wilde bij deze discrete handeling absoluut geen pottenkijkers. We hadden daar begrip voor en liepen alvast vooruit. We volgden het pad dat spiraalsgewijs de berg op liep. Na een tijdje waren we terug op de plek alleen iets hoger op de berg. Daar had Loewe geen rekening mee gehouden. Tussen de struiken zagen we zijn witte togus uit het bladerdek steken. We gingen vlak achter hem staan en fluisterden in zijn oortje, ‘Moi Loewe, giet ‘n bietie’? Als door een wesp gestoken schoot de blanke derrière dieper de struiken in. We bleven dit keer staan en draaiden ons om, we wachten geduldig tot het gevloek in de struiken eindigde. Onze jeugd trok voorbij, Loewe ging zijn eigen weg en verdween uit Erica. Vele jaren later, wel meer dan twintig, stopte voor mijn huis een Volvo stationwagon, de bestuurder vloekte eerst en vroeg toen de weg. Het was Loewe.

Geschreven door Henk Beukers

6 of 9
123456789