Silvester

Silvester

In de zestiger jaren zag oudejaarsavond er geheel anders uit dan tegenwoordig. Van siervuurwerk en geknal was vrijwel geen sprake. Onze eerste aanraking met vuurwerk betrof een, in onze ogen, wat oudere jongen die schichtig om zich heen keek en zachtjes met zijn kameraad sprak. Even later haalde hij twee rode staafjes uit zijn broekzak waaraan een kort zwart lontje zat. ‘Voetzoekers’, hoorden we ze tegen elkaar zeggen. We keken mekaar met grote ogen aan. ‘Wauw’, echte voetzoekers. Uhh, wat zijn dat? We keken naar onze schoenen waarin onze voeten zorgvuldig waren ingepakt. Hoe zoekt zo’n ding nu voeten? Zit daar een snuffelneus in zo´n rotje die voeten opspoort? Nieuwgierig kwamen we dichterbij. Bennie drukten we voorop, die had met zijn meurende voeten weinig te vrezen. De oudere jongen haalde een doosje Zwaluw lucifer uit zijn broekzak. Even later snisterde een rotje op straat. Aanvankelijk gebeurde er niets maar ineens zoefte een rotje her en der tussen ons door. We verdwenen in een grote wolk rook. Zo snel het kwam verdween het ook weer. Het rotje lag verderop nog even na te stuiptrekken, uit zijn achterste kwam nog een sliertje rook. Het ding had geen voet gevonden. Nieuwsgierig naderden we het dode rotje. De grote jongens liepen grinnikend verder. ‘Misschien had ie ‘n snutneuse en kon ie gien voet’n roek’n’ fluisterden we. Henk Vinke had ook altijd twee bokkepootjes onder de neus hangen, die rook ook niets. Het was onze eerste kennismaking met vuurwerk, het ergste moest nog komen. We kregen die avond te horen dat we gingen logeren bij opa en opoe. Die woonden op de hoek van de Kerkweg en Duikerstraat. Pa en Ma gingen de oudejaarsavond daar uitzitten. Toen we ‘s avonds daar aankwamen moesten we al vroeg naar bed. Vanuit de woonkamer kwamen we via een klein portaaltje in de voorkamer. Dat was indrukwekkend, we keken onze ogen uit. De voorkamer werd in die tijd alleen gebruikt als de pastoor op visite kwam. Het rook er een beetje muf. We gingen in de sjieke stoelen zitten en zaten overal met onze handjes aan, ondanks de vermaningen van opoe. Op de ramen waren bovenaan witte bloemmotiefjes geschilderd, indrukwekkend. Voor de gevelmuur stond een koude glimmende kolenkachel met een schouw. Op de schouw stonden allerlei dingetjes waaronder een hondje. Die had opa ooit uit de puinhopen in Duitsland gevist toen hij daar tijdens de oorlog moest werken. Gerard kreeg het hondje te pakken. Nieuwsgierig werd het hondje van alle kanten bekeken en besnuffeld. Onder de staart zat een wit parelmoeren knoopje. ‘Een hontie met ‘n glaaz’n kontie’ concludeerde Gerard. Gek dat zo’n uitspraak na al die jaren je zo kan bijblijven. Oma bracht ons naar het slaapkamertje waar Ma als kind ook had geslapen. Het was een bed met hoge zijschotten. Wanneer deze hindernis was genomen belanden we in een bed met een enorm dekbed gevuld met ganzendons. Het bed leek wel op een grote nest, wij waren de kuikens. Ma kwam nog even truste zeggen en zei dat we vannacht niet moesten gaan schrikken. Buurjongen Herman, aan de overkant van de Duikerstraat, ging om twaalf uur een Gillende Keukenmeid afsteken. Ma deed het licht uit, het werd stil. ‘Zul dat nie zeer doen, as ze zo´n wief afsteek´n’ vroeg Jos zich af. ‘Hoe hoog get zo’n wief wel nie’ zei Gerard. We vroegen ons totaal niet af of de Keukenmeid er wel mee eens zou zijn om afgestoken te worden. We gingen slapen, om twaalf uur werden we wakker van een ijzingwekkend gegil. ‘Daor giet ze’ concludeerde Henk. We kropen toch wel een beetje bang tegen elkaar aan. De volgende morgen waren Pa en Ma al vertrokken. We kregen van opoe boterhammen met roomboter. Het smeerde voor geen meter maar het was wel lekker. Na het eten trokken we onze nieuwe winterjassen aan. We hadden elk dezelfde jas, we waren net een drieling. Van opoe kregen we een ei mee, voor onderweg naar ons huis aan de Havenstraat. Voor de kerk liep de struif ons uit de jaszakken. Opoe had ons zachtgekookte eieren meegegeven. Enkele jaren later gingen we vuurwerk halen in Schoonebeek. Iemand had ons verteld dat daar vuurwerk te koop was. We togen op onze fietsen richting de Peel. We namen de brug over het Dommerskanaal, dan direct rechtsaf en dan direct weer linksaf. Hobbelend over het landelijke klinkerweggetje, de enige weg naar Schoonebeek, kwamen we langs een eenzame lantaarnpaal. Het was een eikpunt in een totaal onbekende wereld. Daar doemde het NAM-kantoor rechts van ons op, we schoten op. Nog een paar kilometer hobbelen, dan waren we in Schoonebeek. Hier kochten we voor zes gulden aan astronautjes en mitrailleurbanden. Thuis trokken we de mitrailleurband uit elkaar. We hadden dan honderden kippenscheten. Om het huis hoopte de rode papiertroep zich steeds meer op. Af en toe spiekten we naar binnen en zochten Ma. Als Ma van de knal schrok liet ze soms pardoes iets vallen. We snurkten dan als verkouden varkens. Later was er veel zwaarder vuurwerk te koop. Geen astronautjes maar atoombommen. Die knalden tien keer zo hard dan een astronaut. Met die atoombommen gingen we leuke dingen doen. In de schuur vonden we een oude zadel met de zadelpen er nog aan. De zadelpen was aan de bovenkant dicht. Hiermee toogden we naar het grasveldje aan de Eendrachtstraat naast de opslag van de Heidemei. Tegenwoordig zit daar het Wildhofje. We legden de zadel op de grond, staken een atoombom aan en lieten die in de open zadelpen vallen. Met een baksteen werd een tapse schoffelkruk in de buis geramd. Na de explosie vloog de kruk zo hoog de lucht in dat we het niet meer konden zien. Als we na een tiental seconden een doffe PLOF hoorden hadden we de schoffelkruk terug. Soms plofte de kruk pal naast iemand in het gras. Wij zagen echter geen gevaar, de volgende atoombom rookte al. We deden helaas ook minder nette dingen. Zo’n atoombom in een groene plastic brievenbus liet van de bus geen flar heel. Nog minder netjes was het om eerst bij de eigenaar van de brievenbus op het raam te kloppen. Wanneer die het gordijn open deed kon hij nog net zien hoe zijn brievenbus uit elkaar spatte. We deden dit overigs maar twee keer. Als volwassene werd bij mij twee keer de brievenbus opgeblazen, eigen schuld, het lot zegevierde. Zie het als een soort van WiederGutMachung. Geef een tiener een zware rotje en hij blaast er iets mee op. Zoals Harry die, zodra hij thuiskwam van rotjes kopen uit Schoonebeek, een rotje in de brievenbus van zijn buurman gooide. Het was notabene overdag en iedereen kon het zien. Gevolg, Harry kon gelijk naar binnen en mocht die avond en nacht niet met ons mee. Als vijftien- zestienjarigen struinden we op de oudejaarsavond naar spullen die we voor de kerk zetten. Slepen noemden we dat. Een honderden jaren oude traditie. Toen we merkten dat de mensen blij waren van de troep af te zijn stopten we subiet. We zochten andere jongensgroepen op om mekaar te bekogelen met astronauten. Complete veldslagen werden zo uitgevochten. Tegen tienen gingen we naar huis, deels omdat we trek hadden in iets lekkers, deels omdat we tot op het bot verkleumd waren. Na twaalf uur zochtten we mekaar weer op en trokken we Erica in. Overal waar licht brandden denderden we populair naar binnen en riepen we ‘Gelukkig neijaor’. We kwamen in lege huizen waar alle deuren open stonden en de lichten volop brandden. De bewoners waren bij de buren. Geen nood, we liepen de kamer rond en togen weer naar buiten. Niet zonder de visschotels op de salontafel volledig leeg te hebben gevreten. Van alle belevenissen rond de jaarwisselingen bleef mij toch een ding in het bijzonder bij. Het was de Gillende Keukenmeid die zich zo gewillig liet afsteken.

Geschreven door Henk Beukers

De windbuks

De windbuks

Wanneer Pa en Ma even afwezig waren moest huis en haard verdedigd worden tegen de vijand. Wapens werden verzameld. De paraplu, een hark en een steelpan. De deksel van de waspot diende als schild, de vijand was namelijk niet gek. Op de keukentafel werden alle wapens uitgestald. Veruit het belangrijkste wapen was de windbuks. Zolang de ouders van huis waren ijsbeerde ik door de kamer met de buks op de schouder. Alle ramen werden door de broers verdedigd. Geduldig zaten we op de vijand te wachten. Toen die na een half uur nog niet verscheen begon de verveling toe te slaan. Even later slopen we om het huis. Misschien was de vijand een beetje in de war. In de moestuin bleven onze ogen gericht op de hoge zaadkoppen van de uien. Deze stonden wel erg uitnodigend te priemen in de lucht. De buks werd aangelegd, even later knikte de eerste steel en boog de zaadkop als een lakei. De tweede, derde en vierde volgden al snel. Telkens wanneer een vijand neer ging welde een gejuich op in de frambozenstruiken. Toen de laatste zaadkop het loodje legde gingen we op zoek naar meer vijanden. Die waren er niet. Wim, de jongste aanwezige broer, moest de kruiwagen rechtop zetten achter in de tuin, daarachter nam hij plaats. We wachten tot hij zijn blonde kop over de rand stak en schoten met de windbuks. Na een harde PING op de kruiwagen verdween de blonde lok en hoorden we vaag een vloek mompelen. Deze vijand viel om de drommel niet mee, het was trouwens al een kunst om de kruiwagen te raken. We merkten niet dat Pa en Ma inmiddels weer in huis waren. Het verlaten huis stond wagenwijd open. Verbaasd keken ze naar de hark op tafel. Die lag naast de paraplu en een bak met ontbijtmessen. In de verte hoorden ze gejuich. Achter het huis vonden Pa en Ma hun lieve zonen. Wat moeten jullie met de windbuks en waar schieten jullie op? vroeg ma. Het gezicht van Ma werd een beetje wit toen Wim vrolijk zwaaiend achter de kruiwagen wegstapte. We moesten de windbuks direct inleveren. Met een sip gezicht sloften we voor een boze moeder uit het huis in. Pa stond met de windbuks in de hand naar zijn uien te kijken. Alle opgeschoten zaadkoppen lagen plat terwijl geen voetstap in het zachte zand te zien was. Even keek hij naar de windbuks. Hij schudde zijn hoofd, nee, dat kan niet. Het zal de wind wel zijn. De windbuks bleef zo een aantal weken buiten ons bereik. Toen mochten we weer. Ma waarschuwde ons vooral niet aan de zuidkant van het huis te komen. Vrouw Brink, onze bejaarde buurvrouw, was als de dood voor geweren en dat soort spul. Met onze trouwe blauwe ogen keken we Ma aan en beloofden niet aan de zuidkant van het huis te komen. Achter het huis keken we rond waarop we konden schieten. We wilden niet onze neef Herry nadoen. Die zette zijn hok met kanaries op een stronk en doorzeefde het met loden kogeltjes uit de windbuks. Menig kanarie sneefde die middag. Je kunt trouwens wat beleven met die kanaries. Mijn kameraad had een kanariekooi en wilde die schoonmaken. Hij zette het deurtje wagenwijd open want hij had gehoord dat je een kanarie gewoon kon laten vliegen in huis. Nadat hij de kooi had schoongemaakt zocht hij in de kamer naar de kanarie. Die hing aan een gordijn in de voorkamer. Met wat handgeklap werd het beestje opgejaagd. Het gele bolletje vloog van de voorkamer naar de keuken en verdween pardoes in het gat van de geiser. Die brandde op dat moment naar hartenlust omdat iemand stond te douchen. Door het gat zag je nog net een paar verkoolde vleugeltjes nawapperen boven de blauwe gasvlammen. Afijn, de kooi was schoon. Met de windbuks in de hand stonden we heel even naar de kippen te loensen. ‘Waog ‘t niet om op de kipp’n te schiet’n’, riep moeder nog. We vonden een glazen jampotje en zette die op de paal van de kippenren. We namen afstand en begonnen te schieten. Elke keer als we een PING hoorden had degene die schoot een punt verdiend. Soms hoorden we een harde PING waarbij het jampotje van de paal kukelde, soms een zachte PING waarbij het jampotje niet bewoog. Maar PING is PING, dus een punt. Tot een zeer boze moeder verscheen. ‘Wat he’k jullie nou zegt, niet op het zuud’n van ‘t huus’. Verschrikt keken we Ma aan, We waren niet op het zuiden van het huis. Toch moesten we van Ma in huis komen. Daar zat een doodsbange oud vrouwtje nog na te zeveren van een benauwd avontuur. Het was buurvrouw Brink. Schokkend vertelde ze dat tijdens het middagdutje haar de kogels om de oren vlogen. Ze moest in vuurdekking en had in tijgersluipgang haar slaapkamer moeten verlaten. Verbaasd stonden we even later bij haar slaapkamerraam. In het glas zat een gat. Wanneer je daar doorheen keek zag je in de achterwand naast de deur diverse gaatjes. Coool. We draaiden ons om en zagen precies in het verlengde van het schootsveld ons jampotje op de paal van de kippenren staan. We kregen ruzie, de zachte PINGEN die we hoorden na een schot met de windbuks telden niet mee. Toen werd niet het jampotje geraakt maar buurvrouw Brink. Dat is toch anders. De windbuks ging weer voor een tijdje de kast in. Toen we weer mochten schieten gingen we oefenen op ons huisnummerbordje. We woonden op 107 waarbij de nul een roos vormde. We schoten op de nul tot het blik was verfrommeld. Alles ging goed, we waren braaf bezig met de windbuks. Tot Frans Vinke kwam. Frans droeg een legerjas, daarmee was hij een militair. Hij noemde onze windbuks smalend een proppenschieter en daagde ons uit op hem te schieten als hij weg fietste. Ach, dat wilden we wel. We wachten geduldig tot Frans halverwege het sintelpad fietste richting de Havenstraat. Ik legde aan, stelde het vizier een beetje bij en schoot. Frans gaf een gil en viel van zijn fiets. Tevreden knorrend keken we elkaar aan. Naar Frans toe gelopen zat hij grinnekend tussen een paar zonnebloemen. Precies midden op zijn legerjas zat een donker drukplekje. Nog steeds een proppenschieter Frans? Ma had tot afgrijzen het hele schouwspel aangezien. Dit keer was het afgelopen, we moesten alle kogeltjes inleveren en mochten ook geen nieuwe meer kopen. Een week later zat Ma met een pincet bij mij een kersenpit uit de bil te pulken. Vaag grinnikend zei Jos dat een kleine kersenpit prima in de windbuks paste. Het was de laatste keer dat we als tiener de windbuks zagen.

Geschreven door Henk beukers

Beesten om ons huis

Beesten om ons huis

Onze eerste huisdier die we aan de Havenstraat mochten begroeten was hond Lexie, een Jack Russel. Lexie kwam van mijn oom Minne. Mijn oom stond toentertijd op Erica bekend als ‘Minne met de iene niere’. Bij oom Minne hadden de kinderen de gewoonte om Lexie te pesten. Onder luid gelach werden steentjes naar zijn kop gegooid. Dan kon ie zo lekker grommen. Lexie was naar hartenlust verpest en was een chagrijnige hond. Een streel over de kop van Lexie kon uitlopen op een beet in de vinger. Toen Lexie vaker ging bijten werd het beestje bij ons afgeleverd. Wij waren blij met Lexie. We hadden niks, we waren overal blij mee. Trots liepen we om het huis met Lexie aan de lijn. Aan de Havenstraat zagen we de jongens van Bekelaar lopen. Hun moeder was een dochter van Poelman de jager. Die lui van Beekelaar mochten we niet. Niet om het een of ander, gewoon zomaar. Die joegen we Lexie aan. Lexie deed waar het goed in was, grommen en grauwen. Al spoedig renden de jongens van Bekelaar voor ons uit, dan kwam Lexie, dan een stuk strak touw, dan een paar meegezeulde tevreden knorrende jongens van Beukers. We hadden een wapen, Lexie. Een nadeel van het wapen was dat het soms tegen ons keerde. Herhaaldelijk werden we gebeten. Dit ging zo een paar keer door. Tot Pa de wenkbrauwen fronste. Een dag later was Lexie verdwenen. We zochten overal. Achter de schuur, bij de buren, op de Havenstraat, overal. Een week later vonden we de hond. Waarom kwam Lexie niet keffend naar ons toe? Lexie had een goed excuus om niet naar ons toe te rennen. Lexie was verzopen. Een pofferig Lexie dreef zachtjes en stilletjes in de eerste Boerenwijk. Om zijn hals bevond zich een touw met een vijftal bakstenen. We waren woest. De volgende ochtend werden aan de Havenstraat de jongens van Bekelaar opgewacht door de jongens van Beukers. ‘Jullie hebb’n oonse hond verzeup’n’, schreeuwden we en vlogen ze aan. D’r vielen een paar rake klappen. De Bekelaartjes jammerden dat ze van niets wisten. ‘Nog lieg’n ok’?!! PATS ging het weer. Uiteindelijk werden de jongens van Bekelaar ontzet door hun oudere broer. Nu moesten wij maken dat we wegkwamen. Vele jaren later bekende Pa dat hij degene was die Lexie in het kanaal had gegooid. ‘Ondanks alle stien’n kwam hij toch nog boov’n driev’n, toen he’k hum maor onderdrukt’ was zijn nuchtere uitleg. Achteraf de juiste beslissing. In die tijd was een dierenarts onbetaalbaar. Een vals dier werd in die tijd verkocht aan ‘Jan Plomp’. Na Lexie kwamen de katten. Tot afgrijzen zagen wij dat de moederpoes telkens haar jongen doodbeet. Op een pikzwarte jong na. Jarenlang hebben we zodoende pikzwarte katten gehad. Moederpoes kreeg een ferme trap onder de staart wanneer we weer dode jonge katjes in haar nest vonden. Hoe is het toch mogelijk dat die kat steeds een zwarte jong liet leven. Wat moederpoes niet wist en wij ook niet: Pa hield van zwart. Een keer liet moederpoes een zwart-wit bont gekleurde jong leven. Waar kwam die zo gauw weg? Het beestje lag niet in het nest. Wij waren verrast, Pa ook. Dan moet het wel een goeie kat zijn. Hij mocht blijven. Toen het jong groot was moesten we van Pa een keus maken. Een van de katten moest weg. We konden het niet over ons hart verkrijgen om de jongste kat weg te doen. Op een vroege ochtend stonden we op de Strengdijk en kieperden een zak leeg. Een gitzwarte kat stond nieuwgierig om zich heen te kijken. Een tel later waren we weg. Boer Jans Bruins had er weer een kat bij. Onze overige katten sneefden steevast onder een auto op de Havenstraat. Die moesten op ons erf begraven worden. Zo kreeg broer Chris een keer de zware taak op zijn schouders. Bij gebrek aan een kruis begroef hij de kat met de staart boven de grond. Op die manier voorkwam hij het zoekraken van het graf. Handig. Jaren later kwam mijn jongste broer Herwin met een pub in zijn armen aangelopen. Bij buurman Roling had de hond jongen gekregen. Herwin mocht zomaar een pub uit het nest kiezen. We keken allemaal vertederend naar het hondje, een teefje. Behalve Ma, die keek even verwijtend naar het huis van Rolink. De volgende 17 jaar werden we steevast in huis verwelkomt door Loekie, een kleine rassenhond waar we allemaal zo verschrikkelijk wijs mee waren. Loekie werd heel oud en kon op het laatst niet meer. Loekie kreeg een spuitje en werd tot mijn afgrijzen achter gelaten bij de dierenarts. Onze trouwe Loekie kreeg zodoende geen waardig grafje op ons erf. Jammer maar het is niet anders.Na Loekie kwamen achttien ganzen. Een van de ganzen werd bij bakker Gerard Kolker geruild tegen een gent. In het afgerikte weiland werden steeds twee deuren tegen elkaar gezet en vormden zo een dakje. Daaronder broedden de ganzen. De vrouwtjes werd bewaakt door de gent. Die beet nog harder dan Lexie. Wanneer Ma de beesten had gevoerd moest ze over het gaas stappen. Dan had ze een seconde nodig om zich om te draaien. Op die seconde wachtte de gent. HAP. Ma had er weer een blauwe plek bij. De ganzen bezorgde buurman Willem Wessel bijna een hartverzakking. De ganzen konden met hun geknipte vleugels niet vliegen. Maar een harde windvlaag tilde de dieren moeiteloos op. Zo ook die keer. Een sterke windvlaag hief een drietal ganzen hoog in de lucht en ze ploften zo’n dertig meter verder als massieve witte bollen terug op aarde. Pal naast de buurman. Die was bezig met onkruid wieden in zijn moestuin. Het plotseling daverend witte geweld uit de hemel deed hem bijna zijn adem stokken. Dat was gelijk het einde van de ganzen. Wegvliegen?, ze verdwenen allemaal in de pot. Toen kwamen de kalkoenen. Daarvan kan ik me herinneren dat eentje ziek was. Het beest stond tegen het gaas te treuren, d’r zat geen muziek meer in. De kalkoen at niet en dronk niet. Als we niets deden dan ging het beest dood. Pa wreef zich bedenkelijk over de kin, toen klaarde zijn gezicht op. ‘We geem die kalkoen een Sinasprilligie’. Als kind knapten we vaak snel op na het innemen van de pijnstiller-met-sinasappelsmaak. De kalkoen kreeg een halve Sinaspril in de strot geduwd. Nieuwsgierig bleven we een kwartier staan kijken hoe het met de kalkoen verging. Die maakte de kwartier niet vol. Stuiptrekkend liet die na 10 minuten het leven. ‘Hmm, we hadd’n hum ‘n kwart tablettie moet’n geem’, concludeerde vader. Einde kalkoenentijdperk. Wederom kreeg Chris de taak om de kalkoen achter in de tuin te begraven. Als recalcitrante tiener had hij wel andere dingen te doen. De diepte van het graf was omgekeerd evenredig met de zin tot graven. Enkele weken later sprak het gezicht van de buurvrouw boekdelen. Vrolijk kwispelend was hun hond het huis binnengelopen en had een cadeautje op het tapijt gelegd. Het was de Sinaspril-kalkoen die inmiddels wel eeerrrrug uit de bek stonk.

Geschreven door Henk Beukers

Ons Huus 1

Ons Huus 1

Begin jaren zestig verhuisde de familie Beukers van de Eendrachtstraat naar de Havenstraat. We verhuisden naar een huisje op het veld. Via een zandpad, later sintelpad, die aansloot op de Havenstraat was het huisje bereikbaar. Achter het huis kon je tot aan de horizon kijken. De ‘Skyline’ van Nieuw Amsterdam was duidelijk zichtbaar, maar ook de toren van Sleen. In de verte gleed de trein door het landschap naar Emmen. Maar goed, we hadden nog eerst een klus te klaren. Onze plek veroveren op de kinderen in de buurt. De Voorzienigheid hielp ons daarbij. We kregen Roodvonk, een besmettelijke kinderziekte. Dat werd in de buurt bekend. Alle kinderen werden gewaarschuwd bij ons uit de buurt te blijven. In plaats van ziek te zijn waren we zoals gewoonlijk actief. Schaamteloos joegen we de buurtkinderen uit elkaar en pikten hun hutten in. Als ze niet snel genoeg opschoten wezen we naar de rode vlekjes op onze huid en riepen hun toe, ‘t is besmetteluk heur!’. Ze vlogen voor ons uit. Tevreden knorrend hadden we weer een hut of voetbalveldje veroverd. Ons Huus, gekocht met alle bijeen geschraapte geld van Pa en Ma, was eens het huisje van Poelman. Poelman was een jager van het illustere soort. Zijn gezicht verborg hij grotendeels in een dikke baard en hij had zo zijn eigen opvattingen voor wat betreft jachtvergunning en -seizoenen. Wanneer deze vroeger langs het openbare kerkhof richting het oostelijke gebied van Erica liep (Bargerwesterveld) mompelde opa Beukers aan de Kerkweg, ‘doar lup Poelman ok weer met zien stief bien’. De hazen hadden weer een minne dag. Het was een publiek geheim toentertijd op Erica. Poelman was niet mank maar liep met een stijf been om zijn jachtgeweer te verbergen. Niet veel later sneefde ver achter in het Bargerwesterveld de eerste haas. Poelman schoot alles in repen wat hij voor de loop kreeg en keek niet naar richting. Soms tikten bij huizen aan de Kerkweg de loodkorrels op de dakpannen. Verbaasd keken we in ons nieuwe huis naar een gat in het plafond. Het gat was dichtgemaakt met een dikke kurk. Poelman had daar op een stoel in de kamer gezeten, tijdens het schoonmaken van zijn ‘Flint’ was deze afgegaan en had hierbij dwars door het plafond geschoten. Het huisje, hoe klein ook, werd nog bewoond door het echtpaar Braam. Naast de Deel hadden zij een kamertje en een slaapkamertje. Volgens broer Gerard had vrouw Braam ‘de wereld in de kont’. Vrouw Braam had namelijk het figuur van een globe op steeltjes. Braam dacht recht te hebben op het huis. Hij bleek genoeg rechten te hebben, alleen geen geld. Als tussenoplossing werd afgesproken dat ze een half jaar een gedeelte van het huis konden huren. Na een half jaar vertrok Braam en zijn globe. Ze ‘vergaten’ de huur te betalen. Maar Braam was niet slim genoeg. Zijn turfbult stond nog achter ons huis. Toen hij die turven kwam ophalen kreeg hij van Pa te horen dat eerst de huur moest worden betaald, dan mocht hij de turven opladen. Met een smerig gezicht trok Braam de portemonnee en betaalde de achterstallige huur. Later hoorden we dat hij Pa een ‘minne kerel’ vond. Onze buren was de familie Brink, ook hier was de vrouw een dochter van Poelman. Brink had een zoon, Roelf. Net als Braam dacht ook zijn oomzegger genoeg recht te hebben op ons huis. Hij had echter net zoveel geld als zijn oom, namelijk geen. Roelf Brink was verbitterd over het feit dat anderen ´zijn huisje´ betraden. Als opzichter van de gemeente nam hij op een valse manier wraak op mijn ouders. Toen we het huurhuis aan de Eendrachtstraat verlieten ging hij met een vergrootglas door het huis op zoek naar onregelmatigheden. Zo joeg hij mijn ouders nog even flink op de kosten. Roelf Brink heeft nooit een eigen huis gehad, net goed. Pa en Ma hadden net genoeg geld over om een sloophuis achter Frans Savenije te kopen. Van het sloopmateriaal werd achter ons huis een schuur gebouwd. Alle stenen werden zorgvuldig afgebikt om te worden hergebruikt. Ook de spanten werden weer als spanten hergebruikt voor de schuur. Het metselen ging mijn vader goed af, hij vergat alleen aan een kant het touwtje aan de profielbalk mee te nemen zodat in de muur een verschil van een steen ontstond. Niemand die het zag, behalve oom Bennie, die was dan ook een timmerman. Achter de schuur was het open veld, altijd stond er een harde wind. Toch speeelden we daar vaak voetbal. Pa had een een houten vat gekocht van de AKU. Daarop konden we prachtig staande balanceren. Tot die keer dat ik samen met Chris van de ton af flikkerde. Zijn vingers belandden onder mijn hak. Chris huilde van de pijn. Wij mekkerden dat hij zich niet zo moest aanstellen. Maar Chris huilde door. Hij bleef maar doorhuilen, de aansteller. Ma was gelukkig verstandiger, die vond dat hier een dokter naar moest kijken. Bleek Chris twee gebroken vingers te hebben! Eind van de middag kwam Chris terug, ons zeer verwijtend aankijkend. Verbaasd keken we naar al dat gips aan zijn hand, cool. Door de jaren heen werd ons huis vaak door Pa verbouwd. Het Dak werd verhoogd, kamers werden ruimer, de ramen werden groter, er kwam een slaapkamer bij, het ging maar door. Gelukkig bleef de zolder buiten de verbouwingen. Dat was een tijdje onze koninkrijk. Vanuit het zolderraam kon je kijken naar de Bladderswijk. Hier brandden `s avonds altijd drie lampjes. Die werden door ons al snel de drieling genoemd. Op zolder hadden we zelfs met drie man sterk nog een tijdje geslapen. Hier lagen we dan ‘s avonds vanuit het bed naar de Bladderswijk te kijken en te mijmeren wie op de drieling woonde. Moeder vond de vliering niet langer vertrouwd, te brandgevaarlijk. Temeer toen ze ons betrapte met een kampvuurtje op het nachtkastje. Op zolder waren geen sanitaire voorzieningen. Voor de ‘grote boodschap’ moesten we naar beneden. Voor de ‘kleine boodschap’ hadden we, als jongens, inventieve oplossingen bedacht. Zo uit het zolderraam plassen kon niet. Onder het zolderraam bevond zich de grote raam van de voorkamer. De straal zou ons direct verraden. Een stuk stalen stofzuigerbuis bleek de oplossing. Die vonden we ergens op zolder. Vanuit de zolderraam kon de kromme buis over de windveer van het dak worden gelegd. Plassen maar. Best spannend, dat wel. Met knikkende knieen wachtte ieder op zijn beurt. Op zolder stond een dressoir met drie kastjes en een lade. Van onze ouders mochten de vier oudsten de kastjes verdelen. De verdeling verliep volgens het recht van de sterkste. Gerard en Jos kregen de twee ruime kastjes aan de buitenzijden van het dressoir, ik kreeg het kleinere middenkastje en Wim de lade. Elk kastje en lade had een eigen sleutel. Ieder van ons vulde zijn ruimte met privéspullen. In de praktijk hield dat in, oude Sjors&Sjimmy’s, Donald Ducks en wat speelgoed. In het begin werd ieders stukje privé gerespecteerd. Dat veranderde toen we merkten dat de lade van Wim eenvoudig was te openen met een keukenmes. Een dag later was zijn lade leeg. De maanden erop loensden we ons scheel om te ontdekken waar ieder van ons de sleutel van zijn kastje verstopte. De maand erop was Gerards kastje leeg en Wims lade propvol. Toen was Jos zijn kastje leeg, Wim’s lade leeg, Gerards kastje was al leeg en de mijne propvol. Een dag later was mijn kastje leeg en de deur eruit gesloopt. Dat was het einde van het dressoir maar het leven ging door. Wim kwam met iets leuks. Hij had een mini blaasbalgje gevonden. Alle broers verzamelden om hem heen. Wat was dat nu? Een blaaswatte? Wanneer je d’r in kneep klonk het balgje KOE. Wim werd helemaal enthousiast. Hij wist nog wel zo`n blaasbalgje, die deed KOEK. Die middag speelden we met de miniblaasbalgjes. Achter elkaar. Het ging van KOE KOEK. Leuk. Die avond zat Pa in de stoel een beetje sip voor zich uit te kijken. Voor hem lag een stapeltje voorzichtig in elkaar getrapt houtsnijwerk en wat andere verbogen koperspul. Het was de Koekoeksklok uit de nalatenschap van zijn ouders.

Geschreven door Henk Beukers

Mariechie

Mariechie

Als 10 jarige schooljongen vormde ik met broer Jos, neef Harry, buurjongen Herman, de vrienden Willie, Eric, Bennie, de gebroeders Henk en Rieks Vinke een hechte kameradengroep op Erica. Met name in de vakantieweken waren we vaak in wisselende samenstelling te zien in het veld ver achter Bennie`s huis of in en om het Ericaase bos. Omdat we een stelletje smeerpoetsen waren die overal in doken moesten een aantal van ons van de moeder een overall dragen. Jos en ik hadden een blauwe overall van onze vader, van de AKU in Emmen. Van verre waren we te herkennen aan onze blauwe ‘clubpakken’. Joop, toenmalig beheerder van het Parochiehuis, riep wel eens: ‘O jee, daor kom`n de blauwe overall`s weer aan’. Op de Kerklaan liep dan zo`n groepje slungels die elkaar probeerden te laten strompelen, wat af en toe onder luid gelach lukte. Voor elk seizoen hadden we zo onze verblijfsgebied op Erica. Vaak was dat het ruime veld, soms in een kapschuur of strobult. Neem de periode vlak na de schoolvakantie, in augustus-september. Die periode hadden we speciaal gereserveerd voor Mariechie. Mariechie was een oud vrouwtje die woonde aan de Kerkweg dichtbij de kruising met de Havenstraat. Eigenlijk was van een kruising geen sprake, de twee straten vloeiden in elkaar over tot Ericaase straat. Vroeger stond in de oksel van deze Y-kruising de bakkerij van Ahlers. Het huis was allang verdwenen maar achter de bakkerij bevond zich een boomgaard die bestond uit appelbomen. Deze boomgaard had de tand des tijds doorstaan. Niemand kwam echter zomaar aan de appeltjes. De appelbomen werden door Mariechie bewaakt alsof de bomen de hare waren. Wanneer we in augustus als grote blauwe spreeuwen neerstreken in de boomgaard ging het ons helemaal niet om de appels. Toch waren ze op dat moment voor ons de lekkerste appeltjes op Erica. De boomgaard bestond uit zo`n zevental appelbomen met vruchten die allemaal verschilden van kleur en smaak. Bakker Ahlers had toentertijd vast lekkere appeltaarten in de aanbieding. Al vroeg in de middag klommen we met veel kabaal in de bomen. Ondertussen keken we met een schuin oog verwachtingsvol naar het huisje van Mariechie naast de boomgaard. Zelfs de achterbuurjongen van Mariechie, Bennie Benes, liet zich die middag het plezier niet ontnemen en nam plaats in een van de fruitbomen. Het duurde niet lang of achter het huisje bewoog iets. Reikhalzend probeerden we te ontdekken of daar al iets sudderde. En ja hoor, daar kwam ze aan, onze Mariechie. Niks oud vrouwtje, eerder een felle. Als door een Hoornaar gestoken kwam ze de boomgaard oprennen. Haar knuistje ging omhoog, ‘kom d`r uut rotjong`n, blief van mien appels af!’ krijste ze. Dat was Mariechie ten voeten uit. Glunderend namen we positie op de onderste takken. Het feest ging beginnen. Het vrouwtje kon uiteraard niet meer in de boom klimmen, dat wisten we al jaren, we waren dus veilig. Wat ze wel kon deed ze met volle overgave: het gooien met appels. Appels lagen her en der op de grond, ze had dus genoeg munitie. Telkens als ze een salvo naar boven gooide, soms gepaard met gejuich van ons, maakte dat ze weg kwam. Door de zwaartekracht kwamen de appels immers weer terug, Mariechie was niet gek. Wanneer het weer veilig was voor haar, nadat de laatste appel was teruggevallen, stoof Mariechie weer naar de plek onder de bomen om nieuwe appels voor het volgende salvo te rapen. Ondertussen kreet ze allerlei verwensingen uit richting onze zijde. Voor ons was het allemaal niet gemakkelijk hoor, het was hard werken! Door de slappe lach verloren we bijna de controle over onze armspieren. We hadden de grootse moeite om niet uit de boom te donderen. Daar moesten we toch ook niet aan denken, we konden wel op Mariechie vallen en haar verwonden. Die risico wilden we absoluut niet nemen, we konden haar niet missen. Bovendien was het pas augustus. Mariechie en wij hadden nog alle tijd, de appeloogst was nog lang niet voorbij. Op het laatst kwam het vrouwtje tot de conclusie dat appels gooien geen optie was. Hier paste grover geschut. Scheldend en tierend verdween ze in haar schuurtje achter het huis. Na wat rommelen kwam ze vervaarlijk aanlopen met een mestvork. Elke blauwe spreeuw ging nu een takje hoger. Het was tijd voor de volgende act. Hier kregen we pas waar voor onze appels. We verheugden ons op het volgende schouwspel en keken verwachtingsvol naar beneden. Daar stond een heuse razende heks die geen bezemsteel maar een mestvork naar boven smeet. Elke keer dat de vork de onderste tak raakte riepen de blauwe spreeuwen simultaan van oeoeoeoe en ahhhhh. Echt, we leefden met haar mee en wilden haar niet teleurstellen. Vooral het wegsprinten van het oude vrouwtje na het opwerpen van de mestvork deed telkens opnieuw een lachsalvo opwellen. Wat een sprint kon ze nemen voor een tachtigjarige. Maar Mariechie werd moe, ze was per slot van rekening ook de jongste niet meer. We hadden daar begrip voor en hadden geen bezwaar dat ze even naar huis wandelde voor een korte pauze, als het maar niet te lang duurde. ‘Wacht maar rotjong`n’, schreeuwde de kleine feeks ons toe, ík haal Teunis erbij’. Teunis was haar man en hield niet van appels. Teunis hield overigs nergens wat van maar had thuis niets te zeggen. Ondertussen fluisterden we onderling: ’He`j `t al heurt? Ze haalt Teunis d`r bij’. Handenwringend zaten we ons te verkneukelen op het slotstuk. Het duurde niet lang. Daar kwam Teunis aangesloft. Een verveeld uitkijkend oude man met zijn handen in de zakken die duidelijk helemaal geen zin had om die rotjongens in de appelbomen weg te sturen. Teunis had een talent waar we allemaal erg trots op waren. Teunis had namelijk een enorme schat aan scheldwoorden. Met zijn handen nog steeds in de zakken nam hij plaats onder de bomen en keek naar boven, ‘Ik snie joe van boov`n tot benee`n open, stukk`n galgenaas’, schold hij dan. Dat ging zo een aantal minuten door waarbij we de ergste ziekten en aanverwante complicaties naar onze hoofden geslingerd kregen. Vol bewondering zaten we hem aan te gapen. Wauw, waar haalde hij het toch allemaal vandaan. Hier kon je nog eens wat van leren. Buurjongen Bennie kreeg het nu erg moeilijk, bij elke nieuwe verwensing schoot hij nog verder in de lachstuip. Bennie was nog niets gewend, wij waren al veel verder. Dusss. Op gegeven ogenblik was het stil. Teunis was door zijn repertoire heen. Zwijgend, zijn handen bleven in de zakken, draaide hij zich om en liep terug naar huis. Wat mochten wij die man graag. We riepen nog net niet ‘tot morgen Teun’. De voorstelling was voor die middag voorbij. We verlieten de boomgaard en gingen het veld in om hutten te bouwen. Met het verstrijken der jaren veranderde er iets bij Mariechie. Ze werd oud, ze kwam niet meer naar buiten. Bezorgd gooiden we vanuit de bomen een paar appels tegen haar voordeur. Mariechie bleef echter weg, Teunis ook. Voor ons was het niet meer leuk. Als het zo moet. Voornamelijk uit protest bleven wij ook weg. Het jaar erop bleef de boomgaard leeg van blauwe spreeuwen, de appels werden rijp, vielen op de grond en kregen een roemloos eind in het hoge gras.

Geschreven door H. Beukers

Eendrachtstraat

Eendrachtstraat

Ik was twee jaar toen we verhuisden van de Havenstraat naar de Eendrachtstraat op Erica. Het was 1958. Het was de tijd waar we nog geloofden dat schapenwolkjes uit echte schapen bestonden. Mijn eerste onzekere stapjes deed ik op het tegelpad voor het huis. Om vervolgens bruut omgekegeld te worden door het iets oudere buurmeisje. Deze zag in mij een bedreiging. Vooralsnog begon mijn verblijf aan de Eendrachtstraat in een loeiende huilbui. Het leven zag er toen anders uit. Om te beginnen was vrijwel elke vrouw huisvrouw. In die tijd hadden huisvrouwen veel onderling contact. Elk gebeurtenisje was binnen de kortste tijd bij iedereen aan de Eendrachtstraat bekend. Nog een gewoonte uit die tijd was dat elke vrouw trachtte een hele volkstam uit te broeden. Een gezin van acht tot vijftien kinderen was heel normaal. Het gevolg van deze enorme kinderschare was dat het altijd druk op straat was. Elk kind had een autoped, een step, we konden daar behoorlijke snelheden mee halen. Wij hadden een speciale autoped, vader had er een soort van zijspan aangemaakt. We gingen zo snel met de autoped dat de hak van de schoen bijna de nek raakte. Totdat een opvoedkundige ontdekte dat een autoped niet goed was voor het kind. Één been werd teveel getraind, er zou scheefgroei ontstaan in de bekkens en benen. Bovendien was het lastig veterstrikken met één zo´n lang been. De autoped verdween later volledig uit het straatbeeld. In de herfst kregen we van vader een proppenschieter. Daar konden we eikels mee wegschieten. We besloten op de kerkweg een auto of een fietser neer te schieten. Spoedig kwam daar een grote witte auto aangereden. PLOP PLOP PLOP deden onze proppenschietertjes. POING deed de auto en deze stopte. Uit de auto stapte onze achterbuurman, Gerard ‘bakker’ Kolker. Deze bekeek eerst zijn auto en wierp toen zijn blik op een achttal grote kinderogen. Hij begon vertederend te glimlachen en zei dat we ‘noar huus moesten goan’. Hij stapte in de auto en verdween richting Emmen. We renden vlug naar huis, hadden we toch bijna een auto doodgeschoten! In de winter met sneeuw vulde de straat zich met sleetjes. We waren op straat druk aan het sleetje glijden toen een auto verscheen. Het autootje, een Renault 4, stopte en een vrouw verscheen. Het was zuster Nikkebokke, de wijkverpleegster. Deze keek vertederend op ons neer. Ze kwam met een leuk idee. De sleetjes konden worden vastgeknoopt aan de achterbumper. Zo tufte die winterdag een Renault 4 de Eendrachtstraat uit met daarachter een vijftal sleetjes met kinderen die kraaiden van plezier. We mochten zelfs kiezen waar we naar toe wilden. We gilden dat we graag naar het kerkenbos wilden. Het autootje met de sliert sleetjes verdween in het kerkenbos. Een kwartier later verscheen een vijftal kinderen die elk hun sleetje door de sneeuw trokken. Waar was zuster Nikkebokke? Het Renault 4tje met zuster Nikkebokke zat achter in het bos muurvast in de sneeuw. Daar gingen we niet op wachten, we hadden die middag wel wat meer te doen. Op de Eendrachtstraat gebeurde namelijk altijd wel wat. Broertje Wieling was een oudere buurjongen. Broer organiseerde speldagen met heuse prijzen. Hiervoor offerde hij zijn speelgoed op. Zo ook die dag waarbij Broer een spoor uitzette op de Eendrachtstraat. Met krijt had hij grote massieve pijlen getekend op de tweehonderd meter lange Eendrachtstraat. Wij van huize Beukers hadden geluk, wij waren buurjongetjes van Broertje Wielink. Daarom trok hij ons altijd voor. De kinderen van de Eendrachtstraat verzamelden zich op de T-kruising met de Duikerstraat. Met veel kabaal werd de speurtocht gestart. Alleen de kinderen van huize Beukers presteerden om te verdwalen. Toch kregen we van Broer een prijs. Triompfantelijk liepen we met onze prijzen naar de overige kinderen. Vooral van trillende onderlipjes schenen we te genieten. Vrijwel alle huizen aan de Eendrachtstraat kenden we bij naam. Zo had je familie Hoogland, Exel, Veenstra, Middendorp, Wielink, Reuvers, Peters, Immink, Bies en op het eind van de straat, de Groot. Wanneer we ´s avonds in bed lag hoorde we de honden in de verte blaffen. We herkenden elke hond aan het blaffen. Aan de Eendrachtstraat werd het pas laat stil. In die tijd was er nog geen aardgas, velen stookten op turf. Ieder kon toen een stuk veen voor een seizoen afhuren. De turven moest zelf gestoken worden en die werden later gestapeld om te drogen in de wind. Dan was het klaar om vervoerd te worden naar huis. Wanneer het zover was verscheen een vrachtauto van firma Van de Cappele. Een oude Amerikaanse legertruck waarvan de silhouet van de ster op de moterkap nog zichtbaar was. De cabine was rood gespoten en het dak wit. Van de Cappele loste de lading turf voor het huis van de klant. De Eendrachtstraat was die morgen niet doorgankelijk, niemand die zich er druk om maakte. De turven moesten naar de voorraadschuur achter het huis. Iedereen hielp mee, ook de kinderen. Autopedjes, kinderwagentjes of karretjes werd met vier turven volgeladen, moeizaam begon de reis naar achter het huis. Nadien kreeg elk kind een snoepje. Turf werd gestookt in een haard en het vullen was niet ongevaarlijk. Ik besloot mijn moeder een handje te helpen. Met de pook haakte ik voorzichtig het dekseltje uit de ringen. Je keek zo in het zwelgende vuur. Ik pakte een turf en mieterde dat in de kachel, nog een turf volgde. Toen zag ik de verpakking van een tarwobrood. Die propte ik voor de helft in opening van de kachel, snel trok ik mijn handen terug door de hitte. Het nog uitstekende deel van de verpakking van de tarwobrood werd langzaam bruin. Ik zag geen gevaar en stond er met mijn neus bovenop. Plotseling schoten de vlammen hoog uit de kachel. Precies tot aan het witte laken die boven de kachel hing te drogen. Nu werd het toch langzaam tijd om moeder te roepen. Die middag ging de laken op aan de vlammen, evenals mijn wenkbrauwen en wimpers. Gelukkig wist moeder de brandende laken naar beneden te trekken en te doven met haar voeten. Ik kreeg die middag het dringende advies om het vullen van de kachel voortaan aan vader of moeder over te laten. Nou, vooruit dan maar. Aan de Eendrachtstraat hebben we zo´n vijf jaar gewoond. Toen we vertrokken was de huisraad hoog opgestapeld op een wagen, deze werd getrokken door onze toekomstige buurman Brink. De buurman deed er een aantal keren over en alle keren liepen de kinderen van huize Beukers er gedwee achter. Bij de laatste keer kon je, als je goed luisterde, de regendruppels op de kachel horen sissen, die was brandend opgeladen! Die dag verhuisden we naar een nieuwe bestemming aan de Havenstraat. Daar moesten we opnieuw een plek veroveren op de kinderen aldaar, daarover later meer. Vooral door nieuwgierigheid gedreven kwamen de kinderen van de Eendrachtstraat op hun fietsjes nog één keer kijken. Het leven op de Eendrachtstraat ging echter snel verder, de kinderen bleven hierna weg, afscheid werd niet eens genomen.

Geschreven door H. Beukers.

Piscator Latina

Piscator Latina

Erik en ik brachten een keer de zomervakantie door in het inmiddels bekende Groß Dörgen te Duitsland. Onze residentie was de kampeerplaats van Pilzen Hein. Het was die zomer warm en zonnig. De dames besloten te gaan winkelen bij Marktkauf in Meppen. Wij daarentegen namen de kinderen mee en gingen met de auto een leuk visplaats opzoeken langs de rivier de Hase. Die vonden we bij de Norder Radde, een zijriviertje van de Hase. Bij de riviermond brachten we onze strandstoelen in positie en stalden we onze visspullen uit. Vanuit onze stoelen hadden we prachtig zicht op het stroomafwaartse van de Hase. Van opzij stroomde de Norder Radde de Hase in, daar hadden de kinderen een prachtig zwemgelegenheid gevonden. Onze dobbers stroomden van ons af en bleven ver van de spelende kinderen. Iedereen was tevreden, het leven in Groß Dörgen was zo gek nog niet. Al snel plopten een paar kroonkurkjes van bierflesjes uit de koelbox. Af en toe haalden we de lijn op om te kijken of het aas nog aanwezig was en om lange sliertjes wier te verwijderen. Echt bijten wilden de vissen die middag niet maar het koele bier maakte veel goed. Op een gegeven ogenblik liet Erik de lijn helemaal uitvieren in de afwaartse stroom van de Hase. Gretig nam de Hase bezit van de dobber, formaat lichtboei, en zijn fluoriderend lichtgroene drijflijn. De Hase voerde de lijn en dobber steeds verder van hem af. Op het juiste moment zette Erik de vismolen op de rem door de beugel naar voren te klappen. Vanuit zijn stoel kon hij moeiteloos zijn boei in de gaten houden. Af en toe kwamen de kinderen op het droge om iets fris te drinken. Af en toe moesten we de lijnen ophalen omdat de dobbers bijna bezweken onder de verzamelde wier. Zo ook die keer. Erik zetten opnieuw een paar maden aan de haak en liet de lijn met boei weer vieren in de Hase. Op dat moment kwamen de kinderen met veel kabaal uit de Radde om de dorst te lessen met ranja en om een krentenbroodje te eten. Erik deed een greep in de koelbox om de kinderen van het gevraagde te voorzien. Hierdoor werd hij even afgeleid. Zijn vislijn liep van het molentje en zocht langs zijn werphengel, oogje voor oogje, de vrijheid. Pas op het laatst zag Erik zijn lijn wegdrijven, hij schoot uit de stoel en rende de Hase in. Net te laat. Een lichtgroene sliert zocht zijn eigen weg de wijde wereld in, de dobber fier voorop. De stilte in het pittoreske Groß Dörgen werd verbroken door een krachtige vloek. Op dat moment kwamen onze vrouwen de kinderen ophalen. Erik deed zijn beklag maar kon slechts op een afkeurende blik van zijn ega rekenen. Ik bleef met Erik achter terwijl de auto met vrouwen en kinderen terug reed naar onze kampeerplek. Erik nam zijn reservehengel en wij vervolgden onze vismiddag aan de Hase. De vissen beten voor geen meter. Plots kwam ik met een idee. De Hase maakte in het landschap een enorme lus gelijk een schoenveter. Wij zaten te vissen aan de ene kant van de lus terwijl onze kampeerplek zich aan de andere kant van de lus bevond. We hadden eerder hetzelfde parcours met een rubberboot afgelegd en deden daar zo’n 2 uur over. Inmiddels waren we anderhalf uur verder na het onfortuinlijke visongeluk van Erik. ‘Als we nu onze spullen bij elkaar pakken en teruggaan naar onze kampplaats bij Pilzen Hein´,riep ik, ´dan moet jouw lijn daar langs komen drijven, we moeten wel snel zijn want het is al anderhalf uur geleden dat je je lijn verloor’. Erik dacht even na, weldra verscheen een lachje op zijn gezicht. Een kwartier later zoefde onze auto richting Pilzen Hein. Daar aangekomen namen we snel positie bij een pijler onder de Hase Brücke. Als nu de lijn maar niet onderweg was blijven steken aan een overhangende tak of een pluk riet. We wachten geduldig af en tuurden stroomopwaarts in het water waar de zon hinderlijk in schitterde. Een half uur ging voorbij, onze hoop slonk met de minuut. Na ongeveer drie kwartier hoorde ik een enthousiaste kreet van Erik, deze wees naar het midden van de Hase. In de verte dreef een dobber, formaat lichtboei. Deze was inmiddels in de stroming door de lichtere lijn ingehaald. Dreef de dobber aanvankelijk voorop als een verkenner, nu vormde hij de achterhoede en liet zich gewillig meeslepen. Snel namen we onze positie in onder de brug waarbij Erik zijn lege werphengel klaar hield. Met mijn hengel viste ik de uiteinde van de lijn uit het water. Met de lijn in de hand rende ik naar Erik toe. Die stak de lijn snel door het oogje aan de top van de hengel, daarna snel door het tweede oogje, dan de derde oog enzovoort tot hij bij de vismolen was. Daar wikkelde hij de lijn een paar keer om de as en begon aan de hendel te draaien. Eerst langzaam en voorzichtig, toen de lichtgroene lijn zich opwond op het molentje ging het steeds sneller. Met een rood hoofd zag ik Erik aan het molentje van zijn werphengel draaien. Langzaam trok de lijn zich strak sleepte hij de dobber naar zich toe. Hij hield de hengel op en de dobber schoot uit het water. Maar wat schetste onze verbazing? Hij had nog beet ook! Een Voorn van zo`n 15 centimeter zwabberde aan zijn haak. Verrast haalden we de vis van de haak en gooiden het terug in de Hase. Hadden we die middag toch nog iets gevangen.

Geschreven door H. Beukers.

Achter Gradus Prins

Achter Gradus Prins

Lente op Erica.

Naast het voetbalveldje achter de school bevond zich het perceel van Gradus Prins. Dit stukje grond van een halve hectare stond vol met dennenboompjes. Aanvankelijk waren de boompjes bedoeld als dragers van kerstlampjes en dito ballen maar de verkoop viel blijkbaar tegen. De boompjes bleven staan en werden door de jaren heen grote bomen. Het potdichte bosje werd het territorium van Willie, Harry, de Vinken en ik. In het haast ondoordringbare bosje hadden we gangen gemaakt door de onderste dode takken te verwijderen. Zo hadden we een hoofdkamer, de wapenkamer en natuurlijk allerlei vluchtgangen. We wilden ook ondergrondse gangen maken met labyrinten zodat de vijand verdwaalde. Na vijf minuten met de spade in gevecht te zijn geweest met taaie boomwortels zagen van dit plan af. Daar werd je veel te moe van. Bij onraad kropen we als hazen door de gangen. Naast het bosje lag het terrein van Klein Reussie. Hier stonden zo’n vijftal houten keten, elk in zijn eigen staat van ontbinding. Dit terrein was van de Heidemij. Overal stonden lorries, een soort van kiepwagons op stukken smalspoor. Het rook daar naar teer, touw en petroleum. In de vijf keten was het altijd donker en stil. We moesten eerst weten in welke keet Klein Reussie bevond. We namen een strategische positie achter de hek en riepen zangerig: `Klein Reusie, Klein Reeusie´. Klein Reusie was een kort gedrongen driftig mannetje. Weldra vloog een deur open en kwam ons een stuk biels tegemoet. Aha, daar zat hij dus. We hadden dit trucje namelijk met succes eerder toegepast. Op een mooie zomerdag klommen Harry en ik in een van de twee dikke beuken bij de ingang van het kerkenbos. In het dichte bladerdek zagen we boer Venne Dunker in zijn moestuin schoffelen. Het moestuin lag pal naast het bos. Vanuit zo´n vijf meter hoogte hadden door het groene bladerdek goed zicht op het tuintje. Plots werd de stilte verbroken. `Hee, rooie`. Daarna weer stilte. ´Hee, rooie´. De boer keek op en om zich heen maar zag niemand. ´RRRRRooooie´. We zagen dat de boer geïrriteerd werd, zo hij schoffelde hij pardoes een prei af. Natuurlijk waren we hondsbrutaal maar we voelden ons veilig. We moesten de boer nog even door laten sudderen. ´Roo..´zo ver kwam het niet. Woest en schreeuwend liep Venne Dunker het bos in. ´Wie is doar verdomme´!! Hij keek links, hij keek rechts, maar hij keek niet omhoog. Het was doodstil in het kerkebos, zelfs de vogels hielden hun adem in. Langzaam liep hij terug, af en toe snel omkijkend, hopend de dader te kunnen betrappen. Zwijgend pakte hij zijn schoffel op en toog weer aan het werk. Uit het dichte bladerdek klonk tergend zachtjes, ´Rrrroooie’. Venne Dunker liep zowat paars aan, zijn knokkels werden wit om de schoffelsteel. Grinnekend zaten we op een dikke beukentak hem te observeren. Het duurde even maar dan kreeg je ook wat. Dan te bedenken dat boer Venne Dunker helemaal niet rood was. Elke middag om 4 uur stapte Klein Reusie op zijn bromfietsje en verliet het perceel. Vanuit het dennenbosje werd hij door een vijftal paar kinderogen nagekeken. Het terrein was nu van ons. Voorzichtig kwamen we uit het dichte dennenbos tevoorschijn. We klommen op het dak van een van de keten. Die stonden, in een soort van kring, zo’n 2 a 3 meter van elkaar af. We deden tikkertje en hupten van dak naar dak. Dat was leuk. Enkele keten begonnen reeds vervaarlijk te kraken bij elke sprong op het dak. Nog leuker. Alle nieuwelingen in onze club moesten hun mannelijkheid bewijzen door iets uit een van de keten te jatten. Dat bleek niet zo moeilijk. Klein Reusie was weg. Die liet zich al maanden niet meer zien. De werkplek van Heidemij was namelijk opgeheven. Maar gek genoeg werd niets opgeruimd. Heidemij leek dit plekje te zijn vergeten. Nu was het onze wereld, ons koninkrijk. We hadden vrij spel, . Allereerst werd onze wapenkamer flink bijgevuld. Bijlen en hellebaarden (rechte zeisen) werden her en der aan dennentakken gehangen. Tussen de keten werden de ruimtes opgevuld met houten wanden. Al het materiaal lag immers ruim voorhanden. Zo ontstond een fort met heuse torens en valbrug. Stapels kiezelstenen op de daken was onze munitie. Een berg geel zand naast een van de keten was onze vluchtweg. Een sprong van het hoge dak eindigde in het zachte rulle zand. Wat ontbrak was een vijand. Die kwam maar niet. Bij gebrek aan een vijand moesten we maar eentje halen. Een groep jongens werd vriendelijk gevraagd om even langs de hek te lopen. Vervolgens werden ze bestookt met kiezelstenen vanaf onze fort. eindelijk hadden we een vijand. We hadden direct al een flinke tegenslag. De vijand gooide onze kiezelstenen terug. Zo hoog op de daken waren we makkelijke doelwitten. Harry ving met zijn wenkbrauw een steen op. Bloedend en huilend verliet hij de fort en toog naar huis. We gingen in de aanval en de vijand vluchtte weg. Toch maakten we een gevangene. Het was Jonnie, een zeer goed gemanierde jongen met nette kleertjes aan die daar toevallig liep. Die moest in het gevang. De gevangenis bestond uit een klein huisje met een hartje in de deur. Het Gemak, oftewel het schijthuisje. De gevangene werd in het gevang gesmeten. Door het hartje in de deur stak een neusje die neuzelde dat hij alles tegen zijn moeder zou zeggen. Dat verrekte jong, hier pasten alleen zwaardere middelen. Een blik met witte verf werd opengetrokken. In de verf werden sprieten gras gedompeld die al druipend door het hartje van de deur werden geflikkerd. Dat zal hem leren. In het donkere schijthuisje werd maar door geneuzeld. Meer verf volgde. Het geneuzel hield eindelijk op. We maakten de deur van de gevangenis open om het resultaat van onze martelpraktijk te aanschouwen. Druipend van de verf verscheen Jonnie. De verfklodder riep verontwaardigd dat hij alles aan zijn moeder zou gaan vertellen. We keken elkaar aan. Dit ging voor ons niet goed aflopen. We moesten Jonnie redden. Gelukkig waren er nog genoeg blikken terpentine voorhanden. Vijf paar handen gingen Jonnies kleren te lijf met terpentine. Zo´n tweetal blikken terpentine later was Kullie weer verfvrij. Zachtjes soppend en zwaar meurend naar de Heidemij toog hij naar huis. Van de resterende terpentine maakten we in het dennenbosje een vreugdevuur. Dat liep een beetje uit de hand. Ons territorium van dichte dennenbomen werd die middag met een kwart ingeperkt. Op die plek stonden zwarte kale stronken nog stilletjes na te roken. Ongetwijfeld zullen er diverse telefoontoestellen hebben gerinkeld. Niet lang daarna kwam de Heidemij, die nam alles mee. Onze fort werd afgebroken, de lorries opgeladen en wat erger, onze wapenkamer werd geplunderd. En dat terwijl wij op school zaten. Na schooltijd stonden we beteuterd naar het lege terrein van de Heidemij te kijken. Die middag kwam definitief een einde aan ons avontuur in het dennenbosje van Gradus Prins. Vandaag de dag getuigt nog een enkel losstaande dennenboom van eens het middelpunt van het universum. Het avontuur van 10 jarige jongens ging verder, al snel werd onze aandacht naar iets nieuws getrokken.

Geschreven door H. Beukers.

Lente op Erica

Lente op Erica

Lente op Erica.

Volgens mij zijn zij allemaal volstrekt geschift aan het worden met hun kantoortuinbakken en hun met kamerplanten volgeplempte vensterbanken. Ze kosten alleen maar geld en ze staan hun in de weg, wat moeten ze er in de godsnaam mee. Het is allemaal terug te voeren op hun verzorgingsdrift, maar met natuur liefhebberij heeft het niks te maken. Van elke miljard euro die in dit land wordt uitgegeven aan landbouwproducten wordt 250 miljoen gespendeerd aan het verbouwen van planten die absoluut niet te vreten zijn! Zij geven aan tulpen meer geld uit dan aan uien. Vroeger waren ze planteneters, nu zijn ze plantenkijkers geworden; zij zijn veranderd van herbivoren in herbiscopen. Het is een bespottelijke toestand: zij komen de supermarkt uit met 1,75 euro aan peentjes, 3 euro aan aardappelen en 19 euro aan rozen. En wat doen die anjers en rozen voor de kost? Langzaam doodgaan. Niettemin menen zij daar de patiënten in het Scheperziekenhuis mee te moeten opfleuren. Kennelijk kikkeren de patiënten er reuze van op dat die planten nog eerder dood zijn dan zijzelf. De echte sadisten onder hun kopen natuurlijk planten in potten, die er een veel langere doodstrijd op na houden. In hun kantoortuinbakken ligt voor ongeveer 1000 hectare natuurgebied aan ficussen en yuca`s aan het infuus te verpieteren. Buitenlanders kijken hun ogen uit op de volstrekt krankzinnige hoeveelheid kamerplanten voor hun ramen. Als je hier in Nederland vanuit een flatgebouw op tien-hoog zelfmoord wilt plegen, dan moet je eerst een uur ploeteren om alle sanseveria`s opzij te schuiven! In feite komt het hier op neer: planten horen niet bij hun in huis. Nederlandse planten zijn dan ook wijs: je hoeft het Klein Hoefblad maar een paar dagen op je vensterbank te zetten, of het is hooi. Dus importeren zij de krankzinnige vegetaties uit de woestijn of het tropisch regenwoud, die het achter het raam ietsje langer uithouden. Tuinieren moet ook ten strengste worden ontraden. Mensen die daar echt verstand van hebben, die hebben er een hekel aan. Wat is toch in godsnaam de lol van al dat geploeter in zo`n tuin? In de herfst is het een sterfhuis, in de winter is het een kerkhof. Hebben zij dan niks beter te doen dan zinloze arbeid in hun tuinen te verrichten? Waarom tuinieren zij? Een tuin is een zootje bloemetjes. En wat is een bloemetje? Een bloemetje, en dat weet iedereen donders goed, dat is een geslachtsorgaan op een steeltje. Een tuin is niks meer dan een zee van geslachtsorganen. Nou heb je domme bloemen en slimme bloemen: de domme geven hun zaad gewoon aan de wind mee, en dat zet dus niet veel zoden aan de dijk; daar is Onan een scherpschutter bij. De slimme nemen een bemiddelaar in de arm, bijen of hommels, die zich laten betalen met nectar. Bijen brengen tegen betaling de bloemen in uw tuin aan hun gerief. Wat zich in de tuin afspeelt is je reinste prostitutie! Voor veel mensen start de lente op 20 of 21 maart. Het is voor mij de eerste zang van de Tjiftjaf die mij de lente doet laten beginnen, veel leuker.

Geschreven door H. Beukers.

Schoolreis naar Londen

Schoolreis naar Londen

Schoolreis naar Londen.

We schrijven 1974. De school had iets leuks georganiseerd. Een weekje Londen! Via Calais staken we over naar het eiland. In de Franse duinen keken we vol ontzag naar iets wat op een opgeblazen pad leek. Een Hovercraft. De inrichting van de Hovercraft leek op die van een vliegtuig. Ze hadden ons verteld dat de Hovercraft over de golven heen zweefde. Dat deed ie ook. Over de kleine golven dan. Op golven van 7 meter hoog was de Hovercraft net een notendopje. 7 meter op en 7 meter neer, telkens weer. Toen snapten we waarom achter elke leuning een papieren zakje hing. Enkelen van ons hadden het zakje opgeblazen en met veel plezier in de handen laten ploffen. Grote hilariteit natuurlijk. Na enige tijd op zee te hebben gedobberd veranderde bij sommigen onder ons langzaam de kleur op het gezicht op die van de golven, groen. Vol overgave kotsten ze in geplofte zakken. Vol ontzag staarden we in Engeland naar de mensen. Alsof ze lepra hadden. Met afgrijzen zagen we op de wegen auto`s op ons afkomen waarvan de bestuurder de aandacht niet op de weg had, die zat een boek te lezen of een wegenkaart aandachtig te bestuderen. Gelukkig hadden ze in dit land hier iets op gevonden. De bijrijder had de stuur in handen. `s Avonds in het donker kwamen we aan bij het Plaza Hotel. Wauw, wat een groot hotel. Je onthield goed de gangen, je was zo de weg kwijt in zo´n groot gebouw. Op de kamer aangekomen schreeuwden en ouwehoerden we alle spanningen van ons af. Het ravotten hield pas op toen er geen enkele poot meer onder de bedden zat. Deze werden snel vervangen door lege blikjes bier. De vermoeidheid sloeg snel toe, we bezochten de toiletten op de gang en kropen spoedig in de ledikanten. Op Henk Brands na. Deze leuterde en lalde nog stevig door. Maar ook hier begon moeder natuur te roepen. “Woar bent hier de plee`s eigelijk?”. Iedereen deed alsof hij sliep. “Ja, bekiek `t eem, ik goa de gang nie op, straks ben`k verdwaalt”. We hoorden een raam open schuiven, om even later een klaterend geluid van het binnenplein te horen. Zat meneer vanaf drie hoog door het raam naar beneden te zeiken. Drie hoog wil zeggen dat wanneer je uitgeplast het klaterend geluid op het binnenplein nog even voort duurde. Brands keek vol verbazing naar zijn leuter, “Huuuh?”. Enkele seconden later lag hij te ronken in bed. Londen was groot. Alles was groot. Het wassenbeeldenmuseum MadameTusseau was reuze interessant voor een klas van 18 jarigen. Voor 10 minuten. Het begon reeds bij de ingang. Hier stond een oude portier zijn genadebrood te verdienen. Wanneer hij merkte dat we uit Nederland kwamen begon hij te gloeien. Uit zijn rappe engels konden we met moeite uitmaken dat hij in de tweede wereldoorlog als soldaat deel had uitgemaakt van de operatie Market Garden. De portier was een ijzervreter die in Nijmegen nog om de Waalbrug had gevochten. Hier stond voor ons een heuse bevrijder. Diepe respect borrelde bij ons op. De conversatie tussen de portier en een klas tieners was ondanks de taalbarrière allerhartelijkst. De oude man zag veel buitenlanders en wou van ons weten wat hij het beste als welkomstwoord tegen de Nederlandse gasten kon zeggen. In het Nederlands natuurlijk. Met het respect nog in onze gezichten leerden we de man dat hij een Nederlandse bezoeker het beste kon begroetten met het woord ‘kippenneuker’. Driftig begon de man te oefenen op dit moeilijk uit te spreken woord. Bereidwillig hielpen we de man, hij was wel onze bevrijder! Toen we naar binnen gingen kon de man zich in verstaanbaar Nederlands zijn doelgroep begroetten. Met luide stem liet hij dat aan iedereen weten. We gingen naar binnen en keken onze ogen uit naar de wassen beelden, zelfs Cruiff stond er te staan. De beelden stonden op verhogingen die waren afgezet met dikke rode koorden hangend aan paaltjes. Overal zagen we suppoosten. Vanuit elke hoekje konden ze ingrijpen. Als pronkstuk stond daar de Royal Family. Zeg maar The Queen`s family. Zo bedriegelijk echt, niet van echt te onderscheiden. Huub Wortelboer zou en moest met deze royalty`s op de foto. We besloten Huub te helpen. We keken rond. Geen suppoost in de buurt. Snel gaven we Huub een seintje. Deze sprong over de rode koord en begaf zich naast Queen Elisabeth. Zachtjes liet hij de hand in haar decolleté glijden. Huub hield haar linker borst vast en begon met een uitstekende tong in haar hals te hijgen. Elisabeth liet dit met een Stiff Upperlipp gelaten toe. FLITS deed het fototoestel. Huub was nog maar net weer in de groep toen plots een suppoost vanuit een ander kamer naar binnen kwam stuiven. “No pictures”, riep hij boos. Een klas vol met onschuldige tienerogen keken hem aan. Ze wisten écht niet dat hier niet gefotografeerd mocht worden. Hij smolt en glimlachte begrijpelijk. We mochten onze weg vervolgen. Huub had de foto van zijn leven. Terug op straat keken we ons opnieuw de ogen uit. Hoe vriendelijk de mensen waren. Iedere passant maakte ruim plaats voor ons. Pas later begrepen we de echte reden. Onze kleding bestond voornamelijk uit spijkerstof, toentertijd hèt uniform van een jeugdbende. Vol ontzag keken de mensen naar onze leraren. Deze twee liepen nietsvermoedend met hun lange regenjassen sullig tussen ons in. Jos Berends stak de straat over naar een van de vele eetkarretjes die Londen rijk was. Populair waren de gepofte kastanjes. Maar Jos liep naar zo`n handkar waar Hotdogs werden verkocht. We stonden als groep op het punt om verder te trekken tot we aan de overkant van de straat rumoer hoorden. De man stond druk naar Jos te wijzen die zijn hand ophield. We riepen Jos toe, “Wat hef die kerel?”. “Hij wul mij gien wisselgeld trugge geem”, loeide Jos. Als groep liepen we naar de overkant. De uitbater van de handkar dacht aan Jos een makkelijke prooi te hebben maar zag nu een groep spijkerbroeken en -jasjes op hem af komen. Zelden zagen we iemand zo snel wisselgeld teruggeven. Als een speer vertrok hij met zijn handkar. De Metro van Londen was een wereld op zich. Roltrappen brachten je dieper, dieper en dieper in de krochten van Londen. Telkens wanneer je dacht op het onderste station te zijn zag je een roltrap die je nog verder naar beneden bracht. We gingen zo diep, we verwachtten elk moment een chinees. Voor de leraren was het spitsroede lopen. Ieder moest bij elkaar blijven. Voor die twee was het een nachtmerrie om tieners te verliezen in deze labyrint van metrobuizen. Je kon de metro voelen aankomen, ze werkten als een enorme proppenschieter in de tunnelbuis. Een forse bries joeg dan over het station. Allerlei papieren zakjes e.d. zag je wegvliegen. We hadden snel door dat je, wanneer je een trein mistte, binnen twee minuten de volgende trein kon nemen. Wanneer de metrotrein stopte schoven aan beide zijden van de wagon twee grote glazen schuifdeuren opzij. Als groep stapten we binnen via de linkerzijde. De leraren maar roepen dat de groep bij elkaar moest blijven. Op het moment dat de glazen deuren dicht schoven, stapten Jos, Huub en ik aan de rechterzijde de metro weer uit. De trein zette zich in beweging we renden op het perron met de trein mee. Onze handen drukten zich tegen de buitenkant van de glazen schuifdeuren en we huilden verschrikt. We zagen nog net twee krijtwitte gezichten van leraren. Grinnikend liepen we terug. Grapje, moet kunnen nietwaar? Een station verder herenigde zich de groep. Deze grap had de leraren 10 jaar ouder gemaakt. Voor het eerst zagen we een heuse zwerver op straat liggen. Als een roedel jonge honden stonden we hem te besnuffelen. “zul ie dood wees`n?”, vroeg een van ons af. Voorzichtig gaven we hem een trap in zijn nek. Er kwam leven in de hobbezak. Tijd voor een foto! Populair gingen we naast hem zitten, een van ons zette het hoedje van de zwerver op zijn hoofd. KLIK zei het fototoestel. Na de foto lieten we de zwerver weer vallen. Eentje van ons, die met dat geleende hoedje, had nadien wel jeuk op zijn hoofd. “Kiek es”, riep iemand van de groep. Op het einde van het perron zat een Schot in klederdracht. Alle ogen keken naar de geruite kilt. “Fotoooo”, de groep zette zich in beweging. De Schot in kwestie zag een troep in spijkerkleding op zich af stormen en trok langzaam wit weg. Mensen om hem heen maakten dat ze wegkwamen. In een oogwenk stond de man alleen. Wegrennen lukte niet want de Schot had maar één been. Zijn krukken werden opzij gezet en de Schot ging op in de groep. Staand op één been met een gehurkte groepslid voor zijn ontbrekende been werd een groepsfoto gemaakt. KLIK, weer een foto rijker. Tevreden trokken we verder. De Schot, wankelend op zijn ene been, zocht naarstig naar zijn krukken. De laatste dag bezochten we Buckingham Palace. Dat is de keet van de Queen. We keken naar de wisseling van de wacht, op zich een heel schouwspel. Soldaten met rode jassen en een dooie bever op het hoofd. Ze stonden overal op wacht. Die mocht je niet absoluut storen. Rustig langslopen en plotseling BOE roepen deed zo`n soldaat niets. Hier moest zwaarder geschut komen. Reeds in het begin van de week had ik in Londen een bijzondere paraplu gekocht. Door middel van een knopje aan de steel ontplooide de paraplu zich razendsnel. Tegenwoordig zijn dergelijke paraplus gemeengoed maar in die dagen was het een noviteit. De groep bleef op afstand verwachtingsvol kijken. Fluitend wandelde ik voor de soldaat langs. PLOEF deed de paraplu, vlak voor zijn neus. Langzaam liet ik de paraplu zakken tot ik over de rand van de plu zijn verschrikte ogen zag. Vol verbazing keken we mekaar een tel aan. En zowaar, de soldaat begon te grinniken. De groep kwam snel aangelopen en ging de onfortuinlijke soldaat onbeschaamd aangapen. Hoewel hij erg zijn best deed was het voor de soldaat ondoenlijk om zijn gezicht in de plooi te houden. Bij elke grimas riep iemand, “kiek, hij beweug”. Totdat een Bobby kwam. Een Bobby is een Engelse politieman met een soort van omgekeerde bloemenvaas op zijn hoofd. Ze hebben geen gevoel voor humor. In onvervalst engels werden we door de bloemenvaas vlak gescholden. Maar goed dat we geen engels verstonden. We maakten ons snel uit de voeten en voegden ons bij de leraren. Die hadden niets gezien en keken ons tevreden aan, sinds de metrograp waren we één groep gebleven. Terug in het hotel zat onze weekje London erop. Al de gebouwen en kastelen die we hebben gezien, de stad, de winkels, het was ontzagwekkend en onvergetelijk. Als souvenir namen we allen een bierglas mee van het hotel. Nou ja, soms twee, eentje nam zelfs een weekendtas vol glazen mee. Al rinkelend liep hij voor de ontvangstbalie langs, groette vriendelijk en verliet het het hotel. Van onze groep waren de leraren op de terugweg het vrolijkst. Het had hen goed gesmaakt toen ze de avond ervoor een toost (of meer) uitbrachten op de goede afloop.

Geschreven door H. Beukers.

7 of 9
123456789