November slachtmaand

Afbeelding: Michiel van Musscher, Het varken op de leer met gezicht op de Haarlemmerpoort, 1668

Voor en in de oorlog had vrijwel iedere inwoner van Erica een hok achter het huis met een paar varkens erin. Daarnaast hadden ze een hok met kippen en aan de stik een paar sikken. Een sik was de ‘arbeiderskoe’, deze werd gehouden om de melk. Een echte koe was voor de meesten niet mogelijk omdat daarvoor een bunder grond vereist was. Van Erica naar Nieuw Amsterdam was het aan beide kanten van het kanaal wit van de sikken die aan de stik stonden te grazen, sommigen zelfs tot onder aan het kanaal. Op het eind van het jaar werden de beesten boks en gingen ze ermee naar de bok. Gedurende de winter gaven de sikken steeds minder melk tot het ophield. In het voorjaar kwamen de jonge guitige springerige sikjes ter wereld. Wanneer oma Beukers naar de straat liep huppelden de sikjes achter haar aan. Een paar passerende fietsers uit Emmen riepen, ‘Och, wat toch prachtig, die jonge hertjes’. De mannelijke jongelingen, de geitenbokjes, zullen geen melk geven en hadden diengevolg geen waarde. Die werden kort na de geboorte met de zijkant van de schop de hersens ingeslagen. Soms lukte dat niet helemaal maar verdwenen alsnog met de seksegenoten in het gezamenlijke graf. Wie daar moeite mee had kon de bokjes ook naar van der Land brengen. Van der land slachtte de bokjes en verdiende iets aan het vel. Van der Land was een keurig heerschap, je wilde alleen niet weten wat daar in zijn achterschuur gebeurde. Hij had een prachtige dochter die later Katholiek werd en verhuisde naar Klazienaveen. Op Erica had je snel een bijnaam. Iedereen kende de dochter van van der Land als ‘Bokkie’ van der Land. Nou, dan zou ik ook verhuizen. Bij mijn moeder hadden ze een Tochenburger, een sik met hoorns. In die tijd bracht een paar vodden bij de voddenboer een ballon op. Toen mijn moeder als kind een vod zocht voor de voddenboer vond ze er een in de sikkenhok. Bij het bukken kwam de hoorn van de sik achter haar jurk. Wie dacht dat varkens hard konden gillen…Sikkenvlees wilde niemand eten, dus werden sikken zelden geslacht. Bij verminderde melkopbrengst werd het beest op een kar gezet en gingen ze ermee naar de markt in Emmen. De gemeente had op het marktplein allemaal hokken neergezet met stro. Daar was een speciaal gedeelte voor sikken net zoals er ook een gedeelte was voor varkens, kippen, honden enz. Een grapje uit die tijd was om aan een voorbijganger met een hoed te vragen of ie de hond had verkocht, bij een nee werd steevast opgemerkt: ‘nou, ie hebt de hok nog op de kop staon’. Kippen, van piepjong tot stokoud, werden met wagensvol tegelijk opgekocht en gingen allemaal naar de slachterij. De markt in Emmen was ook een sociale gebeurtenis. Zo gingen de boeren uit Schoonebeek wekelijks met karren vol zwijnen naar Emmen. Voor de Schoonebeker boeren was het hun wekelijkse uitje en lieten zich bij Grimme een borreltje goed smaken. De verkochte biggen voor Erica werd door de heer Pater in een kar naar het dorp gebracht. Biggen voor Beukers kregen de letter B op de rug. Degene die thuis geen varkens hield was ziek, zwak of misselijk. Die moest het doen met een ‘moeseoortie’ spek’. In november en april waren overal op Erica gegil van varkens te horen. Het waren de slachtmaanden. Vooral november stond als slachtmaand bekend. Het varken werd levend op de ladder gebonden met de kop naar beneden. Dit ging gepaard met luid gegil van het varken. Het gegil was niet van enthousiasme, het varkentje had allang door dat hij niet ’ter leering ende vermaeck’ op de ladder werd gebonden. De slager sneed een halsslagader door en liet het varken vervolgens doodbloeden. Het bloed werd in schalen opgevangen om bloedworst van de maken. Het gegil van het varken hield langzaam op. Het laatste wat het beest op de kop van deze wereld zag vanaf de ladder waren volle schalen met eigen bloed waarin driftig werd geroerd om stolling tegen te gaan. De maand november werd gekozen als slachtmaand omdat het nog niet hard vroor, al had je wel nachtvorsten. Het varken kon zo snel koud worden. ’s Avonds werd het varken met een paar man van de ladder afgehaald en kwam op een oude tafel te liggen. Hier werd het varken in stukken gesneden. Spek eraf in zes repen, vlees eraf, poten eraf. Het vlees en spek ging tien dagen in het zout om vervolgens aan de balken verder te drogen. Het vocht trok in het zout en het zout trok in het vlees. Op die manier kon vlees langer worden bewaard. In de oorlogsjaren was het aanbod van zout krap. Het roze vleesvocht wat uit het zout lekte was nog zout genoeg en werd als zout bij het eten gebruikt. Later nam het wecken de taak van het inzouten over. Alhoewel het nog wel gezouten vlees was wat werd ingeweckt. Daarnaast werd ook een gedeelte fijn gesneden vlees behandeld met kaneel en kruiden om worst van te maken. Het toevoegen van kruiden luisterde nauw, steeds werd een stukje vlees geproefd, tot het goedgekeurd werd. Pas dan werd er worst van gemaakt. Alleen het mooiste vlees kwam in de metworst. De hersenen werden gebakken en werden als een lekkernij gezien. Anderen maakten van de hersenen zure zult, dit kon worden gebruikt als broodbeleg. Van het varken werden de ogen, hoeven en dikke darm als slachtafval weggegooid. Maar sommigen bewaarden zelfs de dikke darm, daar kwam de bloedworst in. Anderen gebruiken hiervoor linnen. De dunne darm werd gespoeld en nadien werd met een mes het vet eraf gekrabd, vervolgens werd het opgevuld als metworst. De slager had een speciale haak om de nagels van de hoeven te trekken. Varkenspoten gingen in de snert en de hakken gingen in de bonensoep. De mensen hadden altijd twee varkens, een dikke voor het najaar en een kleinere in het voorjaar. De kleinere was vaak een lekkerder varkentje om te eten maar werd ook wel in de zomer verkocht om een paar extra centen bij te verdienen. In het voorjaar werd een gang naar de markt in Emmen gemaakt om een paar biggen te kopen. Die kwamen dan in een hok met vers stro. De eerste tijd waren de aandoenlijke biggetjes levend speelgoed voor de kinderen. Varkens waren echter ook intelligente dieren, ze scheten en pisten altijd op één plek in het hok om zodoende een droge slaapplek over te houden. Varkens konden ook enorm last van luizen hebben. Mijn vader stipte de luizen aan met een mengsel van petroleum en olie. Schier petroleum was te scherp. De luizen vielen direct dood neer wanneer ze werden aangestipt en het varken kreunde van genot. Een honderdponder liet zich gewillig omdraaien wanneer de behandeling met het wondermengsel dit wenste. Twee varkens in een hok deden ze ook beter vreten. Uit voedingsnijd, dus de ander niks gunnen, vraten ze de buik vol. Het kon zijn dat een varken minder vrat dan normaal, dat kon liggen aan kies- of tandpijn. Vaak werd dan een kruimelige baksteen aan het varken gegeven. Met luid geknak en geknars werd de baksteen volledig opgevreten. De gebitsproblemen waren hiermee vaak opgelost. Daarnaast moest een varken schrokkerig vreten. Soms had je een ‘zoeger’, een zuiger, dan schrokte het varken niet maar zoog het voer op als het ware. Het vreten ging dan te voorzichtig, zo kreeg het beest te weinig binnen, het was een slechte zwien. Want vreten moesten de varkens, spek moest erop, liefst vier vingers dik of meer. Vroeger hadden de mensen door zwaar lichamelijk arbeid meer brandstof nodig. Naast de zes twaalfurige werkdagen had iedereen thuis ook nog een flinke moestuin om te bewerken. Daar werd o.a. boerenkool, bruine bomen en siepels (uien) verbouwd. De bruine bonen en siepels werden voor de winter op zolder bewaard. ’s Avonds hoorde menigeen hoe op zolder de muizen met de uien aan het spelen waren. Spek werd dus massaal verorbert, rijkelijk bestrooid met zout en peper. Bovendien smeerde het de darmen, zo was de overtuiging. Als het varken aan de ladder hing te drogen en pastoor Ninteman op de fiets langskwam, hield deze even halt, ging naast zijn fiets staan, nam zijn hoofddeksel af en knikte naar de mensen thuis. Een duidelijk appėl om een stukje vlees bij de pastoor af te leveren. Maar Erica had ook een pastoor gekend die het aangeleverde vlees direct doorgaf aan de minderbedeelden. Dezelfde pastoor werd door het kerkbestuur onder financiële curatele gesteld omdat hij al het geld weggaf aan de minder bedeelden. Toen na het Tweede Vaticaanse Concilie de Katholieke kerk zich ging moderniseren kon deze pastoor de veranderingen niet bijbenen. Hij vertrok naar Amsterdam en maakte daar een eind aan zijn leven. Maar pastoor Ninteman paste zich feilloos aan. Met zijn gang door Erica ging zijn hoedje diverse keren af. Zijn twee dienstmeiden hadden d’r maar druk met het inmaken van al het binnengekomen vlees. De mensen die de geestelijke daarnaast ook nog uitnodigden voor een borrel hadden d’r een vaste klant bij. Zo kwam hij elke dag bij de familie Middendorp aan het kanaal. Maar voor pastoor Ninteman was het ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, al zijn schaapjes waren gelijk. Wanneer de familie Middendorp weer eens te laat in de H. Mis kwam riep pastoor Ninteman van de preekstoel: ’10 minuten over tijd en daar komen ze’ en wees vervolgens naar de laatkomers. In die tijd had elke familie hun ‘eigen’ kerkbank, die van de Familie Wittendorp stond helemaal voor in de kerk. Die moesten, gezien de afstand, tegenover de medegelovigen spitsroede lopen. Dat nam niet weg dat pastoor Ninteman de maandag erop weer een borrel kwam halen bij de familie Wittendorp. Hij grinnikte dan: ‘Had ik je even mooi te pakken hè’. In die tijd kreeg de pastoor meer dan alleen vlees. Zo had de pastoor een grote moestuin gelegen langs het toegangspad in het kerkenbos waar nu dennenboompjes staan. De pastoor riep van de cancel: ‘Als de boeren nog een karretje goed verrotte stalmest overhebben dan kunnen ze die bij mijn tuiniers Jeurissen en zoon afleveren’. Geheid de week erop werden diverse karren stalmest bij de pastoor afgeleverd. Vroeg in het voorjaar ging pastoor Ninteman bij Capelle langs voor planten in de moestuin. Hij mocht ze afleveren bij zijn tuiniers.

Geschreven door Henk Beukers


Geplaatst

in

door

Tags:

Reacties

2 reacties op “November slachtmaand”

  1. UIL avatar
    UIL

    De volgende keer als je weer zoiets schrijft haal je er een zweinshackse bij, die eet je rustig op tijdens het schrijven.
    Op die manier krijg je een verhaal met veel smaak.
    Maar fijn dat je over de slacht schrijft.

  2. jety avatar
    jety

    Het water loopt mij in de mond bij het lezen over de slacht.

Laat een antwoord achter aan jety Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *