Posts by: H. Beukers

September 2016

September 2016

Vrijdag 23 september.
Het was vroeg, 06.00 uur en nog donker, toen Batman en Vliegend Hert ons geliefde dorp Erica verlieten voor een hike van 35 kilometer. whatsapp-image-2016-09-23-at-06-22-35Binnen de bebouwde kom was het uitkijken, sommigen reden je bijna de sokken van de enkels. Bij de Dordsedijk hielden we onze eerste korte pauze. Daarna was het licht. Het stuk na de Kamerlingswijk hadden we zicht tot aan de horizon. dscn5441Vaag stak daar de contour af van de St. Antoniuskerk te Zwartemeer. Daar liepen we met gezwinde pas naar toe. Door de wolkenpakket drong de Koperen Ploert zich met moeite heen en liet zich in een purper en oranje kleed zien. We liepen langs de ingang van de Meerstalblokken. Vlak daarachter ligt de uitkijkbunker waar de Baardmannetjes zich vermaakt hebben. We liepen echter stug door naar het oosten. Het beloofde een prachtige dag te worden, de hemel was hoofdzakelijk onbewolkt met alleen aan de horizon een wolkendek. De temperatuur was met zijn 18 graden iets aan de warme kant maar te doen. Achter Sint Antoniuskerk was een theehuisje te zien, zag er romantisch uit. Voordat we de gravelpad naar de Duitse grens gingen volgen hielden we pauze. Tied veur een pafke. En natuurlijk een boterham en koffie. Langs de grens gekomen zagen we in de volle lengte een strook van zo’n honderd meter breed volledig gestript natuur. Het leek wel de Oost-Duitse grens, alleen de wachttorens ontbraken.

Barry en ‘n Duitser hangen aan de toog. “ik ben van oorsprong timmerman zegt Barry”. De Duitser heeft het niet goed begrepen en vraagt: “Was sagen sie?” Waarop de Barry antwoordt: “planken.”

dscn5442_2Gek eigenlijk dat sommige ambtenaren aan ongerept natuur denken door eerst alles weg te kappen. Onze ingang van het smokkelpad werd niet langer verborgen gehouden door struweel en hoog pijpenstro, Het leek wel de entree van een pretpark. Op het bruggetje namen we een foto. We trokken Duitsland in. De bezemwagen werd bestuurd door Yeti. Deze zou later met de koffie komen, had nog wat te doen. Gaf niets, wij liepen ondertussen gewoon door. Met de wind in de rug en niet al te warm schoot het lekker op. Af en toe moesten we plaats maken voor de enorme landbouwmachines die her en der het land op moesten. Ze leken elk jaar te groeien, die machines. Zo zagen we een zelfstandig rijdend aardappelrooimachine die maar liefst 4 rijen tegelijk meenam bij het rooien.

Een boer pakt zijn vrouw bij een borst en zegt: “Als die nou eens wat groter was, dan konden we een melkkoe wegdoen.” De volgende dag pakt de boer zijn vrouw bij de andere borst en zegt: “als die nou ook eens wat groter was, dan konden we twee melkkoeien wegdoen.” Waarop de vrouw de boer bij zijn lul grijpt en zegt: “Als die nou eens wat groter was, dan konden we de knecht ook nog wegdoen.”

Bij het oude postkantoor bij het Griendsveen hielden we traditiegetrouw een pauze. dscn5444De zon begon nu goed door te breken, het zou warm gaan worden. We trokken snel verder. Langs grote varkensschuren, langs stille veengebieden, langs grote kippenschuren. Het gerestaureerde abortusweggetje werd weer stilaan aangetast door de elementen. Heel in de verte zagen we auto’s over de autobahn A31 flitsen. Grofweg de helft van onze tocht hadden we erop zitten. Bij de Waldweg vlak voor de viaduct over de A31 gingen we pauzeren. Het ging lekker, te lekker. We lagen ruim voor op onze schema, we konden het zelfs kalmer aan doen. In de trekkershut bij Fullen namen we een extra pauze. Het was een prachtige nazomerdag, wie deed ons wat. We trokken dwars door Fullen. In de verte waren de eerste huizen van de buitenwijken van Stadt Meppen zichtbaar. dscn5445Het landschap werd hoofdzakelijk bepaald door electriciteitsmasten van en naar de centrale in Haren, die in de verte te zien was. De condensor van de centrale was beschilderd met de kaart van de wereld, zodoende herkenbaar vanuit alle kanten. Over de uiterste puntje van de masten liep nog een apart lijntje. Waar zou die voor zijn, een geheime telefoonlijn of een privé lijntje voor een dikke sigaar? Het gaf een beeld waar de gesprekken onderweg zoal over gingen. En geloof me, het was zelden stil. Bliksemafleiding, daar was het bovenste lijntje voor, nu weet jij het ook. Na een pauze vlak achter Fullen liepen we richting Stadt Meppen. Vlak voor Stadt Meppen hield een zwarte auto ons in, de bezemwagen. We vulden onze waterflessen bij en maakten met Yeti nog een praatje. Hij zou ons weerzien bij Gasthof Giese te Bokeloh. Na een vrolijk claxonnetje reed hij voor ons uit en verdween in het verkeer. Batman en Vliegend Hert keken elkaar aan. Beide hadden het gevoel dat ze iets misten. Verrek…….de koffie!! dscn5446Die zagen we in de verte nog net de hoek omdraaien. Verder dan maar weer, dan maar zonder koffie. De binnenstad met het drukke verkeer gaf ons onder het lopen enige afleiding. Het lange stuk langs de Ems werd spoedig genomen. Al snel passeerden we de brug. We roken de stal. In de vorm van een café. Hier werden we zelfs herkent door de serveerster. Sind Sie schön wieder da? riep ze vriendelijk. Als BDers (Bekende Drenten) namen we plaats en verdwenen achter een paar bellen bier. Zelfs op weg naar de volgende kroeg kwam ze ons op de fiets voorbij en groette freundlich.

Wilt u iets eten?”, vraagt de serveerster aan de man aan het tafeltje. “Waaruit kan ik kiezen?”, vraagt hij. “Uit ja en nee”, zegt ze.

Bij de kroeg aangekomen, eigenlijk Schnell Imbisch, namen we een biertje plus patat met een half haantje. Half haantje? Eerder een taai bos hennep. Niet te vreten. Volgende keer alleen Pommes, de prutsers. Op naar Bokeloh. Een prachtig kronkelende weg door een bosrijk gebied stond ons te wachten. dscn5447Dan na zo’n vijf kilometer, onder de kerk, Gasthof Giese. Bij Gasthof Giese zat buiten eenzaam aan een tafeltje Yeti alleen te zijn met een leeg glas bier. Daar gingen we onmiddellijk wat aan doen, aan het lege glas.

Komt een man in het café en vraagt aan de barkeeper: ’19 bier a.u.b.’ Zegt de barkeeper: “Weet u het zeker, is dat niet teveel? Zegt de man: ‘Ja, maar er hangt een bordje met de tekst “ONDER DE 18 WORDT NIET GESCHONKEN”.’

Even later was het op het terras bij Giese een vrolijke boel. De tocht zat er bijna op. Tijdens de laatste kilometers werden we onderweg ontvangen door Bambam. Traditioneel werd een groepsfoto gemaakt van alle hike-deelnemers. Er volgde een vrolijk samenzijn aan de stamtafel op het terrein van ons clubhuis. De gele rakkers met hun witte kuiven kwamen en gingen. dscn5449Later vervoegde Oei-oei zich bij de vrolijke boel. Het werd langzaam donker. En fris. De avond ging door in de Ketel, tussen talloze foto’s van eerdere prachtige weekenden. Tot ook daar het licht uitging. Het werd stil in Groß Dörgen, de vrijdag droeg het over aan de zaterdag.

Zaterdag 24 september 2016.
Het werd gehunker naar een bunker. Bammetje had tijdens zijn geliefde bezigheid, geocaching, in Bokeloh in het bos een betonnen bunker ontdekt. Daar keken we niet zo vreemd van op, om Meppen was in de oorlog hevig gevochten. In die tijd was bunkertje bouwen een geliefde bezigheid van de Duitsers. Onderweg naar de bunker toe deden we ook een ander monument aan. Van Kaizer Wilhelm. Daar kwamen we toch langs. Bovendien wou Bambam checken of de geo-caching aldaar nog klopte. Niet. dscf5106We liepen door het zandgat. In het gouden najaarszonnetje was dit geen straf. Richting Bokeloh namen we een andere weg. Ons verscheen een onbekend stukje Bokeloh. Bij een tafeltje hielden we pauze, een borreltje volgde al snel. Om ons heen hetzelfde beeld die we al vaker zagen. Prachtige huizen met in de prachtige tuinen vlijtige Duitsers. Geen grasspriet stond scheef. Blijkbaar een ander geliefde bezigheid van de Duitser. Overigs geen kwaad woord over de Duitser, gastvrijer volk bestaat er niet.

Zitten een Belg, een Hollander en een Duitser aan de bar. Zegt de Belg ”Mijn vrouw heeft laatst een Ferrari gekocht, maar ze heeft geeneens een rijbewijs. Zegt de Hollander ” o, mijn vrouw heeft een zwembad in huis aan laten leggen, maar ze kan niet eens zwemmen. Zegt die Duitser, dat is nog niks, mijn vrouw ging laatst op vakantie nam ze een hele doos condooms mee, maar ze heeft geeneens een lul”

We staken een drukke straat over en moesten plots van leidsman Bambam het bos in. Waar fuhrte Bam ons heen? Naar bomen, veel bomen. Dat is in een bos niet zo’n vreemd verschijnsel, dat wende snel. Met zijn neus op de leepfoon (smartphone) volgden we Bam in een ganzenpas. Plots stonden we voor een betonnen kolos. dscf5111Een donker hol leidde ons naar binnen. Althans Bambam en Yeti. Het betonnen bouwsel was bijzonder ruw en slordig gebouwd. Binnenin was een ruimte waar het betonijzer gewoon naar binnen priemde. Aan de buitenkant waren rollen prikkeldraad half verzonken in het beton. Bovendien ontbrak een schietgat, een niet onbelangrijk onderdeel van een bunker. Bovendien stond de bunker midden in een bos. Voor het geval dat een Britse soldaat was verdwaald? De slordigheid waarmee de bunker was gebouwd was niet des Duitsers. Dit was meer een haastig gebouwde schuilhut die onder het zand had gezeten. Destijds was ook in Duitsland verzet. Deze strijders hadden een depot nodig. Ook mensen met Cohen als achternaam hadden in die tijd een gegronde reden om buitenhuis te gaan wonen. Na gegronde inspectie en het nemen van foto’s gingen we richting rivier de Hase. Via snoerloze telefonie, de leepfoon, kregen we bericht binnen dat Hakketee lopend vanuit Erica het stadje Bokeloh had bereikt. Thans had hij plaats genomen op de stoel voor Gasthaus Giese waar Hert een dag tevoren met zijn reet op had gezeten. De troep stak de kruisweg over en ging richting het huis van Panoramix, de druïde. dscf5117Deze bezat een huis met uitzicht over het Hasetal. We hadden hier vaker gelopen maar kwamen thans op een onbekende route. Hier had een natuurkunstenaar, of de druïde zelf, zich artistiek helemaal laten gaan. Het had een hoog Anton Heyboer gehalte. Goed voor museum, of kliko.

Anton Heyboer staat al een tijdje een naaktmodel te schilderen als hij de moed bijeen heeft geraapt en haar een zoen geeft. “Wat krijgen we nou?!”, vraagt het model. “Doe je dat bij al je modellen?” “Nee, jij bent absoluut de eerste!”. “En hoeveel modellen heb je al hier gehad?”, vraagt zij.
“Vier”, antwoordt Anton. “”Een appel, een meloen, een pompoen en een kiwi.”

Beneden bij de HaseBogen gingen we de rivier volgen richting Bokeloh. Als we deze steevast gingen volgen kwamen we vanzelf uit bij de stoel van Hakketee. En zo geschiedde. Het werd op het terras van Gasthaus Giese even bar gezellig, zo temidden van al die overige Nederlanders. Even later bezochten we een andere kunstenaar, Otto Pancock. dscn5469Zijn schilderijen voerden ons naar de Ketel. Een daverende avond aan de stamtafel om het kampvuur volgde. Daar kregen we op het eind van de avond onverwachts bezoek, de Bosuil.

Twee wijze uilen, die in de toekomst kunnen kijken, komen elkaar tegen op een tak. Zegt de ene tegen de andere: “Goh, je ziet er beter uit dan volgende week!”

Deze liet zich aanvankelijk in de verte horen met zijn sinistere gehuil. Toen Batman op zijn Leepfoon het gehuil van de Bosuil imiteerde kwam de vogel ras naderbij. Meerdere Bosuilen volgden. De gloed van het kampvuur scheen tegen de grote Sparrenbomen. Op gegeven ogenblik leek uit elke Spar het klagelijk gehuil van de Bosuil te komen. Ze vlogen zelfs over het vuur van boom naar boom. Op een eerder kamp werden sommige leden zelfs door de Bosuilen aangevallen! De namaakroep uit zo’n leepfoon maakt de dieren blijkbaar agressief! Uiteindelijk doofde het kampvuur, het uilgeluid stierf weg, de zondag bedankte de zaterdag en nam het over. De SusScrofa’s en bosuil gingen slapen. Kamprust.

Zondag 25 september 2016
Batman en Vliegend Hert stonden vroeg op om Hakketee uit te zwaaien. Deze besloot de terugweg naar Erica opnieuw lopend te vervolgen. Na het ontbijt zwaaide Hakketee af. img_0276_2We liepen tot aan de Hasebrucke met Hakketee mee. Hier namen we afscheid. Zelfs Oei-oei vervoegde zich nog even bij ons, Hakketee was inmiddels in het Wald verdwenen. Mourir c’est partir un peu. Het landschap lag onder een witte deken van nevel en dauw. Hun aanwezigheid werd gezwind vervangen door het gouden gloed van de ochtendzon. In een prettige grafstemming liepen we richting de Ketel. Ieder was die dag relatief vroeg uit de veren. Zodoende werd al vroeg aangevangen met de Klein Reussietocht. We werden verrast op een herfstdag gemarineerd in een gouden gloed van de lage najaarszon. Het leek wel of we zo een landschap van Brueghel inliepen. dscn5475Het werd klassiek dauwtrappen langs de Kolk, bospad en HaseAltarm. Via het executieveldje uit de tweede wereldoorlog, nog een damaliges geliefde bezigheid van onze oosterburen, kwamen we terug bij de Ketel. Een paar blikjes droog drinken. Borden en bestek op het afwasvuur. Ieder kroop die namiddag weer in zijn eigen cocon. Op naar het Bokweekend in November.
Moed Broeders, struikel niet. Vliegend Hert

Stoomtram op Erica

Stoomtram op Erica

De tramlijn Coevorden – Ter Apel liep vanuit Coevorden via Zuidoost-Drenthe naar Ter Apel. De stroomtramlijn is aangelegd door de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-Maatschappij (DSM) tussen 1899 en 1907. De lijn is een verlenging  naar de veenontginningen in Zuidoost Drenthe. De tram was vooral van belang voor het goederenvervoer, zoals het transport van turfstrooisel en kolen. Het turfstrooisel werd vervoerd vanaf het Amsterdamscheveld.

Losse wagon stoomtram op Erica

Hier lag een 7 kilometer lange zijlijn van de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij. Het turfstrooisel met bestemming Duitsland, Amsterdam en zelfs Groot-Brittannië werd overgeslagen op treinen of schepen in Coevorden, in Dedemsvaart en in Zwolle. Daarnaast heeft er tot in de jaren 30 ook personenvervoer plaatsgevonden. De laatste personentrams rijden op 16 oktober 1933. De trams mochten namelijk niet harder dan 20 kilometer per uur rijden. Al het personenvervoer werd daarna met bussen verricht. Het eerste deel van de lijn van Coevorden naar het Amsterdamscheveld werd geopend in 1899. In hetzelfde jaar werd de tram al doorgetrokken naar Nieuw-Amsterdam. In 1902 werd Erica bereikt en twee jaar later Klazienaveen. In 1907 kwam de tram tot aan Emmer-Compascuum en het eindpunt Ter Apel. Na 1931 zakte ook het transport van turfstrooisel sterk in, in 1942 werd de lijn opgebroken.
Bron: Wikipedia

Ruim acht jaar zijn noeste arbeiders bezig geweest om het spoor aan te leggen voor de stoomtram tussen het Drentse Coevorden en het Groningse Ter Apel. In Zuidoost Drenthe moesten op het traject ook tientallen bruggen over de kanalen en wijken worden aangelegd. Van deze werkzaamheden werden zelden foto’s gemaakt. Evenals rangeeraangelegenheden als losse wagons zijn zeldzaam.

Bouw trambrug over de viaductstraat Ter Apel

Bouw trambrug over de viaductstraat Ter Apel

aanleg tramspoor klein

Op Erica werd goederen uitgeladen en opgeslagen in een schuur achter café Hof. Ondertussen werd vanuit de locomotief een slang uitgerold naar het kanaal om de watertank te vullen. Daarna vertrok de tram dampend en sissend naar Klazienaveen of op zijn retour naar Nieuw Amsterdam. Gedurende de dag kwamen inwoners van Erica naar de schuur om poststukken e.d. te halen of op te sturen. Tot 1942. Toen kwamen de Duitsers alles ophalen wat van ijzer was, het spoor verdween. Ook het spoor langs het Dommerskanaal naar het Griendsveen. Er gaan geruchten dat het spoor naar Oekraïne werd getransporteerd, voor het aanleggen van een smalspoor aldaar. Gezien het tekort aan ijzer klinkt naar de Duitse oorlogsmachine logischer.

In de decennia daarna werden alle trambruggen opgeruimd. Alleen dorpen met enig historisch besef wisten enkele exemplaren te behouden. Bargercompas heeft een orginele trambrug in het Veenpark terwijl het dorp nooit op de tramroute heeft gelegen. Het is de Oosterveenschebrug, een van de vier trambruggen die op Erica hebben gelegen. De Oosterveenschebrug lag ooit over de Ensingwijk.

Oosterveensche brug te Erica

Oosterveensche brug te Erica

Trambrug over de Waardwijk Cementwijk) op Erica

Trambrug over de Waardwijk Cementwijk) op Erica

 

 

 

 

 

 

Er bestaat geen kaarten van de historische stoomtramroute Coevorden-Ter Apel waarop alle trambruggen zijn aangegeven. Voor de locatie van de trambruggen moest ik veel oude kaarten raadplegen. Het resultaat hieronder is een unieke kaart van de historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met daarop aangegeven de locaties van alle trambruggen.

Geschreven door Henk Beukers

De historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met alle locaties van de trambruggen.
De historische stoomtramroute tussen Coevorden en Ter Apel met alle locaties van de trambruggen.

 

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

150 jaar Katholieke Kerk op Erica

 

RK kerk Erica 1920

RK kerk Erica 1920

In 1933 had Erica drie Katholieke kerken. De oude kerk, de noodkerk en de nieuwe kerk. De nieuwe huidige kerk staat op precies dezelfde plek als de oude kerk. Tijdens de bouw van de grotere nieuwe kerk gingen de mensen naar een houten noodkerk. Deze stond voor de oude pastorie aan de Kerkweg. De oude kerk op Erica was te vergelijken met de huidige Katholieke kerk in Bargeroosterveld. Alleen was de kerk op Erica voorzien van een kerktoren. Voor de kerk stond een bakstenen poort met daarin grote gietijzeren draaihekken. Boven de draaihekken hing een gietijzeren kroon met een grote lamp. Achter de poort was vlak voor de kerk een sanitaire voorziening gesitueerd. Eerst was deze van hout, later metselwerk. Voor zowel dames als heren. De dames lieten zich hier niet zien. Wanneer een dame een ‘kleine boodschap’ moest doen hurkte zij in haar grote zware jurk langs een landweggetje zoals de Schapendam. Zelfs de nieuwe kerk heeft voor de deuren nog een tijdje een dergelijke sanitaire voorziening gehad. De oude kerk was een stuk kleiner dan de huidige. In de oude kerk werd het zicht enigszins belemmert door pilaren in het gangpad. Op het bepleisterde werk aan muren en pilaren waren prachtige religieuze wandschilderingen aangebracht, te vergelijken met de wandschilderingen in de kerk van Bargeroosterveld. De toren had wel de voorziening voor een uurwerk maar daar is het nooit van gekomen. Zelfs in de nieuwe kerk werd pas veel later het huidige uurwerk geplaatst. De oude kerk bleek na 67 jaar te klein voor de Katholieke Ericanen. Aanvankelijk werd de grotere toestroom van kerkgangers opgevangen door boven de zijbeuken een bordes te bouwen. Mijn moeder had als vijfjarig kind zo’n H. Mis vanaf boven meegemaakt. Ze kon door de spijlen van de balustrade zo naar beneden kijken. Een indrukwekkende ervaring aldus mijn achtentachtigjarige moeder. In 1933 kwam de slopershamer. Achteraf niet nodig geweest, gezien enorme leegloop van de kerk decennia later. Erica had dan nog een prachtige klassieke kerk gehad met prachtige gebrandschilderde ramen en kleurige religieuze wandschilderingen.

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Altaar rk kerk te Erica omstreeks 1920

Het mocht niet zo zijn. In Duitsland zijn ze voorzichtiger, bij de bouw van een grotere nieuwe kerk blijft de oude kerk vaak staan. Voor de kleinere missen. Het ontbreken van historisch besef lijkt bij de Nederlanders wel in de genen te zitten. De gebrandschilderde ramen werden opgeslagen in het kippenhok van de pastoor. Betreden van het kerkenbos was immers verboden, al helemaal de tuin van de pastoor. De tuin was om die reden omheind met een ijzeren hek voorzien van gietijzeren punten. Vanaf de straat liep het hek langs het bos, tussen pastorie en buurman Lubberman, naar achteren tot aan de heuvel. De heuvel was het gevolg van de zandafgraving ten behoeve van de vijver. Op de heuvel stond ooit een prachtige prieel. Het hek ging vervolgens dwars door het bos tot andere buurman, Vennedunker. In het dwarsgedeelte zaten twee poorten. Een over het pad naar het kerkhof, de ander precies in het midden over het pad van de pastoor. Dagelijks liep de pastoor hier langs om in het bos een van de getijdengebeden te bidden. Het kippenhok stond op de plaats waar thans de blokhut van de scouting is gesitueerd. Natuurlijk kreeg de jeugd kans om zo’n gammel kippenhok te betreden. Alle gebrandschilderde ramen werden in de daarop volgende jaren vakkundig vernield. De nieuwe kerk nam de lange kerkbanken over van de oude kerk. Er werden zelfs kerkbanken bijgemaakt om de ruimte in de grotere kerk te vullen. Het verschil in de kerkbanken is nog steeds te zien in de huidige kerk. Ook de tabernakel, beelden en de prachtige panelen van de kruisweg werd vanuit de oude kerk meegenomen naar de nieuwe kerk. Toen de sloop begon van de oude kerk werd op de T-kruising Kerkweg-Kerklaan een grote lier in de straat vastgezet. Met een kabel werd vervolgens de toren naar beneden getrokken. De verdere sloop verliep voorspoedig. Bij de bouw van de fundering van de nieuwe kerk vond oma Beukers dat de bouwvakkers maar slordig werkten. Ze lieten overal gaten achter in de fundering. Opa legde geduldig uit dat de gaten voor warme lucht waren aangebracht. De verwarming van de kerkruimte bestond niet langer uit een enorme potkachel, die verdween naar het parochiehuis waar het nog jaren dienst deed. De bouw van de nieuwe kerk verliep voorspoedig. Erica, OLV 02Een klassiek model kerk zonder pilaren, zonder pleisterwerk en ramen zonder gebrandschilderde figuren. ‘Een kale kerk’, aldus oma. Na de bouw gingen de grote mallen voor de gemetselde bogen naar Bats Reuvers, de tuinder. Die maakte er broeikassen van. Ook de glaslatten van de oude kerk hebben bij hem nog jaren dienst gedaan als bonenstokken. Van de oude kerk zijn de korte banken van 3 meter verkocht aan de bevolking van Erica. Half Erica had op een gegeven ogenblik een kerkbank achter het huis. Vanwege de omvang kregen de meeste kerkbanken een plekje buiten het huis. Na tien jaar waren deze vaak zodanig verrot dat ze in de kachel verdwenen. Waarschijnlijk is hierdoor geen kerkbank overgebleven. Harm Sommer (Groene Harm) had een voorlopige houten preekstoel gemaakt voor in de nieuwe kerk. De man met zijn twee rechter handen bleek een waarlijk kunstenaar. De pastoor kon de preekstoel echter onmogelijk betreden. Harm was vergeten de onderste twee treden van het trapje aan te brengen. Spoedig werd de nieuwe Katholiek kerk op Erica met een feestelijke dienst geopend. Het was pdscf5023_2_kleinastoor Ninteman die een tiental jaar later een paar onhebbelijke gewoontes afschafte. Tijdens de H. Mis werden de mensen op een gegeven ogenblik uitgenodigd tot de H. Communie. Kort voordat dit signaal werd gegeven verschenen benen vanuit de kerkbank op het gangpad. Men was klaar voor de start. Opeens rende iedereen tegelijk naar de communiebank. Menig oudje op het gangpad werd de kerkbank weer in gekegeld. Om de communiegang beschaafder te laten verlopen werden de kerkgangers voortaan rij voor rij uitgenodigd om aan de uitreiking van de hostie deel te nemen. Een stoer manspersoon blokkeerde het gangpad. Hij deed een stap naar achteren wanneer de volgende rij aan de beurt was. Pastoor Ninteman schafte nog meer af, namelijk het verhuur van de kerkbanken. Eens per half jaar verhuisden de Monstrans en de kelken met hosties naar de Sacristie. Het godslampje in de kerkruimte werd gedoofd. God was niet aanwezig in Zijn Huis. Die maatregel werd niet voor niets genomen. De kerk veranderde die zondagmiddag in een veiling. De kerkbanken werden per opbod verhuurd. De huurder was verzekerd van een eigen plekje in de kerk. Tijdens de veiling ging het er hard aan toe. Sommige kerkgangers huurden tientallen jaren dezelfde bank en dachten hiermee verworven rechten te hebben opgebouwd. Totdat hun bank opeens naar een ander ging. Dan werd er gefoeterd, getrokken en geduwd, kniekussentjes vlogen door de lucht. Wie het kon betalen had een eigen bank in de kerk, de dikste portemonnees zaten prominent voorin de kerk op de eerste banken. De kerkbanken die niet werden verhuurd kosten voorin de kerk 5 cent per mis en achterin de kerk 3 cent. Voor pastoor Ninteman een gruwel, men hoefde in zijn ogen niet te betalen voor God. Het verhuur van kerkbanken werd dan ook afgeschaft.dscf5031_2_kleinSindsdien zaten de dikke portemonnees achterin de kerk. Pastoor Ninteman ergerde zich aan de eeuwige laatkomers voor de H. mis. Die bleven aan het begin van de mis veel te lang voor de kerk dreutelen. De pastoor nam tegenmaatregelen, en wel op zijn eigen manier. Vlak na de openingsbel liep de herder met het volle wijwatervat naar buiten. De kwast zwaaide kwistig en het wijwater vloeide rijkelijk. De zegen was zo van harte gegund. De mensen waren goed van wil maar zwak van vlees. Al spoedig vervielen ze weer in de oude gewoonte. Pastoor Ninteman liet toen vlak na de openingsbel de kerkdeuren op slot zetten. De laatkomers moesten nu via de sacristie naar binnen. Ten overstaan van een gniffelende publiek. Het hielp maar even. De Drentse koppen waren zo hard als zwerfkeien. De pastoor gooide uiteindelijk de handdoek in de ring. De opvolger van pastoor Ninteman hanteerde een andere methode. Wanneer de laatkomers hadden plaatsgenomen in de kerkbanken onderbrak hij even de H.mis. nintemanDe pastoor vroeg vervolgens aan alle kerkgangers een weesgegroetje te bidden voor de laatkomers. Binnen een maand waren de laatkomers verdwenen. Pastoor Nintemans was een fervente roker, deze gewoonte werd jaren later zijn ondergang. Tijdens zijn pastoraat op Erica stierf hij aan de gevolgen van longkanker. Op Erica werd hij op het kerkhof voor het kapelletje begraven. Een zwarte tegel met grafschrift herdenkt de plek waar hij dagelijks knielde voor het gebed. Door de uitbreiding van het kerkhof stond het kapelletje opeens midden op het kerkhof. Een prachtige plek. Voor historici is het een gruwel om een monument van zijn oorspronkelijke locatie te verplaatsen. Van het toenmalig kerkbestuur gaf niemand blijk van enig historisch besef. Het liet simpelweg de boel naar achteren verslepen, inclusief de graftegel van pastoor Ninteman.

 

Geschreven door Henk Beukers

Bieten wieden

Bieten wieden

De maand mei was vroeger voor ons scholieren de maand om iets bij te verdienen. De boeren Kuper, Eising en Lubberman hadden werk zat. Diverse hectares waren ingezaaid met bieten. De methode van zaaien was nog niet zo verfijnd als van tegenwoordig. Nu gaat het zaadje voor zaadje, toen een hand vol na hand vol. De bietenrijen zagen er uit als een groene oerwoud. Al het groen moest worden verwijderd op een klein bietje na. Om de vijftien centimeter koos je een geluksvogeltje uit die door mocht groeien. De overige wachtte een bitter lot, uitdrogen in de zon. Een lot die ons bietenwieders een paar uur later door de meedogenloze zon ook ten beurt viel. Maar zover was het nog niet. We werden ‘s morgens vroeg door de boer het land opgeleid. We keken op zeven uur in de morgen over de eindeloze rijen bieten naar de dauwige horizon. Ieder kreeg een rij bieten toegewezen, dan begon je. Eerst op de knieën, dan grepen je handen in het groene spul en het wieden begon. Vrijwel direct bemerkte je al kruipend dat het groen doornat was van de dauw. Na een paar meter in de rij bieten te hebben geklauwd voelde je de nattigheid tegen je benen opklimmen. De handen waren niet alleen nat, al het zand en groen bleef er vervolgens aanplakken. Je had geen keus, om bij te blijven in de rij bietenwieders klauwde je snel door. Zo schoof een rij van zo’n tien man door een groene tapijt om vervolgens nette bietenrijen achter hun te laten. Als een enorme maaimachine worstelden de 10 man zich door de groene hel op weg naar de achterste biet, zo’n driehonderd meter verderop. Daar deed je dan zomaar een uur over. Dan had je anderhalve gulden verdiend. Je hield de rijen goed bij want je werd per rij betaald. Na de eerste rij bieten te hebben gewied was je door het ergste heen. De handen konden niet vuiler dan vuil en de nattigheid tot aan je kruis voelde je niet meer. De tien man stonden na de laatste biet op om even verderop aan de volgende 10 rijen bieten te beginnen. De driehonderd meter terug. Er waren ervaren bietenwieder die zelfs meerdere rijen meenamen. Daarvoor moest je volwassen grote klauwen hebben die met een paar vegen al het overige groen konden verwijderen. Onze handen van twaalf jaren waren echter niet zo groot. We lieten het wel na om meerdere rijen mee te nemen in het wiedproces. Al wiedend zakte soms iemand achter in de rij. De buurman wiedde dan een stukje van zijn rij mee. De achtergeblevene kon dat stukje overslaan en zich weer vervoegen in de rij. Solidariteit tussen de bieten. Zo’n rij van 10 wiedende mensen naast elkaar gebeurde niet in stilte. Al wiedend werden de laatste roddels op Erica d’r even doorgejast. Het begon zowaar gezellig te worden in de groene wereld. Zelfs het zingen van een lied was ons niet vreemd. Het doodde het saaie ritme van het wieden. Langzaam droogde de dauw van de groene plantjes. Als eerste droogden je handen. Zand en groene restplantjes bleven niet langer plakken aan de droge handen. Daarna droogde langzaamaan de broek op. Langzaam verdween het gevoel alsof je in de broek geplast had. Bij het opdrogen van de broek tijdens het kruipen door de bieten bleef tevens geen zand en ander vuiligheid aan de broek plakken. Toen we aan de vierde rij begonnen was het inmiddels 10 uur. We hadden drie keer anderhalve gulden verdiend. De eerste schaft. Uit een blauw geëmailleerde metalen beugelfles dronken we koude thee. Uit onze smerige wiedklauwen aten we een snee witbrood. Met frisse tegenzin zagen we de oudste weer opstaan om aan het wieden te beginnen. Even later kroop een rij van 10 man over de eindeloze groene vlakte. Langzaam bood de volgende plaag zich aan. De zon, althans de hitte hiervan. Bood de nattigheid van de dauw nog enige verkoeling, toen deze was opgedroogd kreeg de meedogenloze hitte de ruimte. Deze kon toeslaan omdat de open vlakte geen enkele bescherming bood tegen de koperen ploert. Steeds meer kleren gingen uit. Wederom werden we nat, nu van het zweet. We hebben wel eens dagen meegemaakt dat we onder gegiechel van de dames spiernaakt in het kanaal doken. Het werk moest echter doorgaan. Even later kroop een rij mensen op de open en verlaten vlakte in de volle zon door de eindeloze bietenrijen. Het kon altijd erger. We hebben een jaar gehad dat de boer geen bieten had maar wortels. Die moesten gerooid worden. Het loof was soms wel een meter hoog. Je gaf een stevige ruk aan het loof en de wortel verliet de omklemmende greep van de aarde. Het kwam echter vaak voor dat het loof vlak boven de wortel afbraak. Je keek dan tegen een stevig verankerde oranje knol aan die geenszins van plan was zich gewonnen te geven. Dan ging je de wortel uitgraven met je blote handen. Als je geluk had gaf de wortel toe aan de stevige ruk die je er aan gaf. Vaak moest de wortel nog dieper worden uitgegraven. Het meeste pech liep je op als de nagels zich in de wortel kliefden. Door de rukkende beweging naar boven hoopten zich onder de nagels een prut van wortel en zand. Een bijzonder pijnlijke ervaring waar het vaak tot bloedens toe doorging. De prut zat zo diep en stevig onder de nagels dat het bijna onmogelijk was om het te verwijderen. Thuis probeerde je dan met de punt van de schaar nog dieper onder de nagels te komen dan het vuil. Een nagelborstel roste de laatste kruimels onder de nagels vandaan. Het ergste moest nog komen. De open wondjes onder de nagels begonnen een dag later te ontsteken zodat je niks meer kon aanpakken, laat staan wortels rooien. Gelukkig hadden we dat niet met het bieten wieden. Verscheidene seizoenen konden we bij de boeren een paar tientjes verdienen. Na het bietenwieden gingen we naar het zwembad op Erica en lieten we ons in het koele water plonsen. Om vervolgens de volgende morgen om zeven uur weer voor de dauwige rijen bieten te staan. Zo opeens was het afgelopen met het bietenwieden. De vooruitgang had ons ingehaald. Elk bietenzaadje werd door een of ander procédé voorzien van een laagje klei. Zo’n bolletje klei met zaadje was handelbaar voor een pootmachine. Voortaan geen brede groene rijen snijmoes. Het was net alsof elk bietje zijn plek kende, keurig in gelid 15 cm van elkaar.

Geschreven door Henk Beukers

Het laatste veen om Erica

Het laatste veen om Erica

Hoewel ik nog geen zestig jaar op deze wereld vertoef heb ik toch nog redelijk veel van het veen om Erica meegemaakt. Zeg maar de laatste fase van de ontginning hier in Zuidoost Drenthe. Als kleuter werd bij ons thuis de kachel nog gevuld met turf. Ik zag zelfs kans om, in mijn ijver de kachel te stoken, bijna het hele huis in vlammen te laten opgaan. Ik wurmde met een pook de deksel van de kachel. In het open gat zag ik een brandende inferno van brandende turven. Hierbij kon ook nog wel de verpakking van een Tarvo brood. Deze bleef echter steken in het gat van de kachel. Even later likten de vlammen aan de prop papier. Toen de prop papier in lichterlaaie stond reikten de vlammen precies tot aan de boven hangende lakens. Wat konden die lakens fikken zeg, indrukwekkend. Toen mijn moeder gillend met een emmer water kwam binnenstormen hingen er slechts kleine flarden laken aan het draad, nog zwart ook, net als het plafond. Dat was mijn eerste ervaring met turf en turfkachel. Indrukwekkend was ook de kachel bij mijn oma. Daarop stond een ketel. Daar was iets geheimzinnigs mee. De bodem van de ketel zakte zomaar een tiental centimeters in de brandende kachel. De ketel was zelf de deksel van de kachel. Wanneer de ketel van de kachel werd genomen keek men zo in de hel. Wanneer ieder was voorzien van kokend water, bijvoorbeeld voor thee, werd de ketel weer op de kachel gezet, alles leek weer gewoon. Nou, ik wist wel beter. In die tijd had iedereen een turfhok. Een eldorado voor muizen, en katten. Zo’n turfhok raakte natuurlijk een keer leeg. Jaarlijks moest het hok worden bijgevuld. Men huurde dan een stukje veen voor een bepaalde periode. Hierop werd turf gestoken, gestapeld en gedroogd. Dan werd een vrachtwagen bij Cappelle gehuurd, het spul werd vervolgens opgehaald. Wanneer de vrachtauto onze straat opdraaide mochten we als kinderen op de vrachtwagen, op de berg turf. Even was je koning. Voor het huis moest je het koninkrijk verlaten, al de turf werd uit de vrachtwagen gekieperd. De turf moest worden verplaatst naar de turfhok achter het huis. Iedereen hielp mee. Kinderen uit de straat namen met hun autoped, kinderwagens, handkarretjes turven mee. Dezelfde middag was de bult voor het huis verdwenen. Vol ontzag keek je dan in het turfhok. Deze was tot aan het plafond gestapeld met turven. Zelfs de turfmand was vol. Indrukwekkend. Onze latere buurman Willem had aan de Dordsedijk een kavel gehuurd, daar ging hij naar toe om turf te stapelen. Wij mochten mee! In die tijd lag nog overal veen. Zelfs achter het Kerkenbos had boer Lubberman nog veen liggen. De jeugd maakte hierin hutten, gezinnen wandelden hier op zondagmiddag. Richting Dordsedijk tussen Klazienaveen en Weiteveen lag veen zover het oog reikte. Waar de Schutwijk de Dordsedijk elkaar kruisten lag een brug. Pal naast de brug stond grotendeels verborgen achter de zandwal een huisje. Toen de brug na de vervening verdween kwam het huisje weer tevoorschijn. Samen met Willem draaiden we de Oude Dordsedijk op, we kwamen op de Dordsedijk, richting Weiteveen. We passeerden een bielsen spoorwegbrug waarover het veentreintje tufte richting Duitsland of naar de turfverwerking. Plots werd gestopt, de auto werd aan de kant gezet. We staken de sloot over en klommen tegen een drie meter hoge veenwal op. Bovenop de wal werd je getrakteerd op een adembenemende uitzicht. Veen tot aan de horizonAan de horizon lag vaag Erica. Een bruine oceaan met vele turf bulten als golven en tientallen veenverwerkingsmachines als schepen. Als kind beseften we niet dat het uitgestrekte veengebied op het punt stond definitief te verdwijnen. Het uitzicht vergeet je nooit meer, evenals de geur en de allesomvattende diepbruine kleur. En natuurlijk de gele paaltjes waartussen Willem zijn turf had gestoken. De turf lag in formatie en vormden lange rijen. De turven werden opgepakt en twee aan twee kruisgewijs gestapeld. De wind moest de turven verder drogen. Na drie stapels hadden wij de aardigheid er van af, we gingen spelen op de bruine vlakte. Vol ontzag keken we naar de enorme machinerieën die automatisch turfsteken mogelijk maakte. Een soort van baggeraar vrat klonten veen ter grootte van een turf uit de wal waarop de klonten op een transportband werd gelegd. De transportband leidde naar niets maar stak gewoon een stuk in het landschap. Wanneer de band helemaal was gevuld kantelde de band. Elke klont kon nu op het veen verder drogen. Ondertussen reed het gevaarte een stukje verder. Dat alles onder een daverende kabaal en het een grijnzende rokende machinist. Op het eind van de middag waren wij en Willem klaar met stapelen, we gingen naar huis. Voordat we het veen verlieten kregen we van zijn vrouw een glas appelsap. Waarom ik dat nog weet? Het was de eerste keer in mijn leven dat ik appelsap dronk. Later als tieners bezochten we vaak het veen. In het hoge pijpenstro maakten we gangen en hutten. Urenlang kon je er rond dolen zonder een mens te zien. Als we dorst kregen dronken we uit een veenpoel. Bruin water met een veensmaak. Vergeet je nooit weer. In het bosje van Tapper zgn. Tapperse Bos, konden we urenlang door een dichte oerwoud van berkenbomen rondbanjeren. Bij een zandgat deden we de kleren uit en gingen zwemmen in het donkere water. Soms zagen we treinrails liggen in het veen, met veel moeite kregen we een lege lorry op het spoor. Rijden maar, liefst van een heuveltje af. Urenlang konden we ons vermaken met die lorry’s. Tot een van ons de vingers tussen beide lorry’s kreeg. Hij had op dat moment zijn bakkes gevuld met boterham anders was zijn gegil tot op Erica te horen geweest. Na een poosje de hand in het koele veenwater ging het wel weer. Tenminste, dat vonden wij. Langzaam, bijna ongemerkt, veranderde het landschap van veengebied in landbouwgebied. De veenkoloniale gebieden werd het genoemd. Het is het landschap van de ondernemers. Doelen, rendement, winst. Elke struik of boom werd als verliespost gezien. Elke kromming in het landschap werkte als een gat in de begroting. De ruilverkaveling deed de rest. Het gevolg is messcherp te zien bij de grensovergang naar Duitsland. Wanneer men van Duitsland komt gaat het landschap met kromme wegen en nutteloze bosranden over tot een landschap waarop elke boom of pad zijn plek weet. Rechttoe, rechtaan. Voor de ondernemers een feest. Het is de bevolking die ondertussen ontdaan is van een unieke landschap, maar die werd niets gevraagd.

Geschreven door Henk Beukers

Maart 2016

Maart 2016

Opgedragen aan Marlies.

Vrijdag 18 maart 2016.
Het was nog donker toen Batman op 06.00 uur bij Vliegend Hert binnenstapte. Na een kort afscheid togen de heren op pad. Hike Maart 2016 was begonnen.
DSCF4513DSCN4713Nog voor dat we de Kerklaan hadden verlaten begon het te lichten. Wat erger was, het begon te motregenen. Snel zetten we de pas er in. Tegen de tijd dat we Erica achter ons lieten stopte de motregen, om af en toe weer geniepig toe te slaan. Het was te weinig om te storen. De temperatuur was zo’n acht graden, bij de Dordsedijk gingen de jassen uit, het was te warm. Het lange eind richting Zwartemeer ging rap. Sint Antonius was ons welgezind. Na de kerk gepasseerd te hebben maakten we onze eerste rustpauze, het was nog maar 08.00 uur. We doken het natuurgebied De Meerstalblokken in en liepen een poos langs de grens met Duitsland. Een strook van zo’n vijftig meter aan beide zijden van de grens was volkomen plat gezaagd. Waaronder prachtige oude eikenbomen. Voor een brandgang? Het smokkelpad naar Duitsland was nu duidelijk te zien. Snel vluchtten we Duitsland in. Gelukkig viel het met de drassigheid mee, ook het zandpad was redelijk droog. We moesten opschieten. We hadden een Rendez Vous bij het Griendsveencomplex. Om 09.00 uur zou Yeti daar ons ontmoetten. Volgens planning stond hij daar met een kop koffie ons op te wachten. Yeti nam nog even een foto van de twee binken en vervolgde zijn weg terug naar Nederland. Batman en Vliegend Hert toogden verder richting de Autobahn A31. Hier hielden we een korte pauze bij een bankje aan de Waldweg. Vlak voor Fullen pauzeerden we nog even in een bushalte. Hierin zat een oude verdwaalde Duitser. Door hem minuten zwijgend strak aan te kijken stond hij op en vertrok. Zo, nu konden we ons even uitstrekken op de bank. We hadden de gang er goed in. Normaal pauzeerden we bij onze Russische vrienden en namen we de middagpauze vlak voor Meppen. Beide sloegen we over en liepen met de Nordic stokken gezwind door. Voor ons kwam in de verte een parasol op ons af. Wat zullen we nu krijgen? Het bleek een scootmobiel waarvan de berijdster niet in de zon wil zitten. We verdwenen in de binnenstad van Stadt Meppen. DSCN4725 DSCN4726Opnieuw viel ons oog op een wel erg merkwaardige Duitser. Hij sprong van de fiets om al lopend moet een handveeg zijn achterwiel schoon te maken. Hoofdschuddend keken we hem na. Dit beloofde een spannend weekend te worden. De kroeg waarnaar wij zochten, die we vaak gesloten aantroffen, was open. Hier betaalde het vroeg opstaan van vandaag zich af. We namen plaats achter een tafel en zaten even later genoeglijk achter volle bierglazen, zo groot als bloemvazen. Na een tweede ronde werd ons vriendelijk te kennen gegeven zo snel mogelijk op te rotten. Wat is toch aan de hand met die beroemde Duitse gastvrijheid? Niets dus, de schilder kwam zo langs, het gehele interieur werd geschilderd. Dan zaten die twee Niederlandische nathalzen daar maar in de weg, dus…wegwezen. Kwam ons goed uit, het volgend adresje in de Stadt was een Schnell Imbiss, hier namen we een patatje met een poot. Daar konden we weer verder op lopen. We verlieten Meppen en toogden richting Bokeloh. Bij Gasthaus Giese hadden we wederom een Rendez Vous, nu met Yei en Oehoeboeroe. De heren waren exact op tijd, dus wij ook. Na vijfendertig kilometer achter de kuiten lieten Batman en Vliegend Hert het gerstenat goed smaken, Yeti en Oehoeboeroe deden niet voor ons onder. In het Gasthaus zaten twee stelletjes aus Die Niederlanden, dorpsgenoten zowaar! Wat deden die nu op een vrijdagmiddag zover in Duitsland? Het bleek dat het gebied om Bokeloh razend populair was bij veel Drenten uit de Zuidoosthoek. Het werd bar gezellig. Na een hartelijk afscheid begonnen we aan onze laatste stuk van de Hike. De brug over de Hase in Bokeloh was niet meer. Weg, foetsie. De oude brug begon gebreken te vertonen, had zijn tijd erop zitten. Ernaast lag een noodbrug. DSCN4729 DSCN4730Gelukkig maar, anders hadden we een andere route moeten nemen. Een opmerkelijk frisse Yeti en dito Oehoeboeroe namen met Batman en Vliegend Hert op de brug van Gross Dorgen de pose aan voor de traditionele foto. Later ‘s avonds voegden de heren Oei-oei en Bambam zich toe aan de groep. Zoals gewoonlijk werd het weer een bar gezellige weerzien die rijkelijk werd besprenkeld met het gouden gerstenat. Nog voor twaalf uur kwam de man met de hamer en sloeg ons allemaal het nest in.

Zaterdag 19 maart 2016.
Het thema van dit weekend was: IJzer uit de Oertijd. Ooit was de ijzertijd begonnen. Ooit hadden onze voorouders een klont ijzeroxide in handen waarmee ze iets wilden doen. DSCN4735 Als je het spul ging verhitten en, als je er maar lang genoeg op bleef meppen, ontstond iets wat veel langer scherp bleef dan vuursteen of brons. Maar hoe kom je aan ijzeroxide? Bij het dorp Schleper kwam het uit de grond, letterlijk. Het spul lag op de bouwland voor het oprapen. Daar gingen we die zaterdag naar toe, om ons even in de ijzertijd te wanen. Natuurlijk namen we erts mee als souvenir. Die ochtend ging het ontbijt redelijk snel. Het was dicht bewolkt maar niet koud, het regende niet. Kortom, prachtig wandelweer. DSCN4745 DSCF4533We toogden op pad richting Schleper. Jaren geleden zijn we daar ook geweest om de nieuwe snelweg uit te peilen in een weiland. Toentertijd hadden we met closetpapier een denkbeeldige snelweg aangelegd. Bambam had vanuit een kanzel hier foto’s gemaakt. Bij de boerderij van Alwies Rolfes namen we het zandpad richtig de rivier Mittelradde. Halverwege het pad sloegen we af naar de oude huis van Tensings ( zoeremelkboer). DSCF4528 DSCF4526Dit was inmiddels een ruïne. Aan de oude balken kon men het vakmanschap nog steeds aflezen van de toenmalige bouwlui. Oude geschriften uit de jaren vijftig lagen daar op de deel nog steeds voor het oprapen. We snuffelden door het huis en Oehoeboeroe vond een balk waartegen hij zijn hoofd kon stoten. Nu was zijn hoofd al niet zo fris, het herinnerde zich het kittig sapje van gisteren. Achter het huis liepen we het veld in. Bouwgrond wisselde zich af met rivierbeddingen en bosstroken, enorme zwerfkeien vormden hier natuurlijke stuwdammen. Dit zie je niet in het propere Nederland. Al hadden ze in Duitsland wel iets properder mogen zijn. Overal lagen oude vallen, ontelbaar aantal lege flessen, vreemde balletjes met nummers, flarden plastic of onderdelen van landbouwmachines. Een boer had ooit een lier gebruikt om een boom om te trekken. DSCF4525 DSCF4522Na de klus bleef het gereedschap aan een boom hangen, ‘t is maar geleend spul. De Universität Osnabrück had hier ooit veldonderzoek gedaan. Overal vonden we hun Forschungsgerät terug. Stelletje Öcoschweine. Maar gelukkig vonden we ook sporen in de natuur, keutels, botten en een schedel. Richting Radde kwamen we op een heuvel, hier stond een kanzel. Stond. Het ding lag plat. Je hoorde geen ree mopperen. We kwamen op een pad waarbij de bramenstruiken zich gedwee lieten uitvouwen zodat we vrij baan hadden. Yeti noemde het pad treffelijk het ‘Mozespad’. DSCF4560Op dit pad vonden Oei-oei en Oehoeboeroe de eerste nuggets ijzeroxide. Het lag gewoon als dikke kluiten op het pad, het voelde alleen veel zwaarder aan en had een roestkleur. Op de brug van de Radde namen we een pauze. Even later plonsden glazen flesjes in de Radde. Nog meer Öcoschweine maar nu onder ons. Op een veldje lieten een paar reeën zich gewillig fotograferen. We trokken verder het veld in richting Schleper, richting de snelweg. Langs de oever van de Radde dreven vele rattenvallen. Hopelijk zien de bevers het verschil. Anders zag Oehoeboeroe het wel met zijn reuzenlens op de fototoestel. Langs de snelweg in Schleper waren ze bezig het spoor van nieuwe bielzen te voorzien. Hier dronken we onze meegebrachte pilsjes. DSCF4542 DSCF4561Oehoeboeroe, inmiddels frisgroen als zijn overjas, zocht plotseling in de berm naar viooltjes. Na de Radde opnieuw te hebben gepasseerd kwamen we op het weiland waar we toentertijd de foto’s hebben gemaakt. Niets was veranderd, zelfs de kanzel stond nog op zijn plek. Ze hebben ons niet gemist. Toentertijd kwamen we van de andere kant, logisch dat we deze weg zochten voor de terugweg. We wisten ons nog te herinneren dat het een moerasgebied was, toen tamelijk droog en diengevolg doorwaadbaar. Dit keer ontbrak factor droog, daarmee de mogelijkheid doorwaadbaar. Na lang zoeken raakten we in paniek, een borrel volgde. Wederom waren dicht bij ons een paar Öcoschweine te zien. Eindelijk vonden we een doorwaadbare plaats, nota bene naast de oever van de Radde. We staken een maisveld over. Hier vonden we waarvoor we kwamen. IJzer, ijzer en ijzer, overal klonten roest tussen de maisstronken. Bambam spaarde apart ijzererts in een plastic zak, hij wil proefondervindelijk bepalen hoe onze voorouders het ijzer uit het erts verkregen. Al snel had Vliegend Hert meer dan een kilo aan ijzererts in zijn jaszak. Helaas bleven alle verdere jaszakken leeg en schoon. Oei-oei, Oehoeboeroe en Yeti vonden het opeens mooi genoeg geweest. Ze verlieten de scene. Bambam, Batman en Vliegend Hert besloten op het Mozespad verder naar ijzer te zoeken. DSCF4572 DSCF4575Op het pad maar vooral op het maisveld richting de visvijver werd ijzeroxide in overvloed gevonden. Sommige nuggets waren na miljoenen jaren nog steeds vuistdik. Bij de visvijver vonden we ossenschedels aan de bomen gespijkerd en serpentdraad over de hekken. Een eng ventje vist hier. Een totempaal bij de ingang moest indringers afschrikken. We verlieten de visvijver en liepen naar het pad richting spookboerderij. We waren voorzichtig, misschien zagen we het prachtige blauw van een ijsvogel. DSCF4585 DSCF4579Toen we het pad naderden zagen we inderdaad blauw. Een Nederlandse blauwe personenauto met een natuurvriend en -vriendin. Beide op de achterbank. De vriend had het blijkbaar warm, hij had zijn broek op de knieën. Zoals reeds opgemerkt, het landschap hier is populair bij de Nederlandse Naturfreunde. We lieten ze verder van de natuur genieten en liepen door. Bij de oude houten brug bleven we staan. Oer zette het riviertje in een overdadige kleur van roest. Ook hier zou binnenkort een noodbrug aangelegd moeten worden. Op sommige plekken veerde de planken van de brug vervaarlijk mee en was deze erg doorzichtig. Na enkele foto’s van het roestkleurig riviertje te hebben genomen trokken we richting spookboerderij. Over een ruïne gesproken, de voorgevel was zo verzakt dat betreding van het pand eigenlijk niet meer veilig was. Ooit een jeugdherberg, ooit een stal voor kostbare koetsen, nu een pittoreske bouwval. We trokken via de boerderij van Wulf richting het thuiskamp. DSCF4588Daar wachtten de overige leden reeds op ons. Van de ijzernuggets die Vliegend Hert in zijn jaszak had verzameld maakte hij achter de Ketel op een betonplaat een soort van piramide. Hij vond dat we het aangename met het nuttige moesten verenigen. De verzamelde klonten ijzeroxide kreeg als bestemming: pissoir. Een waardige souvenir van deze dag. Spoedig was de stamtafel gevuld met gerstenat en draaiende braadworsten. Een gezellige avond volgde, menig puntje werd van de i gehaald, menig kant die de wal zocht, iedereen had gelijk. Dat laatste pas toen iedereen sliep.

Zondag 20 maart 2016
De Klein Reussiestocht voerde ons op verzoek van Bambam naar het keizergedenkplaats. Bambam is nog al wild van geocaching. Daar zou eentje liggen. Het zat die zondag tegen. Op de tocht naar het zandgat werden we begeleid door motregen. De hele natuur om ons heen was druilerig, had er niet veel zin in. Bij het zandgat aangekomen druilde het daar ook. Ondanks het verbod op motorcrossers zagen we kapot gereden hellingen en bandensporen.DSCN4785

 

 

Gelukkig hadden we de Geocaching van Bambam nog. Als we dat vinden zit er tenminste nog iets mee die dag. Bij het monument aangekomen zat het niet mee. De geocach bleek te zijn gestolen. Een biertje dan maar. En een groepsfoto. Je moet toch wat. Na een tijdje gezellig te hebben gekletst besloten we voor even weer Öcoschweine te zijn. Dit moeten we snel weer afleren! Terug lopend naar het thuiskamp begon het nog harder te regenen. D’r zat niets anders op, we trokken nog een blik open. Daarna ruimden we de spullen op. Sloten de boel af. De Ketel werd weer aan zijn lot overgelaten, binnen de wanden wel enkele mooie momenten rijker. IJzer uit de Oertijd-weekend had zijn doel behaald. Het weekend gaat als geslaagd in de boeken. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend Hert

Havenstraat Erica

Havenstraat Erica

Opgedragen aan Lieke.

Voordat Erica überhaupt het licht zag (1863) bestond in Zuidoost Drenthe een zandweg tussen de dorpen Zuidbarge en Schoonebeek. Het was een zandpad waarvan iemand ooit vond dat het van strategisch belang was. Op Erica werd een schans gebouwd. De Bergerschans. Erica had eigenlijk Bergerschans moeten heten maar, zo wil het verhaal, een kanaalgraver die de Latijnse taal beheerste, besliste anders. Het waarschijnlijkheidsgehalte van dit verhaal mag ieder voor zich bepalen. Het klinkt logischer dat de naam Erica werd ingefluisterd door een ontwikkeld persoon van buitenaf. Eentje met een zekere geldingsdrang. Vul maar in. De Bergerschans zou een vierkante zandwal worden met kanonnen. De schans werd nooit afgebouwd. Het zandpad veranderde door de jaren enigszins van route tot de huidige weg tussen Zuidbarge en Schoonebeek. Waar precies de Bergerschans heeft gelegen blijft gissen, hoewel lui van de Historische Kring Erica wel een aardig vermoeden hebben van de oorspronkelijke plaats. De Verlengde Hoogeveense Vaart werd gegraven ter ontsluiting van het enorme veengebied in Zuidoost Drenthe. De schepen vol turf voerden naar Amsterdam zodat de stadsfatjes er warmpjes bij zaten. Op de plek waar het zandpad met het kanaal kruiste werd een brug gebouwd. De eerste generatie Ericanen streek neer in dit gebied. Er werden zelfs twee bruggen gebouwd. Laatste kwam over een zijkanaal te liggen die in noordelijke richting liep. De brug stond haaks op de eerste brug en lag er bovendien pal naast. Tussen die twee bruggen werd in de dertiger jaren een kazemat gebouwd. In het zijkanaal naast het zandpad zat een verbrede gedeelte in het kanaal, de haven. Voor menig visser een ideale visplek. Het kanaal nam hierna een haakse bocht en verdween, na nog een bocht te hebben genomen, in de Veenschapswijk. Het zandpad naast de haven kreeg de toepasselijke naam Havenstraat. Erica ontwikkelde zich door de jaren heen maar bleef dorp. Het zandpad werd een verharde klinkerweg, de Havenstraat werd de hoofdstraat van Erica. De brug werd het centrum van het dorp. Om de brug kwamen mensen te wonen die het konden betalen, de verveners. Terwijl deze ‘semipaleizen’ (Parels van Erica) werden gebouwd zochten de veenarbeiders en ex-kanaalgravers hun heil in keten en krotten. Deze situatie zou pas veranderen met komst van de vakbonden. Het startte met de vrije zaterdagmiddag en later de vrije zaterdag. Geleerden maakten zich in het openbaar zorgen, teveel vrije tijd zou leiden tot Sodom en Gomorra. Volgens de hoogontwikkelde heren was vrije tijd alleen geschikt voor ontwikkelde mensen. De ‘onderontwikkelde’ mensen van de vakbonden wisten gelukkig wel beter. Laten we de foto van de Havenstraat eens nader bestuderen. Rechts tussen de huizen hangt het wasgoed van de toenmalige bewoners. Vroeger hadden de mensen een vaste wasdag in de week, dat was maandag. De bomen staan vol in het blad waarbij het loof vanuit oostelijke richting worden beschenen. Schaduwen op het huis en vage schaduwen op de straat bevestigen de stand van de zon. Deze stond vrij laag aan de hemel. Je zou schaduwen verwachten van de lantaarnpaal en ANWB-bord, deze zijn waarschijnlijk geretoucheerd. Zoals gezegd moesten mensen vroeger tot 18.00 uur werken, zo ook de fotograaf. De goede man moest eerst eten, vervolgens toog hij toen met de camera op pad. Zo tegen 19.00 uur stond meneer met zijn camera bij de brug. Een dergelijke lage zonnestand tegen 19.00 uur vinden we in de maand Augustus. Gezien de grote plassen langs de weg was het een natte maand maar ook een teken dat riolering onder de Havenstraat ontbrak. Het jaartal waarop de foto is gemaakt is moeilijker te schatten. Het was in ieder geval vóór 1951. Het gevleugelde wiel op de ANWB-bord werd namelijk in 1951 vervangen door de huidige ANWB-vignet. Het weinig gemotoriseerd verkeer doet een eerder jaartal vermoeden, ook de type straatlantaarn doet vermoeden dat de foto eerder is genomen dan 1951. Één van de Parels van Erica, rechts op de foto, biedt de oplossing. De rijk gedecoreerde villa, Tegeltjeshuis genaamd, aan de Havenstraat 2 werd in 1897 gebouwd als woning voor de directeur van de NV Friesche Veen Maatschappij. De gevlekte boomstam voor de villa doet me denken aan een Plataan of kan begroeiing van Klimop zijn. Hoogstwaarschijnlijk werden de bomen door de eerste bewoner in de grond gepoot. De leeftijd van deze bomen schat ik op zo’n dertig, veertig jaar. Ik kom tot de conclusie dat de fotograaf de foto heeft geschoten op een plek vlak bij de kazemat, op een maandagavond tegen 19.00 uur in de maand Augustus in de eindjaren dertig van de vorige eeuw. In die tijd woonde vervener Van der Sluis in het Tegeltjeshuis. Naast het Tegeltjeshuis stond het postkantoor en de winkel van Johan Prinsen. In die tijd hadden de huizen nog een fatsoenlijk voortuin. Achter het huis van Johan Prinsen is nog een stukje zonnescherm te zien van de bakkerij van Joop Savenije. Daarnaast stond de winkel van Gankema, op het eind stond het huis van de schoolmeester Pol. Dan kwam de openbare lagere school, een verkeersbord langs de Havenstraat wees daarop. Aan de noordkant van het schoolgebouw was de brandweerkazerne gebouwd voor de vrijwillige brandweer. Hierin stond een kar voorzien van pomp en spuit. De kar werd achter een particuliere auto gekoppeld en naar de brand gereden. Midden op de foto is vaag de ingang van het schoolplein te zien met op de achtergrond een groot wit huis. Als deze toentertijd niet werd afgebroken had Erica nog een parel erbij gehad. Links op de foto is nog net een stukje paardenstal te zien van boer Mensen. Daarachter het havenkanaal die uitmondt in een verbrede stuk kanaal, de haven. Achterop de landerijen is vaag het huis te zien van Jan Wisman ‘Jan Kwatta’ (omdat hij vaak een chocoladereep at). Hij was belastinginspecteur. Op de landerijen langs het kanaal lag in de winter een ijsbaan. Om de kop financieel boven water te houden stonden op de wallen langs de haven en kanaal de sikken van weduwe Evers ‘Sikken Dore’, mijn overgrootmoeder, aan de stik te grazen. De bewoners rechts aan de Havenstraat, waaronder mijn geboortehuis, hadden tot aan Nieuw-Amsterdam vrij zicht over de landerijen van boer Mensen. Erica was op de foto, net als Zuidbarge, een prachtig karakteristiek dorp. Planologen kijken tegenwoordig verlekkerd naar dergelijke dorpskernen. Smalle straten met klinkers remt vanzelf het verkeer en mijdt het vrachtverkeer die daar niets heeft te zoeken. De bomen waren nu natuurlijke monumenten geweest. Naast de karakteristieke elementen had Erica ook nog een haven gehad. Gezien het nieuwe vaartraject Erica-TerApel had het vandaag de dag veel toeristen aangetrokken. Over economisch belang gesproken. Het mocht niet zo zijn. Terwijl Zuidbarge als karakteristiek dorp met vele bomen bleef bestaan moest Erica het onderspit delven. In het begin speelde de NAM in Schoonebeek hierin een grote rol. Het begon met de inwoners van Erica een worst voor te houden. Medio jaren vijftig werd vanuit Emmen t.b.v. de NAMpersoneel een waterleiding naar Schoonebeek aangelegd. Erica lag op de route en profiteerde mee, het dorp hing vroeg aan de waterleiding. De Havenstraat werd tevens voorzien van riolering. De mensen op Erica waren blij met de aandacht vanuit Gemeente Emmen. De aap kwam al snel uit de mouw. De toeleveringswegen, waaronder de Havenstraat, naar het NAM-terrein in Schoonebeek werden geschikt gemaakt voor zwaar vrachtverkeer. Klinkers voldeden niet meer, de Havenstraat moest sterker, stabieler en vooral breder. De Havenstraat werd diep uitgegraven en erger, alle bomen aan de oostkant van de Havenstraat moesten verdwijnen. Bovendien waren alle belendende huizen hun voortuintjes kwijt. De Gemeente Emmen had er geen moeite mee, zolang de NAM maar betaalde. Als pleister op de wond konden mensen op Erica voor een habbekrats brandhout kopen. Nog steeds is Zuidbarge zuinig op zijn bomen, nog steeds worden op Erica eeuwenoude bomen omgezaagd. De Kerklaan is hierin het meest schrijnende voorbeeld. Ondanks mooie beloftes komen daar op dezelfde plek zelden tot nooit nieuwe bomen voor terug. Er komt een generatie mensen die niet meer weet wat oude bomen zijn. Die denken dat bomen niet dikker worden dan dertig centimeter. Ze worden toegejuicht door boomhaters op Erica die het dorp het liefst willen overzien, zittend op een stoel. Vergelijk Erica op de foto eens met het huidige Erica. Met zijn beschadigde Havenstraat en modderig verzakte bermen, zijn vreselijke winkelgevels met schreeuwerig witte kunststof platen. Vooral de afwezigheid van eeuwenoude bomen is schrijnend opvallend. Het is wat je krijgt als economisch gewin boven planologische schoonheid wordt verkozen.

Geschreven door Henk Beukers.

Buurman Willem 2

Buurman Willem 2

Toen het gezin Beukers in de begin jaren zestig van de vorige eeuw het huidige huisje betrok werd deze bewoond door Poelman. Het huisje werd in eerste instantie gedeeld door hun inwonende zoon. De zoon was ziek, had TBC, woonde in een aparte kamer. Toen zoonlief stierf kwam tijdelijk zijn getrouwde dochter met echtgenoot bij hun inwonen. Uiteindelijk stierf oude Poelman en had niemand geld om het huisje over te nemen. Ondanks het feit dat in die tijd een kavel al snel zo’n drieduizend vierkante meter besloeg werd om een vierkante meter gekissebist. Vooral buurman Willem had dit tot kunst verheven. Toen oude Poelman de Kadaster erbij hield werden de kavels precies uitgemeten. De strijdbijl werd eindelijk begraven. Voor een maand. Omgewoelde grond was een stil bewijs dat er in de nachtelijke uren met de kadasterpaaltjes was geknoeid. Toen oude Poelman de zaak inspecteerde stond Willem in zijn huiskamer achter een gordijn toe te kijken. De strijd laaide weer op, het hield pas op toen oude Poelman kwam te overlijden. Als nieuwe buren werden we door Willem hartelijk begroet. Precies op de grens van Willem en huize Beukers had Willem een slootje gegraven voor het afvoer van de gootsteen in zijn keuken. De woningen stonden zo’n honderd meter van de Havenstraat en waren in die tijd niet aangesloten op de riolering. In die tijd werd het rioleringsprobleem opgelost d.m.v. septickelders en sloten. Toen decennia later Willems huis werd verkocht en de kavel door het kadaster werd nagemeten bleek het slootje zich meters op onze grond te bevinden. Willem had daar volgens eigen zeggen recht op. Keer op keer bestudeerde hij zijn kadastrale tekening en kwam bij het berekenen een aantal vierkante meters te kort. Tja, dan haal je dat weg bij de buren. Door toedoen van mijn vader vond Willem jaren later zijn gemiste meters. Mijn vader wees hem op het recht van overpad voor ons huis langs. De helft van dat pad bleek zijn eigendom. Willem zijn kavel was eindelijk compleet. De sloot bleef echter op zijn plek. Nachtelijke verplaatsingen van kadasterpaaltjes was van nu af aan verleden tijd. Wie denkt dat Willem nu stil ging zitten vergist zich. Mijn moeder en Willems vrouw, tante Diny, hingen vaak samen de was op. De waslijnen waren gesitueerd achter de huizen in het vrije veld waar de wind vrij spel had. Na het ophangen van de was bleven de dames vaak nog even kletsen. Tot opeens een hek tussen de beide waslijnen verscheen. Willem vond dat het geklets van de dames lang genoeg had geduurd. Hup, hek d’r tussen! Ondanks het feit dat Willem een groentetuin bijhield lag het grootste deel van zijn kavel braak. Er groeide gras tot aan onze kinderknieën. Prachtig speelveldje toch? Het lange gras werd hooi en daarin was het goed toeven. Willem joeg ons daar herhaaldelijk weg, gras moest groeien, dat kon niet als daar kinderen op lagen. Toen broer Wim op een zaterdagmiddag zijn hooiveldje in vlammen liet opgaan werd Willem bijna gek. Voor Willem was de trots van de tuin een mestbult. Deze was bij Willem gelijkzijdig, loodrecht, horizontaal en vooral waterpas. Een model mestbult. Je kon er op biljarten. Willem ontplofte dan ook zowat toen hij een loslopende kip op zijn bult ontwaarde. Die kip was van huize Beukers, onze kippen liepen los. Na Willems tirade niet meer. De kippen moesten van Pa binnen blijven. Volgens Willem hadden de kippen de mestbult dood gepikt. Tja, wat moet je nog met een dode mestbult. Dat najaar gingen de kippen onverbiddelijk de pot in. Met Pa kon Willem geen ruzie krijgen, nooit gelukt ook. Voor ons was Willem best wel een lieve aardige buurman. Beetje opvliegerig misschien, maar altijd van korte duur, hij bleef nooit lang boos. Willem kreeg met ons geen ruzie. Roef, de zoon van de andere buurman, type lange tenen kort lontje, was een ander verhaal. Tijdens het schoffelen vond Roef steentjes in het zand en die gooide hij op het sintelpad. Dat zag Willem. Met hoge stem en korte pasjes kwam hij als een haantje verhaal halen bij Roef. De steentjes (niet de sintels) zouden maar lekke banden veroorzaken. Willem had zich op Roef verkeken. Honderd kilo drift vloog vijftig kilo Willem bijna aan. Daar had Willem niet op gerekend. Met overslaande stem en rappe pasjes maakte Willem zich snel uit de voeten. Het gezin Beukers genoot van het avondeten en keek door het raam geboeid naar het schouwspel. Zowel Willem als Roef kwamen nadien bij ons hun verhaal doen oftewel hun gelijk halen. Door beide diplomatiek gelijk te geven keerde de rust terug. Willem kon zich niet onttrekken aan zijn lot, zijn opvliegende karakter bracht hem herhaaldelijk in problemen. Het kostte hem bijna zijn baan. Dagelijks zagen we Willem op zijn fiets naar de NAM in Schoonebeek rijden. Een kleine man, alpinopet, zwart oliejas en kaarsrecht op de fiets. Op het werk deed hij zijn ding. Zijn chef meende daar een opmerking over te moeten maken. Toen de goede man zich omdraaide had ie een punter van Willem onder zijn kont te pakken. Collega’s moesten de kleine terriër van de chef afplukken. Na veel gepraat maar vooral omdat Willem een zeer lange onberispelijke staat van dienst had bij de NAM werd de zaak in het minne geschikt. Daar was Willem met veel geluk weggekomen. De zaak kreeg bekendheid bij de NAM, wegens zijn hoge stem bij een driftbui stond Willem voortaan bekend als Piepsie. Toen Willem eindelijk met pensioen ging dacht iedereen dat het gebeurd was met de vrede in de Hanebietersbuurt. Dat viel mee. Willem had zich een houtdraaibankje aangeschaft en had zich teruggetrokken in zijn schuurtje. Uit dikke rondhout sneed hij een plak waar hij vervolgens een onderzetter voor een kaars van maakte. Een kandelaar dus. Willem stond niet vooraan bij het uitdelen van fantasie. Pas toen familie, buurt en zijn schuur tot de nok waren voorzien van kandelaars hield hij op. Het gereedschap in zijn schuur moest hierna in het vet. Toen mijn vader een jaar later de werkplaats van Wietse (Fietse) Moorman bezocht zag hij een fietsenmaker wiens overjas dreef van het vet. Wietse verklaarde zich verontschuldigend dat hij met een oude fiets bezig was geweest. De fiets van ene Willem, of Pa die kende. Ja, die kende Pa wel. Willem werd milder naarmate hij ouder werd. Een zekere gevoel van humor kon Willem niet ontzegd worden. Wekelijks kwamen mijn ouders en Willem met echtgenote Diny bij elkaar over de vloer om te gaan jokeren. En spel waarbij logisch en soms strategisch moet worden nagedacht. Een spel voor Willem ten voeten uit. ‘Rommel’ als zevens of achten spaarde Willem niet, ook al had hij er drie stuks van. Een gevleugelde uitspraak van Willem tijdens het kaartspel was: ‘Ik ben nuit’. Hij legde vervolgens zijn kaarten op tafel om halverwege het uitleggen van de kaarten tot de conclusie te komen: ‘Ik ben niet nuit’. Willem verloor het jokerspel altijd met de handen vol kaarten, soms met drie jokers. Van zijn pensioen heeft Willem nog geen tien jaar mogen genieten, hij is overleden in zijn slaap. Het was aandoenlijk om, na vele jaren, bij mijn ouders thuis in een oude lade, het oude scoreboekje van het jokerspel terug te vinden, Willem met de meeste punten.
Geschreven door Henk Beukers

Mythe van de zwarte specht

Mythe van de zwarte specht

Theo Schildkamp benoemde de mooie vogel al in zijn vele prachtige verhalen. Ik heb hem zien vliegen in Gross Dorgen. De zwarte specht. Het is een vrij zeldzame broedvogel van hoog, gemengd naaldhout, voornamelijk in het oosten en zuiden des lands. Met wijdgespreide voeten klautert hij langs de boomstammen naar boven. Hij heeft de kleur van een kraai, de vliegwijze van een gaai: hij fladdert, een beetje op de wijze van de hop. Hij heeft een bijzonder geluid: een hoog raspend kruu-kruu-kruu. De zwarte specht heeft iets weg van een kardinaal: een echte zwartrok met een streng snuitwerk en een rood kalotje op. Het is een van de weinige vogels waarover Plinius een mythe beschreef. Der Schwarzspecht ist ein Kräutermann, het vers verhaalt van het wonderbaarlijke kruid dat slechts de specht weet te vinden, het voorjaarswortel van de Salomonszegel. Alle deskundigen zijn het er sinds de oudheid over eens dat je voorzichtig moet zijn met het gebruik van Salomonszegel. Alle delen zijn min of meer giftig, maar de aantrekkelijke blauwe bessen zijn het giftigst van al en die moet je zeker niet plukken en opeten. Je gaat er heftig van overgeven en krijgt er een vreselijke diarree van, zo niet erger. Dat is wel een zware straf voor het plukken van deze beschermde plant, maar je bent dus gewaarschuwd. De zwarte specht werd door Jacob Van Maerlant in zijn ‘Der Nature Bloeme’ prachtig beschreven.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
.i. cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.


Sommige Salomonszegels zouden de kracht bezitten om deuren en meisjesharten te openen, rotsen te verbrijzelen en tanden te trekken. Je moest dan wel de juiste Springwortel vinden en daar kon dus die specht, (latijn: picus) van Van Maerlant bij helpen. Alhoewel volgens Sloet, het niet bekend is welke plant de specht kende ‘eene plant, waarvan de wortel schatten aanwijst en alle sloten en deuren, die er mede aangeraakt worden, doet openspringen, welke kracht hem den naam van Springwortel gegeven heeft. Om hem te verkrijgen zoekt men een nest van den specht en stopt, wanneer het mannetje uitgevlogen is, het gat met eene ingeslagen pin dicht. Zoodra het mannetje dat merkt, haalt hij den wortel en houdt dien voor de pin, die met groot geweld uit de opening springt. Voor dat het zoover gekomen is, maakt iemand, die zich verstopt heeft, een vervaarlijk geschreeuw en de verschrikte vogel laat den wortel vallen. Welk een welkome hulp voor het inbrekersgilde! Volg hier een raad op: stop het spechtengat dicht – voor alle duidelijkheid: de opening van de nestholte. De specht zal dan het kruid gaan halen. Maak hem, als hij daarmee terugkomt, zo aan het schrikken dat hij het pardoes laat vallen. Dan heb je het te pakken! Een mooi verhaal. Een van de vele die over spechten de ronde doen. Zo langzamerhand zijn ze uitgestorven, maar vroeger wist men elkaar van alles te vertellen over deze klimvogels. Met name over het bikken en beitelen in het hout, alsmede over het klagelijke, hoge roepstem van het dier. Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht vanuit Bokeloh, aan bij het huis van Mariechie, een pinnig vrouwmens, dat weigerde hun een boterhammetje te geven. Zelfs een slokje water, melk of een appel kon er niet af. Ze sneerde verwensingen en wees bars met de vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en luidkeels roepen om regenwater wanneer ze dorst had. Eigen schuld, dikke bult, lekker puh.. Het kan dus lelijk met je aflopen wanneer je iemand een iets weigert. Van alle vogelgeluiden in Gross-Dörgen horen we af en toe de vrij zeldzame broedvogel van het hoog gemengd naaldwoud, die kruu-kruu roept. Het wordt steeds meer een sprookje uit het verleden die op de wind van de tijd is verwaaid.

Henk Beukers

3 of 17
1234567