De Kerk

De Kerk

Mijn eerste herinneringen aan de kerk had te maken met de doop van mijn zus. In die tijd werd dat tussen de missen gedaan. Met die grote gezinnen was er ook geen andere keus, het wijwater in de doopvont bleef maar stromen. In de lege kerk was het dan donker en stil. Het geluid galmde weg in de enorme ruimte met kerkbanken. Rechtsvoor in de kerk stond het doopvont. Na een korte plechtigheid was er weer een zieltje veilig gesteld. Dat was in die tijd heel belangrijk. Zo belangrijk zelfs dat ongedoopte stervelingen op een plekje buiten het kerkhof werden begraven. Later kwam de Kerk hier gelukkig op terug en werd dit afgeschaft. Hoewel de kerk biechtstoelen bevat ben ik hierin nooit geweest. Mijn eerste (en enige) persoonlijke biecht was in het parochiehuis i.v.m. een verbouwing van de kerk. De school had dit georganiseerd. Ik werd volledig overrompeld door de biecht. Voordat ik het goed en wel doorhad stond ik voor de pastoor. Ik was een kind en had zo geen zonde voorhanden. Ik kon ook niet zo een herinneren. Tegelijkertijd kon ik die goede man daar niet voor niets laten zitten. Toen heb ik maar een verzonnen. Voor het goede doel zeg maar. Ik verzon dan maar dat ik een man een stiene voor z’n harsens had gegooid. Toen ik devoot mijn ogen opende zag ik een pastoor die zich verslikte en mij verschrikt aankeek. Hoezo? Had ik te dik ingezet? Gelukkig werden mijn zonden vergeven. Met een brandschone ziel verliet ik het gebouw. Voordat we de Kerklaan hadden bereikt had ik Jonnie-met-de-mooie-kleren laten strompelen. Onder zacht gegniffel ging hij volledig plat. Gelijk Jonnies kleren was het brandschone van mijn ziel er na pakweg 10 minuten alweer af. In die tijd hadden we schoolmissen. Vooraf aan de school. Om 8 uur. In de kerk zaten de kinderen in de banken keurig in klassen gerangschikt. In de gangpaden liepen de meesters en juffen. Nooit te beroerd om een oorvijg uit te delen aan een kind die te luidruchtig werd. ‘s Morgens had de kerk sfeer. Wanneer op zondagmorgen de zon scheen werd de kerk verlicht door prachtige gekleurde ramen. Het kerkinterieur werd in een gelig diffuus licht gezet en maakte de H. Mis nog plechtiger. Nog plechtiger werd het wanneer de pastoor zich volledig hulde in de wierooknevelen. Langzaam trok die geur door de rest van de kerk. Het was een oude vertrouwde geur. Wanneer de pastoor met het wijwatervat en -kwast door de kerk liep om zijn schaapjes te zegenen had ik soms het vermoeden dat de goede herder dit met veel enthousiasme deed. Een niets vermoedende gelovige werd plots weer recht in de leer gezet door een volle kwak wijwater. Zo van de kwast. In die tijd, we spreken van de jaren zestig en zeventig, was het een vreemde gewoonte dat menig vrouw met kinderen voorin de kerk zat en hun mannen achterin. Ik vond dit vreemd omdat mijn ouders dit nooit gedaan hebben. Maar iedereen zong de kerkliederen mee. Bij het zingen van de liederen zong Pa zodanig luid mee dat voor menig gelovige een dutje er niet in zat. De communie duurde een eeuwigheid met al die mensen. Het bood tegelijkertijd een unieke gelegenheid om de medeschaapjes van de kudde eens goed te inspecteren. Je leerde Erica zo wel kennen. Althans het katholieke gedeelte ervan. Erg mooi waren de tradities en gebruiken in de kerk. Met de 1e H. Communie waren de meisjes kleine bruidjes en de jongens kleine heertjes met hun colbertjes en korte broek. Van tantes kreeg je dan een wijwatersvatje of een rozenkrans. Bij het H. Vormsel zat de Bisschop in vol ornaat plechtig in een stoel naast het altaar. Degenen die het H. Vormsel ondergingen werden met naam genoemd en moesten voor de Bisschop knielen. Met een handoplegging en kruisteken op het voorhoofd werden we gezegend. Het altaar stond op een verhoging en was bereikbaar door middel van twee zwarte marmeren treden. Ik dacht toen dat het maar een trede was. Mijn onhandige benen zochten het plateau maar kwamen nog een trede tegen. Ik verloor het evenwicht en lag even later volledig gestrekt voor de bisschop. Behalve mijn trots was er verder niets gekrenkt. Alles is verder goed gekomen hoor. Achter het altaar zat in de vloer een grote rooster waardoor de verwarmingsketel warme lucht blies in de kerk. Dat gaf soms hilarische momenten. Met de jongerenmis stonden we vaak in een halve cirkel om het altaar opgesteld. Degenen die boven het rooster stonden hadden geluk. Als je het misboekje openvouwde kon je het even laten zweven op de warme luchtstroom. Het toppunt was wanneer de pastoor even niet genoeg oplette. Niets vermoedend betrad de herder het verwarmingsrooster. Om even later volledig te verdwijnen in een opgeklapte pij. Hierbij werd zijn gezichtsvermogen ernstig belemmerd. Een op richtingsgevoel zoekende pastoor ging natuurlijk ten koste van de plechtigheid. Tijdens de H. Mis werden dan ook op de rooster kinderen gezet als soort van afbakening. De mis duurde een uur. Voor een puber een eeuwigheid. Als verveelde pubers zaten we met onze nagels in de houten kerkbanken te krassen. Als volwassene herkende ik veertig jaar later de krassen terug van menige puber. Soms was zelfs een naam zichtbaar. De mooiste plek voor een puber was die van bij de trap naar het koor. Daar lagen de verloren voorwerpen. Dan zag je ineens je maat naast je met een dameshoed op, of met lange dameshandschoenen aan. Dat mocht niet, ik weet het, maar we waren jong. Je beet in je handen om de lach te onderdrukken. Met Kerstmis was de kerk werkelijk tjokvol. Menig katholieke Ericaan kwam zijn geweten sussen wegens de absentie van een jaar. Of om het ‘Kerstgevoel’ te krijgen. Zelfs dan had je een paar onverlaten achter in de kerk die geen respect op konden brengen. Met hun onbehouwen gedrag dreigden ze de kerkgang van anderen te verstoren. Gelukkig hadden we Pee. Geen geitenwollen praatje of kopje thee. Pee was onze engel Gabriël. Hij kegelde zo’n figuur subiet te kerk uit. Dan was het weer stil achter in de kerk. Wanneer de misdienaar eindelijk de eind-bel luidde zette het kerkvolk zich massaal in beweging. Een schuifelend stampede bereikte langzaam een van de zware eikenhouten achterdeuren van de kerk. Een vlotte doorgang werd belemmerd omdat iedereen op het kerkplein stil bleef staan om familie of kennissen aan te klampen. Zelfs daar was sprake van traditie. Ieder had daar zijn eigen plekje. Zo zag ik BierJoop steevast naast de dikke eikenboom staan, omringt door kennissen. De tijd van ontkerkelijking brak aan. Het werd definitief stil op de achterbanken. Door de jaren heen rukte de stilte steeds verder op richting de voorbanken. Van volle kerken is geen sprake meer, dat is voorlopig geweest. Het zijn de herinneringen van onze kerk die we in ons collectief geheugen meedragen, vaak leuke, soms minder leuke.

Geschreven door Henk Beukers

 

Geef een reactie

1 Reactie

  1. Edith · 15 oktober 2015 Reageer

    Ik loog in de biecht dat ik een koekje had gepikt… En de keer daarna dat ik gelogen had over een koekje tegen de pastoor…
    En de ‘oefening van berouw’ hing gelukkig op de biechtstoeldeur.
    Kende het nooit uit mijn hoofd…