Mechanisatie

Mechanisatie

Als we opkomst hadden van de welpen in het bos achter de Katholieke kerk op Erica dan slopen we soms naar de schuur van de naastgelegen boer. Er rook daar naar leer en paarden. Die specifieke geur vergeet je nooit meer. Bij de baanderdeur hingen allerlei lederen leidsels en riemen, verder naar achteren in de schuur brieste een paard. Hoewel de tractor inmiddels zijn intrede bij de boeren had gedaan waren deze paarden blijkbaar de laatsten der Mohikanen. Het duurde dan ook niet lang voordat ook deze paarden waren verdwenen. De boer ging met de tijd mee. Zijn buren, ook boer, moesten van dat nieuwerwetse gedoe niets hebben. Die hielden het bij gedegen arbeid met paard en wagen, zoals ze dat altijd gedaan hebben. Ik zie nog de korenschoven en hooibelten op hun landerijen. Hun vracht vervoerden ze met een lichtblauwe houten wipkar. Uiteraard getrokken door een paard. De boer zat vaak zijdelings op de dissel en maakte klikkende geluiden. Op de dissel zitten was voor de boer niet zonder risico. Bij een bocht kwam de paardenkont gevaarlijk dicht bij het hoofd van de boer. Uit zo´n paardenkont kon zomaar een kwart mud bruine appels rollen. Je zal er maar net onder zitten. Stiekem hoopten we daar als kind natuurlijk wel op. De ouderwetse boer werkte onverstoorbaar door. Hij trok een hendel los en kiepte de bak van de wipkar leeg. Tot in de jaren tachtig werkten zij een slag in de rondte. Ze werden uiteindelijk een karikatuur van zichzelf en gingen als een nachtkaarsje uit. Wie niet aan de mechanisatie in de landbouw meedeed lag er vroeg of laat uit. Wij als kinderen maakten de ontwikkeling van dichtbij mee. Vooral de dorsmachine, voor zover ik me dat kan herinneren, was ontzagwekkend. Het gevaarte bestond uit meerdere wagens die meestal bordeauxrood van kleur waren. Wanneer de onderdelen aan elkaar waren gekoppeld werd er een tractor bijgezet. De tractor had iets bijzonders wat men vandaag de dag niet meer ziet. Vlak voor de zitplaats aan de zijkant van de tractor zat een grote aandrijfwiel. Hierop werd een lange platte riem gelegd die kruislings aan de dorsmachine werd gekoppeld. De tractor brulde, het aandrijfwiel begon te draaien, het monster kwam tot leven. Als kind zag je een ontzagwekkend hoge bordeauxrode wand vol met draaiende, kleppende, heen en weer draaiende hendels en wielen die enorm veel lawaai produceerden. Om het monster liepen boerenknechten die korenschoven met een hooivork naar boven gooiden. Op de bovenkant van de dorsmachine stond een knecht die vervolgens de korenschoven in de hongerige muil van het monster wierpen. Volgens de knechten werd er af en toe ook een kind in de dorsmachine gegooid. Gillend stormden we dan om de dorsmachine heen met een paar knechten achter ons aan. Indrukwekkend was de ‘Paardenkop’, een op en neer stampend gevaarte die van het losse stro stevige pakken maakte. Die werden vervolgens automatisch ingebonden met henneptouw. Schoksgewijs scheet zo het monster om de zoveel tijd een vierkante strodrol uit. Aan de zijkant liep een buis een stukje het veld in. Uit de buis kwam een wolk van stof en vliesjes, het kaf. Als je geluk had kon je hieruit een verwarde muis plukken. De dorsmachine hebben we maar een of twee keer gezien, toen was het gebeurd met dit soort apparaten. Het waren de jaren zestig van de vorige eeuw. We zagen een nieuw soort monster op de landerijen verschijnen, de Combine. De stilstaande dorsmachine kon alleen dorsen maar deze Combine kon ook tegelijkertijd maaien. Gecombineerd, vandaar Combine. In tegenstelling tot vandaag waarbij het graan in bulk wordt opgevangen was het in die tijd gebruikelijk dat het geoogste graan werd opgevangen in jutezakken. Net als bij de dorsmachine werd dus ook bij deze Combine het graan opgevangen in jutezakken. Aan de wand van de combine zat, net als bij de dorsmachine, een soort van naaimachine waarmee de knechten de volle jutezakken konden dichtnaaien. Die werden vervolgens opgestapeld op een volgkar die uiteraard door een tractor werd getrokken. We kwamen vaak bij boer Kuper op het erf. Boer Kuper was niet van Katholieke huize zoals we dat gewend waren maar hij was in onze jonge ogen wel de beste boer op Erica. Op zijn erf geen rotzooi, zijn materiaal was goed onderhouden en zat altijd goed in de verf. Het veenkoloniale landschap van Zuidoost Drenthe was toentertijd bezaaid met kanalen en zijkanalen. Ooit gebruikt ter ontsluiting van al dat veen. Nu het veen weg is lagen de meeste kanalen er onberoerd bij. Boer Kuper was de enige boer die de zijkanalen in zijn landerijen goed onderhield. De overige boeren leken de zijkanalen als verlies van bouwgrond te zien en kieperden er allerlei afval in. De gegoede burger op Erica volgde het voorbeeld en deed daar nog een flinke deel bij. Het gevolg was dat de meeste zijkanalen evolueerden tot ware dumpplaatsen. Zo vonden wij daar als kind een autowrak waarbij de tank nog vol met benzine zat. Na het autowrak in benzine te hebben gemarineerd moest Bennie het aansteken, hij was immers de kleinste. We schopten Bennie voorzichtig naar voren, hij boog zich naar binnen door de geopende zijruit en gebruikte zijn aansteker. Na een gigantische steekvlam stoven we het veld in. Wij zagen witjes, zonder benzine. Bennie zag zwart, zonder wenkbrauwen. Eigenlijk was alles wat haar betreft boven zijn kraag verdwenen. Daar zeiden we maar niets van. Het was slecht voor zijn zelfvertrouwen en we hadden altijd het beste met Bennie voor. Boer Kuper had bij droogte een beregeningsinstallatie die het water betrok uit een van zijn zijkanalen. Ook was hij de enige boer die drainagepijpen in het bouwland liet aanleggen. Alle nattigheid van het land liep zo de zijkanalen in. Bij een kletsnatte najaar was Kuper de enige boer die niet aan het geklaag van zijn collegaboeren meedeed, hij had het te druk met oogsten. En klagen konden de boeren in die tijd. Er was een volksspreuk die daar op zinspeelde. ‘Als de pastoor niet meer vraagt en de boer niet meer klaagt, dan is het einde der tijden nabij’. Boer Kuper had in die tijd al begrepen dat wie niet investeerde uiteindelijk ten onder ging. Hij had in die tijd al meer dan honderd bunder grond wat onvoorstelbaar veel was. Dat had zijn prijs. Door al dat investeren had hij zelf geen nagel om op de kont te krabben, zo liet hij dat tegen mijn oom weten. Voor ons als jonge knapen was hij een machtige boer. Als boer Kuper een nieuwe tractor had gekocht was ie geheid veel sterker dan de oude. 40 PK werd 60 PK en ze werden voorzien van een vaste cabine met rolbeugel. Bij elke sprong der PK’s werd de ploeg met een schaar uitgebreid, werden de karren, poot- en zaaimachines groter. Als kind hielden we dat allemaal bij. In die tijd konden we in het voorjaar bij de boeren een mooi zakcentje verdienen met het wieden van de bieten. Het bietenzaad werd veel te grof ingezaaid. De rijen bieten leken in het begin wel op snijmoes. In de vroegte moest je je melden bij de boer die je meenam naar de bietenvelden. Alles was koud en nat van de ochtenddauw. Daar moest je dan op de knieën door heen waden. Maar even en je was net zo nat als het bietenveld. Met een haksel sloeg je in de groene massa, je liet om de 10 centimeter een bietenplantje staan. Afhankelijk van de lengte van de rij bieten kon je een gulden of soms wel een daalder per rij verdienen. Per dag haalde je zo zo´n twaalf tot achttien gulden binnen. Als groep van tien tot vijftien wieders kropen we gezamenlijk op in het bietenveld, dan kon het zowaar gezellig worden op het land. Het was trouwens niet de nattigheid ‘s morgens wat het meeste parten speelde, die eer kwam toe aan de hete middagzon. Om af te koelen doken we soms, tot grote hilariteit van de vrouwelijk wieders, naakt in een van de zijkanalen. Van die tijd kan ik me herinneren dat het opeens gebeurd was met het wieden van bieten, de nieuwste zaaimachines konden nu per bietenzaadje inzaaien. Het is de mechanisatie, daar doe je niks aan.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie