Beesten om ons huis 2

Beesten om ons huis 2

Ik heb altijd van dieren gehouden, tot op de dag van vandaag. Dan bedoel ik niet een karbonaadje of een kippenboutje. Hoewel dat ook niet is te versmaden. Nee, ik bedoel houden van levende dieren met name huisdieren. Waarbij ik direct een paar uitzonderingen moet noemen. Aan muggen, wespen en vliegen heb ik de pest. Dan grijp ik direct naar de vliegenmepper. Zelfs hier toon ik een zekere mate van coulance naar die vreselijke zoemers. In de vliegenmepper zet een gat ter grootte van een euro. Ze hebben dus een zekere kans om het noodlot te ontwijken. Meer kan ik voor die rakkers niet doen. Houden van dieren houdt ook in dat je er verdriet van kan hebben. Veel verdriet. Als volwassen man kon ik het niet droog houden toen Blackie, onze Keeshond, in mijn armen door de dierenarts werd doodgespoten. Als puppie kwam hij bij ons, als hoogbejaarde ging ie weer. Ik droeg als het ware een hele hondenleven in mijn armen. Gelukkig heeft Blackie een waardig graf gekregen, achter in de tuin, samen met de eerder gesneefde cavia’s en hamsters van mijn dochter. Die had hij met zijn bijna zestien jaar maar mooi overleefd. Waar ik als kind ontroostbaar over geweest ben was een nest met jonge ganzen. Het was bijna het verhaal van de negen kleine negertjes. Mijn vader had een nest ganzen gekocht, hij zag hier winst in in de vorm van vlees en eieren. Als kinderen zagen we negen gele pluizige dotjes in een diepe doos waar we op staande voet verliefd op werden. De snaveltjes gingen zo koddig open en ze piepten zo leuk. Pa bracht de doos naar een hok in de schuur. De zelfde middag nog hadden we de zinken teil gevuld met water en zelfs met geel zand een strandje gemaakt. Niet veel later piepten negen gele donsjes aan het strand met aan het zwerk een viertal vertederende kinderhoofdjes. Het noodlot sloeg al na een dag toe. Er lag een vertrapt geel vlekje in de hoek. Daarbovenop acht piepende snaveltjes. Dat ging een week zo door. Telkens sneefde een ganzenkuikentje, soms twee. Mijn kinderhartje van elf jaar brak bij het laatste kuikentje. In was die dag ontroostbaar. De les in de vijfde klas bij frater Siardus ging volkomen aan mij voorbij. Zachtjes zat ik achter in de klas te snotteren en veegde het met mijn vieze handen af. Dat laatste kwam van het voetballen, dat moest er natuurlijk wel om doorgaan. Met de middagpauze liep ik snel naar huis. Ik had me zachtjesaan schraal en leeg geblèrd. Voorzichtig nam ik het dode ganzenkuikentje in mijn handen. Het was tijd om afscheid te nemen van het laatste kuikentje. Ik liep naar achter het huis en drapeerde het gele lijkje voorzichtig en respectvol in de vuilnisemmer. Ik had mijn rouw verwerkt en ging weer voetballen achter de school. Later zei mijn vader dat het nest waarschijnlijk het gevolg is geweest van inteelt. Begripvol knikten we al hadden we geen idee wat het betekende. Een jaar later hadden we vijfentwintig ganzen die het wel goed deden. Daar was een gans bij die enigszins mank liep. Die nam ik apart in een hok. Het dier liet alles toe en beet niet. Waar de poot knikte, ik noem het maar knie, zat een zwelling. Dagenlang heb ik een paar keer per dag het pootje zacht gemasseerd en voorzichtig gebogen. Het hielp want de gans kon steeds beter lopen. Na mijn fysiotherapie liet ik het dier voldaan los in de groep. Daar hield het spontaan op omdat de gans opging in de groep. Die ganzen leken allemaal op elkaar zodat ik mijn patiënt subiet kwijt was. Afijn, het liep tegen Kerst en ik verheugde mij op de sfeervolle dagen. Ganzen hebben geen eigen mening. Als die een mening hadden dan waren ze vast en zeker een andere mening toegedaan wat Kerst betreft. Hetzelfde lot was immers met onze kippen gebeurd een aantal jaren eerder. Een nest pluisjes kwam onze gezin versterken. Pa rekende op hennetjes, die legden tenminste eieren. Om die reden waren hennetjes duurder dan haantjes. Pa kon geen kuikentjes sexen. De verkoper des te meer. De kuikentjes waren zonder uitzondering allemaal haantjes. We gingen ons natuurlijk helemaal aan de pluizenbolletjes hechten. Ze kregen allemaal een naam. Zelfs een manke haan werd door ons liefdevol ´hinkepootje´ genoemd. Maar op een dag, het liep tegen Kerst, kregen we van Pa te horen dat we de kippen niet hoefden te voeren. Dat had toch geen zin aldus Pa. Even later in de kippenren vonden we toch dat de kippen iets hongerig uitkeken. Een beetje voer moest kunnen. Die middag mopperde Pa dat hij bij elke geslachte kip een volle krop met voer aantrof. Toen we die zaterdagmorgen terug kwamen van een welpenopkomst troffen we onze gevederde lievelingen in een andere hoedanigheid aan. Spiernaakt in emmers met water. Vandaag de dag zou een kinderpsycholoog hier een blijvende blafhik van oplopen. Die hadden we toen niet nodig, we stonden dichter bij het leven. We moesten die kippen nog opeten ook. Dat hebben we niet gedaan. Die eerste Kerstdag niet tenminste, later wel natuurlijk, we kregen honger. Het volgende dier waar ik erg viel van hield was een cavia. Koddige oogjes op een grote neusbrug waaronder een lacherig mondje met snijtandjes. Watervlug wegkruipend naar een donker plekje. Kortom, zeer geschikt voor in bed. Toen dokter Huisman, de huisarts, de deken van mijn bed optilde om mijn gezwollen knie te bekijken deed ie verschrikt een stap terug toen een cavia voor zijn neus onder de deken wegvluchtte. Ontkennen bij Ma hielp niet gezien de vele caviakeuteltjes in bed. Het was wel de huisarts die het laatst lachte toe hij de injectiespuit met penicilline in elkaar schroefde. Hoewel de cavia een eigen kooi had liep het diertje toch vaak vrijelijk rond in de kamer. Als je het diertje zocht hoefde je alleen maar zijn spoor van keuteltjes te volgen. Die ganzen waren ware strontfabrieken maar die cavia kon er ook wat van. Maar zo op een dag was het knaagdiertje verdwenen, wat wel vaker met dieren gebeurde in ons huis. Voor dat soort zaken keken we ons Pa nog wel eens met een scheef oog aan. Het was dit keer de kat die tevreden en voldaan aan zijn middagdutje begon na zwaar te hebben getafeld.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie