Erica in oorlogstijd, opstand.

Erica in oorlogstijd, opstand.

Vijfde jaar alweer

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

Het begon op een septemberdag in 1944. Erica ging gebukt onder het vierde oorlogsjaar. Dagelijks voerden lange rijen volgeladen schepen door het kanaal richting Duitsland. Net als de overige door Duitsland veroverde landen werd Nederland leeg geplunderd. Mijn vader zat aan het kanaal te vissen toen weer een lange rij schepen voorbij voerde. Plotseling een daverende klap met een enorme waterfontein. De Duitse soldaten op de schepen besloten ook te gaan vissen. Maar dan op zijn Duits, met handgranaten. Dikke vissen kwamen door de drukgolf, veroorzaakt door de explosie van de handgranaat, boven drijven. Gretig werden de dikste vissen door de soldaten binnen gehaald, de rest lieten ze drijven. Dat vond mijn vader niet erg. Met iets minder dikke vissen was hij ook zeer tevreden. Toen mijn vader met zijn rijke oogst bij huis aankwam zag hij een opstootje schuin voor zijn huis op de Kerkweg. Zijn tante Sien was in een druk gebarende discussie met NSBer Kuper (geen familie van). Tante Sien woonde tegenover Kuper in een grote boerderij. Tante Sien was weduwe, haar man was zo’n dertig jaar eerder met nog een paar Ericanen gestorven aan de Spaanse griep. Kuper stond met een paar mede-NSBers met een verfpot in de hand naar overbuurvrouw tante Sien te luisteren. ‘Dat had ik nie van joe dacht Kuper’, hoorde mijn vader tante Sien zeggen. Kuper stond met een rood hoofd er verlegen bij te lachen. Ze hadden net met witgekalkte letters op de Kerkstraat geschreven: ‘V van Victory want Duitschland wint voor Europa op alle fronten’. Tante Sien liet haar schort los, deze had ze gevuld met zand. Het gestorte zand bedekte de tekst op de klinkers. Meerdere Ericanen bemoeiden zich met het opstootje. De groep NSBers onder leiding van Kuper maakten zich uit de voeten. Het duurde niet lang of het volgende opstootje diende zich aan. Pal voor de Katholieke kerk hadden Kupers groep wederom hun oorlogstaal op de klinkers gekalkt. Nu kwamen verschillende Ericanen aangerend met haastig gevulde zakken zand om de tekst direct weer te bedekken. De NSBers trokken over de Kerkweg richting de Verlengde Hoogeveense Vaart. Met veel kabaal en geschreeuw van de NSBers werd opnieuw hun spreuk op de Kerkweg gekalkt. De tegenstanders die daarop de tekst met zand bedekten was inmiddels tot een twintigtal gegroeid. Bij het kanaal sloeg Kuper met zijn groep rechtsaf richting het centrum van Erica. Aan het kanaal werd wederom met de witte kwast hitsige oorlogstaal op de straat geschreven. Hun geschreeuw en gebral was hierbij echter aanmerkelijk verstomd. Bezorgd keken enkele NSBers om zich heen. Ander geschreeuw overstemde de hunne. De groep boze Ericanen was inmiddels aangezweld tot zo’n zestig man en groeide nog steeds. Ze waren niet bang. Even leek het erop dat Kuper en consorten het slachtoffer gingen worden van een volksgericht. Ze werden bij het huis van de gebroeders R. in het nauw gedreven. Snel vluchtte de groep het huis van R. binnen. De gebroeders R. waren eveneens NSBers, maar dan van het ergste soort. Deze gaven lezingen om mensen binnenboord te trekken in hun donkere organisatie. Het lukte. Menig boer en menig burger liet zich ompraten en sloot zich aan bij de NSB. Een aantal waren echter voorzichtig, ze lieten zich niet inschrijven maar bleven liever sympathisant. Voor de overigen die zich wel officieel lieten inschrijven bij de NSB had deze misstap, na de oorlog, catastrofale gevolgen. Voor het huis van de gebroeders R. hadden zich inmiddels zo’n honderd boze Ericase mannen verzameld. Erica kwam in opstand. Geschreeuw, geduw, opgeheven vuisten en scheldpartijen, de jarenlange onderdrukking ontlaadde zich. Plotseling suisde een baksteen door de lucht en sloeg luid rinkelend door de voorruit van het huis van R. Degene die de steen wierp, zo bleek later, was een oom van mij. Een luide hoezee welde uit de groep boze Ericanen. Inmiddels was een telefoontje gepleegd naar het centrale gezag in Emmen. Mannen in zwarte kledij, bewapend met karabijnen en wapenstokken, reden op motoren met zijspan richting Erica. Toen de motoren voor het huis van R. stopten kwam een bange groep NSBers voorzichtig tevoorschijn. Van de groep boze Ericanen was niemand meer te zien. Ze bleken tijdig te zijn gewaarschuwd en hadden zich uit de voeten gemaakt. De spertijd werd ingekort naar 20.00 uur, nog dagenlang werd met motoren gepatrouilleerd door de straten van Erica. Hierbij werden de mannen van ‘Jan Hagel’ voortdurend uitgedaagd door opstootjes en zijn er daadwerkelijk schoten gevallen. Tot de rust uiteindelijk weer terugkeerde op het dorp. Maar Erica vergeet niet snel iets. Op het eind van de oorlog maakten de Duitsers er een gewoonte van om paarden van de boeren te vorderen. Die hadden geen keus. Op gezette tijden werd door de Duitsers voor de Katholieke kerk een tent opgezet, voor hun onmisbare administratie. De boeren kregen een oproep om met hun paarden voor de kerk te verschijnen. Weldra vulde het terrein zich met honderden Ericanen die schouder aan schouder de Duitsers zwijgend smerig aankeken. Zwijgend verzet. Terwijl de ene paard na het andere werd gevorderd voor het front ontstond langzamerhand een dreigende sfeer voor het kerkgebouw. De Duitsers trokken zich hiervan echter niets aan. De boeren mochten blij zijn, voor hun paarden kregen ze tenminste een frontpaard terug. Het bleken totaal afgeragde paarden. maar sommige boeren kregen niets terug, dus wees blij. Een kwartier voor eind van de vordering werd het plotseling onrustig. Mannen maakten zich snel uit de voeten, ze wisten wat er ging komen. De Duitsers stonden al rond te kijken om ‘vrijwilligers’ te zoeken die de gevorderde paarden naar Hoogeveen moesten brengen. Een reis van twee uur heen en twee uur terug. Op het eind van de paardenvordering was geen ‘vrijwilliger’ meer op het terrein te zien, hoogstens vrouwen, kinderen en bejaarden. Een razzia in het dorp volgde. Mijn vader, inmiddels achttien jaar, vluchtte naar zijn huis en later het veld in richting het huis van oude Poelman. Decennia later ons huis! De Duitsers gingen aan de Kerkweg alle huizen, ook mijn vaders huis, met veel kabaal bij langs. Mannen die te lang hadden getreuzeld of hun klompen niet snel genoeg konden vinden gingen als ‘vrijwilliger’ mee met de Duitsers. Die werden pas ‘s avonds weer terug gezien. Langzaam verdween het kabaal en werd het stil. Van achter mijn vaders huis ging de deur van het ‘huusie’ langzaam piepend open. Het was mijn oom Jurry, hij trok zijn broek op, klopte zijn pijp uit, hij had van al die drukte niets gemerkt.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie