Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Erica in oorlogstijd, de bevrijding.

Ooggetuigeverslagen zijn zeldzaam en daarom waardevol. Een verslag uit de eerste hand is meestal spannender dan een tweedehands opgetekend verhaal.

1945, Erica ging gebukt onder de Duitse bezetting. Er gloorde hoop, Radio Oranje bracht ieder luisteraar de laatste gang van zaken op de hoogte. Erica had zich in de oorlogsjaren aangepast en verzet. Zo kende Erica een Engelandroute waarbij neergestorte piloten van de geallieerden een veilige route naar Engeland werd aangeboden. De kippenhok van de pastoor achter de Katholieke Kerk in het bos was zo’n schuilplaats. Later werd de kippenhok gesloopt en bouwde van Os (later bouwbedrijf van Os) zijn eerste opdracht, een clubgebouw (Blokhut) voor de verkenners later Scouting genaamd. Vanuit de toenmalige kippenhok brachten leden van het verzet, onder leiding van meester Engbers, de piloten naar een onderkomen aan het Dommerskanaal. Van hieruit liep de route verder en namen de gebroeders Griendtsveen het over. Helaas werden zij verraden, de gebroeders verdwenen in de strafkampen. Ze overleefden de hel. In het laatste oorlogsjaar was Erica vergeven van de onderduikers. Bij de overburen van mijn moeder, de familie Heijnen, bleek al jaren een Franse onderduiker te zitten. Deze was gevlucht uit een van de Eemslandkampen vlak over de Duitse grens. Het waren concentratiekampen waar gedurende de oorlog meer dan dertigduizend mensen werden vermoord. Dat is veel meer dan in het beruchte Dachau. Niemand wist van het bestaan van de Franse onderduiker, behalve de zus van mijn moeder, Dora. Die had hem een keer buiten betrapt. Als meisje was ze zich bewust van de gevolgen als de Duitsers hier achter kwamen. Zus Dora, mijn tante, zweeg als het graf. Zelfs opa, opoe, mijn ooms en mijn moeder wisten van niets. Tante Dora’s zorgvuldig zwijgen redde hiermee het leven van de Fransman plus de levens van de familie Heijnen. Het einde van de oorlog naderde gezwind, sommigen waaronder vrouw Reuvers waren een beetje te enthousiast, bij het riskante af. Overtuigd van de bevrijding liet ze aan de Kerkweg enthousiast de Nederlandse vlag uit haar slaapkamerraam wapperen. De verboden radio was tot een straat verderop nog hoorbaar. Maar Erica was helemaal niet bevrijd, nog niet. In de scholen zaten gewonde en oude Duitse soldaten te revalideren. Om hun tijd te doden patrouilleerden ze door de straten van Erica, ze waren verzot op een Tasse koffie. De uitingen van vreugde in huize Reuvers werden een paar van deze Duitse soldaten te gortig. Deze soldaten waren duidelijk oorlogsmoe en wilden naar huis, de oorlog liep immers ten einde. Maar hier moesten ze toch echt iets aan doen, ze hadden geen keus. Ze namen hun geweren van de schouders, ontgrendelden deze, en schoten pardoes door het open slaapkamerraam. Een ijzige kreet volgde, even later liep vrouw Reuvers achter het huis gillend het veld in. Zij was niet alleen. Een paar meter voor haar uit rende de onderduiker die zich al jaren in haar huis had verborgen. Beide zochten dekking tussen de pollen pijpenstro. De Duitse soldaten hadden echter geen belangstelling, ze schouderden hun geweren en liepen door. Zoals gezegd radio’s waren verboden en moesten bij de Duitsers worden ingeleverd, avondklokken werden ingesteld, ramen moesten worden geblindeerd. In het laatste oorlogsjaar klommen monteurs in de palen en sloten op Erica ieder huis van de stroom af. Voortaan zat ieder gezin bij een klein olielampje als het donker werd. Uit deze ellende kon dan spontaan iets tragikomisch ontstaan. Groene Harm had namelijk een windmolentje gemonteerd op het dak van zijn huis. Het molentje was verbonden met een fietsdynamo. Het bijzondere van Harms windmolentje lag in het feit dat die constant stroom gaf, wind of geen wind. Dat was zoiets bijzonders dat op Erica zijn bijnaam Groene Harm werd veranderd in Harm Wind. Zijn handel in windmolentjes floreerde. Harm had namelijk lef, veel lef. Nog geen uur nadat de monteur zijn huis van de stroom had afgekoppeld klom Harm in de paal. Handige Harm zat een half uur later weer aan de stroom en zijn lampje brandde constant, wind of geen wind. Vervelend was dat bij Harm in de meterkast de stroommeter opliep. Harm dacht toen erg leep te zijn. Met een dun ijzerdraadje zette hij via een piepklein geboord gaatje de stroommeter stil. Een van de eigenschappen van oorlog is dat het ooit eindigt. Van alle beroepen die dan weer worden opgestart is die ook van stroomcontroleur. Harm Wind werd betrapt en kreeg na de oorlog een gepeperde rekening. Op mei 1945 was mijn vader bij zijn werkgever Bats Reuvers (thans bloemenhuis Lubbe) op het land aan het werk. Toen hij tegen 11.00 uur opkeek richting Nieuw Amsterdam zag hij in de verte op de Dikke Wijk tanks rijden. Even later bulderden de kanonnen. In Noordbarge bij het Oranjekanaal ter hoogte van de melkfabriek boden de Duitsers weerstand. Leunend op de schoffel stond mijn vader het strijdgewoel in de verte te bekijken. De ene boerderij na de andere ging in vlammen op. De strijd hield op toen de Duitsers zich overgaven. De bevolking kwam te voorschijn en wilden zich honend uitlaten over de krijgsgevangen Duitsers. Dit werd door de geallieerde soldaten, in dit geval Poolse soldaten, verboden. De Duitse soldaten streden ook maar voor hun Heimat, aldus de Polakken. Kilometers verderop ging een tiener verder met schoffelen. Het bleef op Erica opmerkelijk rustig die dag. Iedereen bleef in het ongewisse en om zich heen kijken. Vooral niet dezelfde fout maken als vrouw Reuvers. Pas om negen uur ‘s avonds ging de pastoor van Erica op de fiets naar Emmen om zich te laten vergewissen van de laatste ontwikkelingen op bevrijdingsgebied. Om 22.00 uur was hij terug op Erica. Even later luidde een iel belletje, de grote klok was door de Duitsers ingepikt, over Erica. Erica was bevrijd. De dag erop was het een heksenketel op Erica. Iedereen had die dag vrij en overal waren dansavonden. Het tegeltjeshuis bij de brug werd ingericht als hoofdkwartier van de binnenlandse strijdkrachten. Mannen in burger met een band om de arm en in hun handen een pistool of mitrailleur waren nu soldaten. Auto’s reden rond met gewapende mannen zittend op de voorspatborden. De jacht op NSB’ers was begonnen. Wie waren die NSB’ers? Daarvoor moeten we terug naar de tijd van voor de oorlog. Nederland lag in die tijd letterlijk maar ook figuurlijk achter de dijken. Alles was op zijn Nederlands tot in de puntjes geregeld. Naast het gehate fietsplaatje bij burgers hadden boeren een nog meer gehate productiebeperking. Teveel geproduceerde aardappels werden kapot geprikt. Teveel geproduceerd graan werd rood gekleurd. Zowel aardappelen als graan werd op die manier gereduceerd tot veevoer. De Duitsers kwamen en schaften alles af. De verleiding tot collaboratie met de Duitsers was groot. De meesten lieten zich echter niet registreren bij de NSB maar gaven mondeling aan sympathisant te zijn. Om het nog ingewikkelder te maken; degene die zich wel bij de NSB lieten registreren waren niet op voorhand ‘slecht’. Boer Lubby aan de Pannenkoekendijk was zo’n voorbeeld. Naast varkensboer werkte Lubby op het gemeentehuis in Emmen. Menig Ericaan had in de oorlogsjaren de nodige vergunningen, vrijstellingen of anders soortelijk papierwerk aan hem te danken. Zelfs top-NSBer Kuper (geen familie van) had nooit iemand verraden of aangegeven, hij had zelfs onderduikers aan het werk! In de chaotische dagen na de bevrijding was echter geen plaats voor subtiliteit. Hardhandig werden alle geregistreerde NSBers van bed gelicht. In de Kommerhoek werd zelfs eerst een handgranaat in de bedstee gegooid, de NSBers zouden bewapend zijn. Tot geluk van het stel ontplofte de granaat niet. Een oud NSB-echtpaar liep strompelend over de Havenstraat. Rondom het stel een zestal zwaar bewapende mannen die hun geweren dreigend op de oudjes richtten. De NSBers werden opgesloten in café Hof, in de openbare school aan de Havenstraat en in het parochiehuis aan de Kerklaan. Mijn moeder, ook een binnenlandse strijdkracht, moest een zieke NSBer bewaken. Tot ergernis keek de man de gehele nacht mijn moeder met één oog aan. Bleek later de man een glazen oog te hebben en allang overleden te zijn. In de bestuurskamer werden jonge vrouwen gevangen gehouden. Niemand mocht met hun in aanraking komen. Het eten en drinken werd op de trap gezet en later door een der gevangenen opgehaald. Later bleken het sletjes van de Duitsers te zijn die daarbij een geslachtsziekte hadden opgelopen. Gebouw bij brug 2Zowel de gevangenen NSBers als de Binnenlandse Strijdkrachten moesten van levensmiddelen worden voorzien. In een bijgebouw aan de Pannenkoekendijk dichtbij de brug was de centrale keuken ingericht (zie pijl). De boerderijen of huizen van NSBers werden volkomen leeg geplunderd. Kookgerei maar ook voedsel werd naar de centrale keuken gebracht. Daar zwaaide bakker Gerard Kolker de scepter. Zijn bakkerij werd tijdelijk bemand door zijn broer Johan. Mijn moeder kon zich nog herinneren dat het eten ‘verrekte lekker’ was. In de dagen na de bevrijding werden de NSBers naar Westerbork vervoerd. Op Erica keerde de rust terug. De oorlog was voorbij. Niet voor de NSBers, terecht, deze mensen hadden straf verdiend, zeker degene die een misdaad hadden gepleegd. Maar wel volgens de wet. In die tijd was het echter een chaos. In Westerbork voltrok zich voor de tweede maal een menselijke drama, nu ná de oorlog. De NSBers werden overgeleverd aan bewakers, voormalige gevangenen van het kamp, die nog een appeltje te schillen hadden met collaborateurs van de gehate Duitsers. De nieuwe bewakers hanteerden dezelfde maatstaf in wreedheden als die ze ook onder de Duitsers hadden moeten ondergaan. Van de duizenden NSBers overleefden honderden dit niet, waaronder boer Lubby. Het is misschien wel Nederlands laatste onbesproken zwarte bladzijde van de Tweede Wereldoorlog.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie

3 Reacties

  1. R.Einhaus · 30 april 2016 Reageer

    Dit verhaal ken ik erg goed, mijn oma Marie Einhaus-Heijnen, heeft mij dit verhaal vaak genoeg verteld. Mijn oma was de oudste dochter uit het gezin Heijnen-Roelink. Deze onderduiker zat bij mijn overgrootouders Johannes Kasper Heijnen (1877-1963) en Engel Helena Roelink (1883-1963) in het aardappelhok.
    Zijn naam was Jean Godin en zoals gezegd, niemand wist van zijn bestaan af. Na de oorlog heeft hij nog een tijdje met Zus Heijnen gecorrespondeerd. Helaas heeft ze deze brieven niet bewaard. Wel een foto die je kunt bekijken door de link te kopieëren in je browser

    https://onedrive.live.com/redir?resid=4D4220D0D60CDA5!4922&authkey=!ANiJ-4PhylmX4M0&v=3&ithint=photo%2cjpg

    De volgende personen staan van links naar rechts op de foto

    1 Geert Heijnen (de organist) 1906-1990
    2 Jans Heijnen (1911-1989)
    3 zus Heijnen (jongste dochter) (1924-2011)
    4 Franse onderduiker Jean Godin
    5 Henk Heijnen (is nog in leven 94 jaar)
    6 Gerard Wesseling {grootgebracht bij opa en oma Heijnen} 1893-1953 Hij was de zoon van de zus van Johannes Kasper Heijnen
    7 een onbekende Poolse soldaat.

    • Henk Beukers · 3 mei 2016

      Beste Robert,
      ik heb je foto van de familie Heijnen aan mijn moeder (88) laten zien, ze kon iedereen bij naam aanwijzen (op de onderduiker en soldaat na).
      De Franse onderduiker Jean Godin kon ze zich van gezicht niet herinneren, die had ze nauwelijks gezien.
      Met zomerdag zat hij verscholen in de aardappelhut, bij winterdag zat hij in het huis van de familie Heijnen.
      Hij verschool zich tot Sperrtijd om 20.00 uur, dan werd geen bezoek meer verwacht, hij voegde zich in de kamer bij het gezin.
      Jean Godin was de Duitse taal meester, communicatie was geen probleem.
      Zoals in mijn verhaal werd verteld werd Jean Godin betrapt door de tiener Dora, mijn tante.
      Nu blijkt dat de Franse onderduiker nog een keer werd ontdekt.
      Na een razzia vluchtte een van de buurtjongens in de aardappelhut van de familie Heijnen en kwam daar de onderduiker tegen.
      Toen werd het hachelijk, de buurtjongen stond bekend een kwebbel.
      Iedereen wist wat er ging gebeuren als ze door de Duitsers werden betrapt.
      De bewoners, huis en haard werden door de Duitsers aangepakt.
      Dit hield in dat alle leden van het gezin werden doodgeschoten, daarna werd het huis in brand gestoken.
      Gelukkig duurde de oorlog niet lang genoeg, consequenties bleven uit.
      Bij de bevrijding kwam een dankbare Jean Godin het huis van mijn moeder binnenrennen, hij kende iedereen bij naam.
      Hij had immers de gezichten met bijbehorende namen jarenlang achter de gordijnen stiekem bekeken.
      Mijn moeder kende de man niet en ging er spontaan voor op de loop (wat ‘n malle kerel).
      Jean Godin bleef nog een paar maanden na de oorlog op Erica, hij voegde zich bij de Binnenlandse Strijdkrachten.
      Opeens was hij vertrokken.
      Mijn moeder wist zich een brief (niet aan haar gericht) van hem te herinneren waarin hij schreef dat hij was gehuwd, ze hadden onlangs een baby gekregen.
      Met Jean Godin is het uiteindelijk toch allemaal goed gekomen.
      Mijn vader (88) wist zich te herinneren dat ‘s nachts wel vaker zachtjes aan de ramen werd geklopt.
      Naast Jean Godin wisten zich dus veel meer mensen aan de Emsland Lager (30.000 doden) te ontsnappen.
      Een paar keer per jaar lopen mijn kameraad en ik de 35 km lange ‘Gruppentocht’, deze loopt grotendeels over dezelfde smokkelroute als Jean Godin destijds heeft gelopen.
      Langs de route vind je een voormalige Emslandkamp (Fullen) met bijbehorende massagraven (die overigs keurig worden onderhouden).

  2. Kleine Wim · 25 november 2015 Reageer

    Ik dacht altijd al dat mien mamme een held was.