Ons Huus 1

Ons Huus 1

Begin jaren zestig verhuisde de familie Beukers van de Eendrachtstraat naar de Havenstraat. We verhuisden naar een huisje op het veld. Via een zandpad, later sintelpad, die aansloot op de Havenstraat was het huisje bereikbaar. Achter het huis kon je tot aan de horizon kijken. De ‘Skyline’ van Nieuw Amsterdam was duidelijk zichtbaar, maar ook de toren van Sleen. In de verte gleed de trein door het landschap naar Emmen. Maar goed, we hadden nog eerst een klus te klaren. Onze plek veroveren op de kinderen in de buurt. De Voorzienigheid hielp ons daarbij. We kregen Roodvonk, een besmettelijke kinderziekte. Dat werd in de buurt bekend. Alle kinderen werden gewaarschuwd bij ons uit de buurt te blijven. In plaats van ziek te zijn waren we zoals gewoonlijk actief. Schaamteloos joegen we de buurtkinderen uit elkaar en pikten hun hutten in. Als ze niet snel genoeg opschoten wezen we naar de rode vlekjes op onze huid en riepen hun toe, ‘t is besmetteluk heur!’. Ze vlogen voor ons uit. Tevreden knorrend hadden we weer een hut of voetbalveldje veroverd. Ons Huus, gekocht met alle bijeen geschraapte geld van Pa en Ma, was eens het huisje van Poelman. Poelman was een jager van het illustere soort. Zijn gezicht verborg hij grotendeels in een dikke baard en hij had zo zijn eigen opvattingen voor wat betreft jachtvergunning en -seizoenen. Wanneer deze vroeger langs het openbare kerkhof richting het oostelijke gebied van Erica liep (Bargerwesterveld) mompelde opa Beukers aan de Kerkweg, ‘doar lup Poelman ok weer met zien stief bien’. De hazen hadden weer een minne dag. Het was een publiek geheim toentertijd op Erica. Poelman was niet mank maar liep met een stijf been om zijn jachtgeweer te verbergen. Niet veel later sneefde ver achter in het Bargerwesterveld de eerste haas. Poelman schoot alles in repen wat hij voor de loop kreeg en keek niet naar richting. Soms tikten bij huizen aan de Kerkweg de loodkorrels op de dakpannen. Verbaasd keken we in ons nieuwe huis naar een gat in het plafond. Het gat was dichtgemaakt met een dikke kurk. Poelman had daar op een stoel in de kamer gezeten, tijdens het schoonmaken van zijn ‘Flint’ was deze afgegaan en had hierbij dwars door het plafond geschoten. Het huisje, hoe klein ook, werd nog bewoond door het echtpaar Braam. Naast de Deel hadden zij een kamertje en een slaapkamertje. Volgens broer Gerard had vrouw Braam ‘de wereld in de kont’. Vrouw Braam had namelijk het figuur van een globe op steeltjes. Braam dacht recht te hebben op het huis. Hij bleek genoeg rechten te hebben, alleen geen geld. Als tussenoplossing werd afgesproken dat ze een half jaar een gedeelte van het huis konden huren. Na een half jaar vertrok Braam en zijn globe. Ze ‘vergaten’ de huur te betalen. Maar Braam was niet slim genoeg. Zijn turfbult stond nog achter ons huis. Toen hij die turven kwam ophalen kreeg hij van Pa te horen dat eerst de huur moest worden betaald, dan mocht hij de turven opladen. Met een smerig gezicht trok Braam de portemonnee en betaalde de achterstallige huur. Later hoorden we dat hij Pa een ‘minne kerel’ vond. Onze buren was de familie Brink, ook hier was de vrouw een dochter van Poelman. Brink had een zoon, Roelf. Net als Braam dacht ook zijn oomzegger genoeg recht te hebben op ons huis. Hij had echter net zoveel geld als zijn oom, namelijk geen. Roelf Brink was verbitterd over het feit dat anderen ´zijn huisje´ betraden. Als opzichter van de gemeente nam hij op een valse manier wraak op mijn ouders. Toen we het huurhuis aan de Eendrachtstraat verlieten ging hij met een vergrootglas door het huis op zoek naar onregelmatigheden. Zo joeg hij mijn ouders nog even flink op de kosten. Roelf Brink heeft nooit een eigen huis gehad, net goed. Pa en Ma hadden net genoeg geld over om een sloophuis achter Frans Savenije te kopen. Van het sloopmateriaal werd achter ons huis een schuur gebouwd. Alle stenen werden zorgvuldig afgebikt om te worden hergebruikt. Ook de spanten werden weer als spanten hergebruikt voor de schuur. Het metselen ging mijn vader goed af, hij vergat alleen aan een kant het touwtje aan de profielbalk mee te nemen zodat in de muur een verschil van een steen ontstond. Niemand die het zag, behalve oom Bennie, die was dan ook een timmerman. Achter de schuur was het open veld, altijd stond er een harde wind. Toch speeelden we daar vaak voetbal. Pa had een een houten vat gekocht van de AKU. Daarop konden we prachtig staande balanceren. Tot die keer dat ik samen met Chris van de ton af flikkerde. Zijn vingers belandden onder mijn hak. Chris huilde van de pijn. Wij mekkerden dat hij zich niet zo moest aanstellen. Maar Chris huilde door. Hij bleef maar doorhuilen, de aansteller. Ma was gelukkig verstandiger, die vond dat hier een dokter naar moest kijken. Bleek Chris twee gebroken vingers te hebben! Eind van de middag kwam Chris terug, ons zeer verwijtend aankijkend. Verbaasd keken we naar al dat gips aan zijn hand, cool. Door de jaren heen werd ons huis vaak door Pa verbouwd. Het Dak werd verhoogd, kamers werden ruimer, de ramen werden groter, er kwam een slaapkamer bij, het ging maar door. Gelukkig bleef de zolder buiten de verbouwingen. Dat was een tijdje onze koninkrijk. Vanuit het zolderraam kon je kijken naar de Bladderswijk. Hier brandden `s avonds altijd drie lampjes. Die werden door ons al snel de drieling genoemd. Op zolder hadden we zelfs met drie man sterk nog een tijdje geslapen. Hier lagen we dan ‘s avonds vanuit het bed naar de Bladderswijk te kijken en te mijmeren wie op de drieling woonde. Moeder vond de vliering niet langer vertrouwd, te brandgevaarlijk. Temeer toen ze ons betrapte met een kampvuurtje op het nachtkastje. Op zolder waren geen sanitaire voorzieningen. Voor de ‘grote boodschap’ moesten we naar beneden. Voor de ‘kleine boodschap’ hadden we, als jongens, inventieve oplossingen bedacht. Zo uit het zolderraam plassen kon niet. Onder het zolderraam bevond zich de grote raam van de voorkamer. De straal zou ons direct verraden. Een stuk stalen stofzuigerbuis bleek de oplossing. Die vonden we ergens op zolder. Vanuit de zolderraam kon de kromme buis over de windveer van het dak worden gelegd. Plassen maar. Best spannend, dat wel. Met knikkende knieen wachtte ieder op zijn beurt. Op zolder stond een dressoir met drie kastjes en een lade. Van onze ouders mochten de vier oudsten de kastjes verdelen. De verdeling verliep volgens het recht van de sterkste. Gerard en Jos kregen de twee ruime kastjes aan de buitenzijden van het dressoir, ik kreeg het kleinere middenkastje en Wim de lade. Elk kastje en lade had een eigen sleutel. Ieder van ons vulde zijn ruimte met privéspullen. In de praktijk hield dat in, oude Sjors&Sjimmy’s, Donald Ducks en wat speelgoed. In het begin werd ieders stukje privé gerespecteerd. Dat veranderde toen we merkten dat de lade van Wim eenvoudig was te openen met een keukenmes. Een dag later was zijn lade leeg. De maanden erop loensden we ons scheel om te ontdekken waar ieder van ons de sleutel van zijn kastje verstopte. De maand erop was Gerards kastje leeg en Wims lade propvol. Toen was Jos zijn kastje leeg, Wim’s lade leeg, Gerards kastje was al leeg en de mijne propvol. Een dag later was mijn kastje leeg en de deur eruit gesloopt. Dat was het einde van het dressoir maar het leven ging door. Wim kwam met iets leuks. Hij had een mini blaasbalgje gevonden. Alle broers verzamelden om hem heen. Wat was dat nu? Een blaaswatte? Wanneer je d’r in kneep klonk het balgje KOE. Wim werd helemaal enthousiast. Hij wist nog wel zo`n blaasbalgje, die deed KOEK. Die middag speelden we met de miniblaasbalgjes. Achter elkaar. Het ging van KOE KOEK. Leuk. Die avond zat Pa in de stoel een beetje sip voor zich uit te kijken. Voor hem lag een stapeltje voorzichtig in elkaar getrapt houtsnijwerk en wat andere verbogen koperspul. Het was de Koekoeksklok uit de nalatenschap van zijn ouders.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie

4 Reacties

  1. Jan Wieling · 19 augustus 2013 Reageer

    Dag Gerard,

    ‘Broertje’ (Chris) Wieling is mijn jongste broer. Wij woonden indertijd op nr. 60 aan de Eendrachtstraat en jullie op nr. 56.
    Ik zal zo’n 7 á 8 jaar ouder zijn dan jij.
    Op/ na je derde verjaardag vroeg je moeder mij om je mee te nemen naar de kleuterschool van meester Algra, de school die wij bezochten. Dit was nl. de enige school op Erica waar kinderen vanaf 3 jaar de kleuterschool konden ‘bezoeken.’ Als beloning breidde ze voor mij een paar handschoenen. Ze is/ was een lieve vrouw.
    Waarschijnlijk bezocht je Algra’s school slechts één jaar. Op/ na je vierde switchte je vermoedelijk naar de RK-kleuterschool aan de Kerklaan.

    Groetjes,
    Jan Wieling

    • Vliegend Hert · 19 augustus 2013

      Jan, even navraag gedaan bij mijn moeder (85).
      Het klopt, Gerard mijn oudste broer, heeft inderdaad even op een andere school gezeten.

  2. Herman · 5 oktober 2011 Reageer

    Mooi verhaal over het wel en wee daar in den Haanebietershoek over eenen familie Beukers, tjonge wat jullie allemaal uitvoerden durfden wij niet aan te denken, wij waren nooit ondeugend geloof ik, En dan die Poelman, die doet een beetje denken aan die Duutser die wij regelmatig tegenkwamen tijdens Susscrofa-weekends, je weet wel die Schnoeink met zijn oranje linten om zijn hoed grote geweren en en die bende drijvers die hij meeneemt.
    Ook de berenvallen voor het bestrijden van marters, die hebben bijna benen van ons gekost als we geen wandelstokken hadden meegenomen.
    Met al die geweren (flinten) heeft hij al heel wat wild doen sneuvelen daar in Dörgen, zo af en toe leken het wel mitrailleurs zo snel werd er geschoten.
    Dit natuurlijk terzijde, het gaat om jou verhaal.
    Ik vind het mooi en dat wil iets zeggen.

    • UIL · 28 oktober 2011

      Tjonge wat een volk, zo moeilijk is het toch niet om een reactie te geven op het verhaal van auteur Henk Beukers. Je kunt toch gewoon schrijven wat je van het verhaal vind. Kom op mensen, het is een waar gebeurt verhaal.
      Bovenstaande persoon heeft ook gereageerd, die durfde, nu jullie nog.