De windbuks

De windbuks

Wanneer Pa en Ma even afwezig waren moest huis en haard verdedigd worden tegen de vijand. Wapens werden verzameld. De paraplu, een hark en een steelpan. De deksel van de waspot diende als schild, de vijand was namelijk niet gek. Op de keukentafel werden alle wapens uitgestald. Veruit het belangrijkste wapen was de windbuks. Zolang de ouders van huis waren ijsbeerde ik door de kamer met de buks op de schouder. Alle ramen werden door de broers verdedigd. Geduldig zaten we op de vijand te wachten. Toen die na een half uur nog niet verscheen begon de verveling toe te slaan. Even later slopen we om het huis. Misschien was de vijand een beetje in de war. In de moestuin bleven onze ogen gericht op de hoge zaadkoppen van de uien. Deze stonden wel erg uitnodigend te priemen in de lucht. De buks werd aangelegd, even later knikte de eerste steel en boog de zaadkop als een lakei. De tweede, derde en vierde volgden al snel. Telkens wanneer een vijand neer ging welde een gejuich op in de frambozenstruiken. Toen de laatste zaadkop het loodje legde gingen we op zoek naar meer vijanden. Die waren er niet. Wim, de jongste aanwezige broer, moest de kruiwagen rechtop zetten achter in de tuin, daarachter nam hij plaats. We wachten tot hij zijn blonde kop over de rand stak en schoten met de windbuks. Na een harde PING op de kruiwagen verdween de blonde lok en hoorden we vaag een vloek mompelen. Deze vijand viel om de drommel niet mee, het was trouwens al een kunst om de kruiwagen te raken. We merkten niet dat Pa en Ma inmiddels weer in huis waren. Het verlaten huis stond wagenwijd open. Verbaasd keken ze naar de hark op tafel. Die lag naast de paraplu en een bak met ontbijtmessen. In de verte hoorden ze gejuich. Achter het huis vonden Pa en Ma hun lieve zonen. Wat moeten jullie met de windbuks en waar schieten jullie op? vroeg ma. Het gezicht van Ma werd een beetje wit toen Wim vrolijk zwaaiend achter de kruiwagen wegstapte. We moesten de windbuks direct inleveren. Met een sip gezicht sloften we voor een boze moeder uit het huis in. Pa stond met de windbuks in de hand naar zijn uien te kijken. Alle opgeschoten zaadkoppen lagen plat terwijl geen voetstap in het zachte zand te zien was. Even keek hij naar de windbuks. Hij schudde zijn hoofd, nee, dat kan niet. Het zal de wind wel zijn. De windbuks bleef zo een aantal weken buiten ons bereik. Toen mochten we weer. Ma waarschuwde ons vooral niet aan de zuidkant van het huis te komen. Vrouw Brink, onze bejaarde buurvrouw, was als de dood voor geweren en dat soort spul. Met onze trouwe blauwe ogen keken we Ma aan en beloofden niet aan de zuidkant van het huis te komen. Achter het huis keken we rond waarop we konden schieten. We wilden niet onze neef Herry nadoen. Die zette zijn hok met kanaries op een stronk en doorzeefde het met loden kogeltjes uit de windbuks. Menig kanarie sneefde die middag. Je kunt trouwens wat beleven met die kanaries. Mijn kameraad had een kanariekooi en wilde die schoonmaken. Hij zette het deurtje wagenwijd open want hij had gehoord dat je een kanarie gewoon kon laten vliegen in huis. Nadat hij de kooi had schoongemaakt zocht hij in de kamer naar de kanarie. Die hing aan een gordijn in de voorkamer. Met wat handgeklap werd het beestje opgejaagd. Het gele bolletje vloog van de voorkamer naar de keuken en verdween pardoes in het gat van de geiser. Die brandde op dat moment naar hartenlust omdat iemand stond te douchen. Door het gat zag je nog net een paar verkoolde vleugeltjes nawapperen boven de blauwe gasvlammen. Afijn, de kooi was schoon. Met de windbuks in de hand stonden we heel even naar de kippen te loensen. ‘Waog ‘t niet om op de kipp’n te schiet’n’, riep moeder nog. We vonden een glazen jampotje en zette die op de paal van de kippenren. We namen afstand en begonnen te schieten. Elke keer als we een PING hoorden had degene die schoot een punt verdiend. Soms hoorden we een harde PING waarbij het jampotje van de paal kukelde, soms een zachte PING waarbij het jampotje niet bewoog. Maar PING is PING, dus een punt. Tot een zeer boze moeder verscheen. ‘Wat he’k jullie nou zegt, niet op het zuud’n van ‘t huus’. Verschrikt keken we Ma aan, We waren niet op het zuiden van het huis. Toch moesten we van Ma in huis komen. Daar zat een doodsbange oud vrouwtje nog na te zeveren van een benauwd avontuur. Het was buurvrouw Brink. Schokkend vertelde ze dat tijdens het middagdutje haar de kogels om de oren vlogen. Ze moest in vuurdekking en had in tijgersluipgang haar slaapkamer moeten verlaten. Verbaasd stonden we even later bij haar slaapkamerraam. In het glas zat een gat. Wanneer je daar doorheen keek zag je in de achterwand naast de deur diverse gaatjes. Coool. We draaiden ons om en zagen precies in het verlengde van het schootsveld ons jampotje op de paal van de kippenren staan. We kregen ruzie, de zachte PINGEN die we hoorden na een schot met de windbuks telden niet mee. Toen werd niet het jampotje geraakt maar buurvrouw Brink. Dat is toch anders. De windbuks ging weer voor een tijdje de kast in. Toen we weer mochten schieten gingen we oefenen op ons huisnummerbordje. We woonden op 107 waarbij de nul een roos vormde. We schoten op de nul tot het blik was verfrommeld. Alles ging goed, we waren braaf bezig met de windbuks. Tot Frans Vinke kwam. Frans droeg een legerjas, daarmee was hij een militair. Hij noemde onze windbuks smalend een proppenschieter en daagde ons uit op hem te schieten als hij weg fietste. Ach, dat wilden we wel. We wachten geduldig tot Frans halverwege het sintelpad fietste richting de Havenstraat. Ik legde aan, stelde het vizier een beetje bij en schoot. Frans gaf een gil en viel van zijn fiets. Tevreden knorrend keken we elkaar aan. Naar Frans toe gelopen zat hij grinnekend tussen een paar zonnebloemen. Precies midden op zijn legerjas zat een donker drukplekje. Nog steeds een proppenschieter Frans? Ma had tot afgrijzen het hele schouwspel aangezien. Dit keer was het afgelopen, we moesten alle kogeltjes inleveren en mochten ook geen nieuwe meer kopen. Een week later zat Ma met een pincet bij mij een kersenpit uit de bil te pulken. Vaag grinnikend zei Jos dat een kleine kersenpit prima in de windbuks paste. Het was de laatste keer dat we als tiener de windbuks zagen.

Geschreven door Henk beukers

Geef een reactie

2 Reacties

  1. H.Meijerink · 10 januari 2012 Reageer

    Heb genoten van die mooie verhalen over vroeger. Heb jaren in Erica gewoond
    op de z.g.n. Cementwijk en ben een zoon van Willem Meijerink. Ben getrouwd
    met een dochter van Jan Brink en Aalrje Poelman. We wonen nu al jaren in het
    westen van het land, Rijswijk is de plaats. Ging vroeger naar alle wedstrijden
    van Erica. Ook wel naar Erica”se Boys met Beukers in het doel. Groeten.

  2. Jan-Willem Beukers · 11 december 2011 Reageer

    Geweldig verhaal Henk! Herkenbaar ook, die ondeugde..