Bij menig inwoner van zuidoost Drenthe stokte destijds de adem bij het horen van ‘De man van Erica’. Het verhaal kreeg in begin van de vorige eeuw vooral bekendheid door de vondst van een notitieboekje in het museum te Assen. Het boekje had betrekking op de vondst van een veenlijk op Erica. In die tijd onderzocht een archivaris een eeuwenoud document over balseming. Zonder dat hij het wist had hij de sleutel in handen van een groot mysterie. De ontdekker kwam helaas kort na zijn ontdekking om het leven. Bij een uitslaande brand bleek met hem al zijn verzamelde gegevens verloren te zijn gegaan. Alleen een notitieboekje had de brand overleefd. Hierin werd de vondst van de veenlijk op Erica genoemd. De archivaris noemde hierin het woord ‘cryonisch’.

Door de vreemde aanwijzingen in het inmiddels bekend geworden notitieboekje van de archivaris gingen al snel geruchten rond dat de man niet ‘van deze tied’ was. Sommigen beweerden dat hij al ‘duusenden jaor’n aold’ was. In die tijd liepen in dit gebied mensen rond uit de zogenaamde Trechterbekercultuur. Op Erica bijvoorbeeld zijn uit die tijd in zandheuvels aan de Kerkweg verscheidene urnen en grafgiften gevonden. Ook ten zuiden van het huidige natuurgebied Bargerveen in Nieuw Schoonebeek zijn stenen schrapers gevonden aan de oever van het toenmalige riviertje ‘De Zwarte Racker’. Volgens sommigen mondde dit riviertje uit in het noordelijk gelegen Zwarte Meer.

In die tijd was het dus mogelijk dat een groepje mensen zwierf door het moeraslandschap. Zo’n voettocht was een hachelijke onderneming. Een verborgen veenput kon zomaar iemand verzwelgen voordat de overigen leden van de groep het bemerkten. Zo’n voettocht van een groep kwam ten zuidoosten van het huidige Erica tot stilstand. Blijkbaar was een lid  van de groep ten val gekomen. Hij had hierbij een diepe wond aan zijn linker hand opgelopen. Open wonden leidden vaak tot infecties en bezegelden gewoonlijk snel het lot. Waarschijnlijk stierf de man een week later. De overige leden van de groep stonden voor een dilemma. Voor het aanbreken van de regentijd moesten ze op hun plaats van bestemming zijn wilden ze niet door het veenmoeras worden verzwolgen. De groep liet het lijk achter bij een oude vrouw die daar toentertijd in de buurt woonde. De vrouw beloofde het lichaam naar het hoger gelegen noordwestelijk gebied te brengen. Tegenwoordig een gedeelte van het huidige Erica. In die tijd liep vanaf het hoger gelegen gebied een loopbrug van boomstammen over het veen naar de nederzetting van de vrouw. Het hoger gelegen gebied was een uitloper van de Hondsrug, een enorme zandrug dat zich vele tientallen kilometers naar het noorden uitstrekte. De overige leden van de groep vervolgden hun weg richting het oostelijk gelegen moerasgebied (het huidige Bourtanger Moor). De oude vrouw had blijkbaar geprobeerd het lichaam te balsemen waarbij blijkbaar de balseming van de linker arm mislukte. Schuldgevoel of niet, de oude vrouw verbrak haar belofte aan de groep om het lichaam naar het hoger gelegen gebied te brengen. De vrouw bond een touw om de nek en sleepte de lijk naar een nabijgelegen veenput. Daar dumpte ze het verzwaarde lijk in het zwarte moeras.

Het moeras is een zuurstofarm omgeving. Zodoende bleef het lijk honderden eeuwen in een vrijwel ongeschonden staat. Maar er gebeurde meer met het veenlijk. Door een chemische reactie van de balsemingsvloeistoffen van de oude vrouw met de vetlaag van het lichaam veranderde deze in een zeepachtige substantie. Van zeep is bekend dat het niet of nauwelijks tot ontbinding overgaat.

In het voorjaar van 1921 werd op Erica, ongeveer 300 meter ten zuiden van de Oosterveensche draaibrug op de hoek van de Verlengde Hoogeveensche Vaart, tijdens het afkoppen van het zwarte veen, de nagenoeg gave, eeuwenoude overblijfselen van een ‘mensch’ gevonden. Opvallend was de strop om de nek. De arbeider die het veenlijk opgroef had zich verbaasd over het feit dat ‘het geheele lichaam intact was gebleven ende huid nog geheel aanwezig was’. Alleen de linker onderarm was door de tijd aangetast.

Hier hield het verhaal op. Maar niet het bestaan van het notitieboekje van de archivaris. Vreemd genoeg was de archivaris niet eens betrokken bij de vondst van het veenlijk op Erica. Waarom hij dan toch de vondst in het notitieboekje benoemde had waarschijnlijk iets te maken met de wijze van balsemen. Zo gaf hij in het notitieboekje een uitgebreide beschrijving van het recept hoe een lichaam te balsemen. De beschreven ingrediënten waren o.a. twee soorten terpentijn, rozemarijnolie, lavendelolie, vermiljoen en gekamferde wijnspiritus vermengd met een poeder van kamfer, hars en salpeter.

De bestanddelen in het balsemingsvloeistof bleken naturerende eigenschappen te bezitten. Het veranderde de structuur van de gedenatureerde proteïne in proteïnemoleculen die de grondslag vormen van levend weefsel. Het was de oude vrouw toentertijd gelukt de bloedvaten van het dode lichaam te vullen met haar balsemingsvloeistof. Het leek wel of het dode lichaam door de oude vrouw in een soort van cryonische slaap te zijn gebracht. Blijkbaar werd hierbij de hartslag zo laag gebracht dat nauwelijks nog sprake was van leven.

Waar het veenlijk na de vondst was gebleven wist niemand. Een dag na de vondst kwam de gemeenteveldwachter om het lijk in beslag te nemen. Hij kreeg alleen de gemummificeerde linker onderarm mee. Het enige wat was achtergebleven op de vindplek. Nu te vinden in het museum te Assen. De rest van het veenlijk was verdwenen.

Toen begonnen de geruchten over de zwerversfiguur die in Zuidoost Drenthe over de velden ronddoolde. Een enkele keer werd hij door boeren in de verte gezien. Een paar kenmerken werden telkens genoemd. De zwerver had een stuk touw om zijn nek en zou maar één arm hebben. Hij scheen iets te zoeken. Het gerucht kreeg een naam, ‘De man van Erica’.

Vanaf eind jaren twintig werd jacht op hem gemaakt door de inwoners van Zuidoost Drenthe. De man van Erica bleef ongrijpbaar. Bij diverse klopjachten werd steeds melding gemaakt van witte schuimvlokken (zeep?) die in zijn spoor werden gevonden.

Wie was deze man, wat zocht hij? Er gingen allerlei geruchten rond, zo zou hij zoeken naar zijn ontbrekende onderarm. Maar verder dan geruchten kwam het niet. Tot op de dag van vandaag worden nog steeds klodders witte schuim gevonden aan takken, bladeren of graspollen.

Wanneer je in de natuur een klodder witte schuim ontdekt in het gras of aan een tak. Denk dan aan De man van Erica. Duw dan een tak in de grond, bevestig hieraan een dikke pluk droog gras. Men beweert dat de Man van Erica hiervan een toorts kan maken. Opdat hij ook in het donker zijn zoektocht naar zijn arm kan vervolgen. De Man van Erica zal je zeker met rust laten.

Geschreven door Henk Beukers