Vrijdag 26 september 2025

Het weekend begon aanvankelijk als een gewoon weekend zoals de mannen van SusScrofa die vaker beleefden in de dichte wouden van Groß Dörgen in Duitsland. Dat zou snel veranderen. Het thema van het weekend zou worden ‘De Zwarte Specht en de Sleutel van het woud’. Maar daarover later meer in dit verslag. Het was een mooie vrijdagmiddag toen Batman het erf van Vliegend Hert opdraaide. Het weekend begon. Eerst werd nog foerage ingeslagen voor de troep. Dat had Vliegend Hert grotendeels geregeld in Duitsland een weekje eerder. De rit naar Groß Dörgen, zo’n dertig kilometer landinwaarts Duitsland, was geen straf. De zon scheen overvloedig en het landschap zag er zomers uit met hier en daar de eerste tekenen van de herfst. In Groß Dörgen wachtte het huisje ongeduldig op de troep. Het Hans en Grietje-huis lag half verscholen in het donkere woud. Het doel dit weekend was een bezoek te brengen aan het eeuwenoude megalietgraf in Apeldorn, gebouwd uit gigantische granieten zwerfkeien die tijdens de ijstijd via een gletsjer naar deze regio getransporteerd werden. Dat was ongeveer 100.000 jaar geleden, de tijd dat de bossen tussen Nederland en Duitsland nog zo dicht waren dat zelfs het zonlicht er in verdwaalde. Naast het hunebed lag sinds jaar en dag een grote steen. Men geloofde in die tijd dat baby’s met behulp van een stenen sleutel uit de grote steen getrokken konden worden. Hierdoor werd de fantasie van schrijver Vliegend Hert enigszins geprikkeld, het zal verder van weinig invloed zijn op de waarheidsgehalte van dit verslag. Zaterdag zou de troep een lange voettocht naar Apeldorn ondernemen om het hunebed zelf te aanschouwen. Na het inruimen van de spullen, werd een biertje gepakt achter het huis. Het achterhuis bestond uit een deel met tafels en stoelen zoals een herberg. Achter in het donkere zaaltje zat een deur. Daarachter lag een open ruimte tegen de bosrand. Onder een overkapping was het goed toeven. Het geluid van de vogels, de geur van de bloemen, de smaak van het bier, het had iets paradijselijk. Enkele uren later vervoegden Bamban en Oei-oei zich bij de troep. Langzaam begon het te schemeren in het woud. Niemand van de troep kon vermoeden dat het weekend spoedig zou veranderen in de geest van de oude gebroeders Grimm. TOK TOK TOK. Iedereen keek omhoog. Een Zwarte Specht zat daar als een kardinaal: een zwartrok met rood kalotje op. Met wijdgespreide tenen klauterde de specht langs de boomstam naar boven.

Eens, zo luidt een oud verhaal, klopten Christus en zijn apostelen na een lange en barre voettocht aan bij een huisje in het bos. Mariechie, een pinnig vrouwmens deed open, ze weigerde hun eten te geven. Zelfs een slokje water kon er niet af. Ze gilde verwensingen en wees bars met trillende vinger naar de horizon en zond hen weg. Voor straf werd ze veranderd in een zwarte specht, die voortaan op boomstammen moest hakken om aan voedsel te komen en die met klagelijke, hoge roepstem luidkeels moest roepen om regenwater wanneer ze dorst had.

Als een reflex volgde een greep naar de fototoestellen. Helaas bleek het te donker voor het maken van een goede foto. Het dier schrok van onze plotselinge bewegingen en liet iets uit de bek vallen. Vlak voor ons op de grond viel een soort van varentakje, aan het takje zat een stukje wortel. Toen Bambam het oppakte, voelde hij een warme gloed. Vliegend Hert fluisterde verschrikt: ‘Dat lijkt wel Salomonszegel!!’. In alle consternatie zag de troep niet dat vanuit de struiken iemand mee stond te kijken. Aan de horizon nam de zon afscheid van de dag in een explosie van kleuren. We zochten de warme huiskamer op. Morgen bij licht zouden we het kruid aan een nader onderzoek onderwerpen.

Zaterdag 27 september 2025

Na het ontbijt kwam de groep voltallig bijeen.Voor hen op tafel lag een stukje voorjaarswortel van de Salomonszegel. Het werd vroeger Springwortel genoemd. Men zegt dat alleen de Zwarte Specht het kruid wist te vinden. De leden van SusScrofa wisten van de legende dat enkele jagers iets wonderbaarlijks hadden gezien. Ze zagen een Zwarte Specht die haar nest niet kon bereiken. Mensen hadden het afgesloten met spijkers, een slot en een zware steen. Zij vloog het bos in en kwam terug met een geheim kruid. Zodra zij dit kruid tegen het ijzer hield, sprongen de spijkers los, viel het slot open, spleet de steen uiteen. Niemand had het kruid ooit kunnen behouden. Het verdween altijd vanzelf weer in het bos. Het was de Sleutel van het Woud. Nu lag het op tafel. Bambam, Batman, Oei-oei en Vliegend Hert hadden het bij toeval in handen kregen. Allen beseften dat het een bijzondere kruid was. Hiermee konden ze de grote steen in Apeldorn openen. Wat de troep niet wist, op het kruid rustte een vloek. Het kruid kon dingen openen die gesloten hadden moeten blijven, gevangenissen, kluizen maar ook meisjesharten. Een viertal gezichten bogen zich langzaam over het kruid. De troep keek op. Buiten diep in het bos klonk op een hard geroffel. TOK TOK TOK. Opnieuw een hard geroffel achter het huis. Nu klonk het anders, alsof iemand op de achterdeur klopte. Behalve de troep was hier niemand. De leden keken elkaar aan, het leek alsof het bos wist dat zij het geheim hadden gevonden. Maar nu eerst even een stukje cultuur over de Zwarte Specht.

In holen bomen maecti sine nest,
dar broeti sine jonghe best.
Sloughe oec iemen yser of hout
in die gate met ghewout
ende picus niet in ne mochte,
hi vloghe och ende sochte
cruud dart mede vloghe ute dat,
hoe vaste dattet stake int gat.
Oude bouke segghen dat
van desen crude tere stat
dat mer mede mach ontsluten
alrande slote van buten.

‘Der Nature Bloeme’ van Jacob Van Maerlant.

Die zaterdagochtend verlieten vier mannen Groß Dörgen voor een verre expeditie. Naar een oude steen bij het megalietgraf. In de steen zat iets gevangen. De Springwortel was de Stenen Sleutel om het te bevrijden. Niemand anders dan Bambam, sterk als een eik, Batman, scherp van geest, Oei-oei, die altijd het gevaar als eerste voelde en Vliegend Hert, die de taal van het  bos leek te begrijpen, konden het uit de steen bevrijden. De troep had alleen geen idee waaraan ze waren begonnen. Eén ding was zeker, de legende van het megalietgraf was niet zomaar een oud volksgeloof. In de steen zat iets verborgen, het was geen baby. (Het bleek inderdaad iets anders, had de troep dit geweten, waren ze direct teruggekeerd) Alleen het geheime kruid van de Zwarte Specht gaf toegang tot de steen. Na een tijd kwam de troep aan bij het naaldbos. De eens zo donkere bos stond er verlaten bij. Wat was hier gebeurd? De bomen hadden ongewenst bezoek gehad, ze hadden bezit genomen van de sappen onder hun schors. De stammen leken verstild in hun laatste schreeuw. Het gezelschap trok verder over de eindeloze weg. Eindelijk bereikte de troep het bordje met de naam Dörgen. De rand, hier eindigde het veilige woud van Groß Dörgen. Hierna werd het bekende onbekend, veranderde de wereld om hen heen. Het viertal naderde het Kruispunt. Aan de overzijde lag de Verlaten Spoorweg. De roestbruine rails lagen als stille getuigen in het dorre veld. Ooit dragers van gillend gefluit, stoom en vuur, nu zwijgend wijzend naar het verre oosten. Niemand wist waar de spoorweg ooit heen had geleid. De wind stierf weg. Witte Wieven kropen als mist over de grond. ‘Het bos kijkt naar ons,’ zei Oei-oei zacht. Vliegend Hert knikte. Het was niet alleen het bos. Niemand zag de figuur die hen volgde. De troep kwamen uit bij een groot leeg veld. Het Verdorde Veld, het stille portaal van het Dörgener Moor. Het moeras was donker, zompig en verlaten, hier werd gestreden om het licht. De verliezers zonken langzaam weg in de zwarte krochten van het Moor. Op de hoek van het pad lag een grote mierenhoop. Het volk van de mieren bereidde zich voor op de lange winter die zou komen. Bambam wees verschrikt naar het gekrioel op de mierenhoop. Duizenden mieren leken in de dennennaalden langzaam een figuur te vormen. Een vinger. Die wees dreigend naar Groß Dörgen. Een laatste waarschuwing terug te keren naar het veilige woud. Plots hoorde de troep een geluid. TOK TOK TOK. Een Zwarte Specht roffelde op een boom. Maar het geluid klonk niet als een vogel. Het klonk als een allerlaatste waarschuwing. Batman draaide zich om. Even dacht hij een man tussen de bomen te zien. Opnieuw veranderde de wereld om hen heen. De rechte weg verdween, het bos werd stil, de bomen stonden dichter bij elkaar dan normaal. Overal groeiden ineens kastanjebomen. Hoe verder zij liepen, hoe vreemder het bos werd. De Verte leek de horizon met zijn blauwe hoed te dragen. Kastanjebomen bewogen zich langzaam in een rij langs het pad alsof ze wachters waren. ‘Zij wijzen ons de weg,’ zei Vliegend Hert. ‘Of waarschuwen ons’, mompelde Oei-oei. Niemand wist waarom hij dat zei. Maar het bleek waar. Soms klonk ergens diep in het bos het roffelen van de specht. Oei-oei keek om zich heen. ‘Het lijkt alsof iemand ons volgt.’ Vliegend Hert bleef staan, hij keek om zich heen. Ze zagen niets, toch zagen ze voetsporen zachtjes in het zand drukken. Ergens achter hen klonk opnieuw het geluid van een specht. TOK TOK TOK. Nu was het anders. Harder. Alsof iemand op een deur klopte. Na een lange tocht bereikte de troep eindelijk de eindbestemming. Het Dichte Woud van Apeldorn. Tussen het bronsgroene gebladerte verscheen een heuvel. Midden op de heuvel stond een grote hunebed. Het was het eeuwenoude megalietgraf. Opgelucht dat ze het doel hadden bereikt, werd bij het graf een foto van de troep gemaakt. Batman keek naar rechts en fluisterde: ‘Dat moet de steen zijn’. Hij knikte naar de rand van het bos. Daar lag de reusachtige steen. Ouder dan de dorpen, groot en zwaar. Mos als een baard bedekte de randen, boomwortels klauwden over de steen als oude vingers. Langzaam liep de troep naar de steen. Bambam haalde de Springwortel tevoorschijn. Op dat moment sprong iemand uit de struiken. De troep kende hem. Het was een bekende maar vervelend figuur. Hij viel mensen lastig omdat hij vond dat het bos van hem was. Het was stroper Schnoeing. Hij was de schaduw die de troep had gevolgd. Schnoeing richtte zijn geweer. ‘Geef mij het kruid’, zei hij. ‘Het hoort jullie niet toe’. Oei-oei was sneller, hij pakte het kruid en gooide het naar de steen. Toen het tegen de steen viel, gebeurde er iets wonderlijks. De steen kraakte. De aarde zuchtte. Langzaam schoof de steen open. Een koude wind stroomde naar buiten. Uit de duisternis klonk een stem. De stroper lachte. ‘Eindelijk.. de kracht van het bos!’. ‘Maar de stem antwoordde: ‘Niet voor jou’. Een kleine man, lange rug, korte benen, stapte naar buiten. Zijn haar was mos, zijn baard gras, zijn wenkbrauwen zo groen als jonge bladeren. Zijn ogen glinsterden als smaragden. Bladeren groeiden overal uit zijn kleding. Het was de Groene Man, een oude bosgod. Hij keek eerst naar de stroper. Toen naar de vier mannen. Hij sprak: ‘Lang geleden sloten mensen mij op, ze wilden het geheim van het bos stelen’. De Groene Man deed een stap naar hen toe. ‘Waarom hebben jullie mij bevrijd?’ Het leek de troep wijzer hierop geen antwoord te geven. De bosgod aanschouwde hen. Hij kon ze vervloeken om het geheim van het woud niet te schenden. Alleen goede antwoorden op vier vragen konden hen redden. De eerste vraag ging naar Bambam. ‘Wat is het grootste geheim van het bos?’ Bambam dacht lang na. Toen zei hij: ‘Dat het leeft, zelfs wanneer wij het niet zien.’ De Groene Man knikte. De tweede vraag ging naar Batman. ‘Wat neemt een mens uit het bos?’ Batman antwoordde: ‘Hout, voedsel, warmte’. ‘Maar hij moet ook iets teruggeven’. De Groene Man glimlachte. De derde vraag was voor Oei-oei. ‘Wat gebeurt er met mensen die het bos willen bezitten?’ Oei-oei keek naar de bomen. ‘Het bos zal zich sluiten, zij zullen de weg kwijtraken.’ De Groene Man knikte. Toen de laatste vraag aan Vliegend Hert. ‘Aan wie behoort het bos?’ Vliegend Hert keek op. ‘Niemand, want het bos is van zichzelf’. De Groene Man keek naar de stroper, ‘Jij kwam niet om te bevrijden, jij kwam om te stelen’. Schnoeing hief zijn geweer en schreeuwde. ‘Het bos is van mij, ik zet berenklemmen waar en wanneer ik wil’. Plots klonk overal in het bos geroffel. TOK TOK TOK. Het waren honderden Zwarte Spechten. De bomen begonnen te bewegen in de wind, het pad achter de stroper verdween. Schnoeing keek om zich heen. ‘Wat gebeurt er?’ De Groene Man sprak rustig: ‘De vloek van het woud’. Mist sloot zich om de stroper. Bomen begonnen op elkaar te lijken. Paden verdwenen. De stroper rende het bos in. Niemand zag Schnoeing ooit terug. Sommigen zeggen dat hij er nog steeds loopt. Altijd in cirkels. Naar een pad dat net buiten bereik ligt. De Groene man keek naar Bambam, Batman, Oei-oei en Vliegend Hert. De felrode gloed verdween uit zijn ogen. Hij hief zijn hand. ‘Jullie antwoorden zijn waar, jullie zijn vrienden van het bos, daarom zullen jullie altijd welkom zijn in mijn woud, vanaf vandaag zal ik jullie beschermen zolang jullie het woud respecteren’. ‘Vanaf nu zullen jullie soms vreemde dingen zien’. Hij wees naar de bomen. ‘Een schaduw die beweegt, een pad dat plots verschijnt, een specht die jullie volgt. Weet dan, dat ben ik’. Plots klonk boven hen het geluid: TOK TOK TOK. Een grote Zwarte Specht landde op de steen. Hij keek de mannen een voor een recht aan. Toen vloog hij het bos in. De mannen keken naar de steen, de Groene Man was verdwenen. Met hem de Springwortel. De poort van het woud was gesloten, het kruid bij de Zwarte Specht. Bambam, Batman, Oei-oei en Vliegend Hert verlieten het bos en gingen huiswaarts. Nooit zullen zij meer alleen door het bos lopen. TOK TOK TOK. Ergens tussen de stammen beweegt een schaduw. Een klein groen figuur, de bewaker van het woud. Met hem de Zwarte Specht en de Sleutel van het Woud. De terugweg verliep zoals verwacht zeer spoedig. De zon scheen, de vogels floten, het pad wees ons de weg. Een feesttafel wachtte op de troep.

Zondag, 28 september 2025

Vroeg in de morgen stapten we met frisse moed naar buiten. Het woud verwelkomde ons met alle kleuren groen in een goudgele ochtendgloed van de zon. Na het ontbijt ging de troep even uitbuiken achter het huis. Tijdens het nabespreken van het avontuur van gisteren verscheen opeens een kleine kat. Zonder schroom sprong het katje op ieders schoot. Oei-oei nam het dier op schoot en kroelde zijn koppie. We konden het katje natuurlijk niet meenemen. Er stond nog een kleine expeditie op het programma. Via de spookboerderij van Wulf gingen we naar de brug over de Mittelradde. Stil liepen we langs de spookboerderij, ooit een jeugdboerderij, later koetshuis. Nu een vervagende herinnering. Langzaam nam het woud bezit het gebouw. Koetswerk verzwolgen, roestige frames gebroken. Ook de brug over de bosbeek was niet meer berekend op zijn taak. Sinds het uitsterven van de Wulfs werd geen onderhoud meer gepleegd. Dwarsbalken waren verrot, oversteken was een gok. Bij de brug over de Mittelradde was het uitzicht prachtig door de gouden herfstzon. Bij thuiskomst was het katje nergens meer te zien. Onze tijd zat er op. We namen afscheid van de boer en zochten onze spullen op.  Moed broeders, struikel niet.  Vliegend Hert.