Vrijdag, 27 maart 2026
In het woud verborgen huisje in het dorp Gross Dorgen leek geduldig op ons te wachten. Batman en Vliegend Hert waren iets later omdat het boodschappen iets uitliep. Gewoon te laat vertrokken, kon ook. Het was zo’n dag waar je na het inruimen van de spullen gewoon even de benen wil strekken. Achter het huis. Pilsje erbij. Nou, dat deden we dan ook. Het was eind maart, voorjaarszonnetje d’r bij, de natuur stond op standje uitbreken van de lente. Tot zover de natuurobservaties van vrijdag. De overige leden daagden op gedurende de middag. Er moest natuurlijk heel wat bijgepraat worden wat de laatste tijd op Erica is gebeurd. Uitstrekken van benen liep uit op een gezellig feestje tot ver in de nacht. Zwaar leven hoor, je kan niet alles hebben.
Zaterdag 28 maart 2026
Na het ontbijt maakten zich Bambam, Batman, Hakketee, Oei-oei, Vliegend Hert en Flossie op voor Expeditie. Deze zou gaan naar een volstrekt onbekend gebied achter de uitkijktoren. Een deltagebied die we alleen vanuit de toren kenden. De toren was niet te betreden. Afgesloten door de autoriteiten. Vertrouwden het zaakje blijkbaar niet, komen daar in een volgend verslag hopelijk op terug. We togen op pad en werden gevolgd. Niet racistisch bedoeld hoor, door gemene zwarte wolk. Wij keken bewust niet naar achteren. Niet zien, dan bestaat het ook niet. Om even later in stromende regen verontwaardigd te reageren dat het journaal gisteravond er weer volledig naast zat.
Schandalig. Betaalden we daarom kijk- en luistergeld? Nu we toch bezig zijn; de programma’s op publieke zenders zijn ook niet te haggen. Weggegooid geld. Dat kijk- en luistergeld in 2000 werd afgeschaft doet er niet toe. Toch wel, maar even zeiken lucht op. We leven in een tijd dat realiteit er niet meer toe doet. Beeldvorming had het gelijk overgenomen. Het was nu mode om met blakend zelfvertrouwen de grootst mogelijke onzin uit te kramen. Als dat niet lukte, nam je gewoon een immigrant om daaraan je gebrek aan besef te verwijten. Wij als groep waren druk met andere dingen. We keken niet naar achteren laat staan naar boven. We hadden onze eigen realiteit. Het was precies deze realiteit die ons op het pad inhaalde. Journaal had zonnestralen beloofd, niet in vloeibare vorm. De wind trok aan. De troep zocht een droog onderkomen. We vonden het onder de brug over de Mittelradde, een zijriviertje van de Hase. Vijftig jaar geleden zat Vliegend Hert hier met een viertal kameraden. s’Avonds rondom een kampvuurtje onder de brug. Elk voorzien van een fles Schnapps. Behalve ik, had toen nog niks te makken. Moest het met een paars flesjes bier doen. Lichte troost, ik was die nacht de enige die onder de brug kon wegkomen. Nu zat ik er opnieuw, om te schuilen tegen de weergoden. Het begon zelfs heel hard te regenen.
We zagen de Mittelradde per minuut stijgen, we moesten met onze laarzen en schoenen hozen om het onder de brug droog te houden. Het noodweer was gelukkig kortstondig. Opeens was het droog. We trokken verder. Pluvius leek een grap met ons uit te halen. Plotseling plenste het weer. Een weergod met humor, hadden wij weer. We lieten ons niet kennen, we gingen de woeste wereld van de delta in. Niet alleen. Een pootafdruk liet het duidelijk zien. De Wolf. We hadden niets te vrezen, waren bewapend met fototoestellen. Daar hielden de schuwe wolven niet van. In het weiland zagen we iets bijzonders.
Een grote, dichte massa van bramenstruiken die een heel stuk weiland had overgenomen. Vaak begon het met één of een paar bramenplanten. Bramen vormden lange, boogvormige takken. Als zo’n tak de grond raakte, maakte hij daar wortels. Zo ontstond weer een nieuwe plant, die hetzelfde deed. Elk jaar groeide de struik enkele meters verder. Tot na zo’n 15 jaar een enorme iglo van bramentakken ontstond met een vrij scherp rand, wat typisch is voor een langzaam uitdijende bramenkolonie. Het is overigens ecologisch een waardevolle plek: zulke bramenstruwelen bieden beschutting aan vogels, egels, hazen en veel insecten. Niet aan een slak, die was verhuist en had zijn huis onbeheerd achter gelaten. Verderop werd de doorgang belemmerd door een watergeul.
Over de watergeul eindigde het gras tegen de bosrand. Twee haasjes hadden het druk met elkaar. De groep aan de andere kant van de watergeul werd blijkbaar als ongevaarlijk beschouwd. Maar dan hadden de langoortjes buiten onze begeleidend viervoeter Flossy gerekend. Na een plons sprintte de hond vol enthousiasme achter zijn instinct aan. De hazen lieten de hond eerst geduldig dichterbij komen, om vervolgens te accelereren. Stukken graspol spoten uit een mistwolk met hazenoren. De hond was kansloos, had waarschijnlijk ook geen idee wat ie aan het doen was. Rare katten met lange oren. We trokken verder. Om ons heen begon het weer weer te druilen. We naderden een meanderend riviertje.
Te midden in deze desolate landschap met dichte struwelen en hoge pollen pijpenstro werden we getuige van een stukje degelijk Duitse bureaucratie. Enkele decennia geleden werd het huidige landschap in het gemeentehuis door afdeling Landschapsbeheer op papier uitgetekend. Een ambtenaar met zo’n tuitmondje waarin je zo een potlood kon steken, vond het in zijn grenzeloze wijsheid nodig, om midden in de woeste natuur, over het riviertje een brug te plempen. Blijkbaar om de leegheid van zijn fantasie en de nutteloosheid van zijn existentie nog eens extra te onderstrepen. De brug stond er verloren bij midden in de woeste natuur. Die wist vervolgens wel raad met het houten deel van de constructie. Compleet verdwenen door rot. Het staalwerk was degelijk bewerkt dat het als nieuw erbij lag. Net als alle roestvrijstalen bouten die het houtwerk bij elkaar moesten houden. Het resultaat was een goed stukje degelijk nutteloos wrak. Kost wat, heb je ook wat.
De lucht trok weer dicht, het begon voor de afwisseling eens weer te druilen. De troep volgde de loop van het riviertje. De voorste van de troep deed een natuurobservatie. Door het geluid van de wind konden we hem horen roepen ‘vossenkeutel’. Een vos had hier een molshoop gegarneerd met een drol. Alsof hij de kookkunst machtig was. Verderop vonden nog zo’n verschijnsel. Zo bakende een vos zijn territorium af. Het waren zogezegd piketpaaltjes. ‘Kom niet verder, hier heers ik’. Gelukkig had de kadaster deze gewoonte niet overgenomen. Zou vreselijk stinken op elke hoek. Aan de meanderde rivier deden we een opmerkelijke natuurvondst. De allereerste keus tot determinatie van enkele leden was die van contactlenzen van een karper. Na gezamenlijk overleg kwamen we tot de conclusie dat dit het gewoon niet kon zijn. Een karper had immers geen vinger om de lens aan te brengen. Wat was het dan wel? De grote contactlenzen bleken schubben. Waar de rest van de vis was? Waarschijnlijk een dikke witte streep stroperig lekkend langs een boomstam. Een reiger heeft er totaal geen moeite mee om een grote karper als een zwaard in de keel te laten wegzakken. Prachtige maar onverzadigbare beesten zijn het. Jaren geleden vrat een grote reiger mijn tuinvijver leeg, alle goudvissen weg. Ik kreeg als tip om een kunststof reiger bij de vijver te plaatsen. Zo van, dit is mijn territorium, rot op. Een week later had ik een exemplaar van de Intratuin.
Leek verbazend echt. De gietnaad van de kunststof was nauwelijks zichtbaar, de spuitgat verborgen onder de staart. Een tijd ging dat goed. Stond dat beest prontig op een ijzeren stang bij de vijver reiger te wezen. Tot de storm kwam. Het beest draaide op de schuine stang door de wind. Kop naar beneden, staart met uitnodigende spuitgat omhoog. De slet. Ik baande een dag later tot aan mijn knieën door de reigers. Goed, ik dwaal af. De volgende natuurobservatie waren ondiepe geultjes in het gras. Waarschijnlijk het werk van woelmuisjes. Tijgersluipgang of moet ik zeggen woelmuissluipgang hielp maar gedeeltelijk. Van boven nog steeds zichtbaar voor bijvoorbeeld een vos of uil. Best kans dat je op die manier een van de veertig zusjes of broertjes kwijt raakt. De troep naderde het eind van het meanderend riviertje. In de dichte struweel nam het afscheid van ons.
We vervolgden de bosrand. Tussen de populieren stond een exemplaar mooi dood te wezen. Kevers hadden onder de schors lange gangen geknabbeld. Toen de schors verdween bleef het hout achter voorzien van gleufjes als zijnde hiërogliefen. Een afscheidsbericht van een stervende populier. Terug op het bospad namen we de weg terug. Het weer was iets verbeterd, tussen mot en klam. We namen het pad naar de spookboerderij.
Ook hier moesten we over een brug die nauwelijks de naam waardig was. Vroeger een koetshuis gezien de wrakken die erin stonden te roesten. Na jaren overgeleverd aan de natuur was er niet veel meer over van de spookboerderij. Je kreeg het bijna te doen met de spoken. Had je maar bij een vakbond moeten gaan. Onderweg vonden we een bijzondere dennenappel. Nader inspectie gaf een andere conclusie. Samengeperste keuteltjes in dennenappelvorm. Oppassen bij een droogboeket zou ik zeggen. Bij de hoofdgebouw van de boerderij aangekomen zagen we wat we liever niet hadden gezien. Tientallen vermoorde bomen.
Grafrede bij een boom.
Elke boom was een herinnering in het zachte licht dat bleef hangen nadat de zaag het had doen ondergegaan. Ze was geen exacte afdruk van wat was geweest, maar Gross Dörgen dat door werkelijkheid opnieuw werd gevormd. Geen fluisterend wind door takken als verre melodie, maar thans een raam naar een andere tijd. Een herinnering van wat werkelijk gebeurde en wat we nodig hadden om te bewaren. Ze droeg de geur van mos op groene stam, de warme uitstraling van een boom die allang was losgelaten, de echo van een ruis die nog altijd door de stilte reist. Herinnering is de kunst van de tijd om afwezigheid in aanwezigheid te veranderen. Dat je een stevig meubel mag worden.
Bij het verlaten van het slagveld liepen we langs de keukenraam van het hoofdgebouw.
Op de vensterbank achter het glas stond een vergeten kinderlaarsje van porselein met kunststof bloemen. Mijn gedachten dwaalden af naar niveau triest. Ooit door de handen van de boerin beroerd, peinzend niet verwacht, stil gezwegen en nooit gekregen wens tot opvolging van de boerderij. De troep trok verder richting ons onderkomen. s’Avonds deed een ondergaand lentezonnetje een laatste poging om de dag nog enig glans te geven. Met succes. Die avond volgde in het verborgen huisje een vrolijke evaluatie van de dag. Met een borreltje en een paar glaasjes bier. De laatste perikelen op Erica werden nog even doorgenomen. Bonensoep ging vooraf aan de opgeblazen gevoel. Even Pluvius terugpakken. Gure wind woeide die nacht in en om het huis. Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert.

