Werken op zaterdag 1

Werken op zaterdag 1

Ook in de jaren zeventig was het uitgaan een dure aangelegenheid. Van mijn ouders kreeg ik een tientje zakgeld. Dat leek niet veel maar tel hetzelfde op bij mijn broers, dan tikt het behoorlijk aan. Er moest dus bijverdiend worden. Vroeger deden we een ´heitje voor een karweitje´. Maar die heitjes telden niet aan. Later gingen we de boeren helpen met het wieden van de bieten. Dat was leuk werk wat je samen op het land kon doen. Lekker keuvelend in een rij kruipend over het bietenland en nog geld verdienen ook. Helaas was het seizoenarbeid. Nog later hadden de boeren een manier gevonden op de bieten automatisch op rij te zetten, het onkruid spoten ze dood, wat je daar ook van mag vinden. Dat werk verviel dus. Verder kijken dan maar. Ik heb kranten rond gebracht, komkommers gesneden, peulen geplukt en wortels getrokken. Het viel niet mee om een baantje te vinden. We hoorden dat aan de Dikke Wijk tussen Nieuw Amsterdam en Emmen meerdere banen vrij waren. De madenkwekerij van dhr. Dolstra t.w. DOMA (Dolstra maden). Zijn bedrijf bestond uit een boerderij annex winkel, een grote schuur en een achttal barakken. Doordeweeks gebeurde bij zijn bedrijf niets, op zaterdag moesten die beestjes uitgeschud worden. Dolstra’s productie van maden was zo’n 2000 liter per week. Hij verkocht in die tijd 1 liter maden voor ongeveer zeven gulden. Alsof het niet genoeg opbracht had hij ook nog een goed lopende winkel in sport- en sexartikelen. Zijn wekelijkse inkomsten kwam soms bruto boven de twintigduizend gulden. Of wij, die al het werk deden, daar iets van merkten? Dolstra was een typische kapitalist. Let wel, onze daglonen waren bij elkaar nog geen honderd gulden! Desondanks kon ie bij uitbetaling van loon heel bezwarend en zuchtend ons aankijken. We moesten eigenlijk nog medelijden met hem krijgen. Als ondernemer moest die krentenkakker natuurlijk nog een voordeeltje van zijn personeel pikken. Elke zaterdag kwam hij 5 minuten voor het eind van de werkdag nog even bij ons langs voor de laatste klusjes. Gingen we weer een kwartier later weg. Een keer vroeg ie ons een uur over te werken voor een toelage, hij wilde niet zeggen voor hoeveel. Na de uur kwam ie met de toelage, voor ieder een appel. Toen hij in huis stapte hebben we de appels tegen zijn deur kapot gegooid, eerder durfden we niet. Dolstra kweekte maden voor de vissers. Die konden in plaats van een regenworm een trosje maden aan het haakje rijgen. Werken bij een madenkwekerij was het smerigste, ongezondste, gevaarlijkste en slechtst betaalde werk wat je kon bedenken. Dus toogden mijn broers, neef en ik naar Dolstra toe. Jarenlang hebben we elke zaterdag van Erica naar de Dikke Wijk (later Het Haantje) getoogd en werkten we van 08.00 tot 17.00 uur voor 10 gulden per dag. Uit half vergaan vlees moesten we met een mestvork de maden er uit schudden. Daar kwam een ammoniak-lucht vrij dat je de adem deed afsnijden. Avonds bij thuiskomst moesten we de kleren buiten uittrekken en direct door onder de douche, we stonken naar kadaver. Dat nam niet weg dat we daar ook gelachen hebben. Zo die keer dat we flink aan het madenschudden waren waarbij een leeg Fanta-blikje uit de prut tevoorschijn kwam. Ik haakje met een tand van de mestvork in de opening van het blikje en smeet het over me heen naar achteren. Ik hoorde nog ‘ahumm..’. We keken verschrikt naar achteren. Daar stond Dolstra. In een smetteloos wit pak. Smetteloos? Voor hem lag het blikje, bijna vol met zwarte drab. Het overige van bijna-vol had zich in pixelvorm over het witte pak gedrapeerd. Zonder een woord te zeggen draaide Dolstra zich om en liep zijn huis weer in. We keken elkaar even aan en begonnen onbedaarlijk te gniffelen. Later hebben we nog iets soortelijk meegemaakt. Dat was op zijn tweede zaak op het Haantje. We kregen de opdracht een paar schuren op te ruimen. Van al het rommelhout werd achter de schuur een groot vuur gemaakt. Even later hoorden we een knal. Een leeg verfblik knalde in het vuur. Nieuwsgierig liepen we naar het vuur. Daar lagen nog meer blikken. Halfvol met water werden deze in het vuur gekwakt. Tot ons plezier vlogen even later ons de deksels met een luide knal om de oren. De blikken werden groter evenals de knallen. ‘Zul’n we dat wel doen?’, vroeg Harry zich bezorgd af toen een leeg olievat met water op het vuur werd gezet. We keken toe hoe de felsnaden van het vat langzaam uit elkaar werden getrokken. Opeens hoorden we in de verte het kenmerkende rokershoestje van onze baas Dolfstra. Vlug als wezels slopen we in de schuur en togen weer aan het werk. We zagen Dolstra in driedelig pak naar achteren lopen waar het vuur brandde. Na een dreunende explosie achter de schuur zagen we Dolstra onder het stof en as als een wankele novice naar zijn huis lopen. We mochten geen geluid maken maar deden het bijna in de broek van het lachen. Een andere keer kwam Jan in een van de barakken waar we maden stonden te schudden. Jan was een lange slungelige jongen met een enorme ronde bos haar. Tijdens het praten begon hij ineens vreemd te doen. Jan begon te hakkelen en stond met zijn kop te schudden. Na een poosje Jan te hebben bekeken gaf een van ons hem een forse duw. Die strompelde opzij, schudde met de kop en vloekte een paar keer. Daarna keek ie naar de bekabeling van de lamp aan het plafond. Hier lag het koper open en bloot. Daar had Jan even tevoren met zijn dikke bos haar in staan te roeren. Vet lachen natuurlijk. Open koperdraad was daar heel gewoon, nergens werden de beschermkapjes terug gedraaid. Waarschijnlijk teveel werk. Soortelijk maakte ik jaren later mee in Het Haantje. Bij Dolstra werkte een oudere man, Dirk genaamd. Dirk was senior en voelde zich een beetje voorman. Dirk had een grote bek naar ons, vooral als de baas in de buurt was. Dan kon ie zijn autoriteit even laten gelden. Van Dolstra kreeg ik de opdracht om de auto te wassen. Even later liet een enorme waterballet zien dat ik serieus werk maakte van mijn taak als autowasser. Toen moest er gepoetst worden. Daar had ik een leuke oplossing voor gevonden. Op de boormachine paste een ronde witte wollen poetsmop. Ik was druk bezig de auto uit te poetsen toen de stroomkabel van de boormachine zich om de witte poetsmop wikkelde. De boormachine hiel spontaan op. Verwonderd keek ik naar het stukje kabel aan de boormachine. Die had zich opgesplitst in allerlei kleuren draadjes. Daar kwam streber Dirk scheldend aangerend. Naast de auto begon hij dezelfde symptomen te vertonen als Jan toentertijd. Ik deed geduldig een stapje opzij en gaf Dirk de ruimte. Die leek wel spastisch de Horlepiep te willen dansen. Na genoeg te hebben gezien schopte ik met mijn rubberlaars de andere stuk stroomkabel uit het water waarin de auto (en Dirk) stond. Met benen als zijnde spiraalveren wankelde Dirk terug naar de schuur. Vanuit een van de andere schuren hoorde ik een langgerekte gierende lach die niet meer leek bij te komen. Het was warm, ik draaide me om en begon de auto verder uit te poetsen.

Geschreven door Henk Beukers

Geef een reactie