Posts by: H. Beukers

November 2014

November 2014

Vrijdag 21 november 2014.

We zouden ons om half elf verzamelen maar kregen helaas bericht van Bat dat hij niet meekon wegens plotselinge huiselijke omstandigheden. We gingen die dag met drieën naar onze schone Groß Dörgen, Oehoeboeroe, Vliegend Hert en Yeti. DSCF3490Hoewel we op tijd waren moesten we nog drie supermarkten bij langs. Allereerst een kersentaart voor Malies. DSCF3491Ze is enkele weken geleden geopereerd en de genezing wil nog niet erg vlotten. Er wil nog niets in haar maag blijven, vandaar de kersentaart. Dus eerst naar Super Plus. Daar behalve de kersentaart ook een flesje oude jenever en vier zoute haringen gekocht. We gaan namelijk met een nieuwe traditie beginnen. Als opening van het weekend laten we een harinkie in de keel wegglijden die weggespoeld wordt met een tulp jenever. Vis moet zwemmen nietwaar? Daarna naar de Aldi om weer eens veel te veel Schultenbräu bier in te slaan plus teveel van het andere gebruikelijke boodschapjes. Dan naar Stadt Meppen in K&K. Hier werden onder andere Jagdslock und Bockbier ingeslagen. Eindelijk hadden we alles, de Bumsbullie was vol. We waren er klaar voor. Op naar Groß Dörgen. Het weer was die dag en ook de rest van het weekend onbewolkt tot matig bewolkt met een gure oostenwind. Dit kon maar één ding betekenen. Toen we op het kampterrein aankwamen en onze spullen in de Ketel gekieperd hadden kwam Yeti met het voorstel om een schutting te maken van dekzeil. DSCF3504Jawel Yeti en dekzeil. Waarschijnlijk is ie op een zeil verwekt want hij heeft iets met dekzeilen. Kwam ie nu maar eens met een kleine. Yeti kwam met een variant van circus Rens aansjouwen. Maar dit keer had Yeti gelijk. DSCF3515De gure wind belemmerde ons om buiten te zitten. Even later zaten we redelijk comfortabel in een grote oranje cabine. Totdat Yeti met een kampvuur begon. Uit de wind en in de rook met zicht op de Hase. Een perfecte situatie voor SusScrofa’s. Het was Bokweekend 2014 dus werden enkele Bockbiertjes opengeplopt. Met een stukkie worst erbij. Of was het nou metworst? Nog een paar Bockbiertjes opengeplopt. Hoe zou de oude jenever toch smaken? Voorzichtig proberen. Dat smaakte voortreffelijk zodat we niet meer voorzichtig hoeven te zijn. Tegen twee uur kwam Oei-oei het team versterken. De wijze Uil viel even later over een stuk dekzeil en smakte met zijn uilekop tegen een circuspaal. Een gespleten wenkbrauw en twee halve brillen later liep Oehoeboeroe rond als Jules de Corte. De kop voorzien van zonnebril. Uil heeft ook altied wat. Leste keer aan de bar in het Schienvat zat ie ook met een kapotte wenkbrauw en een donkere zonnebril en riep plotseling vrij hard naar de barkeeper:DSCF3519 “Hé barkeeper, zal ik jou eens een goeie mop over domme blondjes vertellen?” DSCF3516De barkeeper loopt naar de bijna nietsziende Uil toe en fluistert hem in zijn oor: “De kerel naast je is twee meter groot en heeft zijn blonde vrouw bij zich, aan de andere kant naast je zit een blonde kerel waarvan ik toevallig weet dat hij Europees kampioen kick-boksen is, recht tegenover je zit een blonde kerel die worstelt als hobby en ik zelf weeg 145 kilo en ben ook blond. Weet je zeker dat je die mop nog wilt vertellen?” Zegt de Wijze Uil: “Mwah, laat maar zitten, anders moet ik hem 4 keer uitleggen”. Bij onze openingstraditie het haring happen vloog plotseling een visje door de lucht. Alsof ie de Hase wou bereiken om terug naar zee te zwemmen. Een uur later zochten we de Ketel op, de gure wind deed ons teveel afkoelen. Binnen in de Ketel werd de Bambino aangestoken en was het weldra behaaglijk warm. Het donkerde snel die dag. We hebben die avond nog flink doorgebabbeld over allerlei zaken en daarbij voorzichtig een blikje bier geopend. DSCF3530Die avond wel een halve trede. Dat schiet op, de kop is eraf.DSCF3533

Zaterdag 22 november 2014.

Vroeg op om ham onder een gebakken eitje te schuiven. Yeti even wakker maken. Dan dam en schaap enzo. Later zaten we alle vier aan het ontbijt. Brood, ei en knakworst. Lekker en voedzaam. We maakten ons op voor de Bonifatiustocht. Ons thema van het weekend was: Jeneverbesstruik. Die zouden volgens Yeti staan bij Wulf, zoere melkboer en bij de bijenkorven. Ons eerste doel was die ochtend de spookboerderij van Wulf. We konden kiezen over de droog verharde weg of dwars door het kleddernatte koolzaadveld. Uiteraard kozen we voor het meest logische. Oehoeboeroe liep voor ons om het koolzaad een beetje plat te trappen. DSCF3536Na veel gehannes en gedoe bereikten we eindelijk de andere kant van het koolzaadveld. We naderden de boerderij van Wulf aan de achterkant. De tijd leek hier stil te hebben gestaan. DSCF3542Niets is veranderd sinds de laatste keer, hoogstens een trekkerspoor. Voor de boerderij stond een taxusstruik die nog het meest leek op een jeneverbesstruik. Van de jeneverbesstruik zelf was niets te zien. Nog wat gesnuffeld te hebben in enkele bijgebouwen togen we richting rivier de Mittelradde. De natuur was in volle rust, vooral stilte die werd doorbroken door gekras van een verre kraai. Af en toe werd de grauwe omgeving opgeleukt door de frisse kleur van een paddenstoel. De bomen aan het pad naar de Mittelradde waren voorzien van kasten afkomstig van de universiteit. Het bleken kasten te zijn voor vleermuizen. Ooit zagen Yeti en Vliegend Hert hier een foeilelijke studente bevers bestuderen. Zag ze op een tak een groene papegaai zitten. Liep ze op ons en zei: ‘De man die weet wat voor een vogel op die tak zit mag vanavond met mij naar bed.’ Ze keek naar ons en zei: ‘Jullie mogen ‘t zeggen!’ Wij antwoordden: ‘Uuh, een duif.’ Zei ze: ‘Weet je wat, voor deze keer reken ik het goed.’ De zware populieren aan het pad hadden duidelijk hun langste tijd gehad.DSCF3548 Steeds meer zwammen namen plaats op de stervende bomen. Uit scheuren kon je zo stukken vermolmd hout trekken. DSCF3553Na stil te hebben gestaan bij de betrekkelijkheid van het leven liepen we verder. Aan het pad naar boer Alwies Rolfes stond een oud boerderijtje. Voor het huisje stond een soort van altaartje, ooit voorzien van een crucifix. Thans was het in vergane staat gelijk de boerderij. Het belangrijkste was echter dat het altaartje was voorzien van een jeneverbesstruik. De eer was gered. We gingen snuffelen in de oude boerderij. We vonden nog schoolopgaven die gedateerd waren uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Verder deuren die voorzien waren van de oorspronkelijk grendels en een schouw met beschildering. Een leuk boerderijtje om op te knappen, als er een tiet met geld op je kop valt. Hierna liepen we richting de bijenkorven in het bos tussen de Altarm van de Hase en het grote zandgat. Tussendoor kregen we nog een telefoontje van de schoonfamilie van Yeti. Er zou een boeven op het terrein van Wulf zijn gereden. Dan bel je de Nederlandse schoonzoon. Na het terrein goed gecontroleerd te hebben verlieten we opnieuw het terrein van Wulf. In tussentijd was er geen jeneverbesstruik bijgekomen. Op naar de bijen. De korven waren netjes voorzien van informatie maar het terrein was hermetisch afgesloten. Ooit heeft hier een wetenschapper zich 24 uur naakt aan een boom laten binden om te laten zien dat bijen ongevaarlijk zijn. 24 Uur later troffen ze een slap in de touwen hangende, uitgemergelde en radeloze wetenschapper aan, die jammerend smeekte om ‘verlossing’. DSCF3559“Mijn god”, zegt zijn collega, “ze hebben je toch gestoken!?” “Nee, dat niet,” zegt de wetenschapper, “maar de kalfjes zijn al zes keer komen drinken!” De kalfjes zijn inmiddels verdwenen. Een paar tellen later liepen Oei-oei en Yeti over het lege terrein. Het hekwerk was duidelijk niet SusScrofabestendig. De korven waren leeg, daar was geen bij bij. Er was ook geen jeneverbesstruik bij. Die zul je ook niet aantreffen in een donker bos. We liepen verder richting Hase Altarm om via een omtrekkende beweging naar de Kolk te lopen. Wellicht was daar in de wei nog een ree te zien. Toen we daar aankwamen kwam onze voorspelling netjes uit. Tussen de bomen en takken door konden we een tweetal reeën observeren. Ook die eer is gered. We trokken Gross Dorgen binnen en zagen boer Berend met het dak bezig, daar kwamen nieuwe pannen op. Een hele klus gezien het oppervlak van het dak. Op ons kampterrein namen we plaats achter de oranje dekzeil. Hier werden een paar pilsjes genoten. Toen snel naar binnen want het werd verrekte koud. In de Ketel werd het snel gezellig met stemmig licht en…. een plaat vol met warme vette Zweinehacksen. Gegaard in een houtfornuis door de plaatselijke autochtone schoonmoeder ener ons. Snel en behendig werden de botten ontdaan van alles wat eetbaar was. Dit onder luid gesmak, gekreun en geboer. Een half uur later lag het hele zwik te pitten. Werner en dochter Carina kwamen in tussentijd nog even in de Ketel kijken maar troffen een muur aan van walm met daarachter ronkende neuzen. De radio speelde zachtjes op de achtergrond “Wat een techniek hè, zei Carina, “bij FFN draaien ze muziek en ik kan het hier helemaal horen!” “Ja, ongelooflijk,” zei Werner, “en in Braunschweig maken ze Schultenbräu en ik kan het hier ruiken!” Later, tegen negen uur in de avond liepen vier SusScrofa’s in het stikkeduuster verdwaasd rond op de Hasebrucke. Iemand had dit voorgesteld om wakker te worden. Langzaam verdwenen de schellen voor onze de ogen. Een paar tellen later zaten we gezellig in de Ketel Schultenbräutjes te drinken. We bleven maar zitten en leuterden door. Uil zei op gegeven ogenblik dat ie naar bed wilde en vleide zich ten ruste. We bleven maar zitten en leuterden door. Uil werd wakker en kwam weer bij ons zitten. We bleven maar zitten en leuterden door. Uil zei op gegeven ogenblik dat ie naar bed wilde en vleide zich ten ruste. We bleven maar zitten en leuterden door. Deze cycli bleven zich herhalen tot de klok bijna vijf uur in de morgen aanwees. Plotseling hield het geleuter op. We gingen naar bed.

 

Zondag 23 november 2014.

Iets later dan een paar van ons gewend waren zaten we aan het ontbijt van eieren met spek, kaas en knakworst. Klein Reusiestocht zou gaan naar het altarm aan de andere kant van de Hase. Over een kale landschap deden we in de verte onze eerste observatie van die dag. Een grote groene plant. Er volgde een discussie. Het gevolg was dat de hele meute zich over de lege vlakte naar de groene plant toeliep. DSCF3563DSCF3573Het bleek een koolplant te zijn. Hierop volgde een discussie of het hier kool dan wel kaal was. Bij de SusScrofa´s bleek het gelijk weer eens uitstekend verdeeld. Ieder dacht er genoeg van te hebben. Met een omtrekkende beweging kwamen we terug op de Hase, doorlopen zou zinloos zijn omdat de stroming ons zou meesleuren. Langs de Hase deden we opnieuw een observatie. Tussen de struiken zo´n driehonderd meter verderop stond iets roerloos te zijn. Na de bekende wellus-nietus-discussie moesten we er wel naar toe te lopen. Er bleek een vijfde klep open te staan. De duiker tussen de Hase en de altarm. Ooit gedacht dat dit een ontsnappingsroute uit de hel was. We zagen daar in die dagen namelijk verschillende gerefo’s rondlopen. Waar kwamen zij vandaan? De vliegtuig boven ons kon toentertijd 121 passagiers dragen en vertrok met 120 gerefo’s en 1 katho. Boven Groß Dörgen verloor het vliegtuig haar bodem, iedereen hing met de handen vastgegrepen aan de opbergkastjes. De piloot sprak toen tot zijn passagiers. “Er is overgewicht, 1 iemand zal het vliegtuig moeten verlaten”. DSCF3575De katho antwoordde hierop, “aangezien ik als enigste kathootje hier ben, zal ik me voor jullie krentenkakkers opofferen” ….. Al de gerefo’s klapten toen in hun handen. Thans konden we door de duiker kijken en zagen we de altarm naar ons toe zwaaien. DSCF3578Doorlopen had geen zin. Of hadden geen zin. In ieder geval ontbrak zin. Boven bleven de vliegtuigen sereen het milieu vervuilen. We liepen in prachtige herfstsferen terug naar de Ketel. We namen achter het dekzeil nog een paar Schultenbräutjes en genoten van de prachtige omgeving. Het moest ervan komen, circus Rens werd afgebroken. Doordat we hoofdzakelijk wegwerpborden, -bestek en -bekers hadden gebruikt hoefden we alleen maar weg te werpen. We verlieten voor 2014 definitief het kampterrein en rondden onze Bokweekend 2014 af. Die komt nooit weer. Slechts een chemisch sliertje wegwerp-rook uit de kampvuurplaats verried vervlogen aanwezigheid van gezelligheid, gelach en verbondenheid. Tot Maart 2015. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend Hert.

 

Wat boven Erica vloog

Wat boven Erica vloog

Ook in de jaren zeventig vloog er van alles rond boven Erica. Een baantje die me toen al aanstond was die van piloot. Niet zomaar een piloot van een verkeersvliegtuig, van een kleine. Met name een sproeivliegtuig. Ik zag zo’n vliegtuig voor het eerst boven het land achter ons huis. Daar op het land van boer Gengler stonden witte vlaggetjes aan bamboestokjes. Deze zagen we wel vaker in het land staan maar we sloegen daar geen acht op. Nu bleek dat een soort van afbakening te zijn voor gewasbescherming. Tegenwoordig voor tractoren voorzien van tanks met duizenden liters landbouwgif en enorme sproeiarmen. Vroeger gebeurde het besproeien van gewassen met een omgebouwde 2-persoons vliegtuigje. De sproeiarmen bevonden zich onder de vleugels. Opeens waren de sproeivliegtuigen uit het beeld verdwenen. De reden was me niet geheel duidelijk. Ik vermoed de toenemende hoeveelheid landbouwgif die over de gewassen werd gespoten. Met zo’n hoeveelheid gif kwam een sproeivliegtuig gewoonweg niet van de grond. Wanneer vroeger zo’n sproeivliegtuig boven een kavel aan het werk was trok dat altijd aandacht van een handvol jonge knapen. Vol ontzag keken we naar de piloot wanneer deze met veel kabaal vlak voor ons voorbij vloog, steevast gevolgd door een wolk groene nevel. Op het eind van de kavel hield de groene nevel plotseling op, het vliegtuigje maakte een bijna loodrechte vlucht naar boven. Op dat moment zag de piloot niets anders dan wolken. Op zijn oriëntatiegevoel maakte hij dan een draai waarbij hij weer contact met de aarde maakte. Om vervolgens een aanloop te maken voor zijn volgende gifronde. Geweldig leek me dat. We zwaaiden enthousiast naar de piloot, deze zwaaide soms terug. Bij genoeg publiek was de piloot niet te beroerd om een toegift te geven. Met nog meer zwier werd de laatste ronde genomen vlak voor het publiek. Dan was de show voorbij. In plaats van een steile klim vloog het vliegtuigje door naar de horizon. Wanneer wij daar dan als jongens van de kavel wegliepen wisten we allen wat we later gingen worden, piloot. Met allerlei capriolen en salto´s gingen we de groene aardappel- en graanvelden te lijf. Wat voor groen spul kwam eigenlijk uit het vliegtuigje? We kregen achter Frans Savenije de kans om dit te ontdekken. Met Bennie en Harry liep ik daar in het veld. Naast ons een kavel groene graan ter hoogte van onze middel. In de verte hoorden we geronk van een vliegtuig die snel dichterbij kwam. Het bleef even boven ons cirkelen. Het nam een aanloop en tot onze grote verrassing werd het groene graan besproeid. We wachtten tot het vliegtuigje verdween en slopen verdekt het graan in. Een paar keer denderde het vliegtuig langs ons heen. De volgende ronde waren wij aan de beurt. Op onze knieën zaten we diep weggedoken in het graan op het toenemende lawaai te wachten. Plotseling stonden we op en begonnen te zwaaien. Het vliegtuigje schudde wat met de vleugels maar kon op de korte afstand niets meer uitrichten. Op nog geen meter scheerde het vliegtuigje boven onze juichende hoofden weg en verdween achter de horizon. Het werd weer stil op Erica. Vol trots bekeken we elkaar. We zaten onder de groen puntjes, het haar, onze gezichten, de kleren, alles. Je kon het zo wegpoetsen want het was een soort van vloeistof. Dat deden we natuurlijk niet. Vol trots lieten we dat aan onze moeders zien die weer de zoveelste hartverzakking van schrik kregen van hun lieve zonen. De volgende keer was het weer iets anders in de lucht wat onze aandacht trok. Dit keer geen geluid, het leek in de lucht stil te staan. Een luchtballon. Een enorme ronde bal gevuld met heliumgas. Als aandachtsmagneet trok het mensenhoofden omhoog. We bleven maar naar die grote bal gapen. Onder de bal zagen we een minuscuul mandje met een paar figuurtjes over de rand kijken. Dat waren mensen die naar ons zwaaiden. Natuurlijk zwaaiden we terug. Met die figuurtjes eronder konden we pas een vergelijk maken hoe enorm groot die ballon was. Het was bijna te groot voor onze bevattingsvermogen, we werden er een beetje bang van. Later kwamen de peervormige heteluchtballonnen. Daar kwamen er steeds meer van, waarschijnlijk omdat hete lucht goedkoper was dan heliumgas. Maar het bleven indrukwekkende grote ballonnen. Ik maakte veel later een keer mee dat ‘s avonds zo’n ballon achter ons huis ging landen. De ballon droeg het rode logo van Douwe Egberts koffie. Zorgvuldig werd door de ballonvaarder een veilig plekje gezocht. In het schemerdonker kwam de ballon een paar meter boven het veld zachtjes op ons aandrijven. Het duurde niet lang of het was te donker om de silhouet van de ballon nog te zien. We hoorden wel stemmen vanaf de ballon en grond die elkaar instructies toeriepen. Toen een moment dat ik nooit meer vergeet. Een harde brul gevolgd door een enorme steekvlam deed de ballon zo´n dertig meter voor onze neus als een enorme rode lampion opgloeien. Als het mogelijk was geweest was mijn zoontje op mijn arm in mijn broekzak weggekropen. Ik hem achterna. De meest indrukwekkende luchtballon zag ik in de derde klas van lagere school. Bij meester Marie. De meester was in de morgen al onrustig en vertelde enthousiast dat er ‘s middag een Zeppelin boven Erica langs zou varen. We probeerden enthousiast mee te doen maar de meester had vergeten te vertellen wat een Zeppelin was. Hoe meester Marie het te weten kwam is me een raadsel maar ‘s middags kwam inderdaad een sigaarvormige ballon over Erica langs drijven. Voorzien van een logo van Goodyear. Indrukwekkend en nooit meer zo’n ballon gezien. Wat we wel vaak zagen in de jaren zeventig waren de straaljagers die boven Erica langs scheerden. De koude oorlog was immers in volle gang. Nederland verdedigde zich toentertijd met Starfighters. Onze regering leek te denken dat wie het meeste lawaai maakte automatisch de oorlog won. De straaljagers kwamen soms zo laag boven Erica vliegen dat de sokken ons waaierden om de kuiten. Dan gingen de Starfighters op elkaar oefenen. De vliegtuigen waren zo wendbaar als een drol in een kniebocht. Ze hadden heel gemeente Emmen nodig als draaicirkel. Bij gebrek aan een verdwaalde Rus zaten de Starfighters achter elkaar aan te vangen. Ze maakten hierbij soms een draai om de as. Dan schoten de straaljagers loodrecht omhoog de donkerblauwe hemel in. Geweldig leek me dat. Ik wist gelijk wat ik toen wilde worden. Van alle geluiden die er waren kwam even later het luidste die je kon voorstellen, hoogstwaarschijnlijk nog steeds herkenbaar voor mensen uit de jaren zeventig. Het was een Starfighter die door de geluidsbarrière vloog en menigmaal de ruiten liet springen, sjonge wat een tijd was dat hè?

 

Geschreven door Henk Beukers

Werken op zaterdag 1

Werken op zaterdag 1

Ook in de jaren zeventig was het uitgaan een dure aangelegenheid. Van mijn ouders kreeg ik een tientje zakgeld. Dat leek niet veel maar tel hetzelfde op bij mijn broers, dan tikt het behoorlijk aan. Er moest dus bijverdiend worden. Vroeger deden we een ´heitje voor een karweitje´. Maar die heitjes telden niet aan. Later gingen we de boeren helpen met het wieden van de bieten. Dat was leuk werk wat je samen op het land kon doen. Lekker keuvelend in een rij kruipend over het bietenland en nog geld verdienen ook. Helaas was het seizoenarbeid. Nog later hadden de boeren een manier gevonden op de bieten automatisch op rij te zetten, het onkruid spoten ze dood, wat je daar ook van mag vinden. Dat werk verviel dus. Verder kijken dan maar. Ik heb kranten rond gebracht, komkommers gesneden, peulen geplukt en wortels getrokken. Het viel niet mee om een baantje te vinden. We hoorden dat aan de Dikke Wijk tussen Nieuw Amsterdam en Emmen meerdere banen vrij waren. De madenkwekerij van dhr. Dolstra t.w. DOMA (Dolstra maden). Zijn bedrijf bestond uit een boerderij annex winkel, een grote schuur en een achttal barakken. Doordeweeks gebeurde bij zijn bedrijf niets, op zaterdag moesten die beestjes uitgeschud worden. Dolstra’s productie van maden was zo’n 2000 liter per week. Hij verkocht in die tijd 1 liter maden voor ongeveer zeven gulden. Alsof het niet genoeg opbracht had hij ook nog een goed lopende winkel in sport- en sexartikelen. Zijn wekelijkse inkomsten kwam soms bruto boven de twintigduizend gulden. Of wij, die al het werk deden, daar iets van merkten? Dolstra was een typische kapitalist. Let wel, onze daglonen waren bij elkaar nog geen honderd gulden! Desondanks kon ie bij uitbetaling van loon heel bezwarend en zuchtend ons aankijken. We moesten eigenlijk nog medelijden met hem krijgen. Als ondernemer moest die krentenkakker natuurlijk nog een voordeeltje van zijn personeel pikken. Elke zaterdag kwam hij 5 minuten voor het eind van de werkdag nog even bij ons langs voor de laatste klusjes. Gingen we weer een kwartier later weg. Een keer vroeg ie ons een uur over te werken voor een toelage, hij wilde niet zeggen voor hoeveel. Na de uur kwam ie met de toelage, voor ieder een appel. Toen hij in huis stapte hebben we de appels tegen zijn deur kapot gegooid, eerder durfden we niet. Dolstra kweekte maden voor de vissers. Die konden in plaats van een regenworm een trosje maden aan het haakje rijgen. Werken bij een madenkwekerij was het smerigste, ongezondste, gevaarlijkste en slechtst betaalde werk wat je kon bedenken. Dus toogden mijn broers, neef en ik naar Dolstra toe. Jarenlang hebben we elke zaterdag van Erica naar de Dikke Wijk (later Het Haantje) getoogd en werkten we van 08.00 tot 17.00 uur voor 10 gulden per dag. Uit half vergaan vlees moesten we met een mestvork de maden er uit schudden. Daar kwam een ammoniak-lucht vrij dat je de adem deed afsnijden. Avonds bij thuiskomst moesten we de kleren buiten uittrekken en direct door onder de douche, we stonken naar kadaver. Dat nam niet weg dat we daar ook gelachen hebben. Zo die keer dat we flink aan het madenschudden waren waarbij een leeg Fanta-blikje uit de prut tevoorschijn kwam. Ik haakje met een tand van de mestvork in de opening van het blikje en smeet het over me heen naar achteren. Ik hoorde nog ‘ahumm..’. We keken verschrikt naar achteren. Daar stond Dolstra. In een smetteloos wit pak. Smetteloos? Voor hem lag het blikje, bijna vol met zwarte drab. Het overige van bijna-vol had zich in pixelvorm over het witte pak gedrapeerd. Zonder een woord te zeggen draaide Dolstra zich om en liep zijn huis weer in. We keken elkaar even aan en begonnen onbedaarlijk te gniffelen. Later hebben we nog iets soortelijk meegemaakt. Dat was op zijn tweede zaak op het Haantje. We kregen de opdracht een paar schuren op te ruimen. Van al het rommelhout werd achter de schuur een groot vuur gemaakt. Even later hoorden we een knal. Een leeg verfblik knalde in het vuur. Nieuwsgierig liepen we naar het vuur. Daar lagen nog meer blikken. Halfvol met water werden deze in het vuur gekwakt. Tot ons plezier vlogen even later ons de deksels met een luide knal om de oren. De blikken werden groter evenals de knallen. ‘Zul’n we dat wel doen?’, vroeg Harry zich bezorgd af toen een leeg olievat met water op het vuur werd gezet. We keken toe hoe de felsnaden van het vat langzaam uit elkaar werden getrokken. Opeens hoorden we in de verte het kenmerkende rokershoestje van onze baas Dolfstra. Vlug als wezels slopen we in de schuur en togen weer aan het werk. We zagen Dolstra in driedelig pak naar achteren lopen waar het vuur brandde. Na een dreunende explosie achter de schuur zagen we Dolstra onder het stof en as als een wankele novice naar zijn huis lopen. We mochten geen geluid maken maar deden het bijna in de broek van het lachen. Een andere keer kwam Jan in een van de barakken waar we maden stonden te schudden. Jan was een lange slungelige jongen met een enorme ronde bos haar. Tijdens het praten begon hij ineens vreemd te doen. Jan begon te hakkelen en stond met zijn kop te schudden. Na een poosje Jan te hebben bekeken gaf een van ons hem een forse duw. Die strompelde opzij, schudde met de kop en vloekte een paar keer. Daarna keek ie naar de bekabeling van de lamp aan het plafond. Hier lag het koper open en bloot. Daar had Jan even tevoren met zijn dikke bos haar in staan te roeren. Vet lachen natuurlijk. Open koperdraad was daar heel gewoon, nergens werden de beschermkapjes terug gedraaid. Waarschijnlijk teveel werk. Soortelijk maakte ik jaren later mee in Het Haantje. Bij Dolstra werkte een oudere man, Dirk genaamd. Dirk was senior en voelde zich een beetje voorman. Dirk had een grote bek naar ons, vooral als de baas in de buurt was. Dan kon ie zijn autoriteit even laten gelden. Van Dolstra kreeg ik de opdracht om de auto te wassen. Even later liet een enorme waterballet zien dat ik serieus werk maakte van mijn taak als autowasser. Toen moest er gepoetst worden. Daar had ik een leuke oplossing voor gevonden. Op de boormachine paste een ronde witte wollen poetsmop. Ik was druk bezig de auto uit te poetsen toen de stroomkabel van de boormachine zich om de witte poetsmop wikkelde. De boormachine hiel spontaan op. Verwonderd keek ik naar het stukje kabel aan de boormachine. Die had zich opgesplitst in allerlei kleuren draadjes. Daar kwam streber Dirk scheldend aangerend. Naast de auto begon hij dezelfde symptomen te vertonen als Jan toentertijd. Ik deed geduldig een stapje opzij en gaf Dirk de ruimte. Die leek wel spastisch de Horlepiep te willen dansen. Na genoeg te hebben gezien schopte ik met mijn rubberlaars de andere stuk stroomkabel uit het water waarin de auto (en Dirk) stond. Met benen als zijnde spiraalveren wankelde Dirk terug naar de schuur. Vanuit een van de andere schuren hoorde ik een langgerekte gierende lach die niet meer leek bij te komen. Het was warm, ik draaide me om en begon de auto verder uit te poetsen.

Geschreven door Henk Beukers

Spookspel

Spookspel

Wanneer in oktober de avonden langer worden dan hebben sommige mensen blijkbaar behoefte om elkaar aan het schrikken te maken. Het tegenwoordige Halloween, overgewaaid uit Amerika, is daar een sprekend voorbeeld van. Op Erica is een dergelijke grap toen behoorlijk uit de hand gelopen. Het was tijdens de oorlog in oktober 1942. De Havenstraat was ter hoogte van de Kerklaan slechts met een verduisterde lamp verlicht. De volgende verlichting was bij bakker Ahlers, toen woonachtig in de oksel van de Havenstraat en Kerkweg. Na half acht ‘s avonds was het daartussen volledig donker. De laatste mensen zochten hun huis. Van de Duitsers moest iedereen op tijd binnen zijn. Die avond liepen twee jonge dames langs de Havenstraat richting bakker Ahlers. Er stond hun een onvergetelijke gebeurtenis te wachten. In die tijd was het openbare kerkhof op dezelfde locatie gesitueerd. Zelfs de huidige beukenhaag om het kerkhof is authentiek, evenals de plaats van de ingang. De huidige gemetselde kolommen met ijzeren hek is de vervanger van de oude hek, die in de vijftiger jaren werd vervangen. De oude hek stond bekend om zijn knarsend geluid wanneer deze werd bewogen. Een paar jongeheren wilden de dames eens flink aan het schrikken maken. Ze hingen twee uitgeholde bieten aan het hek, beide voorzien van een uitgesneden spookgezicht en opgelicht door een kaarsje. Vervolgens werd het hek geheel naar binnen open gezet. De val stond open. Toen de twee dames, een beetje schichtig rondkijkend en ongemakkelijk voelend, de hek passeerden gebeurde er niets. Behalve dat de hek langzaam met een knarsend geluid dicht viel. Het opgelichte gezicht in beide bieten deed de rest. Onder grote hilariteit van de heren gilden de dames in paniek de Havenstraat op. Maar deze grap kreeg een vervelend staartje. De politie stond enkele dagen later bij hun op de stoep. Wat bleek? Een van de dames was zo erg geschrokken dat ze er blijvende gevolgen van overhield. Bij deze grap werd dus duidelijk een lijn overschreden. Nou, wij konden er ook wat van. Ik ging eind jaren zeventig van de vorige eeuw als groentje voor het eerst mee met de verkenners op zomerkamp. Het zomerkamp van de verkenners uit Erica was toen in Uelsen, Duitsland. Samen met collega-groentjes Bennie en Willie was alles nieuw en spannend voor ons. We werden dankbare slachtoffers voor het spookspel dat de leiding met enig leedvermaak voor ons in petto had. Het concept van het spel was heel simpel. Het negen kleine negertjes principe. We hadden die avond een wandeling in het donker. We liepen als een sliert achter elkaar over een smal bospad. Vooraan de sliert liep wijlen Toon Prins, onze hopman. De rij werd afgesloten door de beide vaandrigs, Eric en Stef. Wij groentjes liepen pal achter de hopman. Opeens was een vaandrig verdwenen. Grote paniek waarbij de hopman op het bospad op en neer rende. De groentjes weken geen centimeter van hem. Even later was de tweede vaandrig verdwenen. Elke verkenner begon zich ongemakkelijk te voelen, zeker degene die nu achteraan liep. Telkens werd bij deze verkenner zachtjes op de schouder getikt en fluisterend gevraagd aan het spookspel mee te doen. Met samengeknepen billen maar merkbaar opgelucht gaf de verkenner zijn volledige medewerking. Het is bizar hoe een angstgevoel bij een verkenner in een paar tellen kan omslaan in leedvermaak. Hij hoefde alleen naast het bospad stil te staan en na enkele minuten een schreeuw te geven. Het bospad werd vrij gehouden om de Hopman ruimte te geven om in het spel te manoeuvreren. Bij elke schreeuw in de verte rende de Hopman naar het geluid, de drie groentjes zaten zowat in zijn broekzak. Langzaam werd de rij achter de groentjes kleiner en het geschreeuw achter hun in het donker luider. Het spel kreeg een onverwachte einde doordat een boer met zijn jachtgeweer in de lucht schoot. Luid in het Duits riep de boer of we met dat geschreeuw helemaal door de konijnen waren besnuffeld. Het was een top spookspel. Man, we scheten bijna alle kleuren peulen. Ook in latere zomerkampen bij de verkenners bleef het spookspel een vast onderdeel van het programma. Soms moest de leiding alle zeilen bijzetten om binnen de lijn te blijven. Een patrouille verkenners kon woest worden wanneer een lid van hun werd ontvoerd. Dan kon een fietsend oud vrouwtje in het donker zomaar een troep van die jonge wilde honden achter haar aan krijgen. Moet het vrouwtje weer plat op stuur om ze voor te blijven. Dan had de leiding die avond weer druk om de omwonenden bij te praten, dat het maar een ‘spiel’ betrof. Soms werd de lijn toch iets overschreden. Bijvoorbeeld die keer dat een neef en ik vrijdagavond in het donker op het dak van het kapelletje op het Katholieke kerkhof zaten. Ik had een witte babymaillot over mijn hoofd getrokken. De beentjes van het maillot waren opgevuld met kranten zodat het leek alsof ik twee witte hoornen had. Onze slachtoffer kwam precies op tijd. Ik hoefde alleen maar de lantaarn in mijn gezicht te schijnen. Mijn neef begon te loeien als een koe. Het bromfietsje met slachtoffer reed pardoes de struiken in. Toen ik wilde helpen rende het slachtoffer gillend weg. Ik kwam in het donker aangerend en was vergeten mijn hoornen af te doen. Later die avond kon neef Klaas, het was het slachtoffer, er smakelijk om lachen, Vele jaren later mocht ik weer een spookspel bij de verkenners meemaken. Nu als vaandrig bij scouting Kazienaveen. Op een zomerkamp in Duitsland. We hadden als speelterrein zo’n vijf bunder bos tot onze beschikking en hadden die donkere avond een spook ingehuurd vanuit Erica. Het spook had zijn gezicht met scheerzeep wit gemaakt en zou ons op de route door het bos ‘verrassen’. Ik adviseerde de groep een lied te zingen terwijl we door het bos liepen. Spoken houden niet van liederen maakte ik de groep wijs. Terwijl de gehele groep een potje met vet zat te zingen kon het spook een mooie positie innemen. Hij hoorde het geluid van de zingende groep en wist precies waar de groep zich in het bos bevond. Wanneer het spook zich vertoonde aan de groep kon hij rekenen op een regen van stenen. De verkennertjes waren niet bevreesd of juist heel erg. Ik adviseerde de groep niet met stenen te gooien om het spook niet kwaad te maken. Met zand gooien mocht wel, daar kon je geen buil mee vallen, laat staan een spook uit Erica. Ik zuchtte verontschuldigend en opgelucht. Het spook in de struiken ook, zo te horen. Het was toen een heldere nacht, we kregen een mooi natuurverschijnsel te zien. Om de volle maan stond een kring. Terwijl we als groep naar de maan stonden te kijken werd het wachtende spook nieuwsgierig. Hij ging zomaar bij de groep staan om eveneens naar boven te kijken. Op vragen uit de groep gaf de spook geduldig antwoord. Niemand had door dat het spook tussen hen in stond! Vlug maakte het spook zich weer uit de voeten maar keek mij eerst nog met betraande ogen aan. ‘Het was het zand’, liet het arme spook nog even weten om vervolgens in de struiken te duiken om het spel te hervatten.

 

Geschreven door Henk Beukers.

September 2014

September 2014

Vrijdag 19 september 2014

Batman en Vliegend Hert hadden erg veel zin in die dag. Wekenlang hadden ze geoefend door wandeltochten van 10 km te maken. Vandaag zouden ze dan die 34 kilometer maken, de inmiddels traditionele mars van Erica naar Groß Dörgen in Duitsland. DSCN1441Om iets voor zevenen stond Bat voor de deur van Vliegend Hert. Na een snel bakkie koffie vertrokken ze dan eindelijk. Het was een koele vochtige mistige septemberdag in 2014. Maar dat zou snel veranderen, het werd die dag maar liefst 25 graden, waarvan alle graden boven vriespunt. Langs de Kerkweg zagen ze in het oosten de Koperen Ploert zich een weg banen door de ochtendmist. Hiervan werden enkele sfeerfoto’s gemaakt. Het was vroeg in de ochtend, dat was heerlijk lopen in de koelte. Voor Oei’s huis zwaaiden ze nog even, ze dachten iets van bewegingen te zien achter de coulissen. Spoedig lieten de heren Erica achter zich, ze liepen de ochtendzon tegemoet. De Veenhoeksweg werd gepasseerd en Stront-Kuper werd al geroken. Langzaam verlieten de heren de bewoonde wereld. Voor hen lag de lange weg naar de Sint Antonius kerk die nog half verborgen lag in de ochtendmist. Na de kerk ook eindelijk gepasseerd te hebben waren ze, na bijna twee uur, toe aan hun eerste rustpauze. Ze trokken even later, via een verborgen smokkelpad, Duitsland in. Op een landweg werd een dikke stofwolk gezien. Een woestijnstorm? Het was een denderende landbouwtrekker op een rulle zandpad. Gelukkig sloeg die op tijd af. Ze naderden het Griendveen. Normaal zou de ondersteuningswagen langs komen met koffie en vers water maar Yeti had het nu even te druk met tenten opzetten bij het Schienvat. DSCN1445Geeft niet, ze zijn zowat zelf ondersteunend. Dan maar zonder de lekkere bakkie koffie. Op de brug tegenover het Griendsveen gingen de heren in de schaduw een korte pauze houden. Ze naderden de weg die vroeger bekend stond als het abortusweggetje. Thans kwam van het eier schudden niets meer terecht, gewoon omdat de weg nu volkomen vlak was. Heel in de verte zagen ze de auto’s van de autobahn A31 dwars over het pad voorbij flitsen. Ze passeerden de geheime radiolocatie. Hier kan niets over worden geschreven omdat het dan geen geheime locatie meer is. Op de viaduct over de A31 lieten de heren zich even uitwaaien in de frisse uitlaatgassen. Snel liepen ze verder. Achter de boerenbedrijven, feitelijk gewone kippen- en varkensfabrieken, kwam de rust van het stille landschap. Ze besloten de oorlogskerkhof met een bezoekje te vereren. Op het goed onderhouden kerkhof namen ze bezit van een bankje. In de serene omgeving namen ze hun middagpauze. Ze besloten de rust van de meer dan duizend gesneuvelde soldaten en omgekomen burgers niet verder te verstoren en trokken snel verder. In de verte stond een reusachtige windmolen in de wind windmolen te wezen. Nu kwam een taai stuk. De windmolen leek steeds voor hen uit te rijden. Alsof de windmolen op rails liep waaraan een Duitser met humor zat te trekken. Eindelijk hadden ze hem te pakken. Ze trokken door het dorp Groß Fülen. Net buiten het dorp hielden ze pauze bij een bekend verborgen bankje. In de verte verschenen de eerste huizen van Stadt Meppen. Ze trokken de buitenwijken van de Stadt binnen. Straat na straat werd genomen, langzaam werden de straten groter en drukker. Bekende bordjes van een andere lange voetentocht werden zichtbaar. Ze zagen koperen plaketten in de stoep voor voormalige woonplaatsen van Joodse inwoners. Een sinistere herinnering uit donkere tijden. Ze naderden rivier Ems. Gelukkig stond hier een tankstation met nog belangrijker, een shop. Ze misten nu toch wel de ondersteuningswagen. Ze zaten in die hitte al een tijdje zonder water. Ze tankten vlot bij met bronwater en ijs. Het lange eind langs de Ems richting de binnenstad bleek dit keer een eitje. Opnieuw stonden de heren een teleurstelling te wachten. De kroeg, wat eigenlijk een lunchroom was, ging net dicht. Geen bel koel Susscrofabier. Ze sleepten zich naar plan twee. DSCN1450Die bestond uit een verderop gelegen schnell-imbiss waar je vreselijk vieze currywursten kon kopen. Die kon je dan vervolgens wegspoelen met Krombacher. Je moest toch een reden verzinnen om een biertje te drinken. De krachten kwamen spoedig terug. De kilometers door de bossen naar het stadje Bokeloh was bijna toeristisch. Hier stond de bekende Gästehaus Giese op hen te wachten. Op het zonnig terrasje bestelden de heren twee heerlijke bellen ijskoud bier. Daarna nog twee bellen. De laatste kilometers waren zoals gewoonlijk vrolijk. Traditioneel werd een foto bij de Hasebrücke gemaakt. Op het kamp stond Yeti ons op te wachten. Met een prachtig kampvuur. Tot onze grote verrassing kwam daar Uil uit de ketel stappen! We zijn dit weekend voltallig! Na de vrolijke begroeting van onze gevederde vriend kregen we een welkomstborrel voorgeschoven. Gelukkig geen Alte liebe, een ander soortig Weinbrandt. Het smaakte voortreffelijk maar de leden moesten natuurlijk niet vergeten dat de Hike-heren net 34 kilometer hike achter de kiezen hadden. Nou vooruit dan, gauw het spul wegspoelen met bier. De middag en de avond was het erg gezellig om en bij de Ketel. Eerst kwam Bambam met zijn mobiele slaapkamer en later verscheen Oei-oei. Tegen elfder uur waren bij allen die ouder waren dan vijftig jaar de batterijen op. DSCN1463Die togen naar bed terwijl de ‘jongeren-maar-niet-meer piep’ nog even doorgingen aan het kampvuur.

DSCN1457 DSCN1455

Zaterdag 20 september 2014

Om zeven uur was het weer dag voor Bat en Hert. Alles uit het SusScrofa-weekend halen is hun devies. Alleen zat Moedertje Natuur ons tegen. Zij had het landschap in een dikke laag mist gelegd. Hierin was geen foto te maken. Afijn, nu ze toch op waren maakten ze wat eten klaar en koffie. Toen de mist maar bleef hangen grepen ze naar het bier. Eindelijk toch weer een alibi. Die ochtend verschenen druppelsgewijs de overige leden uit hun nest. Na het eten togen we naar de uitkijktoren achter de rivier de Mittelradde. Hert keek verbaasd naar de leden. Ieder had zich uitgedost alsof ze richting poolcirkel wilden lopen. Na wat goed gemeende adviezen te hebben gegeven over de stijgende temperatuur en dunnere kledij herinnerde Hert zich opnieuw dat normaliter toch geen hond naar hem luisterde. It´s him a rot-care (engels). Nadat we het kampterrein hadden verlaten en de boerderij van Berend verscheen (zo’n 25 meter) moest iedereen opeens terug naar de Ketel om kleding te lozen. Eindelijk togen we dan op pad. Richting Alwies Rolfes. De mist was opgetrokken, het weer werd zonnig en warm. Zes Susscrofaatjes stonden even later op de brug over de rvier Mittelradde. DSCN1470DSCN1472Hoe vaak hadden ze hier gestaan en in welke leeftijd? Als veertienjarig verkennertje had ik een touw aan de leuning van de brug gemaakt, aan het touw in het water hingen drie beugelflessen Fanta heerlijk in de Radde te koelen. Direct achter de waterval die toen nog door een ijzeren stuwbalk werd veroorzaakt. In de waterval koelde het fris het best. Ik heb er helaas geen drup van gehad. Je moet maar een neef hebben die toevallig ook bij de verkenners zat en ergo, hij wou lollig wezen. Die paardenlul sneed het touw door. Drie flessen fris moeten daar nog steeds op de bodem liggen. Wie ze vindt: ik zal mijn neef de bedorven Fanta niet meer laten drinken. Zachtjes zal ik hem de drie gesloten flessen achter elkaar in de strot duwen. In gedachte dan. Thans stonden we op de brug van de Radde maar zagen geen ijzeren balk meer, compleet weggeroest. De stuwing werd nu door stenen in het water veroorzaakt. Eigenlijk veel natuurlijker- en mooier methode. Verderop in de stroming probeerden ze iets met paaltjes in het water. Een beetje nep-meanderen? We zien wel, we wachten af. In de verte zagen we de verzinkte uitkijktoren reeds schitteren in de zon. In tussentijd keken we naar een echte meanderend stroompje en beschouwden we de nijvere activiteiten van een bever. We weken af van het pad en liepen naar de Altarm die Neuarm zou moeten heten want de afsluiting hiervan is doorgestoken. Volgend Yeti was dit de Hase, volgens de rest was dit de oude Altarm. 

DSCN1487 DSCN1484Wie had er gelijk? Feitelijk iedereen. Sinds de Altarm niet meer is afgesloten van de oorspronkelijke stroming is het een onderdeel van de Hase. Dus geen Altarm meer maar de loop van een rivier net als vroeger. Toch is het de voormalige Altarm. Beide gelijk. Niet dus. Yeti liep rood aan als een belaagde maagd. ‘Neu’, zei hij, ‘dit is de Hase’. Nu kan ik wel zeggen, het zit in de familie. Maar dat zeg ik niet. Waar we wel eens over waren was het tragische feit dat op deze plek aan de Hase een meneer uit Nederland, een hollander dus, was verdronken. Het was zelfs een meneer uit Drenthe, uit de omgeving van Smilde/Hoogersmilde/Eelde, die bij de vreselijke stroomversnelling in de HASE met zijn bootje is omgeslagen, hierbij zijn twee vrouwen en hijzelf in het water terecht gekomen.
De twee vrouwen zijn op eigen kracht uit het water geklommen, terwijl de man is afgedreven en naar later bleek is verdronken. Er is dagen naar hem gezocht door politie/brandweer en andere hulpverleners, zij hebben hem niet kunnen vinden. Na ongeveer een week is deze man aangetroffen door een persoon in een kano, die heeft aan de politie gemeld waar hij is blijven steken. In het gedeelte van de Altarm waar we stonden was sprake van dezelfde stroomversnelling, veroorzaakt door een stuw van stenen op de bodem. Diverse kano’s passeerden per dag deze plek. Omdat het overwegend amateur-kanovaardes zijn loopt een ongelukje in de golven snel uit de hand. Nu kun je onder water gewoon doorpeddelen. De mond gebruik je dan om hulp te roepen. Maar d’r loopt dan wel water in de neus, snap je? We keken nog even naar de stroomversnelling tussen de steile zandoevers waar zwaluwen nestelden. Hierna betraden we de uitkijktoren, hierboven werden diverse foto’s gemaakt van de meanderende rivier in zijn prachtige omgeving. Het werd warmer en warmer. DSCF3254Een paar kilometer verder bleven we steken op een terrasje van ‘Zum Biberburg’. We gingen aan de Weisbier die niet wit was. Lekker koel in een groot slank glas. Ooooohhhhh wat lekker. We pesten een paar Duitsers weg die in de schaduw zaten. Onder de parasol namen we nog een pint. Voldaan en enigszins vrolijk togen we huiswaarts. Die avond betrok het weer en namen we plaats om de stamtafel onder de luifel van Yeti’s sleurhut. Wederom ging om elf uur alles boven de vijftig naar hun slaapplaatsen.DSCN1507

 

Zondag 21 september 2014

Voor Batman, Oehoeboeroe en Vliegend Hert was het ‘Ochtendstek heeft goud in de bek’. Na een vroeg ochtendontbijt gingen Batman en Vliegend Hert wat trappen in de dauw. Oehoeboeroe ging water halen en droeg verder zorg voor de ochtendhandelingen die tot doel hadden de schade bij het ontwaken van de overige leden tot het minimum te beperken. Batman en Vliegend Hert togen over de Hasebrűcke en over het schoolpad, sloegen op het eind rechtsaf. Hier lag een Altarm zonder stroomversnellingen en diengevolgen zonder verzopen kanovaarders. In de mist belemmerde ochtendzon met zijn prachtige gouden glans werden sfeerfoto’s van de herfst gemaakt. Bij terugkomst in de Ketel waren de overige leden inmiddels verticaal aanwezig. Gelaten lieten zij zich bedienen door een ijverige Oehoeboeroe en werden ze voorzien van de eerste levensbehoeften t.w. koffie en knakworsten. De sfeer kwam al vroeg op peil toen een paar Schultebrauwtjes gedegenereerd werden tot zinloos blik. Het werd een lome dag aan het kampvuur. Een prachtige zonnige herfstdag werkte daar volop aan mee. Ieder van ons liet de herfst volop in zich inwerken, of was het nou de bier?

DSCF3285

In ieder geval kwam ook aan deze weekend een end. Herfstweekend 2014 ging de annalen in als een warme voldane weekend door oudere en jonge-maar-niet-meer-piep gezapige zwijnen. Op naar het Bokweekend in november. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend hert.

 

Uilo Creativo

Uil ziet Yeti

Raad het plaatje, schoenmaat 60 met pijn.

Uil ziet Oei

Raad het plaatje, zwak landingsgestel.

Uil ziet Uil

Raad het plaatje, legt een ei als een komma.

Uil ziet Batman

Raad het plaatje, Houdt van nachtdienst.

Uil ziet Bam

Raad het plaatje. Werpt graag een blik op het vuur.

Uil ziet Vliegend Hert

Raad het plaatje. Weinig te raden, kwestie van lezen.

Vliegertijd

Vliegertijd

De zomer trekt langzaam voorbij. De lange avonden in licht zijn al lang een herinnering. De natuur maakt zich op voor de herfst. De jaargetijde van kleur en geur. Van paddenstoelen en vallende bladeren. We worden ons bewust van de betrekkelijkheid van het jaar. Herfst is de tijd van melancholie. Dichters gaan aan het werk en maken zich op voor een herfstschrift. Het Nederlandse woord met de meeste medeklinkers aaneen. Herfst is ook de jaargetijde van de oogst. Gigantische rooiers ploegen de piepers uit de grond evenals hun collega´s de suikerbieten. Een golvende zee van gouden korenaren maakt plaats voor een kale stoppelveld. De tijd is aangebroken dat de boer het niet erg vindt dat je op het veld komt. De stoppelvelden waren door de regel goed te betreden. Gek genoeg kreeg je vaak natte sokken op zo´n stoppelveld. De stoppels waren namelijk tot de rand gevuld met regenwater. Maar we hadden veel vlakke ruimte tot onze beschikking. De tijd van het vliegeren was aangebroken. Niet alleen op de stoppelvelden. Overal op Erica zag je dunne lijntjes die zich oprichten naar de hemel, op het eind van de lijn een vrolijk dansend vliegertje. Met westenwind kon je vanaf de Kerkweg een vlieger op laten. Tot aan de horizon, de Bladderwijk in Oranjedorp, had je alle ruimte door de lege velden. Dat had je ook nodig. Wanneer de winter aanbrak was op Erica menig boom getooid met een dooie vlieger die zich armzalig bewoog aan een stukje lijn. Soms bleef zo´n ding tot aan het voorjaar in een kale kruin bungelen. In tegenstelling tot vandaag waren er geen kant en klare vliegers. Wat vloog was een product van eigen nijverheid. Van een houten kist werd een zijplank verwijderd. Met een bijl werd het plankje in repen gekliefd. De repen werd vervolgens door een mes steeds dunner gesneden. De spanten van de vlieger moesten zo licht mogelijk zijn. Urenlang zat je zo´n reep hout met een mes te bewerken tot een dun stokje. Menig vloek hoorde je uit een schuur wanneer bleek dat het stokje te dun was gesneden en brak. Dan kon je weer opnieuw beginnen te houtsnijden. Had je eindelijk de beide spanten klaar dan werden zij met een kruissjorring aan elkaar geknoopt. Je had dan een kruisvorm. Op elke uiteinde werd een snede gemaakt. Over de uiteinden kwam een strak gespannen touwtje die de vlieger zijn ruitvorming gaf. Een centimeter van de uiteinden werd een uitsparing gesneden. Hier ging het alsnog vaak mis. De uitsparing werd te diep en de uiteinde brak af. De vlieger werd een centimeter kleiner. In de uitsparingen kwamen de touwtjes die de vlieger in balans moesten houden. De touwtjes kwamen bij elkaar en gingen over in de hoofdlijn. Over de latjes en de ruitvormig gespannen touw werd een krant gelegd. De vlappen van de krant werden voorzichtig over het gespannen touw gevouwen. Aan de achterkant werden de omgevouwen vlappen met behanglijm aan elkaar geplakt. De vlieger had nu zijn definitieve ruitvorm. De vlieger werd aan de touwtjes opgetild om zo het balans te bepalen. Hing de vlieger mooi horizontaal dan werden de touwtje aan elkaar geknoopt. Aan de knoop kwam de hoofdlijn, de vliegerlijn. Het was dun bindtouw die voor een paar cent per bol in de winkel te koop was. Aan de onderste uiteinde van de vlieger kwam een vijf meter lange lijn, de staart. Nu was de vlieger klaar, menigeen was daar een hele dag zoet mee geweest. En nu moest dat ding nog vliegen. Dat ging natuurlijk niet zomaar. Dat ding moest eerst ingereden worden. Wanneer de vlieger sterk afboog was de balans niet goed. Een van de ophangtouwtjes moest langer of korter worden gemaakt. Maakte de vlieger rare capriolen en scheef het ´achtjes´ in de lucht dan was de staart te licht. Een paar polletjes stro of gras zorgden voor de nodige balans. Ging de vlieger traag naar boven waarbij het nauwelijks bewoog, dan was de staart te zwaar. Een polletje werd uit de staart verwijderd. Was de vlieger in balans dan schoot het wiegelend de lucht in. Ondertussen liet je de lijn een stuk vieren. Wanneer je met het vieren ophield schoot de vlieger een stuk hoger de lucht in. Deze handelingen herhaalde je tot de vlieger ´bovenwinds´ stond. Je kon dan de lijn vastzetten aan een boom of paaltje. Die vlieger bleef in de lucht hangen zolang er wind was en de lijn niet brak. Nu kon je een boodschap naar de engeltjes sturen. Op een velletje papier werd dan een boodschap geschreven. Vervolgens werd het papiertje ingescheurd en om de vliegerlijn bevestigd. Wanneer het papiertje werd losgelaten blies de wind het papiertje tegen de lijn omhoog naar de vlieger. Soms kwam je bij het neerhalen van de vlieger een hele kwak papiertjes tegen. Natuurlijk was er onderlinge concurrentie tussen degene die een vlieger had. Wanneer je met de handen in de broekzak naar je vlieger stond te kijken keek je onbewust naar de andere vliegers. De grootte en hoogte van de vlieger was bepalend. Wanneer vroeger bakker Kolker met zijn enorme vlieger werd afgetroefd dan greep hij diep in zijn broekzak. Hij drukte een kind een paar centen in de handen met de boodschap om ´eem een bollechie touw´ op te halen. Ook schroomde hij niet om zijn dochtertje de lijn in handen te geven. De mensen keken een bloemetjesjurk na die door de lucht vloog om even later tussen de stoppels neer te kwakken en vervolgens nog zo´n tien meter mee gesleept te worden. Maar ze hield de lijn vast als een terriër. Jaren later maakte mijn vader een nog grotere vlieger. Het frame van de vlieger bestond uit vishengels van bamboehout. Het ding was meer dan drie meter hoog. De lijn was van speciaal extra dik nylon. Het papier was inpakpapier, zo van de rol. De lijn was gewikkeld om de velg van een fiets. Toen de vlieger werd opgelaten steeg het hoger en hoger tot het nauwelijks zichtbaar werd. Bij westenwind stond de vlieger boven de woning van mijn oom aan de Kerkweg. Menig Ericaan keek bewonderend naar boven en kon nauwelijks geloven dat een vlieger zo hoog kon. En tussen de mensen liepen wij dan weer trots te wezen. Mocht het nodig zijn dan wezen we naar boven naar ´onze´ vlieger. Het was een keer bij oostenwind toen Pa de lijn uit handen gaf aan zevenjarig broertje Chris. Die zat in een karretje en hield de lijn stevig vast. Vlak daarna was een sleepspoor tussen de sjalotjes, prei en aardbeiplantjes de stille getuige van de jonge aviateur. Het was een korte snelle sprint van Pa die Chris aan de vergetelheid onttrok.

 

Geschreven door Henk Beukers

Vakantie

Vakantie

In de zomer brak ook voor de Sint Gerardusschool op Erica eindelijk de vakantie aan. Zes weken helemaal voor onszelf. In de zeventiger jaren waren vakanties met witte stranden en wuivende palmen voor slecht weinigen weggelegd. Integendeel, in die tijd werd ook op zaterdag gewerkt. Toen eindelijk de vakbonden hadden geregeld dat ook de zaterdag bij het vrije weekend hoorde kwamen serieuze wetenschappers met bezwarende onderzoeken. De mensheid zou aan teveel vrije tijd ten onder gaan. Zelfs vandaag de dag komt het voor dat, bij een revolutionaire ontwikkeling, een Pratend Pak op de televisie verschijnt die, in naam van de wetenschap, een staaltje van doemdenken ten beste geeft. Maar zoals gezegd, in de jaren zestig werd nog gewoon op de zaterdagochtend gewerkt. Voor een weekendje aan het strand moest Pa een halve snipperdag opnemen. Inmiddels hadden we ook een auto, een DAF 33. Toen al bekend als Truttenschudder. Ondanks dat waren we erg trots op onze auto. Iedereen was opgewonden wanneer een weekend aan het strand zich aandiende. Vrijdagavond werd de imperiaal op het dak van het Dafje geschroefd. Voor het strand had Ma een windscherm gemaakt. De stangen van het scherm bestonden uit afgezaagde stangen terwijl het doek een lengte van zo´n 20 meter besloeg. Die werd op het strand in een U-vorm opgebouwd zodat we als gezin enigszins privacy genoten. Voor in het water hadden Pa en Ma een vijftal binnenbanden van een auto op de kop getikt. Die gingen in opgeblazen toestand mee omdat het een eeuwigheid duurde voordat je zo´n band met een handpomp op spanning had. Voor de inwendige mens ging brood mee, veel brood. En natuurlijk een pan soep, dat moest. Om te voorkomen dat tijdens de rit naar het strand de vermicelli van onze schouders droop werd de soep in een snelkookpan vervoert, uiteraard met de deksel dicht. Op vrijdagavond werd een start gemaakt om het autootje vakkundig vol te proppen met handdoeken, windschermen, binnenbanden en ander soort kampeerspullen. Om zaterdagochtend het autootje weer volledig te ontladen omdat in de verborgen snelkookpan nog soep moest. Wat niet in de koffer van het Dafje kon werd op de imperiaal gelegd. Per weekendje aan het strand groeide de hoogte van artikelen op het dak. Met binnenbanden van een fiets werd de bult op het dak vastgesjord. Op zaterdagmorgen was het dan eindelijk zover. De beesten om ons huis kregen voor het laatst voer en water. Vier kinderen namen plaats op de achterbank. Voorin de auto twee volwassenen met de jongste zus op schoot. Pa startte het karretje, daarmee startte tevens een onuitwisbare jeugdherinnering. Zeven mensen en een pan soep gingen richting Noord-Sleen. Naar de Kibbelkoele in het boswachterij Sleenerzand, daar was onze strand. We waren de sintelpad nog niet af of het eerste lied werd uit volle borst gezongen. Het topzware Dafje reed door Nieuw Amsterdam en reed maar door en reed maar door, naar het einde van de wereld. Onderweg kwamen we een ANWB-verkeersbord op vier poten tegen waarbij een poot was weggereden. Bij Achterste Erm keerden we weer huiswaarts naar Erica. Ma wist niet zeker of ze thuis het gas had uitgedaan. De Kibbelkoele werd per zomer diverse keren bezocht. Na diverse keren de rit naar de Kibbelkoele te hebben gemaakt konden we de rit er naar toe dromen. Bij het verkeersbord riepen we in koor: ‘Hinkepootie, hinkepootie’. Steevast riepen we bij Achterste Erm in koor: ‘Hier hebben we gekeerd, hier hebben we gekee-heerd’. Op de parkeerplaats bij de Kibbelkoele liep het Dafje als een rijpe puist leeg. Van airco had niemand nog gehoord en met zoveel koppen in de kist kon de temperatuur behoorlijk oplopen. Steevast werd altijd hetzelfde stukje strand in beslag genomen. Terwijl Pa en Ma de windschermen opbouwden en zich verder installeerden doken wij het water in en maakten alvast ruzie met de andere kinderen. De auto-binnenbanden waren van begin af aan een doorslaand succes. Menig kind zat jaloers naar ons te kijken. Wij bewaakten de banden alsof het onze kinderen waren. Toch zag een buurman kans om ons een binnenband af te pakken. Hij mompelde dat een gezin niet alles hoefde te hebben. Pa en Ma zeiden niets. Op het eind van de dag werd alles weer opgeruimd waarbij Ma aan de buurman onze binnenband terugvroeg. De arme man stamelde, ‘zijn die banden van jullie dan?’ Hij dacht dat ze bij de Kibbelkoele hoorden. Met een rood hoofd werd de band teruggegeven. Pa en Ma accepteerden zijn excuus en deden verder niet moeilijk. Wij als kinderen keken de man zowel boos als triomfantelijk aan, dat viel nog lang niet mee hoor. Later hadden we een heuse opblaasboot. Daar gebeurde iets vreemds mee. Wanneer we met de boot op het water dreven leek de luchtdruk in de boot te verslappen. Van afkoeling c.q. krimp van lucht hadden we nog nooit gehoord. Op het strand werd met een handpomp de boot weer op spanning gebracht. Nadat we op het water uit geklierd waren legden we de boot voor ons op het strand. Niemand kon erbij, de boot was van ons, lekker puh. Totdat we na een kwartier opkeken van een raar geluid. Wat was dat nu? Het kwam van de boot. Die lag daar als een gestrande walvis en leek stuiptrekkingen te maken. Weer zo´n rare geluid uit de boot. Door de ligging op het strand werd bijgepompt lucht in de boot niet meer door het water afgekoeld. De zon deed de rest. De luchtdrukspanning in de boot liep torenhoog op. Opeens deed de boot ‘PONG’. Alle binnennaden van de opblaasboot schoten spontaan los. Vijf verbaasde kinderen keken naar een wonderbaarlijke gedaanteverandering. De opblaasboot was spontaan veranderd in een grote sigaar. Het huilen stond ons nader dan het lachen. Om ons heen stille leedvermaak. Afijn, we besloten toch in het water met de sigaar te spelen. Nog nooit hadden we die middag zoveel lol beleeft. Wat bleek? We waren onze tijd ver vooruit! Een tiental jaren later zagen we op TV een speedboot met daarachter een grote gele banaan en daarbovenop vrolijke toeristen. Dat hadden ze van ons afgekeken! Het was onvermijdelijk dat op zo’n drukke plaats ook ongelukken gebeuren. In de Kibbelkoele kwam ik als vroege tiener helaas met zoiets akeligs in aanraking. Nazorg bestond toen nog niet. Ik zat op het gele zandstrand en zat naar de mensen in het water te kijken. Het gerucht ging dat een meisje was vermist. Opeens zag ik een man met een meisje in de armen uit het water rennen. De man liep pal in mijn richting en legde het kind nog geen tien meter voor mijn voeten in het zand. Ik zat daar als in de grond genageld en zag toen wat een tiener niet mocht zien. Andere volwassenen snelden toe waarbij het kind aan haar voeten werd opgetild. Modderwater gutste uit haar mond. In de verte hoorde ik gegil van een oudere vrouw die getroost werd door ondersteunende mensen. Het was de oma die die middag op het kind moest passen. Dat gegil is me altijd bijgebleven. Later zag ik de man het verdronken meisje onder een grote badlaken van het strand wegdragen. In de verte riepen Pa en Ma ons bij elkaar. Vanaf dat moment zag ik overal bezorgde ouders hun kroost bij elkaar grijpen en hun spullen inpakken. Het duurde niet lang of de Kibbelkoele was geheel verlaten.

Geschreven door Henk Beukers.

Archeologen in spe

Archeologen in spe

Nadat Willie en ik zo´n beetje alle bekende vogels hadden gezien gingen we ons toeleggen op de planten. Op de motoren scheurden we een eind Duitsland in om ergens langs het spoor in de berm te eindigen. Daar zetten we een vierkante meter af en determineerden we alle planten die zich hierin bevonden. Dat ging leuk. Totdat ik op het werk een doos met stenen van een collega kreeg. Die had gehoord dat we veel in de natuur waren en af en toe naar stenen pijlpunten zochten. In de doos zaten een aantal stenen die mij totaal niets zeiden. Die kregen voorzichtig een plekje achter de schuur bij de overige nietszeggende stenen. Maar de teerling was geworpen. We gingen voortaan naar stenen zoeken, geen gewone stenen maar vuistbijlen en dergelijke. We bezochten de vader van mijn zwager in Weiteveen. Een man van in de zeventig die al decennia lang door Zuid-Oost Drenthe zwierf en met name afgravingen bezocht. Afgravingen in geel zand zoals nieuwbouw van huizen of aanleg van wegen. Wat kon die man mooie verhalen vertellen! Een hele middag waren we bij hem op bezoek geweest en leerden veel van zijn ervaringen. Halverwege de middag kwakte hij een doos met stenen op tafel. Kleine stenen. Het bleken stenen schrapers en -pijlpunten te zijn. De man wees naar enkele kenmerken op het steen. Zo moet altijd sprake zijn van soort van bulb op de steen, een verdikking veroorzaakt door de slag om bijvoorbeeld een schilfer af te slaan. Uiteindelijk hield je een vuistbijl over, de schilfers konden dan weer als schrapers worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de huiden schoon te schrapen. Op zo’n plek waar vroeger een vuistbijl geslagen werd stikte het dan van de schrapers. Helaas had de man geen vuistbijl in de doos met stenen. Die werd toentertijd uiteraard meegenomen voor andere doeleinden. Bijvoorbeeld om een mammoet te pletten of een buurman te splijten. Van honger kan je namelijk behoorlijk chagrijnig worden. Ook zaten driehoekige stenen in de doos, het leken op kleine piramides. Die waren ervoor bedoeld om te dienen als soort van kraaienpoten. Voor als je de familie van de buurman achter je aan kreeg. Een zool of hoef kon op die manier flink beschadigd worden. Jodium kenden ze in die tijd niet, laat staan een winkel van Trekpleister. Je stierf aan de meest gruwelijke infecties. Daar tegenover stond dat je een mooi graf kreeg, van grote op elkaar gestapelde stenen. Wat stenen borden en bestek erbij en dan moet je niet verder zeuren. Die middag verlieten we Weiteveen als halve archeologen. Halverwege Nieuw-Schoonebeek waren ze in het land aan het graven. Hier doken we in. Enkele dagen zijn we daar aan het zoeken geweest. Dat viel toch niet mee, archeoloogje spelen. We vonden enkele schrapers en een boorvormige steen, zeker om knoopsgaten in het taaie leer te maken. De weken erop toogden we naar Emmen. Nabij het Oeverse Bos. Het landschap daar was heel oud met meerstallen en eeuwenoude landwegen. Daar zal vast wel zo’n neolithische gast een vuistbijltje voor ons achter gelaten hebben. We hadden geluk. Boeren in de omgeving kwamen bij het aardappelrooien ook diverse stenen tegen die opgerooid werden. Die stenen werden opgespaard en als wegverharding gebruikt bij de ingang van de kavel. Waarom een hele bunder afstruinen naar vuistbijlen als je het op een hoop kan vinden? Gretig zaten we op een vroege morgen bij een ingang van de aardappelveld in de wegverharding te wroeten. We hadden een soort van Gamma verwacht waarbij de vuistbijlen niet aan te slepen waren. Het resultaat was helaas anders. Na een morgen in de vrieskou in de stenen te hebben gewroet vonden we een stenen afdruk van een dier. Een egeltje ofzo. Dat is leuk, maar het was geen vuistbijl. Na een paar woensdagen onze vrije tijd vruchteloos in het veld te hebben besteed besloten de beide Tjerk Vermannings plan B uit te voeren. In Nederland was elk stukje veld door een archeoloog doorploegd en elke steen besnuffeld. Daar viel geen eer meer te behalen. Willie begon zelfs filosofisch te oreren. ‘De kans dat je hier een vuistbijl in het veld vindt is net zo groot als dat je daar een hamer vindt’. Nou, kom daar maar eens tussen. In Duitsland moesten we zijn. Veel en veel groter dan Nederland en veel en veel minder archeologen. Dat hoopten we tenminste. Belangrijker was dat we een gebied wisten waar niemand kwam. Dat had te maken met het feit dat het verboden gebied was, militair Sperrgebiet. Nabij Meppen lag namelijk een grote kazerne. Meppen staat in het militaire wereldje bekend als het inschietgebied voor artillerie. Zelfs Nederlandse tanks werden hier ‘ingeschoten’. Naast de kazerne lag een enorm waaiervormig gebied waarin zelfs enkele spookdorpen lagen. Een perfect gebied voor twee aankomende archeologische talenten. Op een woensdag in de vroegte reden twee motoren Duitsland in. Nabij Meppen werden de stalen paarden in het bos geparkeerd. We liepen naar het militair gebied. Dat werd spoedig aangegeven met grote witte borden met schreeuwerige teksten. Bovendien prijkte op elk bord een rode vlag. Wie denkt dat deze borden twee aanstormende archeologen kon tegenhouden had het volkomen mis. Op de borden stond Duitse tekst en wij waren Nederlanders, lekker puhh. We liepen een ongerepte natuur binnen. Bossen, struiken, heuvels en gele afgravingen die leken op trechters. We verbaasden ons over het feit dat hier niet meer archeologen in het veld aan het krabbelen waren. We stonden naar een grote gele wal van geel zand te kijken toen het in de verte begon te rommelen. Willie kwam tot een buitengewoon scherpe analyse, ‘ze begunn te schiet’ n’. Geruststellend voegde hij hieraan toe, ‘maar ze schiet’ n over ons henne’. Inderdaad, zoals verwacht dreunde het aan de andere kant van het gebied, de inslag. We begonnen de gele aarden wal te bestuderen, volgens ons moest hier wel een ‘voestbieligie’ te vinden zijn. We waren zo geconcentreerd bezig dat we pas laat opmerkten dat de inslagen per keer fors op ons toe kwamen. We bleven doorzoeken totdat Willie de vondst van zijn leven deed. Na wat gekrabbel in het rulle gele zand trok hij zijn vondst uit het zand en hield die verbaasd tussen ons omhoog. Het was een klauwhamer van Stanly. Met een knalgele handvat. Over knal gesproken, de volgende inslag kwam nu zo dicht bij dat zelfs geharnaste archeologen als wij enigszins begonnen te twijfelen. Eerst langzaam edoch wel enigszins versnellend maakten we aanstalten om te vertrekken. Toen we wederom in de verte gerommel hoorden wisten we dat de inslag niet lang op zich liet wachten. De heren archeologen verloren hun waardigheid en renden zo hard als mogelijk richting de borden met rode vlaggen. De inslag was vlak achter ons en gaf ons opeens vleugeltjes. Nog een beetje wit om de neus bereikten we onze motoren. Dit was gelijk het einde van onze archeologische droom. Voor Willie kreeg het lot wel een erg ironische wending. Het was notabene achter zijn huis waarbij zijn buurman uit een bult zwart zand een neolithische vuistbijl trok en daarbij de krant haalde.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Beesten om ons huis 2

Beesten om ons huis 2

Ik heb altijd van dieren gehouden, tot op de dag van vandaag. Dan bedoel ik niet een karbonaadje of een kippenboutje. Hoewel dat ook niet is te versmaden. Nee, ik bedoel houden van levende dieren met name huisdieren. Waarbij ik direct een paar uitzonderingen moet noemen. Aan muggen, wespen en vliegen heb ik de pest. Dan grijp ik direct naar de vliegenmepper. Zelfs hier toon ik een zekere mate van coulance naar die vreselijke zoemers. In de vliegenmepper zet een gat ter grootte van een euro. Ze hebben dus een zekere kans om het noodlot te ontwijken. Meer kan ik voor die rakkers niet doen. Houden van dieren houdt ook in dat je er verdriet van kan hebben. Veel verdriet. Als volwassen man kon ik het niet droog houden toen Blackie, onze Keeshond, in mijn armen door de dierenarts werd doodgespoten. Als puppie kwam hij bij ons, als hoogbejaarde ging ie weer. Ik droeg als het ware een hele hondenleven in mijn armen. Gelukkig heeft Blackie een waardig graf gekregen, achter in de tuin, samen met de eerder gesneefde cavia’s en hamsters van mijn dochter. Die had hij met zijn bijna zestien jaar maar mooi overleefd. Waar ik als kind ontroostbaar over geweest ben was een nest met jonge ganzen. Het was bijna het verhaal van de negen kleine negertjes. Mijn vader had een nest ganzen gekocht, hij zag hier winst in in de vorm van vlees en eieren. Als kinderen zagen we negen gele pluizige dotjes in een diepe doos waar we op staande voet verliefd op werden. De snaveltjes gingen zo koddig open en ze piepten zo leuk. Pa bracht de doos naar een hok in de schuur. De zelfde middag nog hadden we de zinken teil gevuld met water en zelfs met geel zand een strandje gemaakt. Niet veel later piepten negen gele donsjes aan het strand met aan het zwerk een viertal vertederende kinderhoofdjes. Het noodlot sloeg al na een dag toe. Er lag een vertrapt geel vlekje in de hoek. Daarbovenop acht piepende snaveltjes. Dat ging een week zo door. Telkens sneefde een ganzenkuikentje, soms twee. Mijn kinderhartje van elf jaar brak bij het laatste kuikentje. In was die dag ontroostbaar. De les in de vijfde klas bij frater Siardus ging volkomen aan mij voorbij. Zachtjes zat ik achter in de klas te snotteren en veegde het met mijn vieze handen af. Dat laatste kwam van het voetballen, dat moest er natuurlijk wel om doorgaan. Met de middagpauze liep ik snel naar huis. Ik had me zachtjesaan schraal en leeg geblèrd. Voorzichtig nam ik het dode ganzenkuikentje in mijn handen. Het was tijd om afscheid te nemen van het laatste kuikentje. Ik liep naar achter het huis en drapeerde het gele lijkje voorzichtig en respectvol in de vuilnisemmer. Ik had mijn rouw verwerkt en ging weer voetballen achter de school. Later zei mijn vader dat het nest waarschijnlijk het gevolg is geweest van inteelt. Begripvol knikten we al hadden we geen idee wat het betekende. Een jaar later hadden we vijfentwintig ganzen die het wel goed deden. Daar was een gans bij die enigszins mank liep. Die nam ik apart in een hok. Het dier liet alles toe en beet niet. Waar de poot knikte, ik noem het maar knie, zat een zwelling. Dagenlang heb ik een paar keer per dag het pootje zacht gemasseerd en voorzichtig gebogen. Het hielp want de gans kon steeds beter lopen. Na mijn fysiotherapie liet ik het dier voldaan los in de groep. Daar hield het spontaan op omdat de gans opging in de groep. Die ganzen leken allemaal op elkaar zodat ik mijn patiënt subiet kwijt was. Afijn, het liep tegen Kerst en ik verheugde mij op de sfeervolle dagen. Ganzen hebben geen eigen mening. Als die een mening hadden dan waren ze vast en zeker een andere mening toegedaan wat Kerst betreft. Hetzelfde lot was immers met onze kippen gebeurd een aantal jaren eerder. Een nest pluisjes kwam onze gezin versterken. Pa rekende op hennetjes, die legden tenminste eieren. Om die reden waren hennetjes duurder dan haantjes. Pa kon geen kuikentjes sexen. De verkoper des te meer. De kuikentjes waren zonder uitzondering allemaal haantjes. We gingen ons natuurlijk helemaal aan de pluizenbolletjes hechten. Ze kregen allemaal een naam. Zelfs een manke haan werd door ons liefdevol ´hinkepootje´ genoemd. Maar op een dag, het liep tegen Kerst, kregen we van Pa te horen dat we de kippen niet hoefden te voeren. Dat had toch geen zin aldus Pa. Even later in de kippenren vonden we toch dat de kippen iets hongerig uitkeken. Een beetje voer moest kunnen. Die middag mopperde Pa dat hij bij elke geslachte kip een volle krop met voer aantrof. Toen we die zaterdagmorgen terug kwamen van een welpenopkomst troffen we onze gevederde lievelingen in een andere hoedanigheid aan. Spiernaakt in emmers met water. Vandaag de dag zou een kinderpsycholoog hier een blijvende blafhik van oplopen. Die hadden we toen niet nodig, we stonden dichter bij het leven. We moesten die kippen nog opeten ook. Dat hebben we niet gedaan. Die eerste Kerstdag niet tenminste, later wel natuurlijk, we kregen honger. Het volgende dier waar ik erg viel van hield was een cavia. Koddige oogjes op een grote neusbrug waaronder een lacherig mondje met snijtandjes. Watervlug wegkruipend naar een donker plekje. Kortom, zeer geschikt voor in bed. Toen dokter Huisman, de huisarts, de deken van mijn bed optilde om mijn gezwollen knie te bekijken deed ie verschrikt een stap terug toen een cavia voor zijn neus onder de deken wegvluchtte. Ontkennen bij Ma hielp niet gezien de vele caviakeuteltjes in bed. Het was wel de huisarts die het laatst lachte toe hij de injectiespuit met penicilline in elkaar schroefde. Hoewel de cavia een eigen kooi had liep het diertje toch vaak vrijelijk rond in de kamer. Als je het diertje zocht hoefde je alleen maar zijn spoor van keuteltjes te volgen. Die ganzen waren ware strontfabrieken maar die cavia kon er ook wat van. Maar zo op een dag was het knaagdiertje verdwenen, wat wel vaker met dieren gebeurde in ons huis. Voor dat soort zaken keken we ons Pa nog wel eens met een scheef oog aan. Het was dit keer de kat die tevreden en voldaan aan zijn middagdutje begon na zwaar te hebben getafeld.

Geschreven door Henk Beukers

5 of 16
123456789