Posts by: H. Beukers

Allemaal de schuld van de vrouw

Allemaal de schuld van de vrouw

Toen ik op 4 april 2015 de enorme paasbult zag achter boer Lubberman aan de Kerkweg dacht ik terug aan het idee om boven op de bult een heks van stro te plaatsen. Leek me wel leuk. Ik ben er maar gauw van afgestapt. Jaren geleden ben ik met mijn gezin in Winterbergen geweest. Voor het stadhuis stond een monument die ons er aan herinnerde dat op die plek zestig (!) heksen waren verbrand. Zelfs de originele route, van het gevang naar de executieplek, die de overwegend vrouwelijke slachtoffers moesten lopen, kan men als toerist nalopen. Het is van alle tijden, als het tegen zit zoekt men een schuldige. Waarom is allemaal de schuld van de vrouw?

Op internet is er genoeg over te lezen:

De Babylonische Samenleving:

Onder de Babylonische Wet werden de vrouwen werd verlaagd en alle rechten werd ze ontnomen. Als een man een vrouw vermoorde, kreeg hij hiervoor geen bestraffing, maar zijn vrouw had de doodstraf gekregen.

De Griekse Samenleving:

De Griekse samenleving werd beschouwd als de meest glorieuze van alle oude (vroegere) samenlevingen. In dit o zo ‘glorieuze’ systeem, werden de vrouwen alle rechten ontnomen en werd er op hun neer gekeken. In de Griekse mythologie, is een ‘denkbeeldige’ vrouw, genaamd ‘Pandora’, de hoofdoorzaak van alle ongeluk van de mensheid. De Grieken beschouwden vrouwen als onmenselijk (minder dan menselijk) en ondergeschikt aan de mannen. Desondanks was de kuisheid van vrouwen heel belangrijk en daar werd veel belang aan gehecht, maar later werden de Grieken overvallen door hun lusten en seksuele perversie. Prostitutie werd een normale praktijk onder alle klassen van de Griekse Samenleving.

De Romeinse Samenleving:

Toen de Romeinse samenleving op de piek van zijn ‘glorie’ was had een man zelfs het recht om het leven van zijn vrouw te nemen. Prostitutie en naaktheid waren een gewoonte onder de Romeinen.

De Egyptische Samenleving:

De Egyptische Samenleving beschouwde de vrouwen als het kwaad of als een teken van de duivel.

De Arabische Samenleving:

De Arabieren keken neer op vrouwen, en heel vaak als een meisjesbaby werd geboren, werd ze levend begraven. Kleine meisjes hielpen nietsvermoedend mee met het graven van hun eigen grafkuil en veegden het zweet van het voorhoofd van hun vaders.

Enkele uitspraken van beroemde filosofen.

Aristoteles (384-322 v.Chr.), die als vader der filosofen wordt beschouwd, heeft gezegd:

De vrouw voor een man is te vergelijken met slavin en haar meester, en is te vergelijken met handwerk en rationeel werk, en met een barbaar en een Griek. De vrouw is een minderwaardige man die is achtergebleven op de tree van ontwikkeling.”

Schopenhauer(1788-1860) heeft gezegd:

Zij (vrouwen) zijn geschikt voor het functioneren als verpleegsters en leraressen in onze vroege jeugd, gezien het feit dat zij zelf kinderachtig, onbeduidend en kortzichtig zijn; in één zin zijn ze zelf grote kinderen gedurende hun hele leven. Zij zijn een ondermaatse, smal geschouderd, breedheupig en kortbenig ras, zij hebben geen geschikte kennis en hebben geen genialiteit.”

Een andere bekende filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) heeft op zijn beurt gezegd:

“De vrouw heeft zoveel om zich voor te schamen; er steekt zoveel pedanterie, zoveel oppervlakkigheid, zoveel bedilzucht, kleinzielige aanmatiging, bandeloosheid en onbescheidenheid in de vrouw, die tot dusver nog het best in bedwang werd gehouden en werd beheerst door de vrees voor de man.”

 

“Die priesteressen moeten als heksen op de brandstapel worden verbrand. Als ik mijn zin kreeg, zou ik de fik in die rotwijven steken”. Geen uitspraak van een inquisiteur uit de middeleeuwen, maar van een anglicaanse pastoor uit 1994. Het begon allemaal met Eva en die appel. Door te eten van de verboden vrucht en de man ertoe verleiden dit ook te doen, werd de mens verstoten uit het paradijs. Het is dus allemaal de schuld van de vrouwen dat het zo`n zooitje is op aarde. Zie hier de hoogstaande gedachtegang van kerkvader Tertullianus. Zijn denken had grote invloed op het nog jonge christendom in het jaar 200. Een andere kerkvader kan er ook wat van: Albertus Magnus. Die schreef dat de vrouw een mislukte man is, die vergeleken met de man een gebrekkige en foutieve natuur bezit. Vrouwen waren eigenlijk mannen wier geslachtsorganen niet waren uitgezakt. Magnus: “De vrouw is ongeschikter voor de deugdzaamheid dan de man, omdat ze meer vloeistof bevat dan de man. Een eigenschap van vloeistof is nu: moeilijk vast te houden. Het is daarom dat de vrouwen wispelturig en nieuwsgierig zijn. De vrouw kent geen trouw.” Een invloedrijke kerkvader als Hieronymus noemde het huwelijk zelfs verderfelijk. Vanwaar die diepgewortelde vrouwenangst? Het latere Christendom, dus niet de oorspronkelijke leer van Jezus, had hierop ongetwijfeld een grote invloed. Seks was verwerpelijk, de mannen waren bang voor lustgevoelens en projecteerden hun angst op de vrouw. Castratieangst lijkt een trendy verklaring, in die tijd castreerde menig priester zichzelf. Om niet langer overvallen te worden door zondige fantasieën werd het mes er menigmaal ingezet. Vrouwenhaat is ouder dan het Christendom. Jezus was revolutionair met zijn opvatting: “Man en vrouw zijn gelijk” Augustinus, een latere invloedrijke denker binnen het christelijk geloof dacht daar anders over. “Niets haalt de mannelijke geest van zijn hoogten zo naar beneden dan het liefkozen van een vrouw.” Pas toen werd in steeds meer christelijke gemeentes het celibaat ingevoerd (!). “Priesters die met hun vrouw slapen, zijn als honden die naar hun eigen braaksel terugkeren.” Daar konden de vrouwen het mee doen. Toen kwam de heksenjacht. Onder extreme martelingen werden veel meisjes en oude vrouwen gedwongen te verklaren dat zij heksen waren. Het was voor vrouwen vrijwel onmogelijk onder de verdenking van de heksenjagers uit te komen. Zo`n negen miljoen (!) vrouwen in Europa werden als heks op de brandstapel gezet. Hoe dubbel de moraal was van de christelijke leiders blijkt wel uit het gegeven dat het aantal prostituees dat in 1414 naar Konstanz trok even groot was als het aantal deelnemers aan het daar te houden kerkelijke concilie van priesters. Pas in de laatste decennia heeft er in de christelijke samenleving gelukkig een cultuuromslag plaatsgevonden. Van alle huidige politieke partijen is de SGP de enige partij die de omslag heeft moeten ontberen. Hun moraal: het enige recht van de vrouw is het aanrecht.

 

Geschreven door Henk Beukers.

Paasvuur op Erica 2015

Schaatsen op Erica

Schaatsen op Erica

Erica Zuid-west was vroeger een onderdeel van de landerijen van boer Gengler. Over de uitgestrektheid van de velden kon je de trein tussen Nieuw-Amsterdam en Emmen zien rijden. Scherp afgetekend tegen de horizon stond de toren van Sleen. De vele regenbuien in de herfst legden grote gedeelten van Genglers landerijen blank. Enorme meren van regenwater waren het gevolg. Niemand had daar iets te zoeken in de blubber, behalve fazanten en patrijzen. Tot de winter met strenge vorst kwam. Het vloeibare van het regenwater en het zachte van de modder werd hard en was te betreden. De natuur schonk ons een heuse ijsbaan van ongekende omvang. Daar lieten de Ericanen zich niet lang op wachten. Aangezien de ijsbaan pal achter ons huis lag, broer Gerard, Jos en ik, ook niet. Ondanks het gebrek aan regels was duidelijk de tendens waarneembaar dat iedereen met de wijzers van de klok mee schaatste. Verschil in schaatsen was ook gelijk duidelijk te zien. De jongens van Wijnands kwamen met heuse Hoge Noorden en hadden een prachtige slag van schaatsen. Tegenover dit spectrum van manier van schaatsen stonden wij, klunend en harkend, met onze Friese Doorlopers. Friese doorlopersMaar we kregen krediet, ik was nog geen tien jaar, en begonnen net met schaatsen. Schaatsen leren was toentertijd een kwestie van zelf uitzoeken. Dit in tegenstelling tot vandaag waar je, naast het ontzettend goede materiaal, op de ijsclub de basisregels van het schaatsen snel aangeleerd werden. In die tijd startte je als een soort van hordeloper die op elke horde hardhandig kennis maakte met de Wet van Newton. Helaas was zo’n enorme natuurlijke ijsbaan achter ons huis eenmalig. Hoewel het in de herfst gewoon door plenste bleven de enorme waterpartijen uit. Waarschijnlijk had boer Gengler drainagepijpen in het land laten leggen. Hoewel Erica toen al een ijsbaan had, naast de monumentale korenmolen, en entree vroeg, was dat aan ons, altijd blut, niet besteed. Wij zochten ons heil op andere ijsbanen die rijkelijk en gratis voor handen waren, de hoofd- en zijkanalen in het voorheen koloniale landschap. Er waren zo ontzettend veel kanalen dat we zelfs een eigen privé-kanaal voor het uitkiezen hadden. Die lag naar achteren bij huize Heller. We kenden het gebied als uit onze broekzak omdat we hier eigenlijk altijd struinden. Ons kanaal was een zijkanaal die met een dam van een groter zijkanaal was gescheiden. Dat maakte onze eigen territorium compleet. Het water in het kanaal lag zo’n drie meter lager dan het landoppervlak. Niemand die ons gestuntel kon zien en bovendien schaatsten we heerlijk uit de wind. Ik deed er een paar jaar over om van gestuntel achter een stoel tot enigszins beheersbaar schaatsen te komen. Nog langer duurde het om van een dronkenmanstijl tot een enigszins vloeiende stijl te komen. Ik kon zelfs heel sierlijk, alleen dan kwam ik niet vooruit. Terwijl we schaatsten keken we tegen de hoge wallen aan. Soms weelderig begroeid en voorzien van een dik pak sneeuw. Vaak joeg de wind stuifsneeuw over de rand. Op de ene of andere manier kwam dat altijd in je warme kraag terecht. Toch gaf het een behaaglijk gevoel zo diep in het veld buiten de gure windvlagen te blijven. Buiten het gesnerp van de ijzers was het om je heen oorverdovend stil. De wind joeg de sneeuw over de kanaalrand die steeds breder werd en sierlijk ging overhangen. Wij als schaatsers keken daar dan vanonder tegen aan. De natuur als kunstenaar die prachtige sculpturen maakte. Maar ook sporen in de sneeuw van dieren hadden onze volle aandacht. Van de vele sporen konden we zo de eigenaar bepalen. Totdat een pingelende, krakende aardbast onder onze schaatsen de beslommeringen doorbraken. In het begin reden we als reflex pardoen de wal in, een kwak sneeuw van bovenaf op de koop toenemend. We gingen maar langzaam wennen aan de harde knal voorafgaand aan het helse gekraak van het ijs. Zo’n barst kon in de lengterichting van het kanaal tientallen meters lang worden. Nog spannender werd het wanneer op sommige plekken van de barst kanaalwater op borrelde. Dan een wak. Om mysterieuze redenen weigerde het water op een plek te bevriezen. De wak werd vaak aangegeven met een tak, die lag er naast of stak gewoon in het gat. Vol ontzag keek je naar het zwarte gat, stil schaatste je er omheen. Dan werd in volle vaart op het kanaal door geschaatst. Door de vorm van het kanaal konden we op gegeven ogenblik alleen maar recht vooruit schaatsen. Die enkele keer dat we op de ijsbaan kwamen misten we de overstap in de bochten. Het gevolg liet zich raden, we vlogen in de bocht rechtdoor het veld in. Maar ook het overstappen kregen we onder de knie, al ging het niet zo vlot als bij de anderen. Het voordeel bij de ijsbaan was dat er koffie en soep verkrijgbaar was, dat bracht veel mensen bij elkaar. Hier leerden we bijvoorbeeld dat schaatsen af en toe geslepen dienden te worden. Het zijwaarts gezwabber van de schaats namen we niet langer op de koop toe. De Verlengde Hoogeveensevaart, het hoofdkanaal door Erica, bleef echter onze voorkeur houden. Niet dat we verre ritten maakten. Pa vertelde wel eens dat hij naar Klazienaveen schaatste tot aan de Duitse grens. We vonden de Hertenbaan al ver genoeg. Op de hoofdvaart kon het in de winter gewoon druk zijn. Honderden mensen bleven schaatsen tot het donker werd. Dan werd de baan verlicht door de straatlantaren en werd het gezellig druk. Voor het eerst zag ik een stelletje in klederdracht dat stijf naast elkaar, zwierend, achtjes op het ijs draaide. Het leek mooi maar het stel zwierde dwars door de schaatsgolf waarbij het vaak ternauwernood goed ging. Enkele Ericase krachttermen over het ijs waren het gevolg. Het liefst gingen we, Harry, Bennie, ik en nog een paar anderen terug naar onze stille zijkanaal. Hier gingen we een wedstrijdje ijshockey spelen of zochten we naar vissen die waren ingevroren in het ijs. Of we kluunden over de dam naar het hoofd-zijkanaal waar het iets ruimer was. Een leuke bezigheid was het zoeken naar grote witte bellen methaangas ingesloten in het ijs. Die prikten we lek en hielden er een vlammetje bij. Enkele seconden kwam uit het ijs een metershoge vlam. Van de gehele schaatsperiode in die tijd kon ik me vooral de steenkoude voeten herinneren, veroorzaakt door de beperkte bloeddoorstroming van de te strakke leren banden om de voeten van de Friese doorlopers. Het was bovendien een ontzettende frustratie wanneer, na een lange tocht door het besneeuwde landschap, onder in een zijkanaal, bij het aanbinden van een Friese doorloper, een enkelband kapot getrokken werd, dan kon je helemaal weer teruglopen.

 

Geschreven door Henk Beukers

Vuilnis verwerking

Vuilnis verwerking

Hoewel de vuilniswagens qua vorm hetzelfde uitzien als de vuilniswagens uit de jaren zestig waren er toch een paar belangrijke punten van verschil. Om te beginnen werd toentertijd de vuilnis opgehaald in blikken vuilnisemmers en niet in plastic containers vandaag de dag. De vuilnisemmers waren qua volume nog geen kwart van de huidige containers. Toch hadden de toen grote gezinnen van minstens vijf kinderen genoeg aan de wekelijkse gang van de vuilnisophaaldienst. Blijkbaar waren de verpakkingen van diverse producten minder complex of was zelfs geen sprake van verpakking. Melk werd soms met een pannetje opgehaald bij de melkboer aan de straat. Ieder week had een van ons de taak om de volle vuilnisemmer aan de Havenstraat te zetten. Een gang van zo´n honderd meter over de sintelpad. Het werd aan de weg gezet zoals vele mensen het deden. Overal zag je langs de straat vuilnisemmers staan. Je had toen de gezegde een vervelend kind aan de straat op een vuilnisemmer te zetten om hem mee te laten nemen. Alleen die waarschuwing hielp vaak al om minder vervelend te zijn. Daar kwam in de verte de vuilniswagen aan. Dan zag je een ander groot verschil met de huidige vuilniswagens. Toen werd de vuilniswagen bemant met drie mensen. Een achter het stuur en twee man achterop. Tenslotte de derde grote verschil met de huidige vuilniswagens, het hefmechanisme waarmee de vuilnisemmers leeg gekieperd werden. Dat ging toen puur op spierkracht. Wanneer de vuilniswagen halt hield sprongen de twee stoere mannen met opgestroopte mouwen van de tree achterop de wagen. Ze grepen in ieder hand een hengsel van de vuilnisemmer en zetten deze achterop de vuilnisauto. De vuilnisemmer stond in een kiepconstructie. De vuilnisman pakte een handvat aan de constructie en de emmer werd met een zwaai leeg gekieperd. Vaak in een wolk van stof omdat de as van de kolenkachel ook een onderdeel van het vuil uitmaakte. De lege emmer werd terug getrokken en weer aan de straat gezet. De vuilniswagen gromde, de twee mannen sprongen op de trede en hielden zich aan een hoger gelegen handvat vast. De wagen trok op om voor het volgend aantal vuilnisemmers te stoppen. Daar herhaalde zich de handelingen. Vooral dat optrekken en achterop de wagen hangen sprak ons tot de verbeelding. Dat leek ons wel leuk, genoeg om te wensen later vuilnisman te worden. Een slechte keuze aangezien de klassieke vuilnisman uit het straatbeeld is verdwenen. Thans gaat het hele kiep-gedoe hydraulisch vanuit de cabine van de vuilnisauto. Bij ons thuis hadden wij in de jaren zestig en zeventig absoluut niet genoeg aan dat kleine blikken vuilnisemmertje. Verwerking van het overschot aan vuilnis losten we op een geheel andere manier op. Achter het huis groef Pa een grote diepe gat. Drie bij drie meter en twee meter diep. Daar kon heel wat in. Voordat er vuilnis in kwam werd er tikkertje om de rand van het gat gespeeld. Totdat eentje, vaak de jongste, struikelde en in het twee meter diepe gat kukelde. Pas toen ma dreigde ons langs de Havenstraat op een vuilnisemmer te zetten staakten we ons wildemansspelletje. We hadden door het ravotten zoveel zand terug in het gat gestort dat Pa mopperend de schop weer ter hand nam om het gat wederom uit te diepen. Zoals gezegd kon op die manier veel vuilnis worden gestort. Omdat het vuilnis vaak in brand werd gestoken werd het gat brandgat genoemd. Wekenlang zat het vuilnis in het gat te smeulen en te stinken. Omdat we in het veld woonden had niemand er last van en wij wisten niet beter. Door het vuur slinkte het afval aanmerkelijk in het brandgat. Toch kwam een moment dat het gat vol was. Dan groef mijn vader simpelweg een nieuwe brandgat. Toen mijn broertje vele jaren later naast mijn ouders kwam wonen stootte hij, bij het uitgraven van de fundering, tot zijn verbazing op een driewieler. Op een oude brandgat gestoten. Toen moest hij een beetje meer uitgraven. Uiteindelijk kom je het hele spul vroeg of laat weer tegen. Niet verwonderlijk want het terrein om ons huis is vergeven van de brandgaten. Van milieuvervuiling waren we ons toentertijd niet of onvoldoende van bewust. Dat bestond toen nog niet. De jaarlijkse paasbelten waren toen een samenraapsel van tuinafval, binnen- en buitenbanden, tapijten en andersoortig brandbaar afval. Pa en Ma lieten een keer achterop het land een paasbult toe. Vlijtig toogden we aan het werk en hadden we naast het tuinafval bij de fietsenmaker, tapijtzaak en garage het overige brandbaar materiaal gehaald. In de paasbult hadden we gangen gegraven en hutten gemaakt. Natuurlijk ontbrak een kampvuurtje niet, vaak nog geen meter van de grote paasbult. Vooral van het groene ondertapijt kon je een leuk kampvuurtje maken, het brandde zo leuk met een kleurtje. Wekenlang hadden we met een landbouwkar oude coniferen, boomstammen en andersoortig brandbaar materiaal opgehaald. Het resultaat was een gigantische platte bult. De bult was door het vele afval voorzien van allerlei vrolijke kleurtjes. Vandaag de dag zou zo´n bult de paasbultcommissie een blijvende jeuk bezorgen. Maar wij hadden een prachtige tijd. ´s Avonds zaten we om de paasbult te klieren een vuurtjes te stoken. Dat ging alle avonden door tot het donker werd. De garage had ons een paar grote vaten verlopen olie meegegeven. Vriendelijke vent, hij hielp mee de vaten op de kar te zetten, zelfs de vaten mochten we houden. Eindelijk brak de tijd van Pasen aan. We moesten de bult scherp in de gaten houden. Er liepen namelijk van die misselijkmakende figuren rond die voortijdig de bult in brand wilden steken. Als Pitbulls liepen de om de bult. De laatste vrije dag voor Pasen werden de vaten met verlopen olie gekanteld en in emmers gegoten. De inhoud werd vervolgens in de paasbult gekwakt. Een nadeel was het verdwijnen van de vrolijke kleuren in de belt. Alles kreeg de kleur van zwarte verlopen olie. Op eerste Paasdag om 20.00 uur was het dan zover, het vuur werd aangestoken. Wat wij toen een prachtig vuur vonden zou vandaag de dag waarschijnlijk worden geclassificeerd als een chemische ramp. Maar fikken deed ie, gigantisch. De kring van mensen om het vuur werd steeds groter. De pikzwarte rookpluim reikte zowat tot de wolken. Vandaag de dag worden gelukkig dit soort Paasbulten niet meer gemaakt. Het heeft jaren geduurd voordat op de plek van de Paasbult überhaupt nog iets wilde groeien.

Geschreven door Henk Beukers

Kerststal

Kerststal

Vroeger hadden mensen met geld een kerststal. De overigen moesten het doen met een paar hulstakjes. Sowieso geen kerstboom, dat was protestants. Opa had een kerststal aangeschaft voor oom Herman toen hij nog een kind was. Bij oom Herman was kinderpolio geconstateerd en blijkbaar was de kerststal een soort van pleister op de wonde bij al die ellende. Het waren kleine beeldjes. Wat de kerstgroep zo bijzonder maakte was de herdershond bij de schapen. In die tijd ook iets bijzonders want menig kind kwam bij mijn opa en oma thuis om de kerststal te bewonderen. Ze mochten zelfs de beeldjes even aanraken. Het gevolg was dat de herdershond nog datzelfde jaar was verdwenen. Alleen een complete kerststal was waardevol, incompleet had het alleen een emotionele waarde. Het is net als bij serviesgoed, alleen volledig complete sets zijn waardevol. Na het overlijden van mijn grootouders ging de kerststal logischerwijs naar oom Herman. Toen die overleed ging het naar zijn zoon Louis in Bargeroosterveld. Die liet de kerststal restaureren, nog steeds zonder hond, die bleef weg. Helaas mocht Louis er maar kort van genieten, hij stierf jong. De kerststal van mijn ouders bestond uit kleine gipsen figuurtjes. Na lange jaren de behandeling van een jong gezin te hebben overleeft bestonden de meeste beeldjes uit losse onderdelen die met kaarsenvet aan elkaar waren gelijmd. Soms was die kaars rood of geel zodat Maria een rode halsketting droeg en de herder een gele. Wel makkelijk bij het spelletje ´ik zie, ik zie´. Maar zo opeens hadden mijn ouders een nieuwe kerststal. Grote beelden in een zwarte koffer. Onbeschadigd en compleet met een kamelendrijver. Had de broer van onze buurvrouw meegebracht. Die woonde in Enschede en was vertegenwoordiger. Toerde met een Daf 33 door Nederland. Hij was toevallig bij zijn zus op visite, hij was op weg naar Groningen. Of iemand belangstelling had in een oude kerststal want hij had een nieuwe gekocht. Daarbij dacht onze buurvrouw aan mijn ouders, zo is het gekomen. De Tukker bracht een fantastische kerststal mee. Ook hier een grillig afloop. De arme man verongelukte een paar jaar later met zijn Daffie op de snelweg. Wat is dat toch met die kerststallen? In elk geval werd het lot hier tot stilstand gebracht. Inmiddels zijn zo’n veertig jaren verstreken. Onze oorspronkelijke kerststal ging naar mijn oudste broer, een eufemisme voor binnenpikken. Mijn ouders hebben de kerststal uit Enschede nog, en ja, ze zijn allen nog heel. De kerststal werd zelfs uitgebreid met een hond. Een zwarte, met een rode kop. Gemaakt van klei door mijn toenmalig vijfjarig broertje. Het kon ook een schaap zijn, dat moet ik mijn broer nog eens navragen. Traditiegetrouw werd de hond of schaap er altijd bij gezet, tot op de dag van vandaag. Ook een gewild onderwerp bij ik-zie spelletjes. Het maken van het schuurtje waarin de beeldjes staan is traditiegetrouw een taak van de vader. Normaliter doet de vader dit 1 x in zijn leven. Hij timmert in de schuur iets in elkaar, dit gaat vervolgens tientallen jaren mee. De onze had zelfs een vliering waarin enkele veren vogeltjes waren toegevoegd. Later werd er zelfs een vogeltje toegevoegd die een liedje floot. Leuk voor de kleinkinderen. De ruimte onder de vliering was gereserveerd voor kindje Jezus met Maria en Josef. Als niemand keek sliep onze zwarte poes er in. Opgerold paste hij precies in het houten gebouwtje. Nadat ik was uitgevlogen en zelf kinderen kreeg was mijn vaderrol duidelijk. Kerstbeeldjes waren inmiddels aangeschaft, nu nog een kerststal maken. Ik pakte het serieus aan. Ik ging er van uit dat, wanneer Maria en Josef in Zuidoost Drenthe waren neergestreken, dit in een kapschuur zou zijn geweest. Ik reed met de auto door onze streek en observeerde de kapschuren. Vooral de verhoudingen moesten kloppen. Dat geen herder met zijn hoofd in de vliering stond. In de winkel vele meters aan dun profielhout, houtlijm en een verstekzaag aangeschaft. Ik toog aan het werk en een week later stond daar een heuse mini-kapschuur. Wel met vele openingen zodat je erin kon kijken. Met een vliering gevuld met hooi en een stal voor de ezel en koe. Het was zo goed gelukt dat mijn schoonzus vroeg ook eentje voor haar te maken. Dus toog ik weer aan het werk en een week later stond daar een tweede mini-kapschuur. Bij mij bleef het niet bij een kapschuur, de omgeving moest ook kloppen. Heide (mos) om de schuur met gele zandpaden. In het zand drukte ik met een schaap diverse pootafdrukken zodat het leek alsof ze daar echt hadden gelopen. Maar hoe serieus je ook bezig was, zoonlief ging met de engel er vandoor en gebruikte deze als een gevechtsvliegtuig. Gelukkig waren de beeldjes niet van het kwetsbare gips maar van kunststof. Voordeel, na vijfentwintig jaar geen enkel beschadigd beeldje. Toch heb ik dit jaar een belangrijk besluit genomen. Alle aanwezige schapen moesten verdwijnen. Die waren er later bijgekocht maar hadden niet de juiste verhouding. Met net boven de enkels leken het meer op forse witte konijnen. Ook een kameel moest verdwijnen. Die kwam waarschijnlijk uit een speelgoedwinkel en had de grootte van een pony. Dan had je nog het aangevreten schaap. Hoofdverdachte, Blackie onze hond. Die kon je dan zo onschuldig aankijken en je een lik over de neus geven. Van de tafelpoot kon ie ook niet afblijven. Altijd aan het hout knabbelen als ik niet keek. Pas toen ik het hout bestrooide met witte peper was het snel gebeurd. Zijn onschuldige snuit werd verontwaardigd, een lik over mijn neus kon ik voortaan vergeten. Bij de kerststal werden een twaalftal schapen gekocht met de juiste verhouding. Leve internet. Ook een kameel bepakt en gezakt werd aangekocht. Ik wilde graag een kameeldrijver erbij maar was alleen verkrijgbaar met een koning op kameel. Dus moest een koning uit de originele kerststal-cast verdwijnen. Toen zag ik op internet dat volgens de Catalaanse traditie een kakkertje moest worden aangeschaft. Dit is een kakkende mannetje die het symbool van vruchtbaarheid moest voorstellen. Het moest verborgen in het kerststal worden opgesteld zodat kinderen er naar moesten zoeken. Tja, nu heb ik ook zo’n poepende mannetje achter de stal staan. Een gniffelende moeder als resultaat, die vindt dit soort dingen prachtig. Nadat ik mijn creatie had bewonderd viel me iets op, zoonlief had het aangevreten schaapje toegevoegd, vond dat beestje zielig. Van alle kerststallen in Nederland ben ik waarschijnlijk de enige die ook voorzien is van een hunebed, van dikke kiezels, en een grafheuvel, van geel zand. Hier is het is Zuidoost Drenthe, Maria en Josef zullen het weten ook.

Geschreven door Henk Beukers

November 2014

November 2014

Vrijdag 21 november 2014.

We zouden ons om half elf verzamelen maar kregen helaas bericht van Bat dat hij niet meekon wegens plotselinge huiselijke omstandigheden. We gingen die dag met drieën naar onze schone Groß Dörgen, Oehoeboeroe, Vliegend Hert en Yeti. DSCF3490Hoewel we op tijd waren moesten we nog drie supermarkten bij langs. Allereerst een kersentaart voor Malies. DSCF3491Ze is enkele weken geleden geopereerd en de genezing wil nog niet erg vlotten. Er wil nog niets in haar maag blijven, vandaar de kersentaart. Dus eerst naar Super Plus. Daar behalve de kersentaart ook een flesje oude jenever en vier zoute haringen gekocht. We gaan namelijk met een nieuwe traditie beginnen. Als opening van het weekend laten we een harinkie in de keel wegglijden die weggespoeld wordt met een tulp jenever. Vis moet zwemmen nietwaar? Daarna naar de Aldi om weer eens veel te veel Schultenbräu bier in te slaan plus teveel van het andere gebruikelijke boodschapjes. Dan naar Stadt Meppen in K&K. Hier werden onder andere Jagdslock und Bockbier ingeslagen. Eindelijk hadden we alles, de Bumsbullie was vol. We waren er klaar voor. Op naar Groß Dörgen. Het weer was die dag en ook de rest van het weekend onbewolkt tot matig bewolkt met een gure oostenwind. Dit kon maar één ding betekenen. Toen we op het kampterrein aankwamen en onze spullen in de Ketel gekieperd hadden kwam Yeti met het voorstel om een schutting te maken van dekzeil. DSCF3504Jawel Yeti en dekzeil. Waarschijnlijk is ie op een zeil verwekt want hij heeft iets met dekzeilen. Kwam ie nu maar eens met een kleine. Yeti kwam met een variant van circus Rens aansjouwen. Maar dit keer had Yeti gelijk. DSCF3515De gure wind belemmerde ons om buiten te zitten. Even later zaten we redelijk comfortabel in een grote oranje cabine. Totdat Yeti met een kampvuur begon. Uit de wind en in de rook met zicht op de Hase. Een perfecte situatie voor SusScrofa’s. Het was Bokweekend 2014 dus werden enkele Bockbiertjes opengeplopt. Met een stukkie worst erbij. Of was het nou metworst? Nog een paar Bockbiertjes opengeplopt. Hoe zou de oude jenever toch smaken? Voorzichtig proberen. Dat smaakte voortreffelijk zodat we niet meer voorzichtig hoeven te zijn. Tegen twee uur kwam Oei-oei het team versterken. De wijze Uil viel even later over een stuk dekzeil en smakte met zijn uilekop tegen een circuspaal. Een gespleten wenkbrauw en twee halve brillen later liep Oehoeboeroe rond als Jules de Corte. De kop voorzien van zonnebril. Uil heeft ook altied wat. Leste keer aan de bar in het Schienvat zat ie ook met een kapotte wenkbrauw en een donkere zonnebril en riep plotseling vrij hard naar de barkeeper:DSCF3519 “Hé barkeeper, zal ik jou eens een goeie mop over domme blondjes vertellen?” DSCF3516De barkeeper loopt naar de bijna nietsziende Uil toe en fluistert hem in zijn oor: “De kerel naast je is twee meter groot en heeft zijn blonde vrouw bij zich, aan de andere kant naast je zit een blonde kerel waarvan ik toevallig weet dat hij Europees kampioen kick-boksen is, recht tegenover je zit een blonde kerel die worstelt als hobby en ik zelf weeg 145 kilo en ben ook blond. Weet je zeker dat je die mop nog wilt vertellen?” Zegt de Wijze Uil: “Mwah, laat maar zitten, anders moet ik hem 4 keer uitleggen”. Bij onze openingstraditie het haring happen vloog plotseling een visje door de lucht. Alsof ie de Hase wou bereiken om terug naar zee te zwemmen. Een uur later zochten we de Ketel op, de gure wind deed ons teveel afkoelen. Binnen in de Ketel werd de Bambino aangestoken en was het weldra behaaglijk warm. Het donkerde snel die dag. We hebben die avond nog flink doorgebabbeld over allerlei zaken en daarbij voorzichtig een blikje bier geopend. DSCF3530Die avond wel een halve trede. Dat schiet op, de kop is eraf.DSCF3533

Zaterdag 22 november 2014.

Vroeg op om ham onder een gebakken eitje te schuiven. Yeti even wakker maken. Dan dam en schaap enzo. Later zaten we alle vier aan het ontbijt. Brood, ei en knakworst. Lekker en voedzaam. We maakten ons op voor de Bonifatiustocht. Ons thema van het weekend was: Jeneverbesstruik. Die zouden volgens Yeti staan bij Wulf, zoere melkboer en bij de bijenkorven. Ons eerste doel was die ochtend de spookboerderij van Wulf. We konden kiezen over de droog verharde weg of dwars door het kleddernatte koolzaadveld. Uiteraard kozen we voor het meest logische. Oehoeboeroe liep voor ons om het koolzaad een beetje plat te trappen. DSCF3536Na veel gehannes en gedoe bereikten we eindelijk de andere kant van het koolzaadveld. We naderden de boerderij van Wulf aan de achterkant. De tijd leek hier stil te hebben gestaan. DSCF3542Niets is veranderd sinds de laatste keer, hoogstens een trekkerspoor. Voor de boerderij stond een taxusstruik die nog het meest leek op een jeneverbesstruik. Van de jeneverbesstruik zelf was niets te zien. Nog wat gesnuffeld te hebben in enkele bijgebouwen togen we richting rivier de Mittelradde. De natuur was in volle rust, vooral stilte die werd doorbroken door gekras van een verre kraai. Af en toe werd de grauwe omgeving opgeleukt door de frisse kleur van een paddenstoel. De bomen aan het pad naar de Mittelradde waren voorzien van kasten afkomstig van de universiteit. Het bleken kasten te zijn voor vleermuizen. Ooit zagen Yeti en Vliegend Hert hier een foeilelijke studente bevers bestuderen. Zag ze op een tak een groene papegaai zitten. Liep ze op ons en zei: ‘De man die weet wat voor een vogel op die tak zit mag vanavond met mij naar bed.’ Ze keek naar ons en zei: ‘Jullie mogen ‘t zeggen!’ Wij antwoordden: ‘Uuh, een duif.’ Zei ze: ‘Weet je wat, voor deze keer reken ik het goed.’ De zware populieren aan het pad hadden duidelijk hun langste tijd gehad.DSCF3548 Steeds meer zwammen namen plaats op de stervende bomen. Uit scheuren kon je zo stukken vermolmd hout trekken. DSCF3553Na stil te hebben gestaan bij de betrekkelijkheid van het leven liepen we verder. Aan het pad naar boer Alwies Rolfes stond een oud boerderijtje. Voor het huisje stond een soort van altaartje, ooit voorzien van een crucifix. Thans was het in vergane staat gelijk de boerderij. Het belangrijkste was echter dat het altaartje was voorzien van een jeneverbesstruik. De eer was gered. We gingen snuffelen in de oude boerderij. We vonden nog schoolopgaven die gedateerd waren uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Verder deuren die voorzien waren van de oorspronkelijk grendels en een schouw met beschildering. Een leuk boerderijtje om op te knappen, als er een tiet met geld op je kop valt. Hierna liepen we richting de bijenkorven in het bos tussen de Altarm van de Hase en het grote zandgat. Tussendoor kregen we nog een telefoontje van de schoonfamilie van Yeti. Er zou een boeven op het terrein van Wulf zijn gereden. Dan bel je de Nederlandse schoonzoon. Na het terrein goed gecontroleerd te hebben verlieten we opnieuw het terrein van Wulf. In tussentijd was er geen jeneverbesstruik bijgekomen. Op naar de bijen. De korven waren netjes voorzien van informatie maar het terrein was hermetisch afgesloten. Ooit heeft hier een wetenschapper zich 24 uur naakt aan een boom laten binden om te laten zien dat bijen ongevaarlijk zijn. 24 Uur later troffen ze een slap in de touwen hangende, uitgemergelde en radeloze wetenschapper aan, die jammerend smeekte om ‘verlossing’. DSCF3559“Mijn god”, zegt zijn collega, “ze hebben je toch gestoken!?” “Nee, dat niet,” zegt de wetenschapper, “maar de kalfjes zijn al zes keer komen drinken!” De kalfjes zijn inmiddels verdwenen. Een paar tellen later liepen Oei-oei en Yeti over het lege terrein. Het hekwerk was duidelijk niet SusScrofabestendig. De korven waren leeg, daar was geen bij bij. Er was ook geen jeneverbesstruik bij. Die zul je ook niet aantreffen in een donker bos. We liepen verder richting Hase Altarm om via een omtrekkende beweging naar de Kolk te lopen. Wellicht was daar in de wei nog een ree te zien. Toen we daar aankwamen kwam onze voorspelling netjes uit. Tussen de bomen en takken door konden we een tweetal reeën observeren. Ook die eer is gered. We trokken Gross Dorgen binnen en zagen boer Berend met het dak bezig, daar kwamen nieuwe pannen op. Een hele klus gezien het oppervlak van het dak. Op ons kampterrein namen we plaats achter de oranje dekzeil. Hier werden een paar pilsjes genoten. Toen snel naar binnen want het werd verrekte koud. In de Ketel werd het snel gezellig met stemmig licht en…. een plaat vol met warme vette Zweinehacksen. Gegaard in een houtfornuis door de plaatselijke autochtone schoonmoeder ener ons. Snel en behendig werden de botten ontdaan van alles wat eetbaar was. Dit onder luid gesmak, gekreun en geboer. Een half uur later lag het hele zwik te pitten. Werner en dochter Carina kwamen in tussentijd nog even in de Ketel kijken maar troffen een muur aan van walm met daarachter ronkende neuzen. De radio speelde zachtjes op de achtergrond “Wat een techniek hè, zei Carina, “bij FFN draaien ze muziek en ik kan het hier helemaal horen!” “Ja, ongelooflijk,” zei Werner, “en in Braunschweig maken ze Schultenbräu en ik kan het hier ruiken!” Later, tegen negen uur in de avond liepen vier SusScrofa’s in het stikkeduuster verdwaasd rond op de Hasebrucke. Iemand had dit voorgesteld om wakker te worden. Langzaam verdwenen de schellen voor onze de ogen. Een paar tellen later zaten we gezellig in de Ketel Schultenbräutjes te drinken. We bleven maar zitten en leuterden door. Uil zei op gegeven ogenblik dat ie naar bed wilde en vleide zich ten ruste. We bleven maar zitten en leuterden door. Uil werd wakker en kwam weer bij ons zitten. We bleven maar zitten en leuterden door. Uil zei op gegeven ogenblik dat ie naar bed wilde en vleide zich ten ruste. We bleven maar zitten en leuterden door. Deze cycli bleven zich herhalen tot de klok bijna vijf uur in de morgen aanwees. Plotseling hield het geleuter op. We gingen naar bed.

 

Zondag 23 november 2014.

Iets later dan een paar van ons gewend waren zaten we aan het ontbijt van eieren met spek, kaas en knakworst. Klein Reusiestocht zou gaan naar het altarm aan de andere kant van de Hase. Over een kale landschap deden we in de verte onze eerste observatie van die dag. Een grote groene plant. Er volgde een discussie. Het gevolg was dat de hele meute zich over de lege vlakte naar de groene plant toeliep. DSCF3563DSCF3573Het bleek een koolplant te zijn. Hierop volgde een discussie of het hier kool dan wel kaal was. Bij de SusScrofa´s bleek het gelijk weer eens uitstekend verdeeld. Ieder dacht er genoeg van te hebben. Met een omtrekkende beweging kwamen we terug op de Hase, doorlopen zou zinloos zijn omdat de stroming ons zou meesleuren. Langs de Hase deden we opnieuw een observatie. Tussen de struiken zo´n driehonderd meter verderop stond iets roerloos te zijn. Na de bekende wellus-nietus-discussie moesten we er wel naar toe te lopen. Er bleek een vijfde klep open te staan. De duiker tussen de Hase en de altarm. Ooit gedacht dat dit een ontsnappingsroute uit de hel was. We zagen daar in die dagen namelijk verschillende gerefo’s rondlopen. Waar kwamen zij vandaan? De vliegtuig boven ons kon toentertijd 121 passagiers dragen en vertrok met 120 gerefo’s en 1 katho. Boven Groß Dörgen verloor het vliegtuig haar bodem, iedereen hing met de handen vastgegrepen aan de opbergkastjes. De piloot sprak toen tot zijn passagiers. “Er is overgewicht, 1 iemand zal het vliegtuig moeten verlaten”. DSCF3575De katho antwoordde hierop, “aangezien ik als enigste kathootje hier ben, zal ik me voor jullie krentenkakkers opofferen” ….. Al de gerefo’s klapten toen in hun handen. Thans konden we door de duiker kijken en zagen we de altarm naar ons toe zwaaien. DSCF3578Doorlopen had geen zin. Of hadden geen zin. In ieder geval ontbrak zin. Boven bleven de vliegtuigen sereen het milieu vervuilen. We liepen in prachtige herfstsferen terug naar de Ketel. We namen achter het dekzeil nog een paar Schultenbräutjes en genoten van de prachtige omgeving. Het moest ervan komen, circus Rens werd afgebroken. Doordat we hoofdzakelijk wegwerpborden, -bestek en -bekers hadden gebruikt hoefden we alleen maar weg te werpen. We verlieten voor 2014 definitief het kampterrein en rondden onze Bokweekend 2014 af. Die komt nooit weer. Slechts een chemisch sliertje wegwerp-rook uit de kampvuurplaats verried vervlogen aanwezigheid van gezelligheid, gelach en verbondenheid. Tot Maart 2015. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend Hert.

 

Wat boven Erica vloog

Wat boven Erica vloog

Ook in de jaren zeventig vloog er van alles rond boven Erica. Een baantje die me toen al aanstond was die van piloot. Niet zomaar een piloot van een verkeersvliegtuig, van een kleine. Met name een sproeivliegtuig. Ik zag zo’n vliegtuig voor het eerst boven het land achter ons huis. Daar op het land van boer Gengler stonden witte vlaggetjes aan bamboestokjes. Deze zagen we wel vaker in het land staan maar we sloegen daar geen acht op. Nu bleek dat een soort van afbakening te zijn voor gewasbescherming. Tegenwoordig voor tractoren voorzien van tanks met duizenden liters landbouwgif en enorme sproeiarmen. Vroeger gebeurde het besproeien van gewassen met een omgebouwde 2-persoons vliegtuigje. De sproeiarmen bevonden zich onder de vleugels. Opeens waren de sproeivliegtuigen uit het beeld verdwenen. De reden was me niet geheel duidelijk. Ik vermoed de toenemende hoeveelheid landbouwgif die over de gewassen werd gespoten. Met zo’n hoeveelheid gif kwam een sproeivliegtuig gewoonweg niet van de grond. Wanneer vroeger zo’n sproeivliegtuig boven een kavel aan het werk was trok dat altijd aandacht van een handvol jonge knapen. Vol ontzag keken we naar de piloot wanneer deze met veel kabaal vlak voor ons voorbij vloog, steevast gevolgd door een wolk groene nevel. Op het eind van de kavel hield de groene nevel plotseling op, het vliegtuigje maakte een bijna loodrechte vlucht naar boven. Op dat moment zag de piloot niets anders dan wolken. Op zijn oriëntatiegevoel maakte hij dan een draai waarbij hij weer contact met de aarde maakte. Om vervolgens een aanloop te maken voor zijn volgende gifronde. Geweldig leek me dat. We zwaaiden enthousiast naar de piloot, deze zwaaide soms terug. Bij genoeg publiek was de piloot niet te beroerd om een toegift te geven. Met nog meer zwier werd de laatste ronde genomen vlak voor het publiek. Dan was de show voorbij. In plaats van een steile klim vloog het vliegtuigje door naar de horizon. Wanneer wij daar dan als jongens van de kavel wegliepen wisten we allen wat we later gingen worden, piloot. Met allerlei capriolen en salto´s gingen we de groene aardappel- en graanvelden te lijf. Wat voor groen spul kwam eigenlijk uit het vliegtuigje? We kregen achter Frans Savenije de kans om dit te ontdekken. Met Bennie en Harry liep ik daar in het veld. Naast ons een kavel groene graan ter hoogte van onze middel. In de verte hoorden we geronk van een vliegtuig die snel dichterbij kwam. Het bleef even boven ons cirkelen. Het nam een aanloop en tot onze grote verrassing werd het groene graan besproeid. We wachtten tot het vliegtuigje verdween en slopen verdekt het graan in. Een paar keer denderde het vliegtuig langs ons heen. De volgende ronde waren wij aan de beurt. Op onze knieën zaten we diep weggedoken in het graan op het toenemende lawaai te wachten. Plotseling stonden we op en begonnen te zwaaien. Het vliegtuigje schudde wat met de vleugels maar kon op de korte afstand niets meer uitrichten. Op nog geen meter scheerde het vliegtuigje boven onze juichende hoofden weg en verdween achter de horizon. Het werd weer stil op Erica. Vol trots bekeken we elkaar. We zaten onder de groen puntjes, het haar, onze gezichten, de kleren, alles. Je kon het zo wegpoetsen want het was een soort van vloeistof. Dat deden we natuurlijk niet. Vol trots lieten we dat aan onze moeders zien die weer de zoveelste hartverzakking van schrik kregen van hun lieve zonen. De volgende keer was het weer iets anders in de lucht wat onze aandacht trok. Dit keer geen geluid, het leek in de lucht stil te staan. Een luchtballon. Een enorme ronde bal gevuld met heliumgas. Als aandachtsmagneet trok het mensenhoofden omhoog. We bleven maar naar die grote bal gapen. Onder de bal zagen we een minuscuul mandje met een paar figuurtjes over de rand kijken. Dat waren mensen die naar ons zwaaiden. Natuurlijk zwaaiden we terug. Met die figuurtjes eronder konden we pas een vergelijk maken hoe enorm groot die ballon was. Het was bijna te groot voor onze bevattingsvermogen, we werden er een beetje bang van. Later kwamen de peervormige heteluchtballonnen. Daar kwamen er steeds meer van, waarschijnlijk omdat hete lucht goedkoper was dan heliumgas. Maar het bleven indrukwekkende grote ballonnen. Ik maakte veel later een keer mee dat ‘s avonds zo’n ballon achter ons huis ging landen. De ballon droeg het rode logo van Douwe Egberts koffie. Zorgvuldig werd door de ballonvaarder een veilig plekje gezocht. In het schemerdonker kwam de ballon een paar meter boven het veld zachtjes op ons aandrijven. Het duurde niet lang of het was te donker om de silhouet van de ballon nog te zien. We hoorden wel stemmen vanaf de ballon en grond die elkaar instructies toeriepen. Toen een moment dat ik nooit meer vergeet. Een harde brul gevolgd door een enorme steekvlam deed de ballon zo´n dertig meter voor onze neus als een enorme rode lampion opgloeien. Als het mogelijk was geweest was mijn zoontje op mijn arm in mijn broekzak weggekropen. Ik hem achterna. De meest indrukwekkende luchtballon zag ik in de derde klas van lagere school. Bij meester Marie. De meester was in de morgen al onrustig en vertelde enthousiast dat er ‘s middag een Zeppelin boven Erica langs zou varen. We probeerden enthousiast mee te doen maar de meester had vergeten te vertellen wat een Zeppelin was. Hoe meester Marie het te weten kwam is me een raadsel maar ‘s middags kwam inderdaad een sigaarvormige ballon over Erica langs drijven. Voorzien van een logo van Goodyear. Indrukwekkend en nooit meer zo’n ballon gezien. Wat we wel vaak zagen in de jaren zeventig waren de straaljagers die boven Erica langs scheerden. De koude oorlog was immers in volle gang. Nederland verdedigde zich toentertijd met Starfighters. Onze regering leek te denken dat wie het meeste lawaai maakte automatisch de oorlog won. De straaljagers kwamen soms zo laag boven Erica vliegen dat de sokken ons waaierden om de kuiten. Dan gingen de Starfighters op elkaar oefenen. De vliegtuigen waren zo wendbaar als een drol in een kniebocht. Ze hadden heel gemeente Emmen nodig als draaicirkel. Bij gebrek aan een verdwaalde Rus zaten de Starfighters achter elkaar aan te vangen. Ze maakten hierbij soms een draai om de as. Dan schoten de straaljagers loodrecht omhoog de donkerblauwe hemel in. Geweldig leek me dat. Ik wist gelijk wat ik toen wilde worden. Van alle geluiden die er waren kwam even later het luidste die je kon voorstellen, hoogstwaarschijnlijk nog steeds herkenbaar voor mensen uit de jaren zeventig. Het was een Starfighter die door de geluidsbarrière vloog en menigmaal de ruiten liet springen, sjonge wat een tijd was dat hè?

 

Geschreven door Henk Beukers

Werken op zaterdag 1

Werken op zaterdag 1

Ook in de jaren zeventig was het uitgaan een dure aangelegenheid. Van mijn ouders kreeg ik een tientje zakgeld. Dat leek niet veel maar tel hetzelfde op bij mijn broers, dan tikt het behoorlijk aan. Er moest dus bijverdiend worden. Vroeger deden we een ´heitje voor een karweitje´. Maar die heitjes telden niet aan. Later gingen we de boeren helpen met het wieden van de bieten. Dat was leuk werk wat je samen op het land kon doen. Lekker keuvelend in een rij kruipend over het bietenland en nog geld verdienen ook. Helaas was het seizoenarbeid. Nog later hadden de boeren een manier gevonden op de bieten automatisch op rij te zetten, het onkruid spoten ze dood, wat je daar ook van mag vinden. Dat werk verviel dus. Verder kijken dan maar. Ik heb kranten rond gebracht, komkommers gesneden, peulen geplukt en wortels getrokken. Het viel niet mee om een baantje te vinden. We hoorden dat aan de Dikke Wijk tussen Nieuw Amsterdam en Emmen meerdere banen vrij waren. De madenkwekerij van dhr. Dolstra t.w. DOMA (Dolstra maden). Zijn bedrijf bestond uit een boerderij annex winkel, een grote schuur en een achttal barakken. Doordeweeks gebeurde bij zijn bedrijf niets, op zaterdag moesten die beestjes uitgeschud worden. Dolstra’s productie van maden was zo’n 2000 liter per week. Hij verkocht in die tijd 1 liter maden voor ongeveer zeven gulden. Alsof het niet genoeg opbracht had hij ook nog een goed lopende winkel in sport- en sexartikelen. Zijn wekelijkse inkomsten kwam soms bruto boven de twintigduizend gulden. Of wij, die al het werk deden, daar iets van merkten? Dolstra was een typische kapitalist. Let wel, onze daglonen waren bij elkaar nog geen honderd gulden! Desondanks kon ie bij uitbetaling van loon heel bezwarend en zuchtend ons aankijken. We moesten eigenlijk nog medelijden met hem krijgen. Als ondernemer moest die krentenkakker natuurlijk nog een voordeeltje van zijn personeel pikken. Elke zaterdag kwam hij 5 minuten voor het eind van de werkdag nog even bij ons langs voor de laatste klusjes. Gingen we weer een kwartier later weg. Een keer vroeg ie ons een uur over te werken voor een toelage, hij wilde niet zeggen voor hoeveel. Na de uur kwam ie met de toelage, voor ieder een appel. Toen hij in huis stapte hebben we de appels tegen zijn deur kapot gegooid, eerder durfden we niet. Dolstra kweekte maden voor de vissers. Die konden in plaats van een regenworm een trosje maden aan het haakje rijgen. Werken bij een madenkwekerij was het smerigste, ongezondste, gevaarlijkste en slechtst betaalde werk wat je kon bedenken. Dus toogden mijn broers, neef en ik naar Dolstra toe. Jarenlang hebben we elke zaterdag van Erica naar de Dikke Wijk (later Het Haantje) getoogd en werkten we van 08.00 tot 17.00 uur voor 10 gulden per dag. Uit half vergaan vlees moesten we met een mestvork de maden er uit schudden. Daar kwam een ammoniak-lucht vrij dat je de adem deed afsnijden. Avonds bij thuiskomst moesten we de kleren buiten uittrekken en direct door onder de douche, we stonken naar kadaver. Dat nam niet weg dat we daar ook gelachen hebben. Zo die keer dat we flink aan het madenschudden waren waarbij een leeg Fanta-blikje uit de prut tevoorschijn kwam. Ik haakje met een tand van de mestvork in de opening van het blikje en smeet het over me heen naar achteren. Ik hoorde nog ‘ahumm..’. We keken verschrikt naar achteren. Daar stond Dolstra. In een smetteloos wit pak. Smetteloos? Voor hem lag het blikje, bijna vol met zwarte drab. Het overige van bijna-vol had zich in pixelvorm over het witte pak gedrapeerd. Zonder een woord te zeggen draaide Dolstra zich om en liep zijn huis weer in. We keken elkaar even aan en begonnen onbedaarlijk te gniffelen. Later hebben we nog iets soortelijk meegemaakt. Dat was op zijn tweede zaak op het Haantje. We kregen de opdracht een paar schuren op te ruimen. Van al het rommelhout werd achter de schuur een groot vuur gemaakt. Even later hoorden we een knal. Een leeg verfblik knalde in het vuur. Nieuwsgierig liepen we naar het vuur. Daar lagen nog meer blikken. Halfvol met water werden deze in het vuur gekwakt. Tot ons plezier vlogen even later ons de deksels met een luide knal om de oren. De blikken werden groter evenals de knallen. ‘Zul’n we dat wel doen?’, vroeg Harry zich bezorgd af toen een leeg olievat met water op het vuur werd gezet. We keken toe hoe de felsnaden van het vat langzaam uit elkaar werden getrokken. Opeens hoorden we in de verte het kenmerkende rokershoestje van onze baas Dolfstra. Vlug als wezels slopen we in de schuur en togen weer aan het werk. We zagen Dolstra in driedelig pak naar achteren lopen waar het vuur brandde. Na een dreunende explosie achter de schuur zagen we Dolstra onder het stof en as als een wankele novice naar zijn huis lopen. We mochten geen geluid maken maar deden het bijna in de broek van het lachen. Een andere keer kwam Jan in een van de barakken waar we maden stonden te schudden. Jan was een lange slungelige jongen met een enorme ronde bos haar. Tijdens het praten begon hij ineens vreemd te doen. Jan begon te hakkelen en stond met zijn kop te schudden. Na een poosje Jan te hebben bekeken gaf een van ons hem een forse duw. Die strompelde opzij, schudde met de kop en vloekte een paar keer. Daarna keek ie naar de bekabeling van de lamp aan het plafond. Hier lag het koper open en bloot. Daar had Jan even tevoren met zijn dikke bos haar in staan te roeren. Vet lachen natuurlijk. Open koperdraad was daar heel gewoon, nergens werden de beschermkapjes terug gedraaid. Waarschijnlijk teveel werk. Soortelijk maakte ik jaren later mee in Het Haantje. Bij Dolstra werkte een oudere man, Dirk genaamd. Dirk was senior en voelde zich een beetje voorman. Dirk had een grote bek naar ons, vooral als de baas in de buurt was. Dan kon ie zijn autoriteit even laten gelden. Van Dolstra kreeg ik de opdracht om de auto te wassen. Even later liet een enorme waterballet zien dat ik serieus werk maakte van mijn taak als autowasser. Toen moest er gepoetst worden. Daar had ik een leuke oplossing voor gevonden. Op de boormachine paste een ronde witte wollen poetsmop. Ik was druk bezig de auto uit te poetsen toen de stroomkabel van de boormachine zich om de witte poetsmop wikkelde. De boormachine hiel spontaan op. Verwonderd keek ik naar het stukje kabel aan de boormachine. Die had zich opgesplitst in allerlei kleuren draadjes. Daar kwam streber Dirk scheldend aangerend. Naast de auto begon hij dezelfde symptomen te vertonen als Jan toentertijd. Ik deed geduldig een stapje opzij en gaf Dirk de ruimte. Die leek wel spastisch de Horlepiep te willen dansen. Na genoeg te hebben gezien schopte ik met mijn rubberlaars de andere stuk stroomkabel uit het water waarin de auto (en Dirk) stond. Met benen als zijnde spiraalveren wankelde Dirk terug naar de schuur. Vanuit een van de andere schuren hoorde ik een langgerekte gierende lach die niet meer leek bij te komen. Het was warm, ik draaide me om en begon de auto verder uit te poetsen.

Geschreven door Henk Beukers

Spookspel

Spookspel

Wanneer in oktober de avonden langer worden dan hebben sommige mensen blijkbaar behoefte om elkaar aan het schrikken te maken. Het tegenwoordige Halloween, overgewaaid uit Amerika, is daar een sprekend voorbeeld van. Op Erica is een dergelijke grap toen behoorlijk uit de hand gelopen. Het was tijdens de oorlog in oktober 1942. De Havenstraat was ter hoogte van de Kerklaan slechts met een verduisterde lamp verlicht. De volgende verlichting was bij bakker Ahlers, toen woonachtig in de oksel van de Havenstraat en Kerkweg. Na half acht ‘s avonds was het daartussen volledig donker. De laatste mensen zochten hun huis. Van de Duitsers moest iedereen op tijd binnen zijn. Die avond liepen twee jonge dames langs de Havenstraat richting bakker Ahlers. Er stond hun een onvergetelijke gebeurtenis te wachten. In die tijd was het openbare kerkhof op dezelfde locatie gesitueerd. Zelfs de huidige beukenhaag om het kerkhof is authentiek, evenals de plaats van de ingang. De huidige gemetselde kolommen met ijzeren hek is de vervanger van de oude hek, die in de vijftiger jaren werd vervangen. De oude hek stond bekend om zijn knarsend geluid wanneer deze werd bewogen. Een paar jongeheren wilden de dames eens flink aan het schrikken maken. Ze hingen twee uitgeholde bieten aan het hek, beide voorzien van een uitgesneden spookgezicht en opgelicht door een kaarsje. Vervolgens werd het hek geheel naar binnen open gezet. De val stond open. Toen de twee dames, een beetje schichtig rondkijkend en ongemakkelijk voelend, de hek passeerden gebeurde er niets. Behalve dat de hek langzaam met een knarsend geluid dicht viel. Het opgelichte gezicht in beide bieten deed de rest. Onder grote hilariteit van de heren gilden de dames in paniek de Havenstraat op. Maar deze grap kreeg een vervelend staartje. De politie stond enkele dagen later bij hun op de stoep. Wat bleek? Een van de dames was zo erg geschrokken dat ze er blijvende gevolgen van overhield. Bij deze grap werd dus duidelijk een lijn overschreden. Nou, wij konden er ook wat van. Ik ging eind jaren zeventig van de vorige eeuw als groentje voor het eerst mee met de verkenners op zomerkamp. Het zomerkamp van de verkenners uit Erica was toen in Uelsen, Duitsland. Samen met collega-groentjes Bennie en Willie was alles nieuw en spannend voor ons. We werden dankbare slachtoffers voor het spookspel dat de leiding met enig leedvermaak voor ons in petto had. Het concept van het spel was heel simpel. Het negen kleine negertjes principe. We hadden die avond een wandeling in het donker. We liepen als een sliert achter elkaar over een smal bospad. Vooraan de sliert liep wijlen Toon Prins, onze hopman. De rij werd afgesloten door de beide vaandrigs, Eric en Stef. Wij groentjes liepen pal achter de hopman. Opeens was een vaandrig verdwenen. Grote paniek waarbij de hopman op het bospad op en neer rende. De groentjes weken geen centimeter van hem. Even later was de tweede vaandrig verdwenen. Elke verkenner begon zich ongemakkelijk te voelen, zeker degene die nu achteraan liep. Telkens werd bij deze verkenner zachtjes op de schouder getikt en fluisterend gevraagd aan het spookspel mee te doen. Met samengeknepen billen maar merkbaar opgelucht gaf de verkenner zijn volledige medewerking. Het is bizar hoe een angstgevoel bij een verkenner in een paar tellen kan omslaan in leedvermaak. Hij hoefde alleen naast het bospad stil te staan en na enkele minuten een schreeuw te geven. Het bospad werd vrij gehouden om de Hopman ruimte te geven om in het spel te manoeuvreren. Bij elke schreeuw in de verte rende de Hopman naar het geluid, de drie groentjes zaten zowat in zijn broekzak. Langzaam werd de rij achter de groentjes kleiner en het geschreeuw achter hun in het donker luider. Het spel kreeg een onverwachte einde doordat een boer met zijn jachtgeweer in de lucht schoot. Luid in het Duits riep de boer of we met dat geschreeuw helemaal door de konijnen waren besnuffeld. Het was een top spookspel. Man, we scheten bijna alle kleuren peulen. Ook in latere zomerkampen bij de verkenners bleef het spookspel een vast onderdeel van het programma. Soms moest de leiding alle zeilen bijzetten om binnen de lijn te blijven. Een patrouille verkenners kon woest worden wanneer een lid van hun werd ontvoerd. Dan kon een fietsend oud vrouwtje in het donker zomaar een troep van die jonge wilde honden achter haar aan krijgen. Moet het vrouwtje weer plat op stuur om ze voor te blijven. Dan had de leiding die avond weer druk om de omwonenden bij te praten, dat het maar een ‘spiel’ betrof. Soms werd de lijn toch iets overschreden. Bijvoorbeeld die keer dat een neef en ik vrijdagavond in het donker op het dak van het kapelletje op het Katholieke kerkhof zaten. Ik had een witte babymaillot over mijn hoofd getrokken. De beentjes van het maillot waren opgevuld met kranten zodat het leek alsof ik twee witte hoornen had. Onze slachtoffer kwam precies op tijd. Ik hoefde alleen maar de lantaarn in mijn gezicht te schijnen. Mijn neef begon te loeien als een koe. Het bromfietsje met slachtoffer reed pardoes de struiken in. Toen ik wilde helpen rende het slachtoffer gillend weg. Ik kwam in het donker aangerend en was vergeten mijn hoornen af te doen. Later die avond kon neef Klaas, het was het slachtoffer, er smakelijk om lachen, Vele jaren later mocht ik weer een spookspel bij de verkenners meemaken. Nu als vaandrig bij scouting Kazienaveen. Op een zomerkamp in Duitsland. We hadden als speelterrein zo’n vijf bunder bos tot onze beschikking en hadden die donkere avond een spook ingehuurd vanuit Erica. Het spook had zijn gezicht met scheerzeep wit gemaakt en zou ons op de route door het bos ‘verrassen’. Ik adviseerde de groep een lied te zingen terwijl we door het bos liepen. Spoken houden niet van liederen maakte ik de groep wijs. Terwijl de gehele groep een potje met vet zat te zingen kon het spook een mooie positie innemen. Hij hoorde het geluid van de zingende groep en wist precies waar de groep zich in het bos bevond. Wanneer het spook zich vertoonde aan de groep kon hij rekenen op een regen van stenen. De verkennertjes waren niet bevreesd of juist heel erg. Ik adviseerde de groep niet met stenen te gooien om het spook niet kwaad te maken. Met zand gooien mocht wel, daar kon je geen buil mee vallen, laat staan een spook uit Erica. Ik zuchtte verontschuldigend en opgelucht. Het spook in de struiken ook, zo te horen. Het was toen een heldere nacht, we kregen een mooi natuurverschijnsel te zien. Om de volle maan stond een kring. Terwijl we als groep naar de maan stonden te kijken werd het wachtende spook nieuwsgierig. Hij ging zomaar bij de groep staan om eveneens naar boven te kijken. Op vragen uit de groep gaf de spook geduldig antwoord. Niemand had door dat het spook tussen hen in stond! Vlug maakte het spook zich weer uit de voeten maar keek mij eerst nog met betraande ogen aan. ‘Het was het zand’, liet het arme spook nog even weten om vervolgens in de struiken te duiken om het spel te hervatten.

 

Geschreven door Henk Beukers.

September 2014

September 2014

Vrijdag 19 september 2014

Batman en Vliegend Hert hadden erg veel zin in die dag. Wekenlang hadden ze geoefend door wandeltochten van 10 km te maken. Vandaag zouden ze dan die 34 kilometer maken, de inmiddels traditionele mars van Erica naar Groß Dörgen in Duitsland. DSCN1441Om iets voor zevenen stond Bat voor de deur van Vliegend Hert. Na een snel bakkie koffie vertrokken ze dan eindelijk. Het was een koele vochtige mistige septemberdag in 2014. Maar dat zou snel veranderen, het werd die dag maar liefst 25 graden, waarvan alle graden boven vriespunt. Langs de Kerkweg zagen ze in het oosten de Koperen Ploert zich een weg banen door de ochtendmist. Hiervan werden enkele sfeerfoto’s gemaakt. Het was vroeg in de ochtend, dat was heerlijk lopen in de koelte. Voor Oei’s huis zwaaiden ze nog even, ze dachten iets van bewegingen te zien achter de coulissen. Spoedig lieten de heren Erica achter zich, ze liepen de ochtendzon tegemoet. De Veenhoeksweg werd gepasseerd en Stront-Kuper werd al geroken. Langzaam verlieten de heren de bewoonde wereld. Voor hen lag de lange weg naar de Sint Antonius kerk die nog half verborgen lag in de ochtendmist. Na de kerk ook eindelijk gepasseerd te hebben waren ze, na bijna twee uur, toe aan hun eerste rustpauze. Ze trokken even later, via een verborgen smokkelpad, Duitsland in. Op een landweg werd een dikke stofwolk gezien. Een woestijnstorm? Het was een denderende landbouwtrekker op een rulle zandpad. Gelukkig sloeg die op tijd af. Ze naderden het Griendveen. Normaal zou de ondersteuningswagen langs komen met koffie en vers water maar Yeti had het nu even te druk met tenten opzetten bij het Schienvat. DSCN1445Geeft niet, ze zijn zowat zelf ondersteunend. Dan maar zonder de lekkere bakkie koffie. Op de brug tegenover het Griendsveen gingen de heren in de schaduw een korte pauze houden. Ze naderden de weg die vroeger bekend stond als het abortusweggetje. Thans kwam van het eier schudden niets meer terecht, gewoon omdat de weg nu volkomen vlak was. Heel in de verte zagen ze de auto’s van de autobahn A31 dwars over het pad voorbij flitsen. Ze passeerden de geheime radiolocatie. Hier kan niets over worden geschreven omdat het dan geen geheime locatie meer is. Op de viaduct over de A31 lieten de heren zich even uitwaaien in de frisse uitlaatgassen. Snel liepen ze verder. Achter de boerenbedrijven, feitelijk gewone kippen- en varkensfabrieken, kwam de rust van het stille landschap. Ze besloten de oorlogskerkhof met een bezoekje te vereren. Op het goed onderhouden kerkhof namen ze bezit van een bankje. In de serene omgeving namen ze hun middagpauze. Ze besloten de rust van de meer dan duizend gesneuvelde soldaten en omgekomen burgers niet verder te verstoren en trokken snel verder. In de verte stond een reusachtige windmolen in de wind windmolen te wezen. Nu kwam een taai stuk. De windmolen leek steeds voor hen uit te rijden. Alsof de windmolen op rails liep waaraan een Duitser met humor zat te trekken. Eindelijk hadden ze hem te pakken. Ze trokken door het dorp Groß Fülen. Net buiten het dorp hielden ze pauze bij een bekend verborgen bankje. In de verte verschenen de eerste huizen van Stadt Meppen. Ze trokken de buitenwijken van de Stadt binnen. Straat na straat werd genomen, langzaam werden de straten groter en drukker. Bekende bordjes van een andere lange voetentocht werden zichtbaar. Ze zagen koperen plaketten in de stoep voor voormalige woonplaatsen van Joodse inwoners. Een sinistere herinnering uit donkere tijden. Ze naderden rivier Ems. Gelukkig stond hier een tankstation met nog belangrijker, een shop. Ze misten nu toch wel de ondersteuningswagen. Ze zaten in die hitte al een tijdje zonder water. Ze tankten vlot bij met bronwater en ijs. Het lange eind langs de Ems richting de binnenstad bleek dit keer een eitje. Opnieuw stonden de heren een teleurstelling te wachten. De kroeg, wat eigenlijk een lunchroom was, ging net dicht. Geen bel koel Susscrofabier. Ze sleepten zich naar plan twee. DSCN1450Die bestond uit een verderop gelegen schnell-imbiss waar je vreselijk vieze currywursten kon kopen. Die kon je dan vervolgens wegspoelen met Krombacher. Je moest toch een reden verzinnen om een biertje te drinken. De krachten kwamen spoedig terug. De kilometers door de bossen naar het stadje Bokeloh was bijna toeristisch. Hier stond de bekende Gästehaus Giese op hen te wachten. Op het zonnig terrasje bestelden de heren twee heerlijke bellen ijskoud bier. Daarna nog twee bellen. De laatste kilometers waren zoals gewoonlijk vrolijk. Traditioneel werd een foto bij de Hasebrücke gemaakt. Op het kamp stond Yeti ons op te wachten. Met een prachtig kampvuur. Tot onze grote verrassing kwam daar Uil uit de ketel stappen! We zijn dit weekend voltallig! Na de vrolijke begroeting van onze gevederde vriend kregen we een welkomstborrel voorgeschoven. Gelukkig geen Alte liebe, een ander soortig Weinbrandt. Het smaakte voortreffelijk maar de leden moesten natuurlijk niet vergeten dat de Hike-heren net 34 kilometer hike achter de kiezen hadden. Nou vooruit dan, gauw het spul wegspoelen met bier. De middag en de avond was het erg gezellig om en bij de Ketel. Eerst kwam Bambam met zijn mobiele slaapkamer en later verscheen Oei-oei. Tegen elfder uur waren bij allen die ouder waren dan vijftig jaar de batterijen op. DSCN1463Die togen naar bed terwijl de ‘jongeren-maar-niet-meer piep’ nog even doorgingen aan het kampvuur.

DSCN1457 DSCN1455

Zaterdag 20 september 2014

Om zeven uur was het weer dag voor Bat en Hert. Alles uit het SusScrofa-weekend halen is hun devies. Alleen zat Moedertje Natuur ons tegen. Zij had het landschap in een dikke laag mist gelegd. Hierin was geen foto te maken. Afijn, nu ze toch op waren maakten ze wat eten klaar en koffie. Toen de mist maar bleef hangen grepen ze naar het bier. Eindelijk toch weer een alibi. Die ochtend verschenen druppelsgewijs de overige leden uit hun nest. Na het eten togen we naar de uitkijktoren achter de rivier de Mittelradde. Hert keek verbaasd naar de leden. Ieder had zich uitgedost alsof ze richting poolcirkel wilden lopen. Na wat goed gemeende adviezen te hebben gegeven over de stijgende temperatuur en dunnere kledij herinnerde Hert zich opnieuw dat normaliter toch geen hond naar hem luisterde. It´s him a rot-care (engels). Nadat we het kampterrein hadden verlaten en de boerderij van Berend verscheen (zo’n 25 meter) moest iedereen opeens terug naar de Ketel om kleding te lozen. Eindelijk togen we dan op pad. Richting Alwies Rolfes. De mist was opgetrokken, het weer werd zonnig en warm. Zes Susscrofaatjes stonden even later op de brug over de rvier Mittelradde. DSCN1470DSCN1472Hoe vaak hadden ze hier gestaan en in welke leeftijd? Als veertienjarig verkennertje had ik een touw aan de leuning van de brug gemaakt, aan het touw in het water hingen drie beugelflessen Fanta heerlijk in de Radde te koelen. Direct achter de waterval die toen nog door een ijzeren stuwbalk werd veroorzaakt. In de waterval koelde het fris het best. Ik heb er helaas geen drup van gehad. Je moet maar een neef hebben die toevallig ook bij de verkenners zat en ergo, hij wou lollig wezen. Die paardenlul sneed het touw door. Drie flessen fris moeten daar nog steeds op de bodem liggen. Wie ze vindt: ik zal mijn neef de bedorven Fanta niet meer laten drinken. Zachtjes zal ik hem de drie gesloten flessen achter elkaar in de strot duwen. In gedachte dan. Thans stonden we op de brug van de Radde maar zagen geen ijzeren balk meer, compleet weggeroest. De stuwing werd nu door stenen in het water veroorzaakt. Eigenlijk veel natuurlijker- en mooier methode. Verderop in de stroming probeerden ze iets met paaltjes in het water. Een beetje nep-meanderen? We zien wel, we wachten af. In de verte zagen we de verzinkte uitkijktoren reeds schitteren in de zon. In tussentijd keken we naar een echte meanderend stroompje en beschouwden we de nijvere activiteiten van een bever. We weken af van het pad en liepen naar de Altarm die Neuarm zou moeten heten want de afsluiting hiervan is doorgestoken. Volgend Yeti was dit de Hase, volgens de rest was dit de oude Altarm. 

DSCN1487 DSCN1484Wie had er gelijk? Feitelijk iedereen. Sinds de Altarm niet meer is afgesloten van de oorspronkelijke stroming is het een onderdeel van de Hase. Dus geen Altarm meer maar de loop van een rivier net als vroeger. Toch is het de voormalige Altarm. Beide gelijk. Niet dus. Yeti liep rood aan als een belaagde maagd. ‘Neu’, zei hij, ‘dit is de Hase’. Nu kan ik wel zeggen, het zit in de familie. Maar dat zeg ik niet. Waar we wel eens over waren was het tragische feit dat op deze plek aan de Hase een meneer uit Nederland, een hollander dus, was verdronken. Het was zelfs een meneer uit Drenthe, uit de omgeving van Smilde/Hoogersmilde/Eelde, die bij de vreselijke stroomversnelling in de HASE met zijn bootje is omgeslagen, hierbij zijn twee vrouwen en hijzelf in het water terecht gekomen.
De twee vrouwen zijn op eigen kracht uit het water geklommen, terwijl de man is afgedreven en naar later bleek is verdronken. Er is dagen naar hem gezocht door politie/brandweer en andere hulpverleners, zij hebben hem niet kunnen vinden. Na ongeveer een week is deze man aangetroffen door een persoon in een kano, die heeft aan de politie gemeld waar hij is blijven steken. In het gedeelte van de Altarm waar we stonden was sprake van dezelfde stroomversnelling, veroorzaakt door een stuw van stenen op de bodem. Diverse kano’s passeerden per dag deze plek. Omdat het overwegend amateur-kanovaardes zijn loopt een ongelukje in de golven snel uit de hand. Nu kun je onder water gewoon doorpeddelen. De mond gebruik je dan om hulp te roepen. Maar d’r loopt dan wel water in de neus, snap je? We keken nog even naar de stroomversnelling tussen de steile zandoevers waar zwaluwen nestelden. Hierna betraden we de uitkijktoren, hierboven werden diverse foto’s gemaakt van de meanderende rivier in zijn prachtige omgeving. Het werd warmer en warmer. DSCF3254Een paar kilometer verder bleven we steken op een terrasje van ‘Zum Biberburg’. We gingen aan de Weisbier die niet wit was. Lekker koel in een groot slank glas. Ooooohhhhh wat lekker. We pesten een paar Duitsers weg die in de schaduw zaten. Onder de parasol namen we nog een pint. Voldaan en enigszins vrolijk togen we huiswaarts. Die avond betrok het weer en namen we plaats om de stamtafel onder de luifel van Yeti’s sleurhut. Wederom ging om elf uur alles boven de vijftig naar hun slaapplaatsen.DSCN1507

 

Zondag 21 september 2014

Voor Batman, Oehoeboeroe en Vliegend Hert was het ‘Ochtendstek heeft goud in de bek’. Na een vroeg ochtendontbijt gingen Batman en Vliegend Hert wat trappen in de dauw. Oehoeboeroe ging water halen en droeg verder zorg voor de ochtendhandelingen die tot doel hadden de schade bij het ontwaken van de overige leden tot het minimum te beperken. Batman en Vliegend Hert togen over de Hasebrűcke en over het schoolpad, sloegen op het eind rechtsaf. Hier lag een Altarm zonder stroomversnellingen en diengevolgen zonder verzopen kanovaarders. In de mist belemmerde ochtendzon met zijn prachtige gouden glans werden sfeerfoto’s van de herfst gemaakt. Bij terugkomst in de Ketel waren de overige leden inmiddels verticaal aanwezig. Gelaten lieten zij zich bedienen door een ijverige Oehoeboeroe en werden ze voorzien van de eerste levensbehoeften t.w. koffie en knakworsten. De sfeer kwam al vroeg op peil toen een paar Schultebrauwtjes gedegenereerd werden tot zinloos blik. Het werd een lome dag aan het kampvuur. Een prachtige zonnige herfstdag werkte daar volop aan mee. Ieder van ons liet de herfst volop in zich inwerken, of was het nou de bier?

DSCF3285

In ieder geval kwam ook aan deze weekend een end. Herfstweekend 2014 ging de annalen in als een warme voldane weekend door oudere en jonge-maar-niet-meer-piep gezapige zwijnen. Op naar het Bokweekend in november. Moed broeders, struikel niet.

Vliegend hert.

 

Uilo Creativo

Uil ziet Yeti

Raad het plaatje, schoenmaat 60 met pijn.

Uil ziet Oei

Raad het plaatje, zwak landingsgestel.

Uil ziet Uil

Raad het plaatje, legt een ei als een komma.

Uil ziet Batman

Raad het plaatje, Houdt van nachtdienst.

Uil ziet Bam

Raad het plaatje. Werpt graag een blik op het vuur.

Uil ziet Vliegend Hert

Raad het plaatje. Weinig te raden, kwestie van lezen.

5 of 16
123456789