Posts by: H. Beukers

Foto bespreking 1

Foto bespreking 1

De foto stamt uit 1939 en werd gemaakt door meester Engbers toen mijn vader in de zesde klas zat. De reden voor het maken van de foto was gelegen in het feit dat dit elftal iedereen op school met voetbal versloeg, ook al voetbalden ze slechts op klompen. De meester was zodanig trots op de voetbaltalenten dat hij achter de Sint Gerardusschool op Erica een kiek van de jongens maakte.

Schoolelftal 1939
Linksboven op de foto met op de achtergrond de toiletten staat Henk Veld, van links naar rechts de overige staande vier kinderen, Piet Capelle, Jo Eldering, Johan Peters en Piet Prinsen. De drie kinderen knielend van links naar rechts, Tonnie Prinsen, Rieks Roling en Rieks Jeurissen. De drie kinderen zittend van links naar rechts, Bernhard Lohues, Gerard Beukers en Piet van de Weide. Alleen Jo Eldering heeft later gebruik gemaakt van zijn voetbaltalent. Bij het schrijven van dit verhaal en 75 jaar na het maken van deze foto leven Jo Eldering, Rieks Roling, Piet van de Weide en Gerard Beukers nog. De foto is gemaakt aan de zuidzijde van de Katholieke basisschool Sint Gerardus op Erica. In die tijd waren de schoollokalen gelegen aan de noordzijde van de school. Men had in die tijd vanuit het lokaal zicht op de Kerklaan. Op de zuidzijde waren dus de gangen gelegen. Vandaar de minder grote ramen op de foto. Bij een verbouwing in de jaren vijftig verhuisden de lokalen naar de zuidzijde van het gebouw en de gangen naar de noordzijde. Op de foto zijn tegen de school de toiletten gesitueerd. In die tijd was er nog geen waterleiding zodat de vele ontluchtingspijpjes op het dak geen overbodige luxe was. De afvoerpijpen waren vaak verstopt met natte vloeren als gevolg. Dan kwam Jeurissen langs om het afvoer weer te repareren. De meester kon in die tijd het krijt van zijn handen wassen onder een los kraantje voorzien van kleine watertank. De kinderen moesten zich maar zien te redden als ze dorst kregen. Vaak gingen de kinderen bij Jeurissen, die naast de school woonde, om water vragen als ze dorst hadden. Die kwam met een emmer en soeplepel om de dorst van de kinderen te lessen. Direct achter de school was een plein voorzien van grind, het schoolplein. Deze was omheind met betonnen paaltjes die onderling waren verbonden met hoekstaal die het harmonicagaas op zijn plaats moest houden. De hek liep tussen Knecht en de school achter langs het schoolplein en kwam tussen de oude kleuterschool en Sint Gerardusschool terug op de Kerklaan. Menig kind kan zich het hoekstaal van de hek nog herinneren, het had vooral in de winter een beruchte imago. Menig keer moest een juf of meester met een keteltje warm water een kindertong losweken van het bevroren ijzer. Op de foto is het hekwerk nog intact. In mijn kleutertijd, begin jaren zestig, bestond het schoolplein nog steeds, nog steeds voorzien van grind. De omheining had de tand des tijds niet overleefd. Van de omheining was alleen verfrommeld gaas over met hier en daar een kapotte betonnen paal. Niet veel later werd alles opgeruimd en werd plaats gemaakt voor een schoolgebouw voor de eerste twee klassen van de Sint Gerardusschool. Later werd dit gebouw uitgebreid tot de huidige locatie van de Katholieke basisschool. Op de foto was het nog een lege ruimte, vanuit het schoolplein keek je over het lager gelegen voetbalveld naar een nat veld met russenpollen en had je in de volle breedte zicht op de Duikerstraat. De jongens op de foto stonden op het toenmalige voetbalveld. In die tijd had Erica twee voetbalclubs, ‘Erica’ en de Katholieke ‘Ericase Boys’. De scheidingslijn liep, zoals gebruikelijk in die tijd, over de gezindten. Het voetbalveld bij de Sint Gerhardusschool werd toentertijd gebruikt door de ‘Ericase Boys’. Wanneer er een voetbalwedstrijd was moesten de jongens zich eerst omkleden in het parochiehuis. Van daaruit staken ze de Kerklaan over en liepen ze langs het huis van Meyer (‘Klein Meyertie’) naar het voetbalveld. Het pad is nu de toegang van de huidige kleuterschool. Het voetbalveld werd in de jaren vijftig over de volledige zuidkant van populieren voorzien. Van deze misschien wel honderd bomen hebben een zevental populieren de strijd overleefd en staan daar nog als prachtige natuurmonumenten. Ooit dus een omheining geweest. Aan de westkant van het voetbalveld lag de moestuin van Knecht. Waar gevoetbald wordt wil nog wel eens een bal overvliegen. Vanwege de schade aan de worteltjes werd Knecht dan met een kleinigheid gecompenseerd. Dat gold niet voor de kinderen die doordeweeks op het voetbalveld speelden. De overgeschoten ballen werden door Knecht onverbiddelijk in beslag genomen. Ze verdwenen op de zolder van zijn schuur. Mijn vader kon dan genoegzaam vertellen hoe hij als kind de schuur binnensloop om de bal op zolder weer terug te veroveren. Even later speelden de kinderen weer voetbal. Rechts op de foto is op de achtergrond een vierkant gebouw te zien met een plat dak. Dat was de bewaarschool, later kleuterschool. Meerdere generaties kinderen liepen door elkaar in deze bewaarschool. De juffen waren dames die zichzelf hadden opgeleid. Houden van kinderen en ze bezighouden waren hun primaire taken. Ze werden later tegen hun wil afgelost door mensen met een diploma. Een keer per jaar kwam de hoofdmeester en riep namen af. Die konden over naar de eerste klas. Na de bouw van de huidige kleuterschool kreeg de oude kleuterschool nog functies als gymzaal, oefenzaal voor de drumband en bood het onderdak aan de Welpen. Met de sloop van de Sint Gerardusschool verdween ook de oude kleuterschool. Jammer genoeg heb ik van de sloop niets van meegekregen. In die tijd lag ik een aantal weken in het ziekenhuis. Uitgerekend in die weken werd alles gesloopt. Waar zijn de maquettes gebleven? Waar de wandplaten? Waar zijn de prachtige vondsten uit de vitrines van meester Lange gebleven? Toen ik terug kwam uit het ziekenhuis was mijn vertrouwde lagere school verdwenen. Waar de school ooit stond was een lege plek bedekt met opkomend gras. Verder op de achtergrond van de foto is een gedeelte van een schuin aflopend dak te zien. Dat is het dak van het Emaculata gebouwtje. Vroeger werd hier menig toneelvoorstelling gegeven. Naast het gebouwtje stond ooit een hok die dienst deed als toilet maar die was na een grote verbouwing niet meer nodig en is dus allang verdween. Als kind konden we door de kelderraam van het Emaculatagebouw naar binnen kruipen en kwamen we onder het toneel terecht. Via een trapje kon je zo in het, toen lege, gebouw komen. Reuze spannend was dat. Op het toneel heb ik vroeger als verkenner nog opkomsten gehad. Meerdere verenigingen maakten later gebruik van het multifunctioneel gebouwtje. In de gevel van het Emaculata-gebouw stond in een nis een heiligenbeeld. In de winter was de voornaamste taak van het beeld het vangen van sneeuwballen. Ook het Emaculate-gebouw ontkwam niet aan de sloophamer. Thans staan er particuliere huizen met bijbehorende tuinen. Nog verder op de achtergrond van de foto staan de bomen die aan weerszijden van de Kerklaan stonden. Op de foto waren de bomen zodanig groot dat ze elkaar niet konden raken. Helaas herhaalt zich de geschiedenis. De gesneuvelde bomen aan de Kerklaan werden niet vervangen door nieuwe eikenbomen maar de vrijgekomen plekken werden vervangen door parkeerplaatsen. Wederom raken de bomen elkaar niet, de resterende bomen aan de Kerklaan staan te ver uit elkaar. Voor de bewoners aan de Kerklaan komt hopelijk nog eens het besef. Het is niet de individuele schaduwrijke boom maar de collectieve aanwezigheid van alle eikenbomen die het lommerrijke karakter van de Kerklaan bepalen, daarmee ook de waarde van hun huizen.

Kerklaan kaal

 

Geschreven door Henk Beukers

November 2013

November 2013

Het was een donkere dag en het regende pijpenstelen toen op die laatste vrijdag van November 2013 de Bumsbullie van Yeti, vergezeld door Oehoeboeroe, onze oprit opdraaide. De herfst was in volle gang, overal waaiden bladeren speels door de straten. Niet lang geleden brak een dom blondje nog haar been bij het aanharken van bladeren in de tuin. Bleek ze hierbij uit de boom te zijn gevallen. Even later togen we in de regen naar het stulpje van Oei-oei. Toen deze ook plaatsnam in de auto was het weekend eindelijk begonnen. De komende 2 dagen waren we prettig met elkaar opgescheept. Allereerst de boodschappen. Traditioneel ingeslagen bij de Aldi in Klazienaveen. Traditioneel teveel bier, teveel koffiemelk, teveel koffie, teveel braadolie, kortom van alles teveel. Hierna gingen we naar een buurtsuper in het Duitse Versen. We hadden namelijk nog niet teveel braadworst en teveel Jagtslock. Met een gerust hart betraden we de winkel om uiteraard ook het traditionele Herfstbock in te slaan. In de hele winkel dus niet te vinden. Na een kort beraad besloten we midden in de winkel collectief in paniek te raken. Oehoeboeroe klaagde dat ook de rode paprika en rode uien niet goed waren, het stond zelf met een bord aangegeven: rot. Gelukkiger was Yeti de slimste van ons, altijd nog geweest. De meester op de Gerardusschool vroeg aan Yeti: ‘noem eens vijf dieren in Afrika’? De slimme Yeti wist toen al het antwoord. ‘Twee olifanten en drie tijgers’. Yeti kwam op de parkeerplaats uiteindelijk met een idee dat onze gemoederen enigszins deed bedaren. Hij wist nog een winkel. Hier ging hij altijd boodschappen doen als hij op vakantie naar Duitsland ging. Een K&K winkel midden in de stad Meppen. DSCF2784 DSCF2781En zo trok een Bumbullie omringt met pijenstelen naar het centrum van Meppen. Deze winkel had alles, ja zelfs Bockbier. Deze K&K winkel kon onze toekomstige foeragewinkel wel eens worden. Eindelijk hadden we teveel van alles. Groß Dörgen riep en wij kwamen. Even later stopte een witte Volkswagenbusje voor een hek aan het Quinzelpfad nr 1. Helaas regende het ook aan de andere kant van de hek. Snel brachten we de boodschappen in de Ketel. Luikjes open, spinnetjes weg, gaskraantje open, Bambino aan en het eerste gerstenatje werd een feit. Omdat het buiten toch maar regende bleven we de rest van de middag binnen. We hadden bij het boodschappen ook kerstverlichting gekocht, weldra hing in de Ketel een weldadige sfeer van Kerst. En het hagelde en het regende en het was er zooo koud, nou vooruit nog een gerstenatje. Oeioei had voor ons een leuke verassing in petto gehad en de vorm van 40 liter zelfgestookte bier. Echter, bij het bereidingsproces had een recalcitrante bacterie kans gezien de hele boel in de ketel te verstieren. Het resultaat deed de fineer van de tafel krullen, wat weer leuke effecten gaf. Jammer Oei, de volgende keer beter. Gezien het fineer twijfelen we nog of we ons daarop moeten verheugen. Dat het Bokweekend 2013 een Bourgondisch Culinair Hoogtepunt (BCH) zou worden hadden we in onze stoutste dromen niet gedacht. Het begon vrijdagavond. Een inwoonster van Groß Dörgen, toevallig de schoonmoeder van Yeti, had zich moeite getroost om ons eens flink te verwennen. Het resultaat was een braadschaal met vijf goudbruine Schweinshacksel. Daar had Yeti een fantastisch gerecht van gemaakt die ons het water in de mond deed stromen. Onze kok was niet te beroerd om het recept ter beschikking te stellen aan de wetenschap. Het recept:

9 schweinshacksen
4 bouillonblokken


1,5 kilo zuurkool
1,5 kilo aardappelen
1 dl room
200 gram spekblokjes
8 grote uien
30 gram boter
8 laurierblaadjes
10 witte peperkorrels
10 pimentkorrels
suiker
10 jeneverbessen
1 fles witte Riessling
Spoel de schweinshacksen af met koud water.
Breng 5 liter water aan de kook met de bouillonblokken en doe de hacksen erin.
Snij 4 uien in vieren en doe ze met 4 laurierblaadjes en de peper- en de pimentkorrels en 1 theelepel suiker in de pan.
Laat alles 1,5 uur sudderen op laag vuur.
Haal de hacksen uit de pan en zeef het kooknat.
Snipper 4 uien , verhit de boter en maak een bedje van gefruite uien en de spekblokjes.
De zuurkool uitknijpen en een beetje los maken en dan op het bedje van spek en uien leggen.
Voeg de jeneverbessen en 4 laurierblaadjes toe.
Giet de Riessling over de zuurkool en herhaal dit enige malen.
Schil de aardappels en kook deze in 20 minuten gaar.
Maak er met een handmixer een luchtige puree van met wat boter en room.

Maak een mooi bedje van zuurkool, rode kool en aardappelpuree.
Leg de hackse op het bedje, eventueel het vet verwijderen.

Onze stamtafel werd omgetoverd tot een tafel uit een viersterrenrestaurant. Dit was ongekend, dit hadden we nog nooit eerder meegemaakt. Het gerecht was een waardig voorspel op ons komend 25 jarig jubileum van de SusScrofa’s aankomend voorjaar. Vol overgave zetten we onze tanden in het malse vlees en onderwijl kreunen van genot. Het vet droop van onze kinnen, niets kon ons deren. Oehoeboeroe serveerde een Bockbier. Na dit decadent festijn deden we ons tegoed aan Schultenbrau en maakte Oehoeboeroe zich op voor het houden van een speech. De Wijze Uil die de wereld heel anders bekeek dan wij eenvoudige zwijnen. Zat ie onlangs nog met een uil in de Emmer dierentuin. Zegt Oehoeboeroe tegen de andere; ‘Triest hé, al die mensen achter tralies.’ Weldra rolden de plannen voor dit weekend over de stamtafel. De wijze Uil had rekening gehouden met allerlei mitsen en maren, tegelijkertijd bouwde hij voor en tegens in en hield hij rekening met een eventuele noodplan. Kortom, we hadden geen idee wat we morgen gingen doen. Die avond hadden we ons vol gegeten en ons gelaafd aan de dranken die de Herfst ons bood. Het werd niet laat die avond, de oogleden werden zwaar. Met een hoge cholesterolspiegel was het goed rusten.

DSCF2815 DSCF2798

Zaterdag.
Het was vroeg in de morgen, de Ketel lag nog in de schemer. We hoorden een duif tegen de koe roepen: ‘Roekoe’. Hoorden we de koe terugzeggen: ‘Roeduif’. Traditioneel waren Vliegend Hert en Oehoeboeroe vroeg aan de bak. Ons ontbijt van ei, knak- en braadworsten moeten op een proper manier door onze strot geduwd worden, dat gebeurde met koffie, veel koffie. We maakten ons op voor de Bonefatiustocht. Die morgen werd een bovenmatig staaltje van besluitvorming ten toon gespreid. Allereerst kwamen we zo’n vijfentwintig meter van de hek. Een acute grindverschuiving een der leden deed ons spoedig terugkeren. De volgende poging bracht ons tot de crucifix ‘Im Kreuz ist Heil’. Iemand onzer nam dat letterlijk zodat wederom een retour werd aangevat. De volgende poging was richting de Kolk. Bij een klus bij hun nieuwe vakantiehuisje deed een zwager, zus en een broer ons ophouden. De opgehouden tijd was net voldoende om ons met gezwinde spoed te doen terugkeren naar de Ketel teneinde een gevaarlijk biologisch proces de kop in te drukken. Een depressieve koe van Berend die in een uithoek stond was getuige van mensheids degeneratie. Nog diezelfde morgen vroeg de koe  vrijwillig noodslachting aan. Eindelijk gingen we op pad. Niet naar de Kolk. Plotseling stonden we op de Hasebrucke en besloten dan maar naar Bokeloh te lopen. Een nieuw bordje deed ons de geschiedenis van de brug doen gelden. Wat het Nieuwe Fietsen wel niet teweeg brengt. We zagen daar een man lopen in het Groß Dörgener Wald paddenstoelen te zoeken. Hij graait tussen een stel bladeren en wat denk je dat ie ziet? Een kabouter! ´Goeiedag eem’, zegt die kabouter, ‘nu mag je een wens doen’. De man zegt: ´ik zou wel een brug over de lengte van de Hase willen. De kabouter antwoordt hierop met te zeggen dat het wel een beetje binnen proporties moet blijven. ´Ok´, zegt de man, ´doe dan maar een vrouw die niet zeurt´. De kabouter zegt: ´hoeveel banen moet die brug hebben’? Het werd een klassieke najaarstocht met veel paniek. Het weer was die ochtend veranderd van gerefo-regen in een prachtige najaarszonnetje met witte stapelwolken. Het was stil in de natuur. In de verte het gekraai van een enkele kraai en het staccato van jachtgeweren. Ja hoor, het jachtseizoen was weer geopend. De litanie van schrootflinten was overal hoorbaar. De hoofdreden waarom we dit weekend geen ree te zien kregen, die verplaatsten zich hoogstwaarschijnlijk in tijgersluipgang door het struweel en bleven zorgvuldig in vuurdekking. In Bokeloh aangekomen was onze eerste ontdekking een gesloten Giesen. Kütt. Voor de Kneipe stond een tractor met een soort van mobiele hut. Eromheen liepen druktemakertjes met feloranje camouflagepakken. Aan de mobiele hut hingen twee onvrijwillige medewerkers in de vorm van meervoudig geperforeerde eenden. Achter Giesen lag een bosje van hoogstens een halve bunder. Daar trok onze jacht-armee op af. Vanaf een hoger gelegen weg hadden we er precies zicht op. In slagorde werden de jagers achter het bosje in een linie opgesteld. Vanaf Giesen werd door drijvers en jachthonden het wild opgedreven. Het bosje was echter zo klein dat jagers door het bosje de prijzenlijst van Giesen aan de deur zagen hangen. Wat we zagen was geen wild maar luie jagers. Zitten daar maar een beetje om de kroeg heen te hangen. De frustratie van de jagers nam  evenredig toe met ons leedvermaak. Tja, dan moet je daar niet tussen gaan zitten als kraai. We zien hem nog steeds zitten vanaf een hoge tak. Had ie goed zicht. Het beestje zag iets op zich afkomen. De kraai bukte zodat het lood over hem heen scheerde. De kraai leek een lange neus te halen naar de jager. Kraaien kunnen echter niet tellen. Het jachtgeweer was dubbelloops. Het volgende schot deed de kraai nog een keer vliegen, als een wolk veren. Wij hadden genoeg Weidmannsheil gezien. We liepen over het kerkhof, onvoorstelbaar hoeveel jonge Bokelohers in de oorlog gebleven zijn. Net buiten Bokeloh vonden we langs een bospad een Gedenkmal. In de negentiende eeuw hadden ze op deze plek een postkoets overvallen en de koetsier dood geschoten. Pikant is dat de overvaller hier met zijn slachtoffer op het kerkhof ligt. DSCF2816 DSCF2817We liepen langs het hondenkamp en betraden even later een voor ons onbekende bospad. D.w.z. deze bomen kenden we nog niet. Ook de Altarm kwam ons niet direct bekend voor. Het grote voordeel van dit gebied is dat alle paden uitkomen in de zandgroeve. Als  ´verdwaalde gasten´ ontkwamen we daar ook niet aan. Ondertussen is het begonnen te regenen, van die fijne regen. Alsof er gereformeerden ontsnapt waren. Aan de overkant zagen we de reden, de poort naar de hel stond als een afwateringsbuis wagenwijd open. Tja, dan wil het wel fijn gaan regenen. Met de paniekflesjes leeg kwamen we bij de Ketel. Moe vleiden we ons neder. In een duister reflex grepen we naar een hoek van de kamer. Even later lieten we een gerstenat goed smaken. Vliegend Hert wil van de Ketel een heuse clubhuis maken door foto’s van SusScrofa’s door de jaren heen aan de wand te hangen. Daar is ie een groot gedeelte van de middag zoet mee geweest. Het resultaat mag er zijn, van alle zijden kijken grijzende clubleden je aan. De Ketel wordt het Nirvana voor Zwijnen. Opnieuw bereikten we die middag een culinair hoogtepunt. Was ons de herfst naar het hoofd gestegen? Waren we lijp aan het worden? Feit was dat Oehoeboeroe een onbekend talent bij zichzelf had ontdekt. Jawel, onze eigen Uil ging die middag kokkerellen. En niet zo maar even. Oehoeboeroe maakte voor ons elk als voorafje een gevulde champignon. Ook de Edele Vogel stelde zijn recept belangeloos beschikbaar aan iedereen die het maar wil (w)eten.

MIJN VOORGERECHT is een SNACK GEMAAKT VAN;DSCF2830

12 grote CHAMPIGNONS met een kap diameter van 10 centimeter.
3 bakken met DOBBELSTEENTJES SPEK.
6 grote SJALOTTEN.
3 bollen KNOFLOOK.
Boter voor het bakken.

VOORBEREIDING de vulling van het menu.DSCF2837

Haal de spek uit de bakken en snij deze nog een keer doormidden.

De sjalotten snij je fijn.

De knoflook snij je ook fijn, en als ik zeg fijn dan doe je dat, en niet uitpersen.

Snij de steel uit kap de kap van de champignons, en snij deze fijn.

Als je de voorbereiding hebt gedaan ga dan bezig met de bereiding.

DE BEREIDING. van de vulling van het menu.

Doe de boter in de koekenpan en smelt deze.
Voeg vervolgens de fijngesneden spek toe en bak deze een iets bruin.
Daarna voeg je hierbij de de fijngesneden sjalotten en de knoflook.
Laat dit alles nog even meebakken.
Vervolgens doe je de fijngesneden champignonstelen toe en laat ook deze een klein poosje mee sudderen.

Als dit allemaal klaar is pak je een eetlepel en daarmee ga je het zo juist bereide in de Kap van de Champignon doen.

Als de kappen gevuld zijn doe deze dan ook in de koekenpan en laat ze allemaal nog een kleine 5 minuten braden.

Pak een mooi bord en doe hierop de Gevulde Paddenstoelen.

VERVOLGENS SLA EEN KRUIS EN BID VOOR DEZE SMAKELIJKE MAALTIJD.DSCF2836 DSCF2838

Een Schweinshackse en een gevulde champignon mogen allebei 3 wensen doen, de Schweinshackse begint en zegt: ik wou dat alle Schweinshacksel in Groß Dörgen meisjes waren. Dan wenst de gevulde champignon dat hij een auto had. En het gebeurt. Dan wenst de Schweinshackse dat alle Schweinshacksel van het land meisjes waren. En de gevulde champignon zegt van: ik wil de supersnelste auto. En alles gebeurt. Dan wenst de Schweinshackse dat alle Schweinshackse van de wereld meisjes waren. En ja, ook deze wens komt uit. Dan zegt de gevulde champignon: ik wou dat die Schweinshackse een homo was! Allerlei herfstvruchten vonden via de kundige handen van Oehoeboeroe hun weg naar de populaire mycelium. Het was een femofantastisch kunststukje, het was top, het was Uil. Dat ons dit in Groß Dörgen overkomt, dat ons dit in 2013 overkomt, het is een wonder! Aaaaahhh (katzwijm). Ik stel voor om van Groß Dörgen een culinaire Lourdes te maken. Het wordt etevaartsplaats ‘Grote Kwiele en Zever’. We bekommeren ons om de knappe zusters, die nodigen we uit in de Ketel. Om een nieuw culinair hoogtepunt te halen. We zijn dan ook erg blij dat de Wijze belangeloos zijn recept beschikbaar stelt op deze site en zo aan de wereld wil tonen dat wonderen de wereld niet uit zijn. Dan te bedenken dat dit slechts het voorafje was. Ditmaal was het Oei-oei die voor een smaakexplosie zorgde. Van herfstvruchten als kastanjes en paddenstoelen wist de Vogel-met-de-zware-familiejuwelen een goddelijk gerecht te maken die zijn weerga niet kende! Telkens werd de ene smaaksensatie afgewisseld met een andere als Bockbier. Het was een smaakestafette. Wat een herfst. Wat een weekend, het regende topkoks. Ook Oei wil zijn talent delen met de wereld en staat toe dat zijn recept op deze site beschikbaar wordt gesteld voor alle professionele chefkoks. Opdat ze kunnen leren. Recept voor het maken van een dwarsdoortbos herfstschotel.

Bij dit recept is het niet mogelijk op te geven voor hoeveel personen het is bedoeld, de kok is hier geheel afhankelijk van de eetlust der disgenoten.
Lees het recept in zijn geheel door voor u begint, dit voorkomt teleurstelling over niet aanwezige ingrediënten, en het in volle paniek zoeken naar de juiste gereedschappen op het moment dat ze onontbeerlijk zijn.

Bos-uien (van die met die rode rokjes)
Sjalotten of gewone uien.
Alternatief voor sjalotten, en een stuk gemakkelijker: uien
Varkensgehakt, vers en ongekruid
Spek
Boter
Mosterd
Suikerklonten
Tamme kastanjes
Champignons, voor de gevorderde kok en/of eter zijn andere paddenstoelen niet uitgesloten. Houdt hierbij wel voor ogen dat sommige paddenstoelen slechts eenmaal te eten zijn, en andere maag- en darmbezwaren kunnen veroorzaken. Wilt u na het nuttigen van de maaltijd liever alleen positieve opmerkingen van uw disgenoten, houdt hier dan rekening mee. Is er te weinig bier, dan kunt u overwegen toch de minder eetbare soorten toe te passen, zelf niet te eten en later in uw eentje het bier opmaken. Dit verhoogd de gezelligheid niet.
Eieren, van een kip, eend, fazant en dergelijke, nooit van vissen, krokodillen, schildpadden, insecten, spinnen, amfibieën en zo voorts
Het is geen bezwaar ook knoflook, kruiden, zout, rode kool of ander ingrediënten klaar te zetten, doch deze worden in dit recept niet gebruikt. DSCF2805

Pel de tamme kastanjes, een eventueel abusievelijk gevonden wild exemplaar zal tijdens het pellen door middel van bokkensprongen en ander ongerief zijn ongewenste aanwezigheid kenbaar maken. Het pellen van de kastanjes is een redelijk inspannende arbeid. Vindt u iemand die dit nog nooit heeft gedaan, spiegel hem of haar dan een onvergetelijke ervaring voor en besteed het werk uit.
Doe de gepelde kastanjes in een pan met ruim water, zorg dat ze geheel bedekt zijn. Voeg een handvol dobbelstenen spek toe, en breng aan de kook. Na enige tijd koken de kastanjes en het spek uit de pan nemen, en de kastanje-velletjes waar mogelijk verwijderen. Geheel verwijderen is niet nodig, maar zoveel mogelijk draagt bij aan het smaakgenot en het voorkomen dat deze soms wat taaiere stukjes tussen tanden en kiezen geraken. Snij de gekookte kastanjes in enige stukken. Maak voor het vaststellen van de grootte der brokjes gebruik van uw kennis van de fijnezinnigheid der eters. Niet te grof voor fijnbesnaarde luitjes, iets minder fijn voor de Bourgondiërs onder hen. Gooi het kookvocht weg, dit is echt nergens meer goed voor.
Pel de sjalotten en de bos-uien, maak ze fijn, pas ook hierbij uw kennis der disgenoten toe om de mate van fijnheid te bepalen. Snij ook de paddenstoelen van enige of diverse aard in gepaste brokken.
Beboter een koekenpan lichtjes. U gaat weliswaar geen koeken bakken, edoch in de Nederlandse taal is de naam koekenpan voorbehouden aan een uitermate geschikte pan-soort voor het aan te gaan bak-werk. Daarmee wordt niet bedoeld dat het maken van deze dis een bak werk is, edoch dat een bereidingsmethode van voedsel waarbij dit niet rauw wordt genuttigd wordt gebruikt.
Doe de gesneden uien, sjalotten en paddenstoelen in de pan, en fruit deze op gematigd vuur. Elektrisch mag ook, er bestaat geen voorkennis mijnerzijds dat dit van invloed zou zijn op de smaak van het eindresultaat.
Na enige tijd, als de uiensoorten mooi glazig zijn, het ontstane kookvocht afgieten, ruim mosterd aan de pan toevoegen, roeren en nog even nafruiten.
Voeg nu de in dobbelen gesneden spek toe, roerend bakken, dan de gehakt toevoegen en doorbakken terwijl u al roeren zorg draagt dat het geheel goed gemengd raakt.
Leg een forse handvol suikerklonten op een doek, bij voorkeur een schone en droge, vouw deze doek dicht en sla de klonten volledig aan losse suiker. Gebruik voor het fijn slaan een hamer, een deegroller, uw vuisten, andermans hoofd, of bijvoorbeeld een bijl. (Nee, niet de scherpe kant gebruiken). Neem de daarbij ontstane poedersuiker op de koop toe, en maak u niet druk om deuken in uw aanrecht. Als u later eieren gaat koken zijn deze deuken mooi om bijvoorbeeld te voorkomen dat rauwe eieren van het aanrecht rollen. Dat geeft namelijk een enorme smeerboel. Vergeet niet ondertussen in de koekenpan te roeren.
Voeg de losgeslagen suiker toe aan de pan, roer door en voeg nogmaals mosterd toe, roer weer door.
Laat de suiker voorzichtig karamelliseren. Zwarte aangebrande en knusprige stukjes onderin de pan kunt u later verklaren met de opmerking dat dit gekaramelliseerde suiker is, en zal bijdragen aan het smaakgenot.
Schud de eieren uit hun schaal, en voeg ze al roerend toe aan de koekenpan. Laat het geheel nog even doorwarmen tot de eieren goed gestold door het gerecht zijn gemengd.
Dek naar believen de tafel voor de aanwezigen of alleen voor wie u het eten gunt, dan wel geeft elkeen een vork en eet smakelijk. Vergeet niet de pan op tafel te zetten. We rustten ons uit en gaven de smaakpapillen kans om even bij te komen. Ook hier werkte Schultebrau louterend en als diuretica. We werden gedwongen een frisse neus te nemen om zodoende een warme broek te voorkomen, snappie? Over warme broek gesproken, Steven, Yeti’s Germaanse oomzegger die geen oom zegt maar Unkel, nam die avond zijn vriendinnetje mee. Die achteraf blijkt een andere vriendje te hebben (jammer dan Steven). Tot een uur bleef het kittig dingetje in de Ketel zitten. Sorry hoor, het eten bleek gewoon te lekker te zijn geweest. Voor vier uitbuikende zwijnen was het om half twee eindelijk kamprust.DSCF2849

Zondag.
We wisten op tijd onze ontbijt van knakworstjes en eieren door de strot te wurgen en togen op pad. Het werd een korte wandeling naar de Kolk en terug. We besloten dat paaltje achter de kolk eindelijk te ontdoen van dat witte plastic flapje. Die had ons jaren doen laten geloven dat het een spiegel van een ree was. Het is waarschijnlijk het meest gefotografeerde stukje wit plastic van Groß Dörgen. In Groß Dörgen hoorden we twee Duitse herders tegen elkaar tekeer gaan. Het was een boeiend gesprek. Blafte de een Duitse herder tegen de andere: ‘Ik zag je laatst nog zitten bij de dierenarts, waarom zat jij daar?’ Andere: ‘Wel ik liep met mijn baasje over de straat en aan de andere kant van de straat liep een teefje. De wet van de natuur was sterker dan mezelf en toen zat ik daar, …castreren’. Eerste herder: “Ooooh, erg hee”. Andere herder: “En waarom was jij toen bij de dierenarts?’. Eerste herder: ‘Wel ik zat voor de deur van de badkamer en mijn bazin zat in bad. Nu laat dat mens de zeep vallen en staat op en bukt om de zeep terug op te rapen, ik zag dat doosje, en de wet van de natuur was sterker dan mezelf’. Andere: ‘En ….. ook castreren?’ Eerste: ‘Nee mijn nagels bijknippen’. In de Ketel lag een enorme berg afwas op ons te wachten. Kwaliteit heeft zijn prijs. We dronken ons eerst moed in door een treedje Schultebrau om te zetten in zinloos blik. Dan toogden we an die Arbiet. Daar zijn we de rest van de middag zoet mee geweest. De Ketel zag eindelijk weer Spic en Span. Alles lag weer op zijn plek, de vloer netjes geveegd. De boog kan niet altijd gespannen blijven. Gelukkig hadden we nog tijd om een mooie pagode-vuur te maken. Naast dit kunstwerk werd een groepsfoto gemaakt. Van vier volgevreten-maar bovenal tevreden zwijnen. We pakten onze tassen en stapten in de Bumsbullie. De hek naar Quinzelpfad nr 1 werd gesloten. Het geluid van een Volkswagenbusje stierf weg en het werd stil. Elk een onuitwisbare herinnering rijker, dat al vijfentwintig jaar lang. Maar dat gaan we een andere keer vieren. Bokweekend 2013 gaat de boeken in als een culinair hoogtepunt en mag als zodanig zeer geslaagd worden genoemd. Moed broeders, struikel niet.
Vliegend Hert

De donkere dagen voor Kerstmis

De donkere dagen voor Kerstmis

Mijn honderdste bericht op deze site. De zomer is al lang voorbij en de herfst laat langzaam zijn tooi vallen. Schitterende kleuren geel, groen en bruin worden afgewisseld door het grauwe van kale kruinen. In de verte wordt alleen gekraai gehoord, voor de rest is het stil, doodstil. De donkere dagen voor Kerst zijn aangebroken. Vanaf 1 november ga ik in de tegenaanval wat donker betreft. Naast mijn voordeur staan een paar pompoenen van keramiek die in het donker, d.m.v. een lampje en een timer, stemmig licht afgeven. Op 11 november, met Sint Maarten, het 1e sfeerfeest van het jaar, doe ik bij de pompoenen nog een paar elektrische kaarsen. Echte kaarsen gaan zo uit, bovendien laat ik zien dat ik met de tijd mee ga. Je ziet niet het verschil met de echte kaarsen en zijn ze veel goedkoper. Met Sint Maarten kopen we altijd een paar zakken snoep voor de kinderen die met een elektrische lampion aan de deur komen. We wonen echter op Erica aan de hoofdstraat. Daar staan de voordeuren ver van elkaar. Dat vinden kinderen op 11 november niet leuk. Want op deze avond valt bij elke deur iets te halen. Die willen die avond liefst alle deuren op een bult. Kortom, op 11 november krijgen we maar zo´n zestal kinderen aan de deur waarvan een paar zelfs niet de moeite doen om een liedje te zingen. Die raffelen wat onverstaanbaars en draaien je de open rugzak toe. Van hun hebberige ouders hebben ze geleerd dat ze de ´targets´ moeten halen. Een rukje aan de rugzak en tegelijk alsjeblieft zeggen is de enige remedie. Het schattig kind dat wel verlegen een liedje zingt krijgt van mij handenvol snoep. Mijn kinderen houden me wel eens tegen. Met de mond vol met snoep zeggen ze dat ik ook aan het laatste kind aan de deur moet denken. Ondanks de sfeerverlichting op de oprit bleef de teller dus maar op zes kinderen staan. December begon altijd met de 1e adventszondag. In de adventskrans op tafel ging dan een kaars branden. Iets wat we trouwens nog steeds doen. Een lichtje in de duisternis die gedurende december met in totaal vier kaarsen toenam. Toenemende licht die het lichtfeest Kerstmis aankondigde. Maar eerst kregen we nog Sinterklaas. Daar deden we juist het licht uit, om de pakjesavond spannend te maken. Tegenwoordig gaat het anders. Buiten slaat de regen tegen de ramen, binnen zitten kinderen tv te kijken of houden zich bezig met andere elektronische speeltjes. De allerjongsten die nog niet zijn besmet met de Ipod verheugen zich op pakjesavond van Sinterklaas. Totdat die ook door de vertederende ouders worden bedolven met extravagante cadeaus. De jonge rekruten kunnen zich aansluiten in de rij van verdoofde kinderen. Kinderen staken tegenwoordig hun wild geraas niet meer, ze kijken hoogstens geïrriteerd op van hun Ipod. Maar hoe de wereld ook veranderd, de donkere dagen blijven. Sommige mensen grijpen dit moment aan en worden van harte depressief. Ze kiezen voor de ontkenning en zitten weer dagenlang met hun mombakkes onder een felle lamp. Volle portemonnees nemen een vliegtuig en strijken elders neer waar het warmer is. Op enkele trieste uitzonderingen na die uit wanhoop aan het langste eind van het touw trekken of nog net de trein halen. De meeste mensen zijn echter berustend. Je kunt je pas op de lente verheugen als er een winter vooraf is gegaan. Die winter begint altijd met de donkeren dagen. Lichtjes worden aangestoken zoals olielampjes op tafel. Ik ben er gek op. Vroeger had je oliebrandertjes van keramiek gevormd op organische basis. Een soort van Barbapappa huisjes. Soms een platte huis, als een dikke pad op pootjes, met schoorstenen op de rug die je kon aansteken. Soms hadden de oliebranders een hoge voet met daarbovenop een bol buikje met vier of vijf, soms meer, omhoog stekende tuitjes, de brandertjes. Sommigen waren zo groot dat je er zo een hele fles kandelaar olie in kon kwakken. Die gingen lekker lang mee, als de lonten begonnen te gloeien was het te laat. Daar had allang weer olie in gemoeten. De tegenwoordige olielampjes zijn functioneel, recht toe recht aan, vaak van glas. Soms zelfs doorzichtig zodat je door de transparante olie het blote lontje kan zien hangen. Niks aan. Je reinste harde olieporno. Oliebrandertjes geven echter wel een mooi zachte licht, daar kunnen waxinelampjes niet tegen op. Makkelijke lampjes hoor die waxine, ze zijn snel in een rij op te zetten, gaan vanzelf uit in een aluminium bakje. Maar nee, ze geven een net iets te harde licht. Makkelijk en te weinig stijl, het is de MacDonalds onder de sfeerverlichting. Voor en in de oorlog gingen de mensen in de winter helemaal door een donkere tunnel. Elektriciteit was er nog niet of was door de Duitsers afgesloten. Werkweken van zes dagen en werkdagen van 12 uur waren heel gewoon. Licht zag je op je werk, die had je thuis niet nodig. Bovendien hadden de mensen geen geld voor keramieken oliebranders. Op tafel stond een glas half gevuld met water en daarbovenop een laag koolzaadolie. In de olie dobberde een kurk met een laagje zilverpapier. Door de kurk en zilverpapier was  een draadje gestoken. Dat draadje werd vervolgens als lont aangestoken. Een piepklein lichtje was het resultaat. De hele familie zat ´s avonds om het olielampje. Ma zag kans om nog sokken te breien, de overige familieleden legden een kaartje. Af en toe werden de kaarten neergelegd, dan moest er even iemand naar de klerenkast. Die nam dan het olielampje mee. Het olielampje diende tevens als aansteker. In dat geval werd een stukje pijpenstro aan het vlammetje gehouden en werd vervolgens de pijp of sigaar aangestoken. Soms werd een maatje gelapt en werd het iets later. Maar altijd was het vroeg op bed. De volgende dag om vijf uur was het voor de meesten weer opstaan. Mensen van toen, mijn oma in het bijzonder, gruwden van deze donkere tijd. Dan was Kerstmis een baken in de midwinter. Een door de Kerk overgenomen baken want duizenden jaren geleden hunkerden de mensen ook naar licht. Toen waren er ook genoeg oma´s die in het voorjaar het bos inkeken, of al iets groen werd. In mijn tijd werd de kerstboom versierd met gekleurde lampjes. Een bonte kakofonie aan aan lampjes die we als kinderen prachtig vonden. Een enkeling die elektriek te nieuwerwets vond had nog echte kaarsjes in de boom. Vaak moest die tegendraadse eigenwijze dan wel een beroep doen op de moderne brandweer omdat de kerstboom en huis ook mee brandde, wat we als kinderen ook prachtig vonden. Het gaf meer licht dan tien Gradje Hindriksen en je bleef er tenminste warm bij.

Geschreven door Henk Beukers

Novemberstorm 1972

Novemberstorm 1972

Maandag 13 november 1972 werd het gezin Beukers op Erica wakker door een bulderend lawaai, Het stormde buiten. Ons huis stond op de vlakte, we waren dus wat gewend. Maar dit keer ging het toch wel erg hard met de wind. De avond ervoor het de weerman op het NTS-journaal ons gewaarschuwd voor een zware storm. Het zal wel. Maar die morgen erop bleef de TV uit omdat de antenne vervaarlijk op het dak stond te zwaaien. Hoewel mijn moeder bezorgd naar buiten keek was het voor ons tieners een sensatie. Opgewonden keken we naar buiten en zagen stukken hout, dakleer en platen wegwaaien over het pad voor ons huis. Het huis van de buren was druk bezig te defragmenteren. Hoewel het al vanaf 4 uur ‘s nachts hard waaide, de storm leek alleen maar aan kracht toe te nemen. Natuurlijk moesten we naar buiten. De hevige protesten van Ma hoorden we niet meer, teveel lawaai. Buiten aangekomen werden we bijkans door de wind meegenomen, we zetten ons schrap en hielden ons vast aan alles wat er te grijpen viel. Achter de schuur aangekomen hadden we het volle zicht op de horizon. Donker lag daar Nieuw Amsterdam met daarboven blauw-grijze wolken die met een gigantische vaart op ons af dreven. We kregen we de volle toorn van de storm over ons heen, we gilden van plezier. Er was echter een toorn die vele malen groter was dan deze storm. Ma´s toorn. Ma stond naast de schuur en haar stem kwam boven de storm uit. Of we als de sodemieter weer naar binnen wilden gaan. Binnen in het huis was het een stuk rustiger. Alhoewel het huis op de vlakte menig storm had overwonnen, dit keer kreunde en steunde ons huis in de harde storm. Af en toe trok een windvlaag een rij pannen onder de windveer omhoog, de rest van alle pannen op het dak volgde als een soort van wave. Een gigantisch geratel van dakpannen was het gevolg. Ma kromp ineen, wij juichten. Wij wisten niet beter, we hadden een rotsvast vertrouwen in ons huis. Per uur nam de storm aan kracht toe. Opeens zagen we een grote massieve baanderdeur het pad op lopen. Een wonderlijk gezicht. De deur werd overeind gehouden door de stormvlagen. Telkens als het dreigde om te vallen blies een windvlaag het weer overeind. De deur rolde het het pad op. De deur leek  op een grote man met gespreide armen en benen die zich met radslag voortbewoog. Het was onze schuurdeur. Pa had ooit geprobeerd de deur in te hangen. De (voor niets gekregen) deur paste gewoon niet. Die maandag zat Pa thuis omdat hij op het werk een ongeluk met een lier had gehad. Zijn hand zat in dik verband. ‘Bliede da’k hum kwiet ben’, mompelde Pa terwijl hij de deur nakeek. Voor ons huis was een weiland omheind met stevig prikkeldraad. Tot onze verbazing rolde de deur zo over het draad. Het leek alsof de houten man over het draad stapte. Een paar flinke stormvlagen later was het gebeurd met de muitende deur en plofte het eindelijk neer in het gras. We moesten toch even weer naar buiten kijken. De plantenkas van Pa stond daar in de storm stoïcijns kas te wezen. Ik vroeg Pa of de kas dit wel zou overleven. ‘Ik kan d’r moeilijk met de pet veur gaon staon’, was het berustende antwoord. Natuurlijk overleefde de plantenkas dit natuurgeweld niet. Het was een wonderlijk gezicht. Het ene moment stond daar een kas met planten, een seconde later stond daar alleen nog de fundering met een verwrongen aluminium geraamte. Werkelijk in een oogwenk! In de storm zag je een wolk glassplinters en stukken plastic golfplaten langs het huis razen. Rakelings langs broer Wim. Die was voor het huis de boel aan het ‘verkennen’. Hoewel nog in pyjamabroek had hij zich met een valhelm gewapend tegen rondvliegend puin. Later hoorden we dat mensen aan de Kerkweg aan Be Hoppe, de melkboer, gevraagd hadden waar al die witte plastic golfplaten vandaan kwamen. ‘O, die komen bij Beukers weg’, antwoordde Be en ging vrolijk door met melkventen. Die dag gingen we niet naar school, dat vonden we vreselijk niet erg. Schade op ons dorp Erica kon door zo’n zware storm natuurlijk niet uitblijven. Het begon met een grote eikenboom op het openbare kerkhof aan de Havenstraat waar we direct zicht op hadden. De reus zeeg langzaam opzij en leunde nog even tegen zijn collega. Toen verdween ie gewoon. Achter de beukenhaag. Even later riep Ma, ‘Kiek, d’r get weer iene’. We keken richting het kerkhof en zagen wederom een reus verdwijnen. Dat deed pijn, ook toen al hadden we een zwak voor bomen. Uiteindelijk zijn toen op het kerkhof zo’n stuk of zes eikenbomen gesneuveld. We wisten toen nog niet wat voor ramp zich had afgespeeld in het bos achter de Katholieke Kerk. Jarenlang ons speelterrein, ons bos. Daar kwamen we later op de dag achter. Het bos met zijn enorme beuken en eiken, met al zijn karakteristieke binnenpaadjes waarop we als welp spellen deden, het binnenpleintje waar we nadien bij elkaar kwamen, het bos zoals we die kenden uit onze jeugd, dit bos was verwoest. Gigantische bomen waren omgewaaid en hadden in hun val diverse reuzen meegenomen, gelijk een dominospel. Het bos was onherkenbaar vernield en is er nooit meer opgekomen. Tot op de dag van vandaag is het bos nog bezaaid met stronken waar ooit een boom stond. Het pleintje met de binnenpaden zijn verdwenen. Ooit heeft huurbaas Herman Kölker (neef van Ma) nog geprobeerd om met nieuwe aanplant het bos nieuw leven in te blazen. Het leek goed te gaan. Totdat de Kerk het bos overdeed aan Staatsbosbeheer. Gelijk Afdeling Groen deed het hovenierschap zijn intrede. Een belerende visie werd aangehouden, ondersteund door de kettingzaag. Kortom, op de dikke bomen na werd alles in het bos omgezaagd. Het bos werd een park waar je dwars door heen kon kijken. De ‘hovenier’ was tevreden, als enige. Dit leed is echter niet te vergelijken met wat op 13 november 1972 in en buiten Nederland was gebeurd. De storm ontwortelde in Noord-Europa 5 miljoen bomen en doodde 54 mensen, waarvan 9 Nederlanders. In Duitsland werden er windstoten van 42 m/s gemeten. In Nederland werd een top van 40 m/s behaald. De weergoden waren het gezin Beukers in 1972 goed gezind. Voor ons huis was het de zoveelste storm die het moest doorstaan, geen dakpan stuk of zelfs van de plek. Enkele jaren later was dat anders. Een veel zwakkere storm joeg de stenen gevel uit de schuur. Deze viel op onze auto die daar toevallig stond. Pa had de auto de avond ervoor daar neergezet toen ie op TV hoorde van de naderende storm. De schuur was tegen storm verzekerd, de auto niet. Voor wat betreft de Novemberstorm in 1972 kunnen we zeggen, we hebben het beleefd, we hebben het meegemaakt, we kunnen er over meepraten. Het was echter een natuurverschijnsel die ik nooit meer hoef mee te maken.

Geschreven door Henk Beukers

Rijbewijs

Rijbewijs

Rijbewijs halen was en is geen sinecure. Mijn vader presteerde om destijds ruzie te maken met de examinator. Niet verstandig concludeerde Pa nadien. Veertien keer deed Pa er over om het fel begeerde roze papiertje te halen. Dat hij bij de laatste keer een andere examinator kreeg scheelde aanzienlijk. Hij had een certificaat voor doorzetter erbij moeten krijgen. Bij Henk, mijn toenmalige kameraad, lukte het ook maar niet om te slagen voor het rijbewijs. Aan kennis en kunde lag het niet, het waren bij hem de zenuwen. Maar Henk had wel een enorme gevoel voor humor. Toen hij voor de vijftiende keer zakte voor het rijexamen gaf hij een feestje bij Telkamp, onze stamkroeg. Het leuke was dat hij hierna, bij de zestiende keer, eindelijk slaagde. Mijn buurman had niet zoveel doorzettingsvermogen, hoewel hij wel optimistisch was. Hij kocht zich al een auto toen de rijlessen nog moesten aanvangen. Een koopje, slechts 25 gulden. Alleen het achterlichtje deed het niet. Een zaklampje met rode plastic folie, dit vastgemaakt met plakband op de bumper en zie, het probleem was opgelost. Het was een rustige man, mijn buurman, maar als hij plaatsnam in de auto van de examinator begon zijn rechterbeen onbeheersbaar te trillen. Gas geven werd zelfs in die tijd een avontuur waarop de Efteling jaloers kon wezen. Na tien keer betaald te mogen trillen gaf mijn buurman het op. Het autootje stond nog jaren achter zijn huis en werd door ons vakkundig uitgewoond. Later, veel later, schafte mijn buurman zich, in een overmoedige bui, een 45 km autootje aan. Daar had hij tenminste geen rijbewijs voor nodig. Het ging bij de eerste keer al gelijk helemaal mis. Mijn buurman, een forse man, nam plaats in het DinkyToy autootje, reed een stukje achteruit en trapte gelijk op de rem. Tenminste dat dacht ie. Zijn enorme voet besloeg zo´n beetje alle pedalen en het bijrijdergedeelte. Het gevolg was een spurt gas waarbij de onfortuinlijke buurman eindigde voor de deur van mijn kameraad die drie tuintjes en twee voordeuren verderop woonde. Sindsdien zag je de buurman alleen nog op de fiets. Mijn moeder had de zenuwen aanmerkelijk beter onder controle. Na slechts een paar keer afrijden was haar rijbewijs binnen. In huis was Ma gewend om het laatste woord te voeren, dat lukte tijdens het examen ook wel. Toen de examinator tegen haar zei links af te slaan reed ze prompt naar links een oprit op. Toen ze bij de garagedeur stopte riep de examinator verschrikt, ´wat doe je nu´? Waarbij mijn moeder de man spontaan van repliek diende door te zeggen, ‘Ach, ik heb wel zin in ‘n bakkie koffie’. Waarbij de examinator verbluft vroeg, ‘Kent u deze mensen dan’? Mijn moeder, en even later ook de examinator, barstte uit in een geweldige lachbui. In een ander geval bracht mijn moeder de examinator wederom in verlegenheid. Na de snelweg op te zijn gereden gaf de examinator aan de snelheid op te kunnen hogen naar 80 km/uur. Mijn moeder weigerde spontaan. ‘Moe’j eem goed luustr’n, ik vind vieftig hard zat’. Dat mijn moeder hard rijden kon bewees ze een half jaar later toen ze de rijbewijs allang had. Pa en Ma mochten de straat op en daarvoor hadden ze zich een autootje aangeschaft, een DAF. De auto stond toentertijd bekend als Truttenschudder. Het was een automaat met het pientere pookje. Nou ja, pienter. Het kon net zo snel voor- als achteruit. Toen mijn moeder uit de garage reed en daarbij een beetje haast had, kon het gebeuren dat het gaspedaal te diep werd ingetrapt. Wij, als kinderen, zaten in de huiskamer en zagen opeens een witte vlek voor het raam voorbij flitsen. Pa rende direct naar buiten. Als overburen hadden we een wei met kalveren. Die keken vreemd op van de nieuwe soortgenoot die tussen hen had plaatsgenomen. Terwijl Ma naar de winkel reed nam Pa de moeite om de omheining weer te repareren. Ikzelf ben twee keer voor het rijexamen geweest. Ik had les van Dries. Dries had half Erica aan de rijbewijs gekregen en was een droogkloot van de eerste orde. Na twee keer over de Smit-banden-kruizing te zijn gereden vroeg Dries aan mij of hij mocht rijden. Verbluft vroeg ik hem naar het waarom. Omdat ie graag levend thuis wou komen. Kijk, dat is pas inspireren. Of die keer dat hij me vroeg om de volgende keer een paar spaden mee te nemen. Dan konden we de verkeersborden verplaatsen want ik deed er toch niets op. Bij mijn eerste examen, vlak voordat ik opgeroepen werd om af te rijden, wenkte Dries nog even naar mij. Ik liep naar hem toe en was benieuwd wat hij te zeggen had. ‘A’j slaagt dan eet ik mien hoed op’ merkte de optimist op. Met deze opsteker ging ik mijn eerst examen in. En zakte prompt. De zelfgenoegzame blik nadien van die arrogante Dries zal ik niet snel vergeten. Maar ik zou hem eens wat laten zien, wat denkt ie wel (precies wat Dries beoogde maar dat wist ik niet). Bij de tweede keer was ik degene die een genoegzame blik op kon zetten. Dit keer had Dries het mis. Ik was geslaagd! Ik kreeg een vette knipoog van Dries. Mijn vreugde was echter van korte duur. Het examen was in het restaurant van het spoorwegstation. Ik was met mijn bromfiets naar het restaurant gekomen. Bij gebrek aan een parkeerplek had ik mijn bromfiets tegen een der vele eikenbomen gezet. Het was een bromfiets met vele gebruiksaanwijzingen dus een slot hoefde niet. Dat ding stelen ze nooit. Dacht ik. Ik stond even later bij een lege Eik versteld te kijken. Hadden ze dat wrak toch gejat. Het is nooit leuk wanneer ze je bromfiets afstelen maar dit keer had ik toch enig leedvermaak. De dief zal er niet veel plezier aan beleven. Zo moest je met de linkervoet het versnellingspook constant opdrukken anders vloog ie uit de versnelling. Na een rit van Erica naar Emmen was ik de enige bromfietser met een vermoeide linkerbeen. Ik versleet van mij linkerschoen de bovenkant in plaats van de zool. Dat zal die dief leren. Voor het spoorwegstation stond ik nog even wat verloren rond te kijken. Het was een groene Ford Escort die redding kwam brengen, met Eric reed ik die middag terug naar Erica.

 

Geschreven door Henk Beukers

2013 September

2013 September

Aanvankelijk was het de bedoeling dat we die vrijdag onze traditionele Hike van 35 km naar Groß Dörgen zouden lopen. Het werd anders. Batman kreeg problemen met zijn rikketik en was hierop alweer druk aan het revalideren. Om nu geen risico te lopen hadden we de route in kilometers enigszins ingekort, namelijk de eerste dertig. We zouden starten in het centrum van Stadt Meppen. DSCF2283Bij de Kochloffel. In deze Imbiss zouden we onze vaatwanden eens lekker in het vet laten marineren. Ook dit ging niet door. De SusScrofa’s zijn geen dag misbaar. Nu was de scoutingvereniging in een acute crisis, een van de leiding wou een paleisrevolutie beginnen. Zo kwam het dat ik ´s avonds om half negen een telefoontje kreeg van Yeti, ik moest maar vast klaar gaan staan, hij kwam me zo halen met de Bumsbullie. Nog even Oei-oei opgehaald en dan vertrokken we toch, het was al donker, eindelijk naar Duitsland. Hoewel Bambam en Batman al veel eerder vertrokken werden ze toch nog voor het hekwerk van onze kampplaats ingehaald. Yeti´s Bumsbullie had meer cilinderinhoud en was toch krachtiger en sneller. Bovendien had hij de sleutel van het hekwerk, dat wel natuurlijk. In het donker werd kwartier gemaakt. De Bambino werd opgestookt en weldra was het behaaglijk warm in de Ketel. Buiten was het donker en binnen was het warm, wat kon je dan nog doen? Juist, daar bleef ons niets anders over dan het beheerst consumeren van enig gerstenat. We kwetterden eerst als een stelletje oude viswijven totdat de braadworstbraadmachine op tafel kwam en onze praatspleten werden gevuld met braadworst. We gingen weer verstandig praten, zoals dat kan na een paar treden bier. Langzaam werden de oogleden zo zwaar als lood. De een na de ander kapseisde in bed. In een laatste poging om nog iets te betekenen ging ik met mijn fototoestel naar buiten om nachtopnames te maken bij volle maan, ook Yeti deed enthousiast mee. Toch moeilijk om de spookachtige sfeer vast te leggen in diffuse maanlicht. Tenslotte werd ook de maan gefotografeerd met zijn kraters. Het werd stil in en om de Ketel. De egeltjes konden weer boodschappen doen.DSCF2321DSCF2425

Zaterdag 21 september 2013.
Batman en Vliegend Hert hadden die ochtendstond al vroeg goud in de mond. Opnieuw toog Hert met zijn camera en statief erop uit om de zon opkomst boven Groß Dörgen vast te leggen. Hij dacht ook de Hasebrucke in dezelfde sfeerbeeld vast te kunnen leggen maar de slagschaduwen van de enorme bomen hield dit tegen. Toch werd een bever gekiekt die als een sleepbootje onder de brug kwam langs tuffen. Terug in de Ketel had Batman het ontbijt klaargemaakt en serveerde die uit aan de inmiddels wakker geworden publiek. Toch waren we die morgen redelijk vroeg op zodat we ook redelijk vroeg aan de expeditie konden beginnen. Ons plan was een bezoek te brengen aan het prachtige dorp Lohe. We waren ver in Duitsland, maar niet ver genoeg. Na nog geen 100 meter kwamen we twee zwagers van Yeti tegen die bezig waren met een klus. Een van de huisjes in Groß Dörgen werd namelijk gehuurd door een zus en zwager van Yeti, thans waren ze bezig om allerlei grindtegels uit een vrachtwagentje te laden. We togen verder naar de oude kampeerplaats. Het weer zat ons mee, door de dichte wolkendek waren er bijna geen schaduwen. Op het oude kampeerplaats stond een bestelauto van de ´Rettungsdienst´. Op de nieuwe aanhanger stond een reddingsboot, ook fonkelnieuw. We hebben al dat fonkelnieuw eens goed besnuffeld. Zag er goed uit. Het terrein werd ook hier langzaam overheerst door de Balsemien. Op het veld richting het Uilenveld stonden diverse Parasol zwammen zwam te zijn. Sommige stonden in een cirkel. Toch moeilijk om van zo´n heksenkring een duidelijke foto te maken. Ook een klein rood vlindertje liet zich maar moeizaam vastleggen op de gevoelige plaat. Op het partizanenpad langs de Hase Altarm werden enkele sfeerfoto´s gemaakt. Want het was immers een prachtige rustige herfstdag met hier en daar een verlate zwaluw. We volgden de Rundweg met de trap omhoog. DSCF2324 DSCF2327We vonden boven een naamplaatbordje die we in al die jaren nog nooit hadden gezien. Heinr. Schlömer Staffel stond op het bordje. Hij hing nog net aan een totaal vermolmde boom. Na een paar forse tikken werd het bordje veilig gesteld, voor het interieur van de Ketel. Even later kwamen we langs de vieze boom. Die stond daar nog steeds trouw vies te wezen. We naderen de openbare weg en trokken richting het Dörgener Moor. Een telefoonpaal trok de aandacht. Een barcode zou ingelezen kunnen worden. Dus niet. Tenslotte werd dan maar een foto gemaakt van de barcode, dan kon de mobiele eenheid dit later nog inlezen. We trokken de drukke straat over, bij gebrek aan Uil moest Batman er als eerste aan geloven. Langs het Dörgener Moor was alles in diepe rust, zelfs een bankje stond er rustig bij. Hier gingen we dan voorzichtig op zitten zodat de bank niet wakker werd. Een versnapering in blik werd genuttigd. We trokken verder door het mais en gele koolzaad beheerste landschap. Vooral het gele koolzaad leverde mooie plaatjes op. Op een driesprong ontstond een discussie over een soort van boom die daar in een oksel van de driesprong stond te staan. Wederom kwam het nieuwerwetse apparatuur te voorschijn. Maar ook nu weer kon al dat digitaal geweld geen uitkomst bieden. De Amerikaanse Eik, want dat was het, kwam niet voor in de Europese bomenbestand. Toch maar goed dat we het zelf wisten. We liepen op een bijzondere pad die aan weerszijden werd omgeven met vruchtbomen. DSCF2333 DSCF2334 DSCF2335 DSCF2341Op een bordje stond ´Appelbomenpad´. Even waanden we ons in Nederland. Waarom een pad met appelbomen in Duitsland die met een Nederlandse naam werd betiteld? Het bleek een liefdespaadje te zijn voor verliefde stellen, die als het moet een appel konden eten, gelijk Eva in het paradijs. Alleen in het paradijs hadden ze geen zwijnen. Vakkundig vraten de zwijnen zich genoeglijk vol met allerlei soorten appels en een enkele pruim. We schatten in dat driekwart Lohe hier moest zijn verwekt. Jammer dat Erica ook niet zo’n soortelijk pad had in het landschap. Het is goed tegen de vergrijzing. We lopen door het dorp Lohe die zich kenmerkte door hun enorme huizen. Echt vakwerk. De een nog groter dan de ander. Hoewel een enkele woning ‘over de top’ was gebouwd konden we zeggen dat de mensen in Lohe niet tot de armsten van Duitsland hoorden. Op het schoolplein van de ‘Katholische Schule’ hielden we op een grote houten bank een korte pauze. We trokken verder richting het dorp Versen. In het gebouw van het ‘Schützenverein’ hebben we in het verleden nog menigmaal een feest gevierd. Nu bezochten we even de schietplaats. In plaats van geblinddoekte mannen zagen we schietrozen tegen de muur. Iets minder spektakel maar ook wel interessant. De mensen aldaar waren zeer vriendelijk en gaven uitleg over het een en ander. Vol met informatie trokken we even later verder richting Groß Dörgen. Het weer bleef prachtig, het begon zelfs warm te worden. Verderop zagen we in het landschap een verhoging van zandwallen. Dit leek verdacht veel op een bunker. In ieder geval werd daar iets gedaan wat het oog niet mocht zien. Voorzichtig betraden we de geheimzinnige plek. Het werd ons snel duidelijk dat hier een smeerboer geheimzinnig hout zat te kloven. Dit werd voor Bambam allemaal teveel, temeer omdat de plek werd omzoomd door hoge maisplanten. Ergens leek bij hem een klep los te springen en kwam het grind in beweging. De overige leden maakten zich snel uit de voeten. We waren niet ver meer van onze Lagerplatz. Terug op onze vertrouwde plek aan de Hase maakten we een kampvuur. Na een paar pogingen begon het hout genoeglijk te branden. Van dit heugelijke feit werd een groepsfoto gemaakt. Met een lege laadklep en warme klompjes aan zakte Bambam langzaam weg in een coma. Het bleef gezellig aan het kampvuur. De inmiddels wakkere Bambam maakte de avondprak klaar in een wok op het kampvuur. In het donker werd nog een sfeerfoto van de groep gemaakt. Dit jaar hadden we ook buren, een groep Duitse mannen met eveneens een kampvuur. Die hadden alleen maar dun waaibomenhout ter beschikking, het kampvuur was te heftig of uit. Bovendien was het bij ons lawaaieriger, gezelliger, zopen meer en was ons kampvuur veel mooier. Maar op gegeven ogenblik koelde het toch behoorlijk af. In de Ketel was het behaaglijk warm en hadden we een gezellige sfeer bij gedempt licht. Jammer dat we geen piratenmuziek op de radio konden krijgen, een grote wens van Bambam. Een leuke groepsfoto werd gemaakt. Die avond wisselden we ervaringen op het gebied van fotografie uit, steeds weer bleek dat we van elkaar konden leren. Ook elkanders fototoestel werd op competentie gewogen. Het werd later tot laat, de diafragma’s werden steeds kleiner. De spelonk voor het sekreet werd nog een keer bezocht. Elk zwijn zocht zijn warme slaapplekje op, het werd weer rustig op het Pilzenkamp aan de Hase.

Zondag 22 september 2013, Klein Reusies tocht.
DSCF2378Deze keer trok Vliegend Hert met zijn fototoestel erop uit om het kwetterende gevogelte op de gevoelige plaat vast te leggen. Het was echter nog te vroeg, het was te donker. Wel lukte Hert om een overzichtsfoto van het kampterrein te maken en maakte hij sfeerfoto’s van de omgeving. Terug in de Ketel deed Hert verslag aan Batman over zijn jongste ervaringen met het fototoestel. Die kwetterende roodborstjes waren te snel in de donkere takken. DSCF2404_2 DSCF2413 Totdat Batman hem onderbrak en naar buiten wees. Op een dikke afrikpaal zat een borst rood te wezen. Vrolijk riedelde het zangvogeltje zijn liedjes af, ondertussen schoot Vliegend Hert het ene plaatje na het ander. Wederom lieten de zwijnen zich op een ontbijt fêteren door de vroege vogels Batman en Vliegend Hert. Die leken zich beter te realiseren hoe snel een weekend voorbij kon gaan, dus lieten ze zich geen kostbare minuut ontnemen. Die morgen trokken we naar het minst bezochte en daarom mooiste gebied van Groß Dörgen. Als Adam en Eva het opnieuw mochten proberen zouden ze het hier doen. Via het Indianenplatz trokken we naar het Hof van Eden. Daar waar de Hase met een enorme lus het landschap al eeuwen in haar greep hield. In dit, met bronsgroen eiken omzoomd, gebied waar koeien grazen in het gouden gras, waar de Meidoornstruiken pronken met hun rode sieraden, waar in de verte de Buizerd het leven toeroept, daar deden vijf SusScrofa’s zich prachtige herinneringen op. Gemaakte sfeerfoto’s probeerden dit te ondersteunen, opdat wij niet vergeten. We liepen zover we konden het Hof in, dat wil zeggen tot aan het prikkeldraad. Achter het prikkeldraad lieten we het Hof verder het Hof wezen. Dat gedeelte achten we het heiligste deel van het Hof van Eden. Bovendien stond het prikkeldraad te hoog, dat wel natuurlijk. DSCF2424_2 DSCF2430_2Verderop stond een Buizerd ons geduldig op te wachten tussen de afrikpalen in het gras. Eigenlijk te geduldig. De Buizerd bleek afgeknapt hout. In de verte hoorden we een Buizerd, of was het een lach? Vlak naast onze schoenen copuleerden twee slakken er lustig op los, d’r moest wel gewerkt worden ja! Yeti deed verderop een zeer bijzondere vondst, een schedel van een heel bijzondere vogel. We konden de vogel niet thuis brengen maar vonden de lach van Bambam erg verdacht. Nog meer sfeerfoto’s werden gemaakt. Jammer dat de serene stilte niet mee te kieken was. We hielden rust bij de OK-Corral. Hier nuttigden we een vloeibare snack. En ja hoor! Eindelijk liet de eerste ree van het weekend zich zien. In het aardappelveld achter een brummelstruik. De eer was gered. Al was de ree wel erg ver weg en moesten we de telelenzen tot het uiterste de sporen geven. Verder werden opnieuw sfeerfoto’s gemaakt en werd een foto gemaakt van een verlegen Berkenzwam. Net als de verzonken boerderij van Wulf stond hij daar rood te wezen. Nog een paar macro’s van zwammen en natuurlijk van een eikel trokken we richting de boerderij van Wulf. Hier bezochten we een bepaalde schuur waar we eerder reeënschedels hadden gevonden. Om ze tegen bederf te beschermen namen we enkele mee voor in de Ketel die zo langzamerhand ook verzadigd bleek te zijn. Je doet wat je kunt nietwaar? De rest van de prachtige nazomerdag hebben we uitgebuikt aan de stamtafel. Het weekend naderde zijn einde. De spullen werden afgewassen of opgeruimd. Een laatste groepsfoto in het koolveld van het septemberweekend 2013 werd gemaakt.
Het zat er op. De egeltjes en konijntjes op Pilzenplatz waren daar niet rouwig om. Dat zal niet lang duren, maar dat weten de beestjes nog niet. Moed broeders, struikel niet. Vliegend Hert

Sint Gerardusschool te Erica

Sint Gerardusschool te Erica

Van 6 tot 12 jaar zat ik op de Gerardusschool op Erica. Mijn vader zei altijd dat slaan een teken van onmacht was. In mijn lagere schooltijd was het bij de meeste meesters en juffen een dagelijkse gewoonte om onmachtig te zijn.  Ze verborgen het zelfs niet eens. Alleen zouden zij stil moeten staan bij het feit dat, als ze kinderen mentaal of fysiek mishandelen,  ze deze kinderen door de vernedering blijvend konden beschadigen. Eigen initiatief of spontaniteit werd toen als een vorm van brutaliteit gezien. Ze vonden het niet passen in een degelijke Katholieke opvoeding. Hun credo was ´Orde en Tucht dragen goede Vrucht´, het was ´zwieg´n en jaknikk´n´. Juffrouw Hofstede was mijn juf in de eerste klas van de lagere school. Ik was zes jaar. Juf was de zus van Akela van de welpen. Het was een lieve juf. In die tijd schreven we nog met een kroontjespen die we moesten dompelen in inkt. Daarvoor hadden alle schoolbankjes een ingebouwde inktpotje. Als je heel mooi schreef mocht je van juffrouw Hofstede met rode inkt schrijven. Dat is me één keer gelukt. Alleen ´s morgens. De middag erop was ik de slag alweer kwijt. Evenals de rode inkt. De tweede klas was de tijd van de Beatles (she loves you yeh yeh yeh) die wij zongen als ´slafjoe yeh yeh yeh´. We hadden meester K., zo’n meester die een jaar aan school verbleef en dan met onbekende bestemming vertrok. Hij vond het leuk om met een heuse ganzenpen te schrijven. Bij hem moest ik een getal opnoemen die hij op het bord had geschreven. Onder grote hilariteit van de klas kon ik het getal niet vinden. Had de meester het getal niet met krijt maar met de borstel op het bord gezet. Dat had ik niet gezien. Wanneer de meester naar een getal vroeg op het bord dan zocht je naar een met krijt geschreven getal. Je wou zo je best doen. Als volwassen man voel ik nog de vernedering. Af en toe hadden we een vervanger voor de meester. Dan hadden we les van juffrouw van der Pluim. Zij was toen een jonge vrouw die getrouwd was met het werk. Ze is oud geworden en vrijgezel gebleven. Zij ging, zoals gezegd, ongebruikt retour. Als juf was ze soms een kreng. Ze gooide met een borstel die hard kon aankomen. Als dank moest je de borstel terug brengen, juf had geen zin in lopen. De vernedering hield niet op. Bij haar bureau stootte ze de stapel dicteeschriftjes op de grond, die moest je dan oppakken. Bij het netjes opstapelen van de dicteeschriftjes sloeg juffrouw van der Pluim toe, letterlijk. Met een liniaal sloeg ze je over de handen. Pas toen was haar wrok gestild. In de derde klas hadden we weer een meester voor een jaar. Hij was pas uit militaire dienst. Een snotaap eigenlijk, zo realiseerde je achteraf. Hij stond recht voor de klas en gaf als een commandant commando’s. Onder zijn arm klemde hij een admiraalsstokje. Had ie gekregen bij het afzwaaien. In de derde klas kregen we als laatste een sinterklaascadeautje. Die mochten we vooraf uitkiezen. Ik koos een vrachtauto beladen met houten balken. Vlak voor Sint kreeg ik te horen dat het cadeautje niet meer in voorraad was. Ik kreeg een tankauto, die was lang niet zo leuk. Het zoontje van een bekende middenstander zag ik met een vrachtauto weglopen, beladen met houten balken. Afijn, zo opeens was de generaal weg. Toen kregen we een meester die mij nog lang heugde. Daar was niks geestigs bij. Hij stond erop dat kinderen op de deur moesten kloppen als ze naar binnen wilden. Menig kind, die door de hoofdmeester voor een boodschapje werd gestuurd, werd bij het betreden van de klas door meneer de pedagoog, ten overstaan van de gehele klas, op een grove manier afgepoeierd. Als je iets verkeerds deed stopte hij je voor straf in de kast. Pas als je als kind bang begon te roepen mocht je eruit. Onze klas was op de eerste verdieping. Deze meester introduceerde het gescheiden traplopen, eerst de meisjes en dan de jongens. Van hem kregen we te horen dat we bij het traplopen absoluut niet naar boven mochten kijken. Toen ik bij het traplopen naar boven keek zag ik niets. Ik snapte gewoon niet wat de meester bedoelde. Opeens vloog ik door de lucht. De meester, een volwassen man, gaf mij een achtjarig kind, met volle kracht, een trap onder mijn achterste. Ik verging zo van de pijn dat ik de rest van de trap heb gekropen. Ik snapte het nog niet en de meester zweeg. Veel later begreep ik dat de meester niet wilde dat we bij de meisjes onder de rokken konden kijken. Het was de dezelfde meester die een naaktfoto van zijn dochter door de klas liet ronddelen. Hij hield je daarbij scherp in de gaten dat je niet lachte. De viespeuk vertrok een jaar later. Hij werd leraar in het voorgezet onderwijs in Emmen. Zijn erfenis bestond uit het feit dat hij me liet zitten. De roedel moeten verlaten is zo ongeveer het ergste wat je als schoolkind kon overkomen. De volgende derde klas kregen we een dikbuikige kettingrokende meester. Hij werd door ons Wammes Waggel genoemd omdat hij een aparte manier van lopen had. Hoewel hij niet vaak mepte was hij niet te beroerd om af en toe een flinke oorvijg uit te delen. Zo kwam Frans Suelmann met carnaval als cowboy de klas binnen lopen. Niet veel later vlogen een holster en hoed door de klas, en Frans had een paar rode oren. De meester hield niet van carnaval. In de vierde klas hadden we weer een meester met losse handjes. Bij een brand in de Tappelse bosjes beschuldigde hij mijn buurjongen Herman van brandstichting. Meester woonde in de bocht naar Klazienaveen en hij had Herman die dag op de fiets de Ensingwijk op zien rijden. De meester speelde voor rechter en had zijn oordeel klaar. Schoolbanken en stoeltjes vielen om. Alle kinderen zochten verschrikt een veilig heenkomen. De meester velde zijn vonnis. In het midden van de klas werd tienjarig Herman door de meester ‘pedagogisch bijgespijkerd´. In de vierde klas speelden we een spel die op honkbal leek, kasteplankje genaamd. Met een breed plankje, inclusief handvat, werd bij het spel een bal het veld ingemept. Dit plankje werd voor de meester een geliefd speeltje. Het betreffende kind, die volgens de meester enig ´opvoeding´ behoefde, werd over de knie van de meester gelegd. Met het kasteplankje sloeg hij dan op het zitvlak. Als je het helemaal te bont had gemaakt maakte de meester voor de ‘opvoeding’ eerst het kasteplankje nat. Dan knijpt het beter door grijnde hij dan sadistisch. Soms werd de meester door een vader aangesproken. Het betroffen kind werd dan plots niet meer geslagen. Maar de laffe meester had een klas vol, snel had hij een nieuwe 10-jarige slachtoffer gevonden. In de vijfde klas hadden we Frater Siardus als meester. De frater kwam dagelijks op zijn Batavus-bromfiets uit Emmen aangereden. De oorvijgen van de frater hadden venijn. Hij sloeg niet hard, maar in zijn hand had hij altijd een sleutelbos. Die kwam alsnog hard aan. Frater Siardus maakte gebruik van een beloningssysteem. Goed gedrag leverde punten op. Op het eind van de week werd een heuse veiling gehouden met punten als betaalmiddel. De frater liet zien dat goed Katholiek onderwijs wel degelijk mogelijk was, het lag aan de uitvoerders. In dat jaar is mij de beroepskeuze bijgebleven. Op een middag moest we opschrijven welke school ons leuk leek. Alle papiertjes werden vervolgens bij de frater ingeleverd. De kinderen hadden er geen notie van dat hun toekomst toen definitief werd bepaald. In die tijd hadden we een sportdag waar de hele school aan meedeed. Mijn prestaties waren die dag ver  bovengemiddeld. Toch ging het zoontje van (reeds genoemde) middenstander met de eerste prijs er vandoor. Zijn prestaties waren toevallig precies gelijk aan die van mij maar met balgooien had ie een centimeter verder gegooid. Eigenaardig hè? In de zesde klas hadden we de hoofdmeester. Bij aanvang van de schooltijd luidde de meester altijd de bronzen handbel. Na het luiden hield hij de bel bij de klepel vast. Ondeugende kinderen konden rekenen op een tikje tegen het hoofd met het handvat van die bel. Hij sloeg niet hard, maar die handvat kwam wel hard aan. Een stuk bonter maakte de meester van de andere zesde klas. Op zich een keurige meester, ware het niet dat hij zijn zelfbeheersing helemaal kon verliezen. Naast het schoolplein hadden we een fietsenstalling. De wanden bestonden uit planken waartussen dikke spleten zaten. Herman Hermans, een negenjarig joch, ratelde met een stok langs de planken. Totdat hem de stok uit handen werd gerukt. De meester sleepte het kind naar het midden van de schoolplein. Alle kinderen op het schoolplein weken verschrikt uit en vormden spontaan een grote cirkel. Tot afgrijzen van elk kind werd Herman Hermans door de meester met de stok ´gecorrigeerd´. De meester had ook geprobeerd mij te vangen, ik was echter sneller. Jaren later won ik medailles op de 100 meter sprint. Van deze meester geleerd. Het was misschien wel de wijze van onderwijs dat hier debet aan was, leuke tijd maar soms leek het op een Spartaanse opvoeding.

Geschreven door Henk Beukers

Bromfietstijd

Bromfietstijd

16 tot 18 jaar is een belangrijk jaar voor een opgroeiende puber. Voor het eerst in zijn leven mag hij op een bromfiets. Ik heb gezien hoe een brave zoon voor de ogen van zijn trotse moeder plaatsneemt op een glimmende maar hopeloos verouderde Batavus bromfiets. Hoogstwaarschijnlijk was het haar oudste zoon die nog niet beter wist. Zoonlief trapte de bromfiets aan en liet het even ronken. Moeder keek vertederend toe. Zoonlief reed weg. Op het eind van de oprit vond hij nodig om nog een ererondje te maken. Prachtig zwierde hij rond in het gezichtsveld van moeder. Om vervolgens tegen een boom op te knallen. Snel pakte hij de bromfiets op en reed weg. Het windscherm een beetje scheef,een kras op het spatbord en een deuk in zijn ego. Zelfs een groepje grijnzende tieners zag hij niet. Mijn maidentrip met de bromfiets was die vanuit Emmen. Ik had kans gezien om uit de vele tweedehands bromfietsen hete ergste wrak te kiezen. Maar dat wist ik toen nog niet. Trots als een pauw reed ik naar Erica. Een wereld lag voor ons open. We konden gaan en staan waar we wilden. In die tijd kon je nog voor 6 gulden de tank volledig vol gooien. Met een beetje geluk bij fietsenmaker Wietze Moorman voor een gulden. De tankautomaat begon bij een enkel ingeworpen gulden al te pompen, daarbij moest je de hendel iets naar beneden duwen. En je kreeg dan een volle tank voor slechts een gulden. D´r moest nog wel olie in. Maar zie, FietseWietze had ook een winkeltje, laat hij nu precies die olie verkopen! Bij elk verkochte blikje olie belde Wietse de onderhoudsmonteur om naar die verrekte automaat te kijken. Ja ja, Wietse was niet gek. Steevast verzamelden we ons zaterdagavond in het gebouw. We dronken daar een pilsje of wat en keken rond of de groep compleet was. Dan trokken we er op uit. We hadden al snel onze vaste ronde. Eerst naar Weiteveen, naar de Anjo bar. We stonden langs de dansvloer om de meisjes te bekijken. Of om met een meisje te dansen. Ze werden echter al weer snel afgekeurd. Reden? De meisjes waren al twintig jaar! In onze ogen bejaarden. Het was altijd erg druk in Anjo. Soms werd er gevochten. Al snel beseften wij dat het altijd dezelfde figuren waren. De gebroeders Imming zochten vaak bonje, maar ook een groepje jongens uit Klazienaveen. De laatsten hadden altijd ruzie met hunzelf. Bij zo’n vechtpartij was het ritueel ook altijd hetzelfde. De obers pakten het zooitje met kop en kont op en smeten ze subiet naar buiten. Soms mochten ze maanden niet meer de bar bezoeken. Terecht, het waren toch een paar verknipte figuren die vechtersbazen. Na een uurtje in Anjo reden we door naar Nieuw-Schoonebeek. Daar hadden ze een jeugdsoos in een oude school. De soos heette Ruhma Permuda. Indonesisch voor Ons Huis had ik me laten vertellen. Je kwam in een donker hok met knalharde muziek en bovenal goedkoop bier. Kortom, we voelden ons daar snel thuis. De katholieke Nieuw-Schoonebekers waren ons slag volk. Bovendien waren de meisjes leuk. Mede door ons bezoek draaide de jeugdsoos als een tierelier. Na een jaar moest de voorraadschuur met kratten bier uitgebreid worden. Die werd tegen de toiletten gebouwd. We hadden al snel door dat je door het kantelraampje een flesje bier uit een krat kon vissen. Wat moesten we toch vaak naar het toilet! Natuurlijk duurde dat niet lang. De omzet daalde in Ruhma Permuda, dat viel op. Net als de toiletgang van de Ericanen, waren die lui lek ofzo? Wat de Nieuw-Schoonebekers ook opviel waren de lege bierflesjes in de voorraadschuur, precies een arm lang om het raam. Toen was onze feest afgelopen, de bierkratten werden aan de andere kant opgestapeld. Natuurlijk dronken we wel eens teveel. We hadden dan zoveel medelijden met onszelf dat een kleine reden genoeg was om ons te doen laten huilen. Zo ook die keer met Kerstmis. Frans en ik hadden al een flink aantal van die goudgele rakkers op. Komt de barman met een paar enorme kerstballen binnenlopen. Vlak bij ons gleed een kerstbal uit zijn handen. We keken verschrikt toe. Tot onze verbazing brak de kerstbal niet in duizend stukjes maar stuiterde terug in de handen van de barman. We hadden zoiets nog nooit gezien. Frans en ik keken naar onze flesjes bier en toen naar elkaar, we begonnen spontaan te huilen. Wisten wij veel dat ze die ballen van hard plastic maakten. Toen raakte Frans in paniek. Huilend zakte hij over de barkruk en keek naar de vloer. ‘Bloed’, schreeuwde hij, ‘ik geef bloed op’. Pas na lang aandringen van toegestroomde Nieuw-Schoonebeekers werd Frans zich langzaam ervan bewust dat de bloedvlekken op de vloer eigenlijk verfspatten waren van de laatste opknapbeurt van de bar. Na Ruhma Permuda trokken we naar ‘Oud’ Schoonebeek. Ook daar hadden ze een jeugdsoos. In een oude melkfabriek. Het heette Goeroe en het was er best wel gezellig. Natuurlijk super socialistisch en een beetje veel idealistisch, maar daar hielden we wel van. Een bezoek aan Goeroe duurde nooit lang, dat lag niet aan Goeroe maar meer aan het feit dat we onderhand behoorlijk kachel waren. We moesten terug naar Erica. Dat was nog een hele toer. Tussen Erica en Schoonebeek werd een weg aangelegd die toen alleen nog uit een enorme baan van geel zand bestond. Daar doken we letterlijk met de kop in. Zo’n vijf kilometer door het rulle gele zand, in het donker, op de bromfiets, werd een rit om nooit meer te vergeten. Toen we dan eindelijk op Erica aankwamen waren we niet alleen dodelijk vermoeid maar ook wandelende zandzakken. Noem maar een plek op ons lichaam, geheid dat het vol zat met geel zand. De volgende dag werd je steevast wakker met een flinke kater. Dan had je soms ook nog een klus die je niet voorbij kon laten gaan. Zo had ik Loewe beloofd om de morgen erop mee te gaan om een veulentje te bekijken in Schoonebeek. Komt daar Loewe aanrijden met een LanzBulldog tractor met een kar er achter. Zo’n oude eencilinder tractor bonkte als een schichtige ezel en je werd constant door elkaar geschud. Tegen de tijd dat we bij de boer in Schoonebeek waren had ik inmiddels de kleur aangenomen van de tractor, die was blauwgroen. Even later stonden we daar gedrieën in de wei naar het veulentje te staren. Ondertussen hield de boer een verkooppraatje. Loewe knikte af en toe tevreden. Ik knikte omdat ik misselijk was. Terwijl de boer keuvelde en Loewe knikte draaide ik me om en braakte de gehele maaginhoud in het groene gras. Om mij daarna weer in het gelid te voegen en vrolijk met Loewe mee te knikken. Na het praatje van de boer deed geen van drieën een stap achteruit maar liepen in een kringetje om Tat-Ort. Dat wel natuurlijk. Van de Bromfietsjaren hebben we allemaal mooie herinneringen aan overgehouden. Het viel niet altijd mee om de dag erna het hoofd erbij te houden.

Geschreven door Henk Beukers

Hanenbietersbuurt

Hanenbietersbuurt

We spreken van Erica omstreeks 1920. De Havenstraat zag er toen heel anders uit. Aan beide zijden stond een bomenrij en was de Havenstraat veel smaller. Het verkeer was destijds lichter en langzamer. Gek genoeg proberen ze tegenwoordig hetzelfde effect te bereiken met versmallingen en drempels. Hadden ze de Havenstraat zo gelaten als toen dan hadden we geen denderende vrachtauto´s in het dorp gehad, dan waren er geen rusteloze jakkeraars. Niet elke verandering is verbetering blijkt maar weer. In 1920 was de Havenstraat beduidend minder bewoond. Op de hoek Havenstraat / Veenschapswijk stond het winkeltje van Jans van Os. Het huisje staat er nog en het winkeltje is nog goed herkenbaar. Havenstraat2Iedereen op Erica kende Jans van Os als Beelden Jans omdat hij in het winkeltje ook beelden verkocht. Later toen hij last kreeg van reumatiek kenden ze hem op Erica beter als Stieve Jans. Naast Beelden Jans stond een heel oud klein huisje. Aanvankelijk woonde daar Beelden Jans in tot zijn winkeltje klaar was. De bedoeling was om dan het huisje af te breken. In plaats daarvan ging hij het huisje verhuren. Zo kwam daar Marie van tante Kneele te wonen. Marie was pas getrouwd met een van Roewe. Het huisje was nog kleiner als die van Herman en Meta. Naast een beddenstee was er verder nauwelijks ruimte voor een paar meubeltjes. Tegenover het kerkhof woonde Wever. Die was jager en schoot in het veld op alles wat bewoog en op alles wat niet bewoog. De hagel uit zijn jachtgeweer rinkelde wel eens van onze dakpannen. Zo’n honderd meter naar achteren stonden een vijftal woningen. In het huisje waar later Willem Wessel zijn woning bouwde woonde Oleid met haar zere ‘huppe’. Nog verder naar achteren naast het vijftal huisjes woonde Titus Willem de Vries waar later Gustin kwam te wonen. Op de plek van Grote Minne Beukers woonde toen een Mazenier. Naast het pad die naar de huisjes achteruit liep woonde toen Middendorp waar later groenteboer Arling woonde en nog later Hanenberg met Iene Ooge. Naast het kerkhof aan de noordkant stond het huis van Oude Jans van Os. Naast Oude Jans stond een dubbele woning waar later Hofstede kwam te wonen. Aan de kant van Oude Jans woonde Jan Beuker, in de andere helft woonde Grote Gradus de Vries. Een geliefde bezigheid in die tijd was de volgende zin in een snel tempo opdreunen: ‘Grote Gradus graaft grote gruppen, grote gruppen graaft Grote Gradus’. Niet alles aan Grote Gradus was Gradus. Grote Gradus had namelijk een houten voet. Titus Willem de Vries achter in het veld moest oom zeggen tegen Grote (Titus) Gradus. Een tante van mij is ook naar Grote Gradus vernoemd: tante Thea (Titia). Grote Gradus de Vries was getrouwd met een Boersma uit Friesland. Dat maakt dat Grote Gradus ook familie van mij is. Mijn overgrootmoeder van Pa’s moeder kant was ook een Boersma. Namelijk een zus die later Katholiek is geworden en was getrouwd met Christaan Wilhelmus Sets.. Pa kan zich nog wel herinneren dat vroeger in huis soms Fries werd gesproken. Grote Gradus zijn vrouw was chauvinistisch zoals Friezen nu eenmaal kunnen zijn. Op haar sterfbed vlak voordat ze haar laatste adem uitblies sprak ze haar laatste woorden: ‘Fryslân boppe’. Wat zoiets betekende als Friesland boven. Bekend was toen de zin: ‘Fryslân boppe en Grins yn’e groppe’. Frieland boven en Groningen in de gruppe. Hoezo chauvinistisch? Schuin tegenover Grote Gradus woonde Koop de Vries. Dezelfde achternamen maar geen familie van elkaar. Koop was wel familie van slager de Vries op Erica. Later droeg een grote winkel zelfs zijn naam. Koop woonde in een oud huisje tussen waar later Hanenberg en Stuurwold woonden. Verder was de Havenstraat ‘roege veld’. Overal velden waar turven lagen te drogen. Hoewel turf in overvloed waren de mensen toen niet te beroerd om een turfje achterover te drukken. Wanneer bij mensen turf werd afgeleverd kwam het nog wel eens voor dat enkele turven van de kar vielen. Zulke turven werden dan door anderen achter een boom gelegd en later opgehaald. Ook kwam het voor dat van het veld droge turven ‘zomaar’ waren verdwenen. De hoeveelheid verdwenen turf was vaak precies de hoeveelheid wat op een kruiwagen paste. Uiteraard bleven toen conflicten niet uit. Achter de dubbele woning van Grote Gradus liep een pad naar achteren, hieraan stond een oude keet waar Gradus ooit woonde. Later woonde daar Koba van Tellingen, toentertijd op Erica beter bekend als Koba Smeer. Om het huis van Koba Smeer zag je behalve haar schreeuwende kinderen vooral veel veld. Op het veld lagen veel turven te drogen. Ook achter Koop de Vries liep een pad naar achteren waar later Schnieders kwam te wonen. Ook hier enorm veel drogende turven op het veld. Grote Gradus en Koop de Vries hadden een belangrijke overeenkomst. Hun bezigheid. Ze hadden altijd ruzie, en wel met elkaar. Maar er waren meer overeenkomsten tussen die twee. Beide hadden soms moeite met Mijn en Dijn, dan liep er weer een in de schemer met een kruiwagen over het veld te zeulen. Om zich dan snel uit de voeten te maken, inclusief een houten. Bij beide brandde die avond de kachel op droge turf. Over branden gesproken, beide karakters waren voorzien van een kort lontje. Edoch, het meest pikante overeenkomst tussen die twee lag in het feit dat ze beide in bezit waren van een jachtgeweer. En zo kwam het voor dat Grote Gradus op een mooie zomernamiddag door de geopende vensters bij Koop de Vries de porseleinen kopjes van de eettafel schoot. Overeenkomstig het korte lontje van Koop de Vries liet een gepaste antwoord niet lang op zich wachten. Op Erica was toen het conflict tussen die haantjes het gesprek van de dag. Het liet niet lang op zich wachten voordat de bevolking van Erica een gepaste naam voor de buurt had verzonnen. Sindsdien staat dat gedeelte van de Havenstraat bekend als de Hanenbietersbuurt. Toen ik als achttienjarige een vakantiekaart kreeg van mijn toenmalige vriendin had zij mijn adres vergeten. Toch schoot haar iets te binnen van een verhaal wat ik haar ooit vertelde en hoe mijn buurt aan de naam was gekomen. Zelfs de naam van de buurt was ze vergeten. Ze adresseerde de kaart met Beukers in de Hanenpikbuurt. De kaart kwam aan! Van alle Ericanen was er maar eentje die de post feilloos op de plaats van bestemming kreeg: postbode Hemel. Hij kon zich de naam van de buurt nog herinneren: Hanenbietersbuurt.

Geschreven door Henk Beukers

Erica 150 jaar

Er is weinig bekend van het jubileumfeest toen Erica 75 jaar bestond. Zo´n 20 poorten over de straten versierden het dorp. Met die enorme vrachtauto´s  zou dat tegenwoordig niet meer kunnen. Zo´n poort werd opgebouwd uit houten steigerpalen. Hierom werd kippengaas gewikkeld. In het kippengaas werd heide gestoken. Nadat de poort volledig was bedekt met heide werden de bewoners gevraagd bloemen ter beschikking te stellen. In de heide werden vervolgens de verzamelde bloemen gestoken. Van de poort bij de T-splitsing Kerkweg-Verlengde Vaart is bekend dat van stukken panlatten de cijfers 75 waren gemaakt.  Ook een optocht ontbrak niet. In die tijd was het gebruikelijk dat het feest door herauten te paard met een hoorn werd aangekondigd. De optocht begon met boeren te paard. De paarden waren versierd. Hierna volgden de fietsen. In de spaken werd gekleurd papier gestoken. Hierna volgden de versierde karren. Hierbij werd hoofdzakelijk heide als thema gekozen. Per slot van rekening was het dorp hieruit onttrokken en had het hiervan haar naam te danken. Het was natuurlijk ook het materiaal wat het meest voor handen lag. Veel en goedkoop, de beurs was in die dagen aanmerkelijk kleiner dan die van tegenwoordig. Kenmerkend van vrijwel alle karren in de optocht van 2013 was dat heide of veen niet meer als thema werd gekozen. Veen is niet meer het enige aspect dat de geschiedenis van Erica bepaald. Ook de zuid-oost hoek van Drenthe heeft een periode van ontwikkeling en industrialisatie doorgemaakt en maakt dit nog steeds door. Toch mogen we niet vergeten dat we turf hebben gegeten, dat we veen in onze bloed hebben. Van menigeen kon men in 1939 zeggen dat hij de ontginning van veen als nering had en dit logischerwijs als thema koos voor een jubileumfeest. Het zijn in 2013 de kunstwerken Kanaalgravers maar vooral Duizend Scheppen Schiepen die ons hieraan doen herinneren.

Geschreven door Henk Beukers

7 of 16
34567891011