Posts by: H. Beukers

Bomen op Erica

Bomen op Erica

Wat was de Kerkweg vroeger toch een mooie bomenrijke straat. Aan beide zijden van de straat stonden grote eikenbomen. Je reed als het ware door een groene tunnel. Fietsers die naar Emmen gingen werden steevast getooid met de slagschaduwen van de zon uit het groene bladerdek. Ook bij diverse huizen aan de Kerkweg stonden honderdjarige eiken. Die dubbele rij bomen begon bij bakkerij Kolker en liep door tot aan de splitsing met de Havenstraat. De bomen werden alsmaar groter en de schaduw van het bladerdek  bereikten de nabijgelegen huizen. De mensen wilden om begrijpelijke redenen meer licht in huis. In een paar weken was het gebeurd. De Kerkweg werd afgezet en de houthakkers kwamen. Aan de gehele westkant van de Kerkweg werden de bomen gekapt. Honderden bomen. De mensen hadden eindelijk meer licht bij huis. Maar de Kerkweg stond in zijn blote kont. Alsof dit niet genoeg was kwam de Voorzienigheid ook nog een handje helpen. Op 13 november 1972 werd Nederland getroffen door een storm, de Novemberstorm. Ons huis stond toen nog op de vlakte, we kregen de volle laag. De glazen kas met planten verdween in een seconde tijd door een enorme windstoot. Een wolk glassplinters verdween in een kakofonie van stormgeluiden. Ik vroeg aan Pa die de kas nakeek of hij het erg vond. ´Ik kon d´r moeilijk met de pet veurstaon´, was zijn nuchtere antwoord. We keken naar buiten en zagen iets merkwaardigs. De garagedeur van de buren was door de storm losgerukt en werd gek genoeg overeind gehouden door de wind. Als een houten Klaas liep de deur richting Havenstraat. Bij de weiland voor ons huis stapte de deur als het ware over het prikkeldraad, om vervolgens in het gras neer te ploffen.  Ma riep, ´Gottegot, d´r lup ok nog iene buut´n´. Ze keek eens beter. ´Verrek, het is onze Wim´. Wim trotseerde de storm en wapperde in de wind. Tegen mogelijk vallende dakpannen had hij zich getorst met een valhelm. Af en toe werd de valhelm met Wim een paar meter opzij geblazen. Tot Pa het jong weer naar binnen sleepte. Aan de Havenstraat zagen we de bomen op het openbare kerkhof vervaarlijk heen en weer zwiepen. Het duurde niet lang of ze vielen om als dominostenen. Het Kerkenbos onderging hetzelfde lot. Het kerkenbos zoals wij die kenden was niet meer. Het bos met zijn wandelpaden en enorme beuken en eiken was een slagveld. Soms had de stam van zo´n woudreus het halve pad in zijn val meegenomen of zelfs meerdere bomen. Soms hingen de bomen laveloos tegen een andere bomen. Het bos was onbegaanbaar door de vele takken en gebladerte. Onze bos met zoveel mooie herinneringen was door de storm vernietigd. Het was een ramp. Wekenlang jankten de kettingzagen en werd op een boom niet gekeken. Sindsdien zijn veel bomen op Erica verdwenen. Typisch hierbij is dat op de plek waar de boom ooit stond geen nieuwe boom werd geplant. Eigen belang ging voor het gemeenschappelijk belang. Dan werd zo´n monumentale boom toch als lastig gezien. Ondanks dat de boom er veel langer stond dan het huis. Had het huis dan niet gekocht zou je dan zeggen. Zo werd aan de Kerklaan geprobeerd met opzet een boom te laten afsterven. Een circulaire snede in een grote eik is daar nog  een stille getuige van. De dader stond er om bekend en kreeg zijn straf. Bij de Katholieke lagere school moesten eerst parkeerplaatsen komen, later werden naast de school nieuwe huizen gebouwd. Dat ging vaak ten koste van enkele enorme monumentale bomen. Een paar jaar geleden sneuvelden aan de Kerklaan nog een paar bomen door een enorme windstoot. Ook hier werd geen enkele boom vervangen door een nieuwe. De mooiste straat van Erica wordt steeds minder lommerrijk. Dat zal ongetwijfeld weer gevolgen hebben voor de huizenprijzen. De Kerklaan gaat steeds meer lijken op de Ericaase Markt, hier en daar een kraam. Vergeleken met de bomen aan de Kerklaan heeft de Havenstraat lang niet zoveel schade opgelopen, bij lange niet. Maar aan de Havenstraat moesten wel zo´n stuk of tien eikenbomen op het openbare kerkhof er aan geloven. Een paar dagen gejank van kettingzagen en het was gebeurd. Wat maar weinigen weten, de Havenstraat was ooit aan beide zijden voorzien van een bomenrij. Dit gold ook voor de Ericaase straat richting Zuidbarge. In 1955 werd de Havenstraat verbreed. De aanwonenden waren niet alleen hun tuin kwijt, aan de oostzijde van de Havenstraat werden alle eikenbomen omgekapt. Een heuse karaktermoord op een dorp. Een ‘deskundige’ beoordeelde dat alle bomen aan de oostzijde van de Ericaase straat ziek waren. Die werden ook allemaal gekapt. Gemeente Emmen gaat de Rotterdam van Drenthe worden. Alles groot en nieuw, oude gebouwen maar ook de oude bomen moesten verdwijnen. De bomen met een stamomtrek van een meter worden vervangen door bomen met een omtrek van 15 centimeter. Na 10 a 15 jaar wordt ook deze weer omgelegd. Waar blijft dat hout eigenlijk? Een zakje brandhout bij Garage Grooten in Emmen kost 3 euro. Met al het gesnoeide hout in Gemeente Emmen gaat het dus om enorme bedragen. Dan rijst de vraag wie het snoeibeleid in de Gemeente bepaald: de deskundige of de boekhouder. Het openbare kerkhof op Erica is omzoomd met een prachtige honderdjarige beukenheg die door hoveniers decenia lang liefdevol werd onderhouden. Zelfs mijn vader had zestig jaar geleden hieraan meegeholpen. Maar het onderhoud was te duur. Van de Gemeente moest er een grote tractor komen met een enorme hydraulisch snoeigevaarte. Zet op z´n monster een goedkope puber en de gevolgen laten zich raden. De antieke haag was in notime naar de bliksem geholpen. Niemand zegt wat, niemand doet wat. ´Goedkoop met behoud van kwaliteit´, horen we de Gemeente dan zeggen. Het eerste woord heeft de nadruk en de rest gelooft geen mens. Voor in het kerkenbos stonden sinds jaar en dag twee enorme beuken als vertrouwde wachters beuken te wezen. Wanneer je ´s avonds het bos uitliep zag je als laatste de beuken met op de achtergrond de kerk. In de schors van een der beuken stonden onze namen gekerfd in de jeugdtijd. Vlakbij in de voormalige kippenhok van de pastoor hadden de welpen hun onderkomen. Als tienjarige welp heb ik daar prachtige momenten beleeft. De opkomst begon onder de enorme kroon van de beuk waarbij de Akela riep om haar welpen. In het dichte bladerdek van de beuken waar we ooit boer Vennedunker voor rooie hadden uitgemaakt en bijna uit de beuk waren gevallen van het lachen. De beuk waar neef Harry ooit was uit geflikkerd en als toegift de tak op zijn kop kreeg. De twee beuken, ze zijn verdwenen, samen met de appelbomen van Mariechie, de bomen tegenover de vroegere Boerenleenbank, de bomen langs de akkers achter ons huis. Het kerkenbos zal het zonder zijn wachters moeten doen. Want net als bij de rest zullen ook hier geen nieuwe bomen worden aangeplant. Erica is straks overzichtelijk, op een stoel. Van alle bomen op Erica zijn zo´n 150 eeuwelingen verdwenen. Het dorp Erica bestaat 150 jaar, dat is voor elk jaar een boom.

Geschreven door Henk Beukers

Winkelweek op Erica

Winkelweek op Erica

Wat waren we in September opgewonden als op Erica de winkelweek begon. We waren bijna niet meer stil te krijgen. Eindelijk verlieten we ons huis. Inmiddels was het pikdonker. Heel in de verte kon je het geluid horen van de kermis. Jawel, Erica had een heuse kermis. Met een draaimolen, oliebollenkraam, haringtent en natuurlijk de botsautootjes en een zweefmolen. We werden gek. Pa en Ma zochten voorzichtig een weg op het sintelpad naar de Havenstraat. In het donker kon je makkelijk je voet verzwikken op een onwillige sintel. Ondertussen renden we als jonge honden om hen heen en genoten we van de heldere sterren aan het firmament. In die tijd was er nog geen lichtvervuiling. Eindelijk bereikten we de Havenstraat. Op een seintje van Pa mochten we de straat oversteken. Een kilometer verderop zagen we de brug van Erica. Met grote ogen keken we in de verte. Als je goed keek zag je gekleurde lampen. Om vervolgens bij de kraag gegrepen te worden door Pa. We zouden zomaar als dolle honden vooruit rennen. We bereikten de Kerklaan. In de winkel van Geraets brandde geen licht meer. De gekleurde lampen kwamen echter steeds dichterbij. Met de lampen ook het geluid van de kermis. Bij de Aral benzinepomp van Heyne op de hoek van de Duikerstraat werd de kermis al bijna oorverdovend. Wauw, wat een licht. Overal stonden palen met gekleurde lampen, het leek wel kerstmis. Bij kapper Görtz kregen we de eerste schrik te pakken. Op een kar stond een levensgrote olifant in een nis geparkeerd. We kropen bijna in de broekzak van Pa. Grote goedheid, waar kwam zo´n groot beest zo snel vandaan? Snel liepen we door. Bij de Boerenleenbank kon je de drukte van al die mensen goed zien. De meesten liepen naar de brug. Daar was de Ericaase markt, links en rechts van de straat aan de zuidzijde van het kanaal. Er was er zo druk, je kon over de koppen heen lopen. Overal mensen, overal licht, overal lawaai, we keken onze ogen uit. Pa en Ma hadden moeite het gezin bij elkaar te houden in de krioelende drukte. In Joop Huizing zijn kraam stond een grote pan heet water. In het dampende water dreven tientallen rookworsten. Joop viste af en toe een rookworst uit de pan, deze werd op een snijplank gelegd. Een scherpe mes en een vaardige hand deed de rest. Even later belandde een halve rookworst in een puntzak. Mosterd erbij? Joop verkocht ze aan de lopende band. Pa vroeg aan mij of ik een halve rookworst lustte. De hemel brak open en het engelengeschal overtrof het lawaai van al die mensen. Ik was gek op rookworst. Even later liep een tienjarig glunderende ik met een puntzak rookworst. Geen mosterd erbij, alleen de rookworst proeven. Wat heb ik genoten. Langzaam schuifelden we langs de diverse kramen. Bij garage Luth stond een motor met een zijspan. Harly Davidson stond op de tank. Het was een rode motor met veel chroom. Eigenaardig, de versnellingspook zat rechts van de benzinetank. Nog eigenaardiger, er zat een achteruitversnelling op. Te koop voor 500 gulden. Die Luth kon zijn verstand wel niet hebben. Die motor werd die avond natuurlijk niet verkocht. Naast de motor stonden een paar reusachtige honden. Gooi er een zadel op en je kon ermee wegrijden. Het bleken Sint-bernardshonden. Met grote ogen hebben we die beesten een tijd bekeken. Dat was wel wat anders dan onze Lexie. We liepen terug naar de brug, staken de Pannenkoekendijk over en liepen richting de trambrug. Ook hier stonden langs het kanaal allerlei kramen. Het eindigde in een oliebollenkraam waar enkele lieden met luide stem hun waar aan de man brachten. Terug naar de brug, het centrum van al die drukte. Joop stond daar nog steeds worst te snijden. We gingen naar de kermis gelegen naast de Raiffeisenbank. Daar stonden toen nog geen huizen. Voor de ingang van de kermis stond een viskar. Van Pa en Ma mochten we een vissie eten. Tjongejonge, dat was wel iets anders dan een eetlepel levertraan, we konden onze geluk niet op. Wat was dat toch een mooie tijd, de winkelweek van Erica. Ik koos een zure haring. Op een stuk wit papier werd me een zure haring aangereikt. Een joekel. Leek wel een walvis. De haring smaakte verrekte goed. We liepen het kermisterrein op. Een kakofonie aan geluiden. De ene kraam overtrof de andere in volume van muziek. Af en toe schreeuwde een kraameigenaar enthousiast in de microfoon. Iemand had een prijs gewonnen. Even later zag je een glunderende man met een geel pluchen beer in de hand. We liepen verder het kermisterrein op. Overal flitsende lichten en overal harde muziek. Vol ontzag keken we naar de zweefmolen. Je zag allemaal draaiende schilderijen en rijen lampen. Aan kabels hingen stoeltjes met mensen. Daartussen liep een man die af en toe een stoel tegen hield, vaak met een leuk meisje. Wanneer de man de stoel losliet lanceerde de stoel met het meisje de duisternis in. Een wegstervende gil naar boven begeleidde deze. Gelukkig kwam achter de draaimolen het meisje weer terug uit de duisternis en zoefde het stoeltje terug in mans handen. De handeling herhaalde zich. Als schotels zulke grote ogen keken we naar het schouwspel. Voor geen goud kregen ze ons in die stoelen. We naderden de botsautootjes. Dat leek ons wel leuk. Zomaar met een autootje rondrijden. We begonnen tegen Pa en Ma aan te zeuren. Daar moest je op tijd mee beginnen anders duurde het alleen maar langer. Na lang genoeg te hebben gejengeld mochten we van Pa en Ma een keertje in de autootjes. Ella, mijn jongste zus, mocht ook mee. Ma riep naar Jos, “houl heur maar ‘n bietie vast”. Ella zat trots naast Jos. Jos hield Ella een beetje vast. Muntje in het gleufje, de pedaal ingetrapt. We wachten op het moment dat de autootjes in beweging kwamen. We stonden er niet bij stil dat het botsautootjes waren. Met nadruk op bots. Jos was nog geen drie meter weg of hij werd frontaal geraakt door een tegenligger. Het lachende vrolijke blonde meisjesgezicht van Ella kwakte hierbij vol op de dashboard van de botsauto. Tussen de botsautootjes beende een moeder naar de plek des onheils. Ella had een fikse snijwond aan de kin en bloedde vol overgave. Ella loeide boven het kermismuziek uit. Daar toog de familie Beukers van de kermis. In hun midden  een meisje met een zakdoek tegen haar kin. Hup, naar dokter Huisman. Ma plukte de overige kroost weg van de oliebollenkraam. Aan het gezicht van Ma hadden we door dat jengelen op dit moment geen zin had. Allemaal de schuld van Ella. De familie Beukers werd bij dokter Huisman ontvangen. Niet veel later liep de familie Beukers terug langs de Havenstraat naar huis. Langzaam doofden de lampjes in de verte, langzaam stierf het geluid weg. De sterren aan de hemel kregen weer de overhand. Voor ons liep Ella, haar kin versiert met een grote pleister. Het was weer een jaar wachten op de mooiste winkelweek van de wereld.

Geschreven door Henk Beukers

‘t Keldertje Erica

‘t Keldertje Erica

In de jaren zeventig en tachtig hadden we op Erica een heuse discotheek. In het parochiehuis van de Katholieke Kerk, het Gebouw genaamd. Joop, een achterneef, was de beheerder van het Gebouw. Joop vond het goed om achter het toneel een dansgelegenheid te creëren. Het werd Koitiana. Gerund door vrijwilligers die waarschijnlijk een leuk zakcentje eraan over hielden. Natuurlijk deed Joop het ook niet voor niets. Het werd een heuse dancing met snoeiharde popmuziek in een donkere omgeving. Het werd een groot succes. D’r waren momenten dat je over de koppen kon lopen. Bier kwam niet uit de tap maar werd per flesje verkocht. Roken was in die tijd heel normaal. Iedereen pafte erop los, op gegeven ogenblik was het in het zaaltje mistig van de rook. Zo´n gelegenheid trok veel volk aan. Vanaf het toneel kon je zo de grote zaal inlopen. Daar stond de bar van Joop. Niet alleen tapbier was daar verkrijgbaar, Joop runde ook een snackbar. Sinds Koitiana deed Joop daar goede zaken. Soms moest je lang op je beurt wachten voor een frikandel, zo stervensdruk was het daar. Alsof Joop het nog niet druk genoeg had, bestelde mijn toenmalige kameraad Herman 5 frikandellen. Alleen niet in 1 keer. Telkens wanneer Joop hem een frikandel voorzette bromde Herman, ´Wo´j d´r nog iene in gooi´n Joop’? Bij de vijfde frikandel hief Joop radeloos zijn armen in de lucht, ‘Blief ie zo deurgaon’? Joop had namelijk nog veel meer te doen, vooral biertappen voor zo’n dertig dorstige kelen. Joop’s prijzenlijst was zo’n zwart plastic bord met gleuven met daarin witte schuifletters. Trots hing het aan de muur bij de ingang. Je kon de cijfers en letters zo uit de gleuven schuiven. Traditiegetrouw werd de prijzenlijst door de gasten aangepast op eigen budgettair niveau. Bovendien werd van ½ KIP altijd een ½ PIK gemaakt. Vonden we leuk. Elk daaropvolgend weekend had Joop zijn bord weer keurig herstelt zodat wij weer ‘origineel’ konden doen. In de discotheek werd geheimzinnig gepraat over iets nieuws. Marihuana , een verdovend goedje. Marihuana was al gemeengoed bij Tim Pan Ally in Emmen of bij Paralaxis in Coevorden. Daar werd je van de lucht bij de ingang al high. Ja hoor, op Erica hadden we `ervaren´ marihuanarokers. Tot ik tegen een paar vriendinnen zei dat ik aan marihuana kon komen. Als je hierbij geheimzinnig keek en met je ogen loenste werd je subiet geloofd. Volgende week zou ik genoeg meebrengen. De prijs? Het was voor niets. Die week erop ging ik naar het kerkenbos. Ik verzamelde een zak droge eikenbladeren. De bladeren werden verkruimeld. Het volgende weekend klampten de ‘deskundige’ vriendinnen aan me vast. Met gretige ogen keken ze in mijn geheimzinnige gezicht. Ze fluisterden vragend of ik marihuana bij me had. Natuurlijk had ik dat. Ik zei erbij dat ze de marihuana door de tabak moesten draaien en daar een torpedovormige sjekkie van moesten draaien. Ze trokken hun neus op, dat wisten zij als ervaren gebruikers immers al lang. Niet veel later stamelde een vriendin dat ze al iets voelde terwijl ze de rook diep inhaleerde en vervolgens uitblies. De ruimte vulde zich met de geur van openhaard. Tegen de tijd dat ik lachend uitlegde dat ze eikenbladeren zaten te roken had ik twee vriendinnen minder. Wat ook leuk was in de discotheek was een pijp roken. Nou ja roken, je stak een pijp met tabak aan en blies dan krachtig in de kop van de pijp. Uit het mondstuk spoot een dikke walm rook. Binnen een paar minuten zette je de dansvloer in een dikke mist. Degenen die verkering hadden zaten mekaar ongegeneerd af te lebberen langs de dansvloer. Degenen die geen verkering hadden keken toe. Zoals gezegd liep Joops tent als een tiet. Dat trok verkeerde volk aan. Toen had je ook mensen die niet voor het plezier uit gingen maar om herrie te schoppen. Daar moest Joop niets van hebben. Joop was een zachtaardige man en niet groot gebouwd. Om indruk te maken liet hij zijn baard groeien. Het mocht niet baten. De ruziemakers kwamen in die tijd uit Weiteveen, een dorp verderop. In hun uppie waren het prima lui, in een grotere groep werd het geheid ruzie. Menigmaal moest de politie er aan te pas komen om de gemoederen tot bedaren te brengen. Het waren voor Joop tropenjaren, zijn baard werd wit. Natuurlijk waren het niet alleen de Weiteveners die herrie zaten te schoppen. De Ericanen deden enthousiast mee. In de discotheek verschenen periodiek volwassen mannen om de zaak in de gaten te houden. De rust keerde enigszins terug. Voor mij en mijn vriendenclub was het te laat. We trokken steeds vaker met de bromfiets erop uit naar andere dorpen. De wens om een eigen honk te hebben werd sterker. Samen met Herman Roling en nog een paar anderen kwamen we op het idee om een discotheek te openen in het Emaculata-gebouwtje, schuin tegenover het Gebouw. We schrijven pakweg 1975. Bier voor de helft van de prijs wat Koitiana berekende. Reactionair als we waren, dat zal ze leren. We werden opstandig op Erica, pikten bij de Lagere School het voetbalveld in. Werden er even vlot weer af gestuurd. We trokken aandacht. De jeugd, wij dus, wilden een eigen onderkomen op Erica. We bleven recalcitrant en dreven de lui van discotheek Koitiana vaak tot wanhoop. Op een avond belden we aan de deur van de pastoor, of het Emaculatagebouw vrij was. De goede man kon ons niet verder helpen. We kregen hulp van onverwachtse hoek. Een van de lui van Koitiana, Paul Ahlers, had een oudere broer. Een alternatief type met een baard en geitenwollen sokken. Het was deze man die ons in contact bracht met Cees van der Stel. Cees was jongerenwerker in het Schienvat. In ieder geval had ie ook een baard. Cees begreep iedereen, hij zocht naar een oplossing toen we samen op een avond met lieden van Koitiana naar een oplossing zochten. ‘t Schienvat had nog een ruimte, een kelder onder het toneel. De ruimte werd toen door een kleuterclub gebruikt. Volgens Cees was inschikken mogelijk. Dezelfde avond werd gezamenlijk de ruimte bekeken. Ahlers, de baard, reageerde enthousiast. Eigenlijk alle lui van Koitiana. Waarschijnlijk blij van ons af te zijn. Belangrijk was dat wij, de reactionairen, het ook zagen zitten. Vanaf dat moment hadden wij, een hele club inmiddels, een nieuw onderkomen. ‘t Keldertje’, bedacht door Baard Ahlers. Cees van der Stel nam ons mee in zijn linkse wereld. We werden het linkse geweten van Erica en verbeterden en passant ook nog de wereld. Door Cees werden we politiek bewust, lees links. Links was goed, rechts was helemaal verkeerd. Natuurlijk moest alles democratisch geregeld worden. Cees verdeelde ons in werkgroepen, werkgroep muziek, werkgroep inrichting, werkgroep krant, werkgroep bar enz. Al die werkgroepen moesten natuurlijk vergaderen. Om tenslotte te eindigen in een gezamenlijke vergadering. Cees leerde ons vergaderen tot de vonken eraf sprongen. Ondertussen hield ie ons van de straat, zijn kerntaak. Cees vergaderde ons zogezegd van de straat, maar we hadden het naar onze zin. Cees liet soms de touwtjes wat lossser, we mochten onze centjes zelf ergens aan besteden. De kelder was inmiddels omgebouwd tot een bar. Ik had op de zwarte wand allemaal gekleurde ballen geschilderd. Sommigen beweerden er sneller ‘high’ van te worden. Bij de lokale tweedehands meubelzaak hadden we luie bankstellen gekocht en daarmee de kelder gevuld. Op het gebied van brandveiligheid werden zo’n beetje alle regels overtreden. De eerste avond was een regelrechte succes. Een prachtige tijd brak aan. Eens per jaar mochten we een feest organiseren. Dan kwam in het Schienvat een band live spelen. De winst van zo’n avond werd gedeeld. Wij verdienden zo een aardig centje. Van Cees kregen we een boekwerk met muziekbandjes en telefoonnummers. De muziekband die we kozen was een uit de Achterhoek en heette ‘Normaal’. Ze speelden zoals zovelen Rock and Roll. Deze speelde in onze eigen taal, het werd boerenrock genoemd. Volgens contract kwamen ze 6 weken later bij ons spelen. In tussentijd werden ze Nummer 1 op Toppop! Met het liedje ‘Oerend Hard’. Te gek, menig Ericaan kwam die avond niet opdagen omdat ze dachten dat wij de boel voor de gek hielden. Het werd een geweldige avond, we mochten nadien met Bennie Joling en consorten een pilsje drinken. In het Schienvat werden we volwassen. Vooral onze (linkse) politieke bewustwording deed ons wereldbeeld milder stemmen. Het was Cees die ons daarvan bewust had gemaakt, waarvoor hulde!

Geschreven door Henk Beukers.

2013 Maart

2013 Maart

De maand maart startte precies op de SusScrofa-weekend. De weerberichten waren goed, zonovergoten en 7 graden. Tegen 10.30 uur arriveerden Yeti en Uil, nog even Batman uit de grot trekken en het weekend kon beginnen. Traditioneel gingen we foerageren bij de Aldi in Klazienaveen. En nog even bij C1000. Daar hadden ze zure- en geen gemarineerde haringen. Daar loop je wel even voor om. In Duitsland hadden we ook onze vaste adres gevonden. In de supermarkt in Versen kochten we de onmisbare braadworsten en Jagdsluck. Terwijl de rest naar binnen ging hield Batman de wacht bij de Bumsbullie. Kreeg ie gelijk weer aan de stok met een oude Duitse dame, de necrofiel. Maar nader uitleg van Batman bleek dat het andersom was. De oudje zocht toenadering door Batman bijna van de sokken te jagen. Wat heb je nu aan een dode vleermuis? De dame een necrofiel? Gatver. Na het noodzakelijke gefoerageerd te hebben trokken we Meppen in. Om die vervolgens weer snel te verlaten. De lente was in aantocht, zelfs de mollen zijn actief, overal worden de weilanden opnieuw ingericht. DSCF1340 DSCF1149In Groß Dorgen moesten we zijn, nergens anders. In deze prachtige plaats werden we opgewacht door een viertal reeën. Kijk, dat is wat je noemt een binnenkomertje. In het drassige weiland waar een meerstal zich had gevormd stonden de reeën parmantig ree te wezen. Snel reden we door naar Quinstelpfad nr 1. Wat nu? Stond daar op het pad een adolescente pink obstinaat te doen. Later dat weekend kwamen we de loslopende koe opnieuw een paar keer tegen. Raar beest, ging ie hetzelfde weekend nog dood. Op PilzenHein-stecke gingen de autodeuren open. De Ketel stond ongedurig op ons te wachten. Snel laden we de spullen uit en installeerden we ons om de stamtafel. De Bambino werd aangestoken en weldra was het behaaglijk warm in de Ketel. So ein Durst! Enige tijd later vervoegde Bambam zich bij ons. We zouden het voorjaarsweekend 2013 met z’n vijven zijn, Bambam, Batman, Uil, Vliegend Hert en Yeti. We hadden die avond heel wat bij te praten. Dat deden we dus, heel Erica werd even doorgenomen.
Zaterdag 2 maart 2013.
We waren vroeg uit de veren, nou ja redelijk vroeg dan. De dag begon doordat Batman de radio aandoet. Radio FFN onze huisradio. Volgens mij hebben we verschillende soorten muziekliefhebbers. De freaks: worden lyrisch om een onbekende band en doen net alsof zij de ontdekker zijn. De kenners: de grootste groep, sommigen schromen niet om een hele bevolkingsgroep als mongool neer te zetten wanneer deze niet aan hun smaak voldoen. De emo’s: luisteren met een traan in de ogen. De specialisten: houden van muziek waar niemand iets van snapt. Nederland heeft de Engelse ziekte dus de muziek moet Engelstalig zijn. Kom niet aan met namen als Gouden Oorring of De Katten. Ondanks hun muziek hadden beroemde bands niet bestaan als ze Diep Paars, De Adelaars of Koningin hadden geheten. Muziek van FFN werd afgewisseld door het gesis van de omeletten in de pan. Tegen de tijd dat ieder wakker was had Batman een stevig ontbijt uit de koekenpan gestampt. Bambam ontwikkelde zich dit weekend als een Eekhoorn-fluisteraar. Hij kreeg een Eekhoorn zo ver dat deze voor ons op een tak ging poseren. De handen van Bambam straalden de Eekhoorn in en het beestje bleef vervolgens doodstil op de tak zitten. Hiervan maakten we snel een foto. DSCF1167 DSCF1185De fluisteraar: ‘Ik heb ‘n scalpel metneum, ik fiek straks zien vel eraf’. Snel togen we op pad. We gingen naar een rustplaats van onze verre voorouders, de Hunen. Deze maakten een graf en noemden het Bed. In die tijd gingen ze vroeg naar bed, soms alleen, soms met meerdere. Rare jongens die Hunen. We passeerden de boerderij van Berend. De boer deed veel aan verval. Onlangs had hij nog een stuk uit de muur van een bijschuur gereden. Langs de Kolk toogden we naar het zandgat. De Kolk lag er bevroren bij. Koning Winter droeg dezelfde mantel als bij het Bokweekend. De Camping met zijn wasgelegenheid lag er verloren bij. Toch vonden een paar reeën het nodig om ons in de weg te lopen. Snel werden daarvan een paar foto’s genomen. In het zandgat was activiteit, de Bevers hadden een grote dam in de afwatering opgeworpen. In het zandgat hoopte het water zich op in een bult. Zonder natte voeten kregen we het voor elkaar de zandgat te passeren. We verlieten het veilige woud en trokken de snelweg over. Hier geen waarschuwingsbord van Overstekende Zwijnen. We moesten het weer zelf doen. Voorzichtig duwden we Oehoeboeroe de snelweg op. Was het veilig? Snel stak de rest de gevaarlijke weg over. De natuur begon levendig te worden. De vogels waren druk bezig met de inrichting van hun nieuwe stulp, dat kon blijkbaar niet zonder geluid. Gelukkige wij, die genoten hiervan. We hielden halt. We zagen een voorouder. Een voorouder van Vliegend Hert. Bevallig lag de carrosserie van een ree over een tak dood te liggen. Dubbelgevouwen, als een boterham. Waarschijnlijk door een Havik gemakkelijker op te peuzelen. Dubbel van het lachen was de ree wel vergaan. Over vergaan gesproken, de kop ontbrak. Alleen een hoef lag op de grond. Kop weg hoef niet. Een eindje verder zagen we iets roken. DSCF1188 DSCF1187 DSCF1200Toen we dichterbij kwamen bleek het een mestbult te zijn. Ze zeggen wel eens: ‘Je kunt ruiken dat iemand rookt’. Voor ons lag de bevestiging. Toch blijft roken slecht, de pijp van Bokeloh krijgt er rode plekken van in zijn hals. Door het prachtige prehistorisch landschap zwierven een vijftal varkentjes. Het was fris maar het regende niet. Niet lang daarna betraden we een bosperceel. Hier lag het wetenschappelijk bewijs dat we niet van een tuinslang afstamden. Vele handen hadden loodzware stenen op elkaar gestapeld en er een hutje van gemaakt. En een tuinslang heeft geen handen. Duizenden jaren later deden we dit stapelen opnieuw, nu met stropakken. Tja, het zit erin. Het is een raadsel hoe de Hunen de stenen op elkaar hadden gekregen. Wij waren geen goede SusScrofa’s als wij daar geen oplossing voor vonden. Het was zo simpel. In die tijd lagen de stenen op ijs. Dat gleed zo van de plaats en hup tegenop een helling op van sneeuw. In de lente smolt het ijs en klaar, een hunebed. Op het grafmonument werd een groepsfoto gemaakt. In een nabijgelegen schuilhut dronken we van het meegebrachte bier. Toen we genoeg buikpijn hadden van het koude bier trokken we verder. Door sompige landerijen die vol lagen met vuistbijlen en grote klompen Barnsteen. Die lieten we liggen omdat we nog steeds buikpijn hadden. Buikpijn kregen we ook van die smeerboeren die geen enkel oog hadden voor het milieu. Zelfs de natuur liet zijn afkeer merken door een boomstam zuur te laten kijken. DSCF1222 DSCF1210We naderden het Dorgener Moor vanaf de noordkant. Er ontstond nog een discussie over een wildkansel. Deze zou ooit een nest bevat hebben van de Hoornaars, een grote wespensoort. In het Dorgerner Moor vonden we een bankje met een prachtig uitzicht over het veld. Hier werd een Grauwe Kiekendief geplaagd door een paar brutale kraaien. Verder zat het veld vol met ganzen en zwanen. Verderop vonden we ons oude onderkomen, nu geheel vervallen. Thans werd het gebruikt als opvang voor Overige Artikelen. Even later joegen we Oehoeboeroe opnieuw de snelweg op. Toen hij het sein veilig gaf betrad de rest het bronsgroene woud van Groß Dorgen. We passeerden de ‘Vieze Boom’. De Hase Altarm lag er vredig bij, zeg maar zo levendig als een pier. Even later stonden we weer bij het beginpunt, De Ketel. Bambam maakte een begin met het maken van een overheerlijke macaronischotel.  De rest liep in de weg of nam een gerstenatje. Die avond was het weer bar gezellig in de Ketel.
Zondag 3 maart 2013.
De zondagmorgen bakte Batman ze bruin met de omeletten en kregen de haringen  een augurk als zwemboei. Alweer zijn die nacht de SusScrofa’s een dag ouder geworden. Dat straks al vijfentwintig jaar. Wanneer je op de site alle verslagen nog een keer leest en vooral de foto’s ziet vraag je je af: hoe lang nog. Over vijftien jaar zijn de meesten over de zeventig, Uil is dan een krasse tachtiger. Of dood, maar dat geldt voor ons allen. Om ons een beetje op te vrolijken liepen we de Klein Reussiestocht naar de boerderij van Herr Wulf. DSCF1249Vanaf eind 18e eeuw tot begin 21e eeuw werd deze boerderij door de familie Wulf bestiert. Nu lag het als een ruïne te vergaan met overal omgehakte bomen. Ja hoor, daar knapten we van op. Het terrein bestond uit een boerderij als hoofdgebouw en zo’n tien bijgebouwen. Alle gebouwen hadden hetzelfde beeld, zomaar verlaten, niets opgeruimd, bevroren in de tijd. Het waren stuk voor stuk tijdcapsules.  Een werkplaats met een antieke hooiwagen, aan de wand allerlei aandrijfriemen en overal oude onderdelen van vergeten machines. Vliegend Hert trapte weer eens in een vossenklem, gelukkig stond deze niet op scherp maar strompelde hij er slechts over. In een andere schuur vonden we hertenschedels en andersoortig vrolijke klemmen en vallen. Tegelijkertijd dachten we allen aan dezelfde persoon, Schnoing. Langzaam begon het in de schuur naar zwavel te ruiken. DSCF1320 DSCF1321We maakten ons uit de voeten en trokken achterlangs richting de personeelsverblijven. Deze stonden vol met koetsen. Met het vergaan van de daken vergingen ook de koetsen. Een koets werd doorklieft door een ingestorte dakspant. Ooit werd een kostbare koets uit een dezer gebouwen gestolen. Als verkenner heb ik nog in de deze koets gezeten. Met hoge ramen en de binnenkant met fluweel bekleedt. In de deuren het familiewapen. Met de diefstal werd de koets een vreselijk lot bespaart, wat is wijsheid. We trokken via het Elfenpad naar de Mittelradde. Vanaf de brug zagen we hoe het landschap was toegetakeld. Met een grijper was her en der grote happen uit de oever genomen. In het gele landschap lag een grote steen die magnetisch was. Een grote klomp oer? Of toch een meteoriet? Die zijn namelijk magnetisch. En kostbaar. We trokken verder en vonden diverse sporen van de vlijtige knagers, de bevers. Waar ooit een uitkijktoren stond, waar ooit slechts fundamenten lagen, daar stond zowaar een nieuwe toren. Van verzinkt staal. Het betreden vergt een enigszins sterke maag, het bleek een heuse zwabbermast. Maar het uitzicht was perfect. Na de nodige foto’s te hebben gemaakt trokken we weer richting Ketel. Even voorbij de droge karpertrap vond Bambam in het rode oerwater een lijk, in een tas. Althans twee blouses die waren verzwaard met een steen. Ooit had iemand hier twee blouses vermoord. DSCF1339 DSCF1354Op de terugweg zagen we in de verte een grauwe Kiekendief geduldig op ons wachten. Verveeld wachtte hij of we dichterbij kwamen, toen vloog hij tergend langzaam in de verte weg. Terug bij de Ketel deed onze Eekhoornfluisteraar een poging om de Eekhoorn van jas te ontdoen. Dat lukte natuurlijk niet, het was veel te koud. Bambam’s poging eindigde pas toen de Eekhoorn als compromis zijn staart had ingeleverd. Voor lezers die enigszins trager zijn van begrip, de eekhoorn was door Bambam gevonden nadat het door een auto was aangereden. Het beestje was hierbij gesneefd. Doodstil op de tak was dus letterkijk bedoeld. Het weekend liep ten einde, de boel werd opgeruimd. De wijze Uil en Bambam vertrokken als eersten. Vliegend Hert, Batman en Yeti volgden niet veel later. Het werd weer stil aan het Quinzelpfad nr 1.

2011 Kalkoenentocht

Kalkoenentocht 2011 Eindelijk weer eens met de gehele club op stap. Dit was al jaren niet meer voorgekomen, maar deze morgen stonden er 7 zwijnen gereed om te worden gedumpt in veengebied bij de Duitse grens. De vrouwen van Yeti en Hert hadden zich bereid verklaart om ons heen te brengen, en zo ging het lekker knus met drie man op de achterbank richting de losplaats. Daar aangekomen waren de dames nog niet vertrokken of enkelen onder ons hadden al een bocht gevonden. Tijd dus voor een opkikkertje, en dat gebeurde nogal vaak deze dag. Het begon net licht te worden en de ganzen die hier overnachten op plassen, stegen al op met een hels kabaal om naar hun foerage plekken te vliegen. droppedImage En naar 800 meter kwamen we in één keer drie bochten tegen. Bleef het bij de eerste bocht nog redelijk door met zijn allen uit een borrelglaasje een Jagermeister te drinken. Kwam er bij de volgende bocht ineens een beker uit Oei zijn rugzak. Keep It Simpel had die gedacht. Beker vol en iedereen neemt een teug. Wat bij sommigen direct een grote teug werd. Naar de derde bocht kwam de stemming er al goed in. Het volgende stuk was wel erg lang en had geen bochten. Zodat er elke oneffenheid in de lijn van het pad werd aangemerkt als een bocht. We waren nog geen half uur op weg, of er begonnen zich al enkelen zorgen te maken of we wel genoeg drank bij ons hadden. Zeker toen we op een kruising aankwamen en deze direct als vier bochten werd aangemerkt. Bam bekeek het op een afstandje en legde de gehele discussie vast op video. Welk hij gelijk omzette met een App op zijn toestel naar een raketaanval op de groep. Besloten werd om nog stuk verder te lopen en de volgende afslag te nemen. Waar we een kleine stuw over moesten. Welk weer moest worden aangemerkt als; even van de schrik bekomen. Dat nu ook diegene die nog een noodvoorraad hadden zich ook zorgen gingen maken. We moesten nu door de Bush Bush van heidepollen en pijpestrootje. Zodat het zigzaggen van sommigen al niet meer opviel. Onderweg moest je dus goed uitkijken waar je liep. En als je dan ook nog een vermeende Adder ziet die je ook nog wil aanvallen dan is de paniek groot. Gelukkig voor Hert was het maar een tak. zodat we weer russtig verder konden. Hoewel op dit smalle pad geen schoap zich durft te wagen, voor ons zwienen natuurlijk een uitdaging, had de beheerder gemeend over het pad nog een paar hekken te moeten zetten? droppedImage_1Je weet wel van die terugklap hekkies. Maar als je motorieke en reactieve cognitieve geheugen niet helemaal op scherp staat dan kun je ook je vingers er wel eens tussen komen. Dit moest Hakatee natuurlijk even uitproberen. Samen met Hert werd de val opgezet. Wat weer een leuk moment opleverde. We kwamen nu bij het hoofdpad dat midden door het gebied loopt, en kruist met de Verlengde Noordersloot hier had men een heuvel opgeworpen om een uitzicht te hebben over het veengebied. Bij honden is een verhoging in het terrein direct een reden om hier een bolus te draaien. Bij mensen roept dit vaak andere inspiraties op. Zo kreeg Hert twee flashbacks uit zijn vroegere levens. Welk hij gelijk uitbeeldde, als eerst stond Lenin op het voetstuk, en even daarna kwam ook nog Calvijn aan de beurt. Ondertussen begon Hakatee zich zorgen te maken en brak zijn noodvoorraad al aan, twee halve liter blikken met een hoog gehalte kwamen uit zijn rugzak. Toen ook die via borrelglazen en bekers waren verdeelt konden we op naar de koffie? Ja, want we waren dicht bij de schaapskooi van Staatsbosbeheer gekomen een mooie plek om onderdak een kop koffie te nuttigen en de schaapies tellen. Deze waren er jammergenoeg niet en bij gebrek hieraan vond Uil een schapenherderschep waarmee je schapen met een schepje grond kunt gooien zodat die schrikken en meegaan met de kudde. Uil vond het nodig om hier modder met schapenstront mee te gooien. Dat ging eerst nog langs de koffiedrinkers langs. Maar toen Hakatee dit in handen kreeg waren die ook niet meer veilig. droppedImage_3 droppedImage_6Wat resulteerde dat de Bat, nog proberend te vluchtend, de volle laag kreeg en de stront nog in de oren had zitten. Tijd om op te breken dus. De weg ging nu dwars door het veen. Op zoek naar de schapen want die moesten toch ergens wezen. Op een gegeven moment kwamen ze in zicht en Hert kreeg weer het schoapeneuken gevoel, terwijl hij helemaal geen laarzen aan had. Maar het waren niet alleen schapen maar ook geiten. Die liepen niet zo snel weg als de schapen zodat Hert zijn kans zag. Met een nogal rare gang ging hij achter een oude grijze aan. Deze loopt vast niet zo hard zal hij wel hebben gedacht. De ander gieten keken met schrik wat daar ging gebeuren. En de oude grijze kreeg haar schrik van haar leven met ineens een Hert met gebogen knieën achter haar. En maakte een sprong voorwaarts, en stoof er vandoor. Hert met blik van “verdomme” achter latend. Ondertussen waren het merendeel van de groep doorgelopen. En waren bezig hun voeten droog te houden. Door van polletje naar polletje te stappen zo drassig was het. Aan het eind kwamen we een water tegen. Maar gelukkig lag een eindje verderop een bruggetje hierover. Niet iedereen had genoeg koffie gehad om de gang weer recht te houden. Zo ging onze Oude Uil als een koorddanser over de brug . Nu kwam het stuk langs de Schutwijk. We waren hier wel eens met veel ijs hier langs gekomen, maar met de temperaturen die zowel overdag als s’nacht niet onder nul kwamen. was dit nu niet het geval. Toch vonden dat een paar van onze leden dat we wakgooien moesten ook al lag er geen ijs. Naar steeds grotere stenen er in vond Hert dat het pas goed was om zo’n kei aan de overkant te krijgen. droppedImage_2 droppedImage_9Dat resulteerde dat bijna niet alleen de kei maar ook Haketee mee ging. Aangekomen bij de Dortsedijk, Schutwijk zz was weer een bocht bereikt en werden de laatste voorraden te voorschijn gehaald. Alleen het schuilen met 7 personen achter een transformatorhuisje wilde niet best lukken. De Schutwijk ZZ volgend langs het oude sluisje naar de Veenhoeksweg. En kwamen in de buurt van Erica. Nog wel een lang recht stuk tegen de wind naar Erica. Maar naar het bordje van de bebouwde kom van Erica te hebben gepasseerd kwam de stemming er weer in; “De stal” kwam in zicht. De Stal was de blokhut van Oei Oei die achter op zijn grondgebied voorbij de Kleine Hase een ruime blokhut had gebouwd. Daar aangekomen werd de houtkachel lekker opgestookt en met een ijskoud biertje en een verwarmend berenburgje voelden we ons al snel op ons gemak. Zeker toen we door de eega van Oei werden getrakteerd op een traditionele haricots Heren Beren het was weer gezellig, laten we afspreken in december 2012 weer met zijn allen te gaan. Zoiets mag je niet misssen. The Bat

shapeimage_1

2010 Kalkoenentocht

Tweede kerstdag kwam het alarmerende bericht van onze Jety. Oei Oei praat uit zijn navel en is ziek. Met andere woorden hij ging niet mee, en we moesten naar afloop een ander eindpunt, dus zonder haardvuur in de blokhut, opzoeken. De Bat bood zich hierop aan. Ook twee andere leden hadden geen vrij om mee te gaan zodat het groepje dit jaar uit Bam Bam, Jety en the Bat bestond. Maar zoals echt zwienen laten we hierdoor niet onder krijgen. Zodat we 27 dec. tegen 8:30 vertrokken naar het barre Bargeveen. Het had al een poos gevroren en er lag ongeveer 20 cm. sneeuw welk op sommige plaatsen ook nog was opgewaaid. P1130509 P1130514 P1130527Vrouw Jety die ons weggebracht zette ons bij de Zuidersloot af. Nadat we richting de grens waren gelopen, waar geen ganzen zaten omdat het water was dicht gevroren, besloten we via de spoordijk naar het zandgat aan de Noordersloot te lopen. De temperatuur was – 1 maar gevoel temperatuur door de zuidwester wind -7. En met zicht van nog geen 3 kilometer, het was namelijk heiig. leek het sneeuwlandschap op sommige plekken eindeloos. Met bijna 2 liter berenburg bij ons moesten we de bochten kunnen overwinnen. Wel hield het lange rechte stuk via de spoordijk in, dat hier virtuele bochten in kwamen. Na het stuk naar de weg Klazienaveen-Weiteveen te hebben overbrugt met nog observaties van een stel reeën die de straat al vast overstaken zodat we ze straks nogmaals konden observeren. Was het tijd voor een borrel en een sigaar bij de gespleten steen. Naar het oversteken van de weg ging het verder door het ruigere terrein. Hier had nog niet iemand gelopen op een ree na die we hele tijd konden volgen. Maar naar een paar sneeuwduinen te hebben overwonnen. kwamen we meer sporen tegen. zoals sporen van een vos die iets bloederigst had meegesleept. Maar die werden ineens overtrokken door een spoor van een groot dier met klauwen. Zo groot hadden we ze nog niet gezien. Er werd druk gediscuteerd wat dit dan wel moest wezen. P1130530 P1130529De lynx die vorig jaar in Drenthe was gesignaleerd? of een wolf? Een hond leek ons uitgesloten zo groot hadden we ze nog nooit gezien en zeker niet met de klauwen die op sommige sporen duidelijk als scherpe klauwen ware te zien. We kwamen er niet uit. Zeker was wel dat we een ontmoeting met dit dier graag uit de weg gingen. Straks maar opzoeken in het sporenboekje. Via het zandgat zijn we via de Noordersloot en de Hertenbaan geklund naar Erica. Waar we tegen 14:30 bij de Bat aankwamen. Batwoman had ondertussen voor een stevige soep gezorgd zodat onze honger kon worden bevredigd naar deze wandeling. Onder het nuttigen van de soep ging de discussie verder wat de sporen waren geweest. Ook de boeken en het internet bracht niet direct uitkomst. Maar we zouden dit verder uitzoeken. Naar nog een biertje met versterking konden we tevreden afsluiten. Het was weer een bijzonder tocht, en de heren die er niet bij geweest zijn kunnen alleen uit dit verslag iets herkennen. Maar het echte gebeurt toch onderweg. Wat het sporen onderzoek opleverde: Wolf Herdershond Hoewel de sporen van een wolf (hondachtige) en Lynx veel op elkaar lijken houdt de Lynx zijn nagels bijna altijd ingetrokken om deze scherp te houden De afdruk van een Wolf is 9 x 10 cm. En het duidelijke verschil t.o.v. een huishond is dat de tenen verder uit elkaar staan. droppedImage P1130530De afdruk van van de Herdeshond is ook beduiden kleiner. En meet hier 6 x 8,5 cm. De afdruk van een lynx is ook 9 x 10 cm. en het verschil met een wolf is dat de beide middelste tenen asymmetrisch zijn. Wat het geweest is is moeilijk zo te zeggen en uit de foto’s te halen. Dat de tenen verder uit elkaar staan dan bij een huishond is wel duidelijk te herkennen. Dus toch Bor de Wolf ? Lynx The Bat

 

shapeimage_1

Welpen

Welpen

Mijn eerste welpenopkomst was achter het parochiehuis aan de Kerklaan. Het parochiehuis werd ook wel Het Gebouw genoemd. Aan de achterkant liep een stenen trap omhoog naar de bovenverdieping. Daar hadden we de opkomsten. Mij was verteld dat elke welpengroep uit een nest bestond. Ik was dan ook een beetje teleurgesteld dat ik daar geen grote vogelnesten vond. Een nest was een groep en had een kleur. Zo had je het rode nest of witte. Ik kwam in het witte nest. Eerst als gewone lid, later als helper, nog later als gids. De helper had een witte streep om de mouw, de gids twee. Achter Het Gebouw was een stukje ‘roege’ veld. Hier stond wekelijks de Akela yip yip yip te roepen. De hoofdwolf riep zijn jonge wolven, de welpen. We gingen er helemaal voor en ik vond het fantastisch. Mijn eerste welpenkamp was tevens de spannendste. We gingen naar Geeste in Duitsland. Ik was nog nooit in Duitsland geweest en ik verwachtte dat daar alles anders was dan hier. We verzamelden voor de kerk. De leidsters zaten rustig een sigaret te roken en af en toe telden ze de welpen. Wij als welpen daarentegen waren opgewonden en hadden als taak  de leidsters zoveel mogelijk voor de voeten te lopen. Eindelijk werden de fietsen in een dubbele rij gezet en togen we op pad. Ouders? Die waren er niet. Afscheid was thuis al genomen, je kon niet aan de gang blijven. Hetzelfde zag je in die tijd bij de kleuter- en lagere school. Daar waren geen ouders die hun kroost opwachtten of afscheid van hen namen. De kinderen kwamen lopend van huis. Of met de fiets. Zoals de kinderen van de kanaallinie, de Strengdijk, Ensingwijk of Kommerhoek. Die gingen alleen. Zo ook de welpen. We werden niet uitgezwaaid ofzo. We reden Erica uit en fietsten richting Schoonebeek. Nou dat was voor ons al zo’n beetje het einde van de wereld. Na Schoonebeek kwam de grensovergang. Vol ontzag stonden we naar de douaniers te kijken. Sommigen spraken Nederlands, anderen hadden een ander uniform en spraken Duits. Mijn vriend Bennie kon ook Duits. Vol overgave riep hij,  ’Du hast ein vogel im kopf’. Wauw. We leerden het zinnetje net zo lang tot we het uit onze hoofden konden. Het gevolg ried zich raden. Bij elke Duitser die we zagen klonk het in koor dat hij niet goed bij zijn hoofd was. Want dat is wat we in werkelijkheid riepen. Wisten wij veel. Gelukkig was ons Duits onverstaanbaar voor de Duitsers. In Duitsland keken we met grote ogen om ons heen. We waren in het buitenland, wauw. We zochten naar de verschillen met Nederland en wezen daar met oeoeoe en aaaa naar. Eigenlijk waren er niet zoveel verschillen. Wat me vooral bijgebleven is waren de elektriciteitsgebouwtjes. Dat waren vierkante torentjes, vaak wit van kleur. Dat zagen we in Nederland niet. De Duitse huizen waren vaak rood van kleur, ook de dakpannen. Ze zagen er een beetje armoedig uit. De mensen waren ook een beetje anders gekleed. De kleding was hoofdzakelijk zwart. En zondags hadden ze een kerkboek onder de arm. Maar de Duitsers waren bovenal erg vriendelijk en behulpzaam. In Geeste kwamen we in een grote boerderij. De stal was leeg en er lag vers stro op de bodem. Daar rolden we onze slaapzakken uit. Nou ja slaapzakken, het waren dekens die met grote spelden aan elkaar zaten. Dat werkte goed. De echte slaapzakken kwamen pas later. We gingen direct op verkenningstocht. Al bij de eerste deur kregen we de schrik van ons leven. Een van ons sloeg de deur open en alle welpengezichtjes gingen langzaam omhoog en trokken wit weg. Voor ons keek een gigantische stier op ons neer. In de neus zat een ijzeren ring die met kettingen aan de zijmuren waren bevestigd. De stier krabde een keer met zijn voorpoot en brieste door de neus. Deze korte indruk etste diep in onze geheugen. De deur ging met een klap weer dicht. Allen hadden een paar minuten tijd nodig om bij te komen van de schrik. Gelukkig hielden we het allen droog, hoewel het niet veel scheelde. Met knikkende knieën gingen we verder op verkenning. Schaamteloos adviseerden tegemoetkomende welpjes om vooral een keer achter die deur te kijken. Die week was er een druk programma, naast de dagelijkse spellen hadden we een krant die dagelijks uitkwam. We hadden een natuurhistorisch museum die dagelijks werd aangevuld met vondsten. Achter de boerderij lagen woeste gronden met heuvels en struiken. Aan de achterzijde werden deze begrensd door een rivier. Het was de perfecte plek voor de leidsters om het junglespel van Mowgli te spelen. We moesten dan een bepaalde route door het veld lopen en daar allerlei opdrachtjes uitvoeren voor Akela, Bagheera en Baloe. De vindingrijkheid van de leidsters was geniaal. Zo kregen we ranja uit de bek van een gemene slang. De stroom ranja leek wel onbeperkt. Hoe deden ze dat toch? De slang was in feite een lange tuinslang. Die liep verborgen in het hoge gras de heuvel op. Helemaal bovenop de heuvel stond een grote jerrycan. Door het hoogteverschil ontstond een drukverschil, we hadden beneden een dikke straal ranja. D’r moest natuurlijk ook gegeten worden. Voor zo’n dertigtal jongens van acht tot twaalf jaar. We hadden daarvoor een eigen kok meegenomen, ze heette Kokkie. Kokkie was tante Dinie, onze buurvrouw. De nieuwe aardappels mochten we rooien uit de tuin van de boer en werden verzameld in stalen manden. Op de terugweg werd flink geschud met de manden waardoor de velletjes van de nieuwe aardappels afgingen. Vindingrijk nietwaar? Kokkie hoefde de aardappels bijna niet te krabben. Dezelfde vindingrijkheid werd toegepast bij de toiletgang. De leidsters lieten ons ‘s nachts heus niet naar buiten gaan. Het grote voordeel was dat in die tijd de welpen uit jongens bestonden. In de stal werd een zinken wasteil geplaatst en ieder welp kon daar ‘s nachts naar hartenlust in plassen. Verdere zomerkampen van de welpen hebben we gehad in Mariënberg. Daar is me het volgende bijgebleven. Bij het treinstation stond een gebouw met daar boven op het dak nog een klein gebouwtje. Ik heb me altijd afgevraagd wat dat gebouwtje daar bovenop doet. In Geesteren kampeerden we in de stal bij boer Stoeten (zo’n naam blijft je bij). In Gross Dörgen lagen we niet op stro in een stal maar sliepen we in tenten. Ook spannend. Het stramien op zo’n zomerkamp was altijd hetzelfde, het junglespel van Mowgli. Maar ook het gezamenlijk eten was fantastisch. Het klieren in de stro en wroeten in de slaapzakken voor het slapengaan, het verkennen om de boerderij of tent. Alles was spannend. De welpen verhuisden later vanuit Het Gebouw naar de oude bibliotheek bij de lagere school, ook aan de Kerklaan. Toen werd die ook verlaten en kwamen we in de grote kippenhok van de pastoor achter de kerk. Persoonlijk vond ik dat het mooiste onderkomen. Iemand had op de achterwand een scene van Mowgli geschilderd. Prachtig. 1 x in het jaar werd Sint Joris dag gevierd. Dan mochten we de gehele dag in het gebouw blijven. Van alle welpenherinneringen is me het volgende het beste bijgebleven, we kregen ‘s middags stamppot andijvie, met stukje spek en een stuk rookworst. Het is tot op de dag van vandaag mijn lievelingskostje gebleven.

Geschreven door Henk Beukers

2012 November

2012 November

Vrijdag 23 november 2012

Om 10.45 uur stopte een volkswagenbusje voor mijn huis. De bekende 3 Drentse kwartiertjes. Na een hartelijke begroeting met Yeti en Oehoeboeroe, de Wijze Uil, trokken we oostwaarts. De Bumsbullie was afgeladen vol van de boodschappen. DSCF0727 DSCF0738Maar er moest nog meer bij. We reden eerst richting Duitsland. Later in Duitsland. Steeds verder naar het oosten. Als men een zieke Duitsland de koorts zou moeten opmeten. Dan zouden ze de thermometer stoppen in de plek waarheen we nu reden. Het gat van Duitsland. Al jaren onze plek. Waar we met losse handen plassen. Waar we tegen een tak swaffelen tot het droog is. Waar al we snel leerden dat hierbij windrichting wel degelijk ertoe doet. Deze plek heet Gross Dörgen. Maar, na eerst gefoerageerd te hebben in Klazienaveen en Versen, want met een droge gagel beginnen we niets. Volgende keer niet vergeten dat we de sterke drank uit Versen halen. Je krijgt daar veel meer duizeligheid voor hetzelfde geld. Wat was de reden waarom we in het koude november hier neerstreken, wat was onze motief? Het was onze BOK-weekend. We lieten ons die vrijdagmiddag het bokbier goed smaken. Want er was nog een reden waarom we hier waren. De kalender van de Maya’s. Volgens die klukklukkers vergaat de wereld op 21 december 2012. Dit bokweekend is dus onze laatste weekend. Eindelijk een legitieme reden gevonden om nog een treetje bokbier aan te breken. Des avonds sloot Oei-oei bij ons aan en we vierden heftig wat ons aan tijd nog rest.
Zaterdag 23 november.
Al in de vroegte stonden Oehoeboeroe en Vliegend Hert eieren te bakken in de Ketel. De dampende koffie deed onze brillen beslaan. Telkens moesten we met een schoon doekje onze brillen weer schoonmaken. Ook later toen Oei-oei en Yeti al lang waren aangeschoven en ons ontbijt achter de kiezen hadden moesten we de brillen weer schoonmaken. Uil had het niet meer, hij besloot in paniek te raken.  Op gegeven ogenblik stonden we buiten voor de Ketel onze brillen schoon te maken. Totdat iemand van ons opmerkte dat het niet aan onze brillen lag. We deden onze brillen af. Het was mistig. Op Oehoeboeroe na deden we onze brillen weer op om de mist beter te kunnen zien. En ja hoor, de wereld zag potdicht. Dit keer geen heldere vergezichten, geen staalblauwe luchten. Toch waren we vrolijk. Dat kwam niet alleen door het niet geheel uitgewerkte bokbier, dat kwam ook door het feit dat mistige weersomstandigheden ook leuke sfeerplaatjes kunnen geven. We toogden op weg waarbij Oehoeboeroe pardoes tegen een boom liep. Eindelijk deed hij zijn bril ook op. Op de indianenplatz, niet van de Maya’s hoor, die hadden lang geleden hun eigen feestje van 22 december gevierd. En ons maar doen geloven dat de wereld vergaat. Nee, deze plek was van een andere Indianenstam. Het was de plek van Steigerende Wolfgang en Dampige Brunhilde, aus Nordhorn. Die kwamen hier af en toe logeren. DSCF0745 DSCF0770Een Wigwammetje opzetten. Op deze plek vonden wij een spinnenweb die prachtig was verpakt in de zilveren ochtenddauw. We volgden de Hase stroomopwaarts. Best wel moeilijk dat volgen in die dikke mist. We konden maar zo’n twintig meter zien van de honderden kilometers die de Hase lang was. Veruit het meeste van de Hase zagen we dus niet. We moesten afgaan op die laatste twintig meter. Nog een probleem, we moesten stroomopwaarts. Door de mist zagen we de stroomrichting niet. Nu misten we onze clublid Hakketee. We hadden zijn schoen in het water gegooid. Zo konden we mooi de stroomrichting van de Hase bepalen. Zonk de schoen, dan lag dat aan zijn stalen steunzool. Zo waren wij die ochtend als ware scouts allerlei natuurkundige problemen aan het oplossen. Wij zouden niet verdwalen. Bovendien hadden we deze tocht al zo’n dertig keer gelopen. Het toeval wil dat we langs een boom liepen waar de bevers een zandloper uit geknaagd hadden. Daar zou later iets bijzonders mee gebeuren, daarover meer later in dit verslag. We toogden verder in deze desolate landschap die tot de nok toe gevuld was met mist. So ein Mist! Langzaam werden onze poten nat van het vele gesjouw door het natte gras. We liepen verder en verder. In het landschap maakte de Hase een loop gelijk een loop van een schoenveter. In de ‘taille’ was de afstand niet meer dan een zo’n driehonderd meter. We liepen die dag helemaal door tot onder in de lus. Daar aangekomen kwamen we tot de volgende conclusie: het was hier ook mistig. In de verte stond een man ons op te wachten. Zijn silhouet was duidelijk zichtbaar in de dichte mist. Was het een struikrover? Het bleek inderdaad een struikrover te zijn, maar dan zonder rover. Het was een struik. In de verte hoorden we geknal, Schnoing schoot weer eens mis. Er doemde een bord voor ons op. Ab hier Schutzgebiet! Bitte verhalten Sie sich ruhig. Bitte steigen Sie nicht aus. DANKE Ihre Anwohner. We wilden op het bord toe lopen. Maar goed dat we dat niet gedaan hadden. door de dichte mist zagen we niet dat het bordje aan de overkant van de Hase stond. Hadden we bijna natte noten gehad. Na lang door de mist te hebben gedoold doemde eindelijk OK-Corral voor ons op. Zeg maar de koeienhangplek. Zelfs dit bouwsel leek spookachtig in het dichte landschap en had iets weg van Bergen Belsen.

DSCF0751 DSCF0778Plotseling verdween mij been dertig centimeter in Duitsland. Langs het pad waren afrikpalen ter grootte van een spoorbiels uit de grond getrokken. Daarbij waren de gaten niet dicht gegooid. Grootwild als Vliegende Hert kon hierin naar hartenlust hun poten breken. Klotenboer. We zagen in de verte de schuur waar ons avontuur vele jaren geleden begon. De schuur is hetzelfde gebleven, alleen het verval is sterk veranderd. Tussen de struiken door zagen we de Ketel die ongedurig op ons stond te wachten. We hadden een droge keel en natte voeten. Dat moest snel andersom. Eerst droge sokken aan voordat we de keel nat gingen maken. We kregen die avond visite. Een speciale gast uit Nederland. Een uil. Jawel, een uil met dezelfde naam als Oehoeboeroe. Zijn naam is: Oehoeboeroe. Ook hij had als uilskuiken vroeger als verkenner hier in het ruige landschap gekampeerd. Onze gast-Uil is kunstschilder van beroep. Hij leek zelfs een beetje op Rembrand van Rijn. Zeg maar Rembrand van Hase. Hij had alleen geen houten lijst om zijn hoofd. De nieuwe Oehoeboeroe gaat een schilderij voor ons maken. Die komt aan de ketel te hangen. Dit gaat echt iets geweldigs worden. Morgen bij de Klein Reussies Tocht wou de kunstenaar inspiratie opdoen uit het oude landschap. Maar die avond was hij van ons, hij at met ons mee, vertelde mooie verhalen en laafde samen met ons van het leven.DSCF0790 DSCF0804
Zondag 24 november 2012
De weergoden hadden die dag geheel andere plannen met het weer. De dichte mist met al zijn dichtbijgezichten had plaats gemaakt voor een fikse Zuidwester storm. Er werd die dag niet uit de vrije hand geplast, en gezien al die zwiepende takken ook niet geswaffeld. Boven al het donderende lawaai van loeiende windstoten stond een blauwe hemel gevuld met enorme witte stapelwolken. We konden nauwelijks met elkaar te praten. Kortom, het was een prachtige dag. Aangezien Oehoeboeroe hier in jaren niet is geweest namen we opnieuw een tocht stroomopwaarts langs de hase. Toen gebeurde het. Vroeg in de middag. Langs de Hase. Boven het lawaai van de storm hoorden we een korte diepe grondtoon. Alsof er iets knapte. Uil controleerde zijn breukband. Die hield stand. Vlak voor ons zeeg een woudreus langzaam neer. De enorme stam sloeg op de grond en de kroon stortte half in de Hase. Zestig lange jaren had deze boom hier gestaan en nu het scheelde het niet veel of we hadden de reus op onze kop gekregen. Over toeval gesproken. Desalniettemin waren we getuige van een unieke natuurgebeurtenis. DSCF0799De boom was jaren geleden ten prooi gevallen aan de bevers. Die hadden er een grote zandloper in geknaagd. Het was echter de wortelstok die diep in de grond afgeknapt was. Volledig verrot. De kroon half in het water wordt nu een mooi opstapje voor de bevers in de Hase. In de natuur heeft alles zo zijn doel. Omdat de wind transparant was konden we prachtige landschapsfoto’s maken in het harde najaarslicht. We doolden door het ruige landschap waarbij het witte haar van de kunstenaar op ons werkte als een spiegel bij een reebok. Door de sinistere bezigheden van Feldwebel Schnoing was er dit weekend geen ree te zien. Die lagen allemaal nog in vuurdekking. Gek eigenlijk dat ze zo’n primaat een jachtvergunning geven en deze ook nog vrijlaten. Via de spookboerderij en het elfenpad kwamen we bij de Mittelradde. We gingen het nieuwe landschap in. Waar ooit een uitzichttoren stond restte alleen fundament. Compleet weggerot. Zestig miljoen geïnvesteerd in het landschap maar een fatsoenlijke uitkijktoren kon er niet af. Na een paar jaar werd de toren verwijderd. We liepen terug langs de enorme verlaten boerderij van boer Wulf. We besloten dit keer het pand eens goed te bekijken. Eens een machtige en rijke boer met veel potentie. Echter, de potentie zat verkeerd. Ze lagen liever op het geld dan op een vrouw. Bij gebrek aan jonge Wulfjes liep hun dynastie letterlijk in een doodlopende weg. Een lijkwade heeft geen zakken. Een of andere verre neef moest de naam Wulf aannemen. Vervolgens kreeg hij de hele kwak in de schoot geworpen. De boerderij met al zijn bijgebouwen, die al op oude landkaarten werden genoemd, liggen er nu verlaten bij. Weer en wind hadden al op een aantal gebouwen grip gekregen. DSCF0850 DSCF0839Ik denk dat de rest spoedig zal volgen. Een typisch geval van vergane glorie. Bij de Ketel gekomen ruimden we de boel op. Oehoeboeroe de kunstenaar nam afscheid van ons. Hij zou zich hier vast en zeker nog vaker laten zien. Na de Ketel te hebben afgesloten namen ook wij afscheid van elkaar. Een prachtig weekend, met twee totaal verschillende weertypes met eigen sfeermomenten en fotosessies. Maar waar het bokbier weer goed smaakte.

Moed broeders, struikel niet.  Vliegend Hert.

2012 September

2012 September

Om kwart voor zeven stond Hakketee voor de deur. Hij was klaar voor de Hike van 35 kilometer die we die dag zouden gaan lopen. Na een bakje koffie toogden we op pad. Er ging een gastloper mee, Barry. Bij zijn huis begon de wandelroute ´Over de Gruppe`. Laat nu deze wandelroute precies eindigen in de Ketel. Tijdens de wandelroute gingen we kijken of de bordjes nog goed hingen. Deze hadden Hakketee en Barry een jaar eerder uitgezet. DSCF0558Nadat we bij Barry nog een bakje koffie hadden gedronken toogden we echt op pad. Het was bewolkt toen we Erica via de Ensingwijk verlieten. Boven het huis van Klein Reusie kwam de Koperen Ploert boven de boomtoppen uit. Het bleef die dag 16 graden en belangrijker, het bleef droog. Ideaal wandelweer dus. In Zwartemeer hielden we een pauze bij de Antoniuskerk. Daar brachten we teven een bezoek aan het graf van Bary´s moeder. We hadden er al zo´n negen kilometer op zitten. Langs de grens zochten we een doorgang naar Duitsland. Uiteraard werd deze met een bordje aangegeven. Nu volgde een lange rechte weg door veen en landbouwgebied. De ruimte en stilte kwam per jaar steeds meer in gedrang door de bouw van mega stallen. De middagpauze hielden we traditiegetrouw bij Griendsveen. Yeti ving ons daar op met koffie zonder bekers. Gelukkig was een Duitse werknemer aldaar bereid om ons kopjes voor te schieten. Zelf Wasser is aardig in Duitsland. We trokken verder naar Gross Fullen. Op een gemaaid maisveld had ooit een concentratiekamp gestaan uit de tijd dat een aantal Duitsers minder aardig waren. Griezelig terrein. We dachten nog een Russische schedel te zien schitteren in de zon maar dit bleek een zwerfkei te zijn. De middagpauze hielden we vlakbij Stadt Meppen. Yeti was met zijn BumsBullie nergens te zien. We trokken Meppen binnen. We namen de brug die versierd werd met het beeld van Sint Vitus. Dat was althans de stellige overtuiging van Hakketee. Over de brug stond een bordje die aangaf dat het beeld NIET van Sint Vitus was. Dus namen we de weg naar de Kochloffel. Je moest toch wat. Hier stond Bambam op ons te wachten. Barry nam een halve kip en ik nam de andere helft. Dat ging er heerlijk in. Bij vertrek uit Meppen stond ons een teleurstelling te wachten. De kroeg waar we altijd ´Zwienebier´ dronken was dicht. Dat bier moest ons juist de spieren versoepelen. We zochten een oude man om ons af te reageren. Als je ze nodig hebt zijn ze er niet. De tocht naar Bokeloh werd dus een beetje afzien. De man met de hamer diende zich aan. Gelukkig was Gasthaus Giese wel open. Na een paar pinten bier kregen we praatjes voor tien. Pocherig zaten we tegen de gastvrouw te snoeven dat we 35 kilometer hadden gelopen. Het meisje toonde begrip voor onze stramme spieren. Dat had ze ook toen ze die 100 kilometer liep op een dag. ‘Totenmars heistte das glaub ich’ zei ze bescheiden. We keken mekaar stoer aan. ‘Mo..mogen we nog een biertje Fraulein? De eierrek. We waren er snel uit dat we met haar liever tussen de lakens lagen dan met veertig graden koorts. Of zoiets. We hadden zin om de laatste kilometers te lopen. Die waren dan ook zo genomen. Voor mij startte het SusScrofaweekend. Bary en Hakketee liepen de volgende dag de de hele route terug. Om te kijken of de bordjes hier ook nog goed hingen. Het kampvuur brandde, de verhalen werden verteld. ´s Avonds vervoegden Batman en Oei-oei zich bij de club zodat de Bonte Avond kon beginnen. Met Barry als gast kon het ook niet mislukken. De hoorn des Overvloed vloeide weer eens rijkelijk over.

De volgende morgen waren er al vroeg allerlei activiteiten. Hakketee en Barry maakten zich op voor de terugtocht van 35 kilometer. Na hun afscheid namen we de tijd voor het ontbijt. Ons dagprogramma moest worden afgewerkt. We zouden een tocht maken achter de houtfabriek van Bokeloh, via het Moor met een omtrekkende beweging weer terug naar de Ketel. We liepen nog even langs de boerderij van Berend. Hier leek de tijd wel stil te staan. Elk jaar zagen we meer sporen van verval. Onze schuur waarin we onze eerste kampeerplek hadden leek een ruïne.

DSCF0603

 

DSCF0599

Op de oude kampeerplaats stond nog een kampeerder. Een herdershond bewaakte de boel. In de Kolk stond het water laag. Het stond bij te komen van de jaarlijkse aanslag van vis-lokvoer. Een dikke plak gifgroene alg was hier het gevolg van. Door het natte gras ontdekten we een groene kikker. Toen we rondkeken stikte het eigenlijk van de kikkers. Bij de Hase Altarm zagen we diverse paddenstoelen, eentje was voorzien van een geurvlag van een Das of Marter. Het zandgat stond is Herfst-dressing. Waterplantjes zetten het water in felle kleuren. Rondom ons heen was duidelijk te zien dat de herfst in aantocht was. Toch hoorden we nog een verlate TjifTjaf in het struikgewas die gehuld was in allerlei tinten herfstkleur. We passeerden het gedenkteken. Een volledig vergeten gedenkteken die het 25 jarig regeringsjubileum aangaf van Kaizer Wilhelm op 15 juni 1913. Op de achterkant van het monument werd met een plaquette de vrijheidsstrijd in 1813 op de de Fransen (Nappie) herdacht. We trokken de grote weg over. Hier moesten we altijd goed uitkijken want die Duitsers rijden hier alsof ze de duivel op hun achterbumper hebben. Iedereen haalde de overkant. In het bos zagen we een boom die ooit was omgevallen of omgewaaid. Uit pure overlevingsdrang was er uit de schuine stam een nieuwe stam ontstaan die de zonnestralen boven de kruinen opzocht. DSCF0626 DSCF0631 We kwamen op het treinspoor. Die volgden we tot achter de fabriek. We zagen een wissel in het spoor. Natuurlijk werd er geprobeerd om de wissel om te gooien. Dan ging de trein zo het fabrieksterrein op, leuk. De wissel was echter SusScrofa-bestendig. We trokken verder en zagen in de verte de condenstoren van de oud-elektriciteitscentrale in Haren. Die werd door menig zwijn gekiekt, temeer omdat het zo mooi in de zon stond. Donkere wolken pakten zich samen aan de hemel. Op zich een prachtige natuurverschijnsel ware het niet dat regen niet lang uitblijft. Om enigszins beschutting te vinden doken we in het Wald. Langzaam trokken de zware regenbuien over. Het zonnetje begon twijfelend te schijnen. Door het bos gelopen volgden we een landweggetje. Achter ons kleurde de lucht opnieuw blauw. Daar kwamen een paar flinke schepen met zoere appels op ons afdrijven. Even later gingen de sluizen open. Net op tijd konden we ons schuilen achter een paar dikke bomen. Het werd gewoon gezellig zo met z’n allen achter een boom. Hierna was Pluvius uitgeraasd. De donkere schepen trokken verder en de lucht klaarde op. Die dag zou het verder ook niet meer gaan regenen. Halverwege hielden we nog een kleine pauze in een Wildkanzel. Via een zandweg trokken we terug op het zandgat. Hier zagen we een bijzondere bloem, de stalkaars. Hier kon BamBam zijn camouflagejas testen. We maakten een foto waarbij hij met open jas nog zichtbaar was. Vervolgens deed Bam zijn jas dicht, door Stealth was hij volkomen onzichtbaar.

DSCF0645 DSCF0644

We togen Dorgen binnen en namen de oude wandelpad. We kwamen langs de vieze boom. Deze boom spleet zich in tweeen en uit de oksel groeide een berk. De reeen hadden blijkbaar die dag een snipperdag. Geen enkel liet zich die dag zien. Vermoeid maar voldaan kwamen we weer bij de Ketel. Hier had de zoon van Pilzen-Hein zich verzameld met een paar zwart-bonte dirndels.

DSCF0657_2Wat zo’n datingsite wel niet opbracht. Het werd fris zodat enkele blote braadworstjes zich opwarmden aan het spit. Het was inmiddels namiddag, na een paar pilsjes vielen bij een paar de oogjes dicht. Na het middagdutje zorgde een koude wind ervoor dat we binnen gingen zitten. Na het eten nam Oei voor die avond afscheid. De overigen namen deel aan het avondritueel. De maan werd nog door enkelen onder ons gekiekt of deden daar een poging toe. De biervoorraad nam op het eind een kritieke volume aan. Oei voegde zich op het eind weer binnen de groep. Het bleef tot in de kleine uurtjes nog erg onrustig aan het Quinspelpad. Na het ochtendontbijt namen we de Klein Reussiestocht. Over het Schoolpad via een omtrekkende beweging om de altarm weer terug op de Hasebrucke. We zagen een paar reeen. Althans we dachten ze te zien. Het waren schaduwen van diepe tractorsporen in het maisveld. Want dat is wat we dit jaar opvallend vonden in Duitsland. Er werd ontzettend veel mais verbouwd. Voor biobrandstof. De tijd zal het leren of dit een goede ontwikkeling was. Wij zagen er in ieder geval geen ree meer door. We betraden paden waar we nog nooit waren geweest. Maar ook hier stikte het van de bomen. Op een gemaaide maisveld (ja hoor) zagen we een vlinder badend in de zon. Het was het Bonte Zandoogje.

DSCF0668_2 Op een paar gespannen lakentjes op de rug na was ze geheel bloot. Zachtjes werd ze wakker en keek recht in een drietal lenzen van fotocamera’s. Verontwaardigd om haar geschonden privacy vloog ze verder. In het landschap kwamen we soms een kunstuiting tegen. Op een schildersezel werd met een plaquette historisch  e feitjes duidelijk gemaakt. Hier deed Yeti een zeldzame ontdekking. De bliksem had een brandplek veroorzaakt in het gras. Hoe vaak kwam je dat tegen zat hij ernstig te mijmeren. Dit is pure toeval dat we dit tegen kwamen in de natuur. Een roep van een mede-SusScrofa deed hem wakker worden uit zijn mijmeringen. ‘Hier nog eine’, riep een zwijn. En ja. Een tweede brandplek was zichtbaar in het gras. Yeti was zichtbaar geroerd, zulke zeldzame verschijnsels en dat vlak naast elkaar, het werd hem bijna teveel. Wat moest dat een hevig onweer zijn geweest. De rest van de troep had toch het donkerbruin vermoeden dat het kwam van laswerkzaamheden aan de brug aldaar. We gingen gauw verder. De natuur in Dorgen werd de laatste jaren stormenderhand veroverd door een bijzonder plant, de Spring-Balsemien. Overal zag je die plant opdoemen. De plant bracht nog een kleurtje in de grote kleurenpracht van de herfst. De kardinaalsmuts was met zijn felle rode/roze/gele kleur de topper en stak iedereen de loef af. BamBam vond verderop de ingang van het Dodenrijk. Verwoed deed hij een poging deze klep te openen. Gelukkig voor hem en ons bleef het Rijk gesloten. Je zal Pierlala maar chagrijnig uit die buis zien stappen. Onze aandacht werd afgeleid. Een kano met kranige dames kwam voorbij. Stoere meiden die tegen de stroom in roeiden. We trokken verder en vonden een insekt met een lange achterlijf. Het was een Houtsluipwesp. DSCF0683_2 DSCF0705Als Oehoeboeroe hier was geweest was het een NAMpijp-Kapsonesmug geworden. We richten ons op en keken rond. De natuur stond op deze prachtige septemberdag er gewoon schitterend bij. De geknaagde boomstammen, de diverse bladerkruinen en de staalblauwe lucht. Daar zagen we ooievaars vliegen op duizelingwekkende hoogte. Slechts als bijna onzichtbare stipjes waren ze te zien. Wellicht op zo’n 3 kilometer hoogte. De aanlegsteiger in de Hase daarentegen lag bijna op de bodem, zo laag stond het water. En wederom deden we in het gras een prachtige natuur ontdekking. Een kever met een geel/zwarte dekschild. Een Doodsgraver. BamBam had die klep naar de onderwereld iets eerder dicht moeten gooien. Gewillig liet de kever zich kieken en verdween in de grond. Ik zie jullie later leek hij te zeggen. Nou mooi niet, alleen al om die reden vier ik mijn Grote-Finale op de BBQ. We naderden de Hase-Brucke. Vanaf deze brug namen we afscheid van onze schaduwen. Je moet toch wat. We ruimden onze spullen op, bliezen nog een blik soep op, en namen we elkaar afscheid. Dorgen was ook in september 2012 voor ons een goede gastheer geweest. Rest me nog te zeggen, Moed Broeders, Struikel niet.    Vliegend Hert

8 of 16
456789101112